Posts tonen met het label perfectionisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label perfectionisme. Alle posts tonen

zondag 4 maart 2012

Liefde van buiten, liefde van binnen 1

The plot thickens’ - zo klinkt het wel eens in detective- of spionageverhalen. De held vindt een aanwijzing die opeens een heel scala aan gebeurtenissen in een ander licht stelt, de boosaardige machtswellusteling aan het roer van een misdaadorganisatie zet zijn snode plannen in werking, twee vreemdelingen blijken aan elkaar verwant te zijn. Wie veel films kijkt, weet vast wel wat ik bedoel: het moment vlak voor de laatste acte, het ogenblik dat het duidelijk wordt dat de ontknoping eraan komt, als de verschillende verhaallijnen elkaar opeens beginnen te kruisen en je als kijker of lezer een vaag idee begint te krijgen van de afloop die de verteller op het oog heeft. Het heeft er misschien nooit hopelozer uitgezien voor de hoofdpersoon, maar je weet dat er een omkeer gaat komen. Je ziet het eerste licht van het ‘happy end’ al glooien aan de horizon.
In mijn eigen leven ken ik ook zulke momenten. Momenten dat ik een lijn begin te ontwaren in wat mij overkomt, momenten dat mijn gedachten over verschillende onderwerpen als puzzelstukken in elkaar beginnen te vallen, momenten dat opmerkingen en commentaren van anderen eindelijk tot me door beginnen te dringen. Het zijn momenten dat ik me plotseling realiseer dat er een nieuw hoofdstuk in mijn leven gaat aanbreken. Momenten dat ik merk dat er verandering in de lucht zit. En zelfs al zou ik me vergissen in mijn interpretatie van mijn leven, dan ben ik in elk geval naar die verandering gaan verlangen. En volgens mij is het precies dat wat verandering mogelijk maakt.
Dit is zo’n periode waarin voor mij een paar dingen samen vallen. Omdat ik er nog middenin zit, is het nog moeilijk de precieze contouren van deze ‘plottwist’ te omschrijven. Bovendien is een publieke internetsite niet de meest geschikte plek om zo open over jezelf te publiceren, maar omdat ik ook gevolgen voorzie voor de continuïteit van deze blog, wil ik jullie toch laten delen in de grote lijnen van deze omwenteling.

De verhaallijnen die ik nu in mijn leven ontwaar, zijn natuurlijk al langer geleden in gang gezet, maar ik werd me er drie weken geleden pas echt van bewust. Op een maandagavond begin februari was ik in Utrecht aanwezig bij een heel interessante bijeenkomst. Ik mag daar verder van de organisatie niets over zeggen dus over het onderwerp en de aanwezigen heb ik het niet in dit bericht. Voor mij lag het succes van deze avond ook niet in de plenaire discussie (hoe boeiend die ook was), maar in een gesprek dat ik had met een van de aanwezigen. Hoe het gebeurde, weet ik niet meer precies, maar onze conversatie werd al snel behoorlijk persoonlijk. Ik vertelde over mijn ervaringen met de kerk, over het opgroeien in een strenge geloofsgemeenschap, waar ik de regels en eisen ook nog eens heel serieus opnam, en hoe ik overspannen werd van het doen van bijbelstudie. Ik vertelde ook over de moeite die ik heb met het bezoeken van de evangelische kerk: hoe ik mezelf steeds schuldig en veroordeeld voel omdat ik niet genoeg presteer en niet hard genoeg werk.
Mijn gesprekspartner herkende veel uit mijn verhaal. Hij had zelf ook jarenlang geworsteld met schuldgevoelens en schaamte. Hij wist (net als ik) met het verstand dat God van hem hield, en dat hij door genade gered was. Maar het was lang geen realiteit van binnen. Hij moest het steeds tegen zichzelf zeggen, van buitenaf, maar diep in zijn hart geloofde hij het niet werkelijk. Tot hij vorig jaar opeens een doorbraak meemaakte. Hij was op een grote christelijke bijeenkomst. Ironisch genoeg juist een van die bijeenkomsten waar (volgens mij) vaak verplichtende boodschappen worden gebracht (vooral rond de collectes). Zo dacht de ander er ook over, maar hij was gevraagd er een presentatie te geven, en omdat het hem geld en klandizie opleverde, had hij ingestemd. Een paar minuten voor hij het podium opging, drong opeens het besef dat hij door God geliefd was bij hem binnen. En nu niet alleen rationeel, van de buitenkant, maar van binnen, in zijn hart. Hij kon er niet aan twijfelen. De tranen liepen over zijn wangen (wat niet helemaal het juiste moment was, omdat hij even daarna moest optreden). Hij zei dat deze ervaring hem blijvend had veranderd. Dat de liefde van God voor hem niet meer iets was waar hij aan twijfelde, maar iets waar hij zeker van was.

Zijn woorden raakten me. In de eerste plaats omdat ik me opnieuw realiseerde dat ik inderdaad in mijn hart niet werkelijk accepteer dat God onvoorwaardelijk van mij houdt. Oh, ja, ik zeg het wel. Ik ben er rationeel ook van overtuigd. Ik kan het ook verdedigen met tal van argumenten. Maar diep van binnen geloof ik het niet. Als iemand tegen me zegt dat God van mij houdt, zal ik dankbaar ‘ja’ knikken. Maar die woorden dringen niet diep tot me door. Ze stuiten namelijk op een stem die zegt dat het niet mogelijk is. Het evangelie kan niet zo goed zijn. God kan niet zomaar van mij houden. Ik moet er zelf iets voor doen. Ik moet beter zijn dan ik nu ben, productiever, geestelijker, zuiverder. Ik moet ... (het woord ‘moeten’ is nooit ver te zoeken in mijn gedachten). Die overtuiging in mij, dat God niet van mij kan houden zoals ik ben, zorgt voor een betonnen schil om mijn hart, die alle boodschappen over Gods liefde effectief tegenhoudt.
En vaak ben ik me er niet eens van bewust, totdat iemand me erop wijst, zoals mijn gesprekspartner die avond. Omdat ik met mijn verstand geloof in de genade en ervan overtuigd ben dat God van me houdt zoals ik ben, zie ik het niet bij mezelf als ik mezelf toch weer verplichtingen opleg en vindt dat ik mezelf moet veranderen. Een paar maanden geleden schreef ik een brief aan mezelf op deze blog met de boodschap dat ik mocht leren mezelf te zijn: heel mooi en ik sta er ook echt achter. Maar in deze brief aan mezelf had ik het erover dat ik worstelde met passiviteit, en dat ik wel tot het eind van mijn leven met de zonde van passiviteit zou blijven worstelen. Ik liet de blog lezen aan een goede vriend. Die vond het een goed, maar lang stuk. Hij had alleen een opmerking over die passiviteit. Volgens hem was ik immers niet passief. Als ik in een museum rondliep, of in een boekwinkel, was ik verre van passief. Of als ik enthousiast vertelde over een film of een idee. Ik ben alleen niet zo geïnteresseerd in het huishouden, dus heb ik nooit veel zin om me daartoe te zetten. Maar dat betekent niet dat ik passief ben.
Sterker nog: mijn valkuil is eerder dat ik te veel doe. Ik heb het namelijk vorig jaar al van mensen gehoord dat ze verbaasd waren over mijn volle agenda en mijn vele afspraken (en dat voor een introvert: ook al zou ik liever alleen zijn, ik vind dat ik een volle agenda moet hebben. Over moeten gesproken ...). Maar ook de afgelopen maanden hebben mensen hun verbazing uitgesproken over hoeveel ik schrijf op mijn blog (ik vind het nog steeds te weinig), over hoeveel ik lees (nog niet eens een boek per week!) en hoeveel ik onderneem. Maar toch: voor mij voelt het nooit alsof ik genoeg doe! Dat gevoel heeft dus niks te maken met de realiteit van mijn leven. Ik denk dat ik er eerder voor mag kiezen wat vaker te rusten, dan nog meer activiteiten te ondernemen. Ik werk eerder te veel dan te weinig.

Hoewel ik me dus vaak niet bewust ben van die innerlijke stem van het moeten, beïnvloedt hij nog steeds mijn gedrag, en ook mijn schrijven. Begin vorig jaar had ik al een gesprek met iemand die mijn boek gelezen had, en die (volgens mij terecht), concludeerde dat ik nog probeerde mezelf te overtuigen. Ik schreef wel heel mooi over vrijheid, maar niet met de werkelijke overtuiging dat het waar was wat ik schreef. Mede daarom had ik er ook zoveel woorden voor nodig, en herhaalde ik steeds dezelfde punten. De laatste maanden op mijn blog heb ik heel veel geschreven over de zwakheid van de menselijke wil, de moeite die we hebben om onszelf te veranderen, en mijn worsteling met de eisen en verwachtingen van de evangelische kerk. In blogbericht na blogbericht hamer ik op dit punt. Maar de passie er achter komt voor een deel uit een ongezonde bron, namelijk dat ik van binnen nog steeds geloof dat ik mezelf moet veranderen, dat ik aan mezelf moet werken, dat ik niet goed genoeg ben zoals ik ben.
In de Verenigde Staten waren er een paar televisiedominees die heel hard tekeer gingen tegen homoseksualiteit. Meerdere van hen werden uiteindelijk zelf betrapt met een gigolo, of bleken er een homoseksuele relatie op na te houden. Daaruit blijkt het principe dat je het hardst afzet tegen hetgene waar jezelf problemen mee hebt. Waar je het meest tegen ageert, is waar je het meest mee worstelt. Als ik me dus fanatiek blijf afzetten tegen wetticisme, is dat niet omdat ik vrij ben, maar omdat ik van binnen nog wettisch ben. Als ik er keer op keer op hamer dat er niets ‘moet’, is dat omdat ik zelf nog zo veel ‘moet’. Ik kan het niet los laten, lijkt het, hoewel ik het punt al lang gemaakt heb. Wat ik schrijf is dus ‘gekleurd’ door mijn achtergrond, maar omdat ik zelf niet bewust ben van die achtergrond, ervaar ik het als een aanval als ik kritiek krijg. Terwijl er inderdaad heel wat te nuanceren is in mijn betogen! Er is ook een andere kant aan het verhaal. Ik heb de wijsheid niet in pacht. Dat kan ik echter niet accepteren vanwege die gevoeligheid die er achter schuilt. Van mijn blogberichten hangt dus voor mezelf veel af. Terwijl ik zeg dat ik mijn identiteit niet moet laten afhangen van wat ik doe, en ook niet van wat ik schrijf, doe ik dat wel, en zijn mijn blogberichten voor mij een bron van mijn identiteit. Zoals Paulus het zegt: “Ik ellendig mens, wie kan mijn verlossen uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood?” (Romeinen 7).

In het vervolg op dit bericht probeer ik de andere kant van dit verhaal weer te geven - de hoop die ik heb op verandering.

zaterdag 12 februari 2011

De kathedraal van zeker weten 1 - het kaartenhuis is wankel

En opnieuw plunder ik een paar van mijn bijdragen aan de discussies op de christelijk satirische weblog Goedgelovig van de afgelopen weken. Iemand heeft namelijk ooit het advies gegeven dat je als schrijver moet zorgen dat je pennenvruchten meerdere keren gebruikt kunnen worden. En dat advies heb ik me ter harte genomen. Ik denk bovendien dat het onderwerp een wat meer uitgebreide bespreking op mijn blog verdient. Een van de reageerders op de weblog stelde namelijk dat hij op drie punten honderd procent zeker was. “Van het bestaan van God, van het feit dat God goed is en van de betrouwbaarheid van het evangelie.” Zijn overtuiging was onwankelbaar. Hij kon stellen: “Ik weet 100 procent zeker dat ik nooit zal twijfelen aan Gods bestaan.” Dit was volgens hem ook wat geloven inhoudt: volkomen zeker zijn, want de bijbel zegt ergens: “Geloof is de zekerheid van wat men hoopt en de overtuiging van wat men niet ziet.” Het staat iedereen natuurlijk vrij om dat te zeggen, we leven per slot van rekening in een land waar we mogen genieten van de vrijheid van meningsuiting. En wie ben ik om te tornen aan iemands ervaring van volkomen zekerheid? Toch vraag ik me sterk af of het voor mensen mogelijk is ergens volledig zeker van te zijn. Ik vermoed zelfs dat het claimen van volkomen zekerheid gevaarlijk kan zijn. En ik denk dat wat Jezus van ons vraagt in reactie op zijn openbaring niet te omschrijven is als ‘volkomen zekerheid’, maar als ‘vertrouwen’. En vertrouwen is een keuze, juist tegen onzekerheid in.

Volkomen zekerheid claimen op welk gebied dan ook, is gevaarlijk, is mijn ervaring. Je loopt altijd de kans dat je gedwongen wordt je standpunt te herroepen. In boeken die het scheppinggeloof verdedigden werd bijvoorbeeld geclaimd dat er geen tussenvormen waren tussen vis en amfibie, tussen reptiel en zoogdier en tussen reptiel en vogel. Ze zouden ook nooit gevonden worden, was de vaste overtuiging. De mogelijkheid van tussenvormen werd zelfs met grappige tekeningen belachelijk gemaakt. Ondertussen zijn er tal van tussenvormen gevonden op al deze gebieden. We hebben een heel goed idee hoe vissen het land op kwamen, hoe het binnenoor van zoogdieren zich ontwikkelde, hoe bepaalde hoefdieren het ruime sop kozen en evolueerden tot walvissen en hoe dinosauriërs uiteindelijk begonnen te vliegen. In dezelfde boeken werd stellig geclaimd dat ons zonnestelsel uniek is, en werd eraan getwijfeld of er wel planeten rond andere sterren bestonden. Ondertussen blijkt ons zonnestelsel verre van uniek en zijn er honderden planeten ver weg gevonden, zelfs planeten die zich bevinden op een afstand van hun ster die leven mogelijk maakt. Een vriend van mij beweert dat er nooit buitenaards leven zal worden gevonden. Hij is er volkomen van overtuigd. Maar het wordt steeds duidelijker dat er op Mars, op de Saturnusmaan Titan en op de Jupitermaan Europa omstandigheden voorkomen die geschikt kunnen zijn voor de overleving van bacteriën of andere levensvormen. Wat moet die vriend van mij als een sonde terugkomt met bewijs dat er wel degelijk leven is buiten de Aarde? Wat betekent dat voor de andere waarheden waar hij honderd procent van overtuigd is? Het zou leiden tot een existentiële crisis. Hij zou er zelfs zijn geloof door kunnen verliezen.
Dat was namelijk wat in mijn geval bijna gebeurde. Ik had geleerd dat ik honderd procent zeker moest zijn van een schepping in zes dagen. Het geloof hing daarvan af. Als ik dat los zou laten, zou ik al snel het hele geloof in God loslaten. En ik was dus honderd procent overtuigd dat creationistische schrijvers gelijk hadden. Tot hun grote uitspraken, als die over de tussenvormen, en die over dateringsmethoden, en over kosmologie, niet in overeenstemming bleken met de waarheid. Elk nieuw fossiel, elke nieuwe publicatie, deed het kaartenhuis van mijn zekerheid wankelen. Als er inderdaad een fossiele slang met pootjes werd gevonden, betekende dit dat de evolutietheorie waar was, en (dacht ik op dat moment) dat God dus niet bestond. Ik liep in die periode regelmatig piekerend door Leiden. Uiteindelijk stortte het kaartenhuis in. De zekerheid die ik claimde te bezitten bleek een valse vorm van zekerheid te zijn.
Ik beschouw mezelf nog steeds als gelovige. Maar ik weet dat ik met enige regelmaat twijfel aan het bestaan van God. Ik zie tal van redenen om niet te geloven, al was het alleen maar dat ik God niet kan zien. Gecombineerd met het gedrag dat ik zie in de kerk en bij gelovigen, kan ik mij heel goed voorstellen waarom mensen niet in het goede nieuws zouden geloven. Mij overvalt wel eens de gedachte dat ik mezelf voor de gek houdt. Dat ik mijn geloof gebruik om de waarheid niet onder ogen te hoeven zien. Ik geloof niet dat ik in dit leven op aarde ooit nog zal kunnen zeggen dat ik honderd procent zeker ben van wat ik geloof. Maar mij beangstigt dat niet meer. Ik ben bereid mijn eigen beperktheid te accepteren. Ik ben bereid om ‘zwak’ te geloven.

Filosofen vragen zich al van het begin van de tijd af of wij mensen iets zeker kunnen weten en zo ja, wat dan? Iemand als Descartes schaafde alles wat niet volledig zeker was weg, tot hij het feit van zijn eigen denken overhield. Hij dacht, dus hij kon zeker weten dat hij bestond. En daarop baseerde hij de conclusie dat de wereld buiten hem ook bestond en dat God bestond en zo voorts. Maar recente ontdekkingen trekken zelfs de waarneming dat wij denken in twijfel. Het blijkt namelijk dat onze hersenen al keuzes maken voordat wij er bewust van zijn dat we kiezen. Veel besluiten we onbewust, op basis van psychologische mechanismen, waarna onze ratio ons redenen voorhoudt waarom we de beslissing in kwestie zouden hebben genomen. We zijn niet zo rationeel als we denken dat we zijn.
Het punt is: we zijn beperkte mensen. Ten eerste kunnen we niet de hele werkelijkheid kennen - die is te groot en onze zintuigen zijn beperkt. Ten tweede worden wij zelf voor een groot deel geregeerd door onbewuste impulsen en vooroordelen. We zien de wereld door een gekleurde bril, maar we weten niet welke kleur die heeft. We kunnen zelf dus niet beoordelen in hoeverre onze conclusies over de wereld die wij waarnemen overeenkomen met de werkelijkheid. Bovendien geloven we als christenen dat we van het beeld van God zijn afgeweken en dat een zekere zelfzucht sindsdien al ons doen en denken kleurt. Zelfs onze gerechtigheid is volgens de bijbel als een bezoedeld kleed. Elke conclusie, elke theorie, elke overtuiging die we hebben is gebaseerd op een proces in onze gedachten, een redenatie, een serie van logische stappen. Maar onze feilbaarheid maakt dat geen van deze stappen honderd procent betrouwbaar is.
Dit is een van de behulpzame dingen die ik geleerd heb van het postmodernisme: onze gedachten over de waarheid zijn niet gelijk aan de waarheid zelf. Het boek Water, Wijn en Waarheid van Henk P. Medema was voor mij op dit gebied een ‘eye opener’. ‘Wij hebben de waarheid niet in pacht’, schrijft hij daarin. ‘We geloven wel dat er een absolute waarheid is, maar we zouden niet moeten claimen dat er een objectieve waarheid is … We zijn gedwongen onze eigen subjectiviteit toe te geven.’ De bijbelse Prediker lijkt op sommige punten een voorloper van dit postmodernisme. ‘Wees niet al te rechtvaardig’, houdt hij ons voor, ‘en meet jezelf geen overdreven wijsheid aan … Houd het ene vast en laat het andere niet los’. Je moet er volgens Prediker in de praktijk rekening mee houden dat je als mens niet alles kunt weten: ‘Al zegt de wijze dat hij inzicht heeft, ook hij is niet in staat de zin [van wat God doet] te vinden’. En in het nieuwe testament wijst Paulus erop dat we nu de waarheid niet kunnen kennen, want we zien ‘als door een spiegel, in raadselen’ .

Dus zal ik nooit zeggen dat iets wat ik weet/geloof de ‘waarheid’ is. Van dat onderscheid ben ik me bewust. Dus wil ik steeds kritisch blijven kijken naar mijn eigen overtuigingen en zekerheden, omdat ik weet dat die feilbaar zijn en getekend door mijn gebroken menselijkheid. Dat wil niet zeggen dat ik geloof dat er geen waarheid bestaat. Maar mijn greep op die waarheid kan slechts los zijn. Op Goedgelovig haalde een van de reageerders een uitspraak aan van de Dalai Lama, die werd gevraagd naar het conflict tussen geloof en wetenschap. De interviewer vroeg hem wat hij zou doen als zou worden bewezen dat reïncarnatie onmogelijk was. De Dalai Lama liet weten dat hij dan zijn geloof in de reïncarnatie zou opgeven. “Maar ik verwacht niet dat zoiets snel zal gebeuren”, voegde hij eraan toe. Zijn greep op wat hij beschouwde als de waarheid was zo los, dat hij haar kon loslaten als dat nodig mocht zijn, zonder in een existentiële crisis te geraken. Maar tegelijk was zijn overtuiging wel robuust - zijn geloof in reïncarnatie zou niet bij het minste of geringste zuchtje wind omvallen. Hoewel ik het niet met de Dalai Lama eens ben - ik geloof tot nu toe niet in reïncarnatie, op grond van voor mij overtuigende redenen - vind ik zijn nederige instelling goed. Het maakt duidelijk dat er in principe met hem te discussiëren valt - hij wil naar anderen luisteren, hun argumenten op waarde schatten zonder ze uit principe direct te verwerpen, hij zou te overtuigen zijn. Ik geloof dat wij als christenen ook gebaat zouden zijn bij een houding van nederigheid ten aanzien van de waarheid.

Dit blogbericht gaat al weer langer worden dan ik van tevoren in gedachten had. Dus knip ik het maar in tweeën. Dat haalt het aantal berichten op mijn blog ook weer verder omhoog, zij het op een wat kunstmatige manier (maar dat vind ik niet erg). Morgen dus het vervolg!

donderdag 2 december 2010

Bizarre insecten, oude kogellagers, filmopeningen, perfectionisme en evolutie

Surreële insecten.

Het blijft een intrigerend raadsel: hoe mensen lang geleden de reusachtige stenen van Stonehenge (je weet wel, dat mysterieuze bouwwerk in Engeland) wisten te vervoeren. Het blijkt nu dat ze waarschijnlijk een soort houten rails bouwden en de rotsblokken vervoerden met behulp van houten of stenen stenen kogellagers. In elk geval zijn bollen die als kogellagers konden dienen gevonden, moet het transportsysteem het landschap niet ingrijpend hebben beschadigd, en een nagebouwde versie werkte uitstekend.

Okee, de aankondiging van de NASA ging niet over de ontdekking van buitenaards leven, maar wel over een nieuwe vorm van leven op Aarde, namelijk een bacterie in Mono lake (Californië) die in zijn DNA in plaats van fosforatomen arsenicum gebruikt. Dit betekent dat leven ook zou kunnen voorkomen op planeten zonder fosfor, maar met arsenicum. Paul Abspoel reageert op cynisch commentaar wat de EO over deze ontdekking zou moeten vinden.

Een geeky bed: met een Dr. Who-thema.

SF-schrijver Vernor Vinge komt met een nieuw boek. Wat ik van hem gelezen heb, vond ik erg goed.

Nieuwe informatie over de opvolger van Indiana Jones: de verfilming van Uncharted.

Voor de lijstjesliefhebbers en filmliefhebbers: 25 fantastische openingen.

Een visie op de kerk waar ik me wel in kan herkennen. "Ik droom van christelijke gemeenschappen, kerken zo je wilt, die thuis in kleine groepen met elkaar eten, voor elkaar bidden, en van elkaar gaan houden, op zo’n manier dat je werkelijk je leven zou geven voor je broer of zus zoals Jezus dat voor de wereld gedaan heeft.Ik droom van gemeenschappen zonder dominees en ambtenaren, maar met herders en leraars en profeten. Geen voorgangers die hoog in aanzien staan, die alleen de wijn mogen schenken of de doop mogen bedienen, maar door God gezalfde mensen die midden onder de mensen leven, hun geen ellenlange preken voorschotelen maar een geestelijke levenshouding."

Wijze woorden over perfectionisme, iets waar ik ook mee worstel: "Perfectionism is not the same thing as striving to be our best. Perfectionism is not about healthy achievement and growth; it's a shield. Perfectionism is a 20-ton shield that we lug around thinking it will protect us when, in fact, it's the thing that's really preventing us from being seen and taking flight."

Volgens de Internetmonkblog leven we in de tijd 'er tussenin' - de tijd dat we wachten op de verlossing die komt. "We know we can’t go back to some golden age in the past. We know we have not yet arrived at the new creation promised to us. We live in-between. We long for in-between to end. Like children in the back seat, we must be a continual annoyance to our Father—“Are we there yet?”"

Een van mijn eigen argumenten om te geloven in een langere ontstaansduur van het heelal en het leven (oftewel: aan te nemen dat de manier waarop God die dingen maakte door de evolutietheorie wordt beschreven), is de overeenkomst met het ontstaan van de individuele mens uit eicel en zaadcel. Hetzelfde punt wordt op Jesus Creed gemaakt: "Embryological and evolutionary processes are both teleological and ordained by God. At conception, the DNA in a fertilized human egg is fully equipped with the necessary information for a person to develop during the nine months of pregnancy. Similarly, the Creator loaded into the Big Bang the plan and capacity for the universe and life, including humans, to evolve over 10-15 billion years. Second, divine creative action in the origin of individual humans and the entire world is through sustained and continuous natural processes. … evolution is an unbroken process that the Lord sustained throughout eons of time. "