Posts tonen met het label wet. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wet. Alle posts tonen

donderdag 26 december 2013

God is niet de kerstman (3 en slot): Cadeaus zijn er om mee te spelen

De laatste weken spreek ik weer vaker met God terwijl ik naar mijn werk loop. Ik heb een hele tijd niet gebeden. Gewoon omdat het verlangen er niet was. En dat verlangen was er niet, omdat ik niet kon geloven dat God werkelijk van me houdt, zoals ik ben. Maar het was ook voor mij goed om afgelopen maand te schrijven over het sacramentele beeld van Jezus’ dood en opstanding, als teken dat God onvoorwaardelijk van me houdt, omdat het zijn natuur is. Het idee dat Hij me eigenlijk zou moeten afwijzen en veroordelen, begint langzaam te slijten. Dus durf ik weer naar Hem te luisteren. Maar terwijl ik met God praatte, en me realiseerde dat Hij van me houdt, kreeg ik het idee dat ik hem nu moest bedanken voor zijn liefde. Ik dacht dat ik hem daarvoor moest aanbidden. Maar terwijl ik bewoordingen daarvoor in mijn gedachten ging formuleren, voelde ik de afstand tussen Hem en  mij groter worden, alsof zijn aanwezigheid verdween. Ik besloot hem te vragen of ik hem moest danken of aanbidden. Het antwoord dat ik kreeg verraste me. Ik hoefde hem niet te danken of te aanbidden, ik hoefde geen gebed uit te spreken als dank voor zijn liefde. Er was niets dat ik voor hem terug moest doen in ruil. Het was voor Hem genoeg om toe te kijken hoe ik genoot van het besef geliefd te zijn. Hij genoot ervan te zien hoe ik leefde als geliefd kind van God. Toen dat tot me doordrong, ervoer ik een diepe rust bij me van binnen.

Maar nu vind ik het alweer moeilijk voor te stellen. Het blijft moeilijk te accepteren dat God ons zomaar zou kunnen liefhebben, gewoon omdat hij ervoor kiest, gratis en voor niets. Kijk maar eens naar het personage Javert uit de musical (en het boek) Les Miserables. Hij heeft Valjean willen gevangennemen, hij heeft hem jarenlang achterna gezeten. Dan krijgt Valjean de kans hem te doden, om voor altijd van hem af te zijn. Maar Valjean weigert. Hij laat Javert zelfs gaan, en vertelt hem waar hij te vinden is, als Javert hem zou willen arresteren. Er is niets waardoor Javert er recht op kon laten gelden dat Valjean van wraak zou afzien. Maar Valjean doet het toch. Javert kan daar echter niet mee leven. Hij wil niet leven in een wereld waarin zomaar genade kan worden geschonken, waarin zondaars vrijuit kunnen gaan, waarin mensen niet krijgen wat ze verdienen. Hij kan niet leven in een niet transactionele wereld. Leven in een wereld van onvoorwaardelijke liefde, van vrijheid, is voor hem veel moeilijker dan leven onder het juk van de wet. En dus pleegt hij zelfmoord. Hij is als de oudste zoon in de gelijkenis van Jezus, die er bewust voor kiest niet naar het feest te gaan dat de vader voor de jongste zoon heeft georganiseerd, omdat hij niet wil leven in een wereld waar een gemest kalf wordt geslacht voor iemand die de erfenis verbrast heeft. Hij is als de Farizeeën, die buiten het koninkrijk bleven en anderen daar uit weg hielden, omdat ze niet wilden leven in een wereld waar overspeligen, tollenaars en melaatsen zomaar de aanwezigheid van God konden binnengaan en met open armen ontvangen konden worden, terwijl ze niet aan de regels hadden voldaan.
Het is helemaal niet makkelijk te geloven dat God onvoorwaardelijk van ons houdt. Dat zeggen mensen wel eens, maar het is niet zo. Het leven in de realiteit van God liefde, beseffen dat je er niets voor kunt doen, is heel erg moeilijk. Daarom sluipen er bij ons zo snel weer transactionele elementen in. We weten dat het niet zo kan zijn dat God van ons houdt omdat we in moreel opzicht goed zijn, of ervoor kiezen hem te dienen. Maar we hebben er moeite mee te geloven dat God zomaar van ons zou houden en ons vrijlaat om hem te dienen of niet. Dus draaien we het vaak om: Omdat God van ons houdt, worden wij geacht ervoor kiezen dat we hem dienen. Kijk maar in de gemiddelde evangelische kerk. Er wordt gezegd dat God wil dat we vrij zijn en dat we goed moeten zijn uit onze eigen keuze. Maar vervolgens blijkt dat we toch het een en ander zouden moeten.
Ik heb het wel eens horen zeggen dat God niet is als Sinterklaas of de Kerstman. Hij is niet een knuffelbare goedzak, die ons zomaar cadeautjes geeft. Daarom zouden we ernaar moeten verlangen uit de bijbel te lezen. We zouden ernaar moeten verlangen te evangeliseren.  Als we dat niet doen zijn we geen goede christenen. Als we onze hoed oplaten in de kerk, hebben we geen respect voor God. We kunnen kennelijk niet blijven zoals we waren, want God verwacht nu van ons dat we ons best voor Hem gaan doen. En dat ons hele leven lang.

Dit is hoe wij als mensen met cadeaus omgaan. Ik denk aan een kerstaflevering van comedyserie The Big Bang Theory, waarbij het personage Sheldon uitlegt dat er verwacht wordt dat als iemand je een cadeau geeft, je een cadeau teruggeeft van ongeveer dezelfde waarde. Je wilt met kerst ongeveer hetzelfde geven als je van de ander hebt gekregen. Omdat hij niet kan inschatten wat iemand hem zal geven, koopt hij alvast verschillende cadeautjes van verschillende waarde, zodat hij goed voorbereid is ... Maar dan krijgt hij het ene cadeau dat voor hem onbetaalbaar is: de handtekening van Spock-acteur Leonard Nimoy ...
Sheldon had het goed begrepen: zelfs het uitwisselen van cadeaus is voor ons een sociale transactie. Het concept van een ‘onvoorwaardelijk geschenk’ is voor ons erg moeilijk te begrijpen. Vaak wordt door christenen de waarschuwing tegen ‘goedkope genade’ van Dietrich Bonhoeffer aangehaald. We praten wel over genade, maar het is kennelijk genade die ons ook iets moet kosten. Maar waarom zouden we dan nog het woord genade gebruiken? Waarom zouden we dan nog Efeze citeren: ‘Door zijn genade bent u gered, dankzij uw geloof. Maar dat dankt u niet aan uzelf; het is een geschenk van God en geen gevolg van uw daden’ (Efeze 2:8,9)?
We gebruiken het woord ‘genade’ zoals het meisje in het voorbeeld van Bob George. In zijn boekje Classic Christianity vertelt hij hoe hij een meisje met een driewieler zag rondrijden, terwijl ze riep: ‘Gratis ritjes voor een kwartje!’ Nieuwsgierig hield hij haar staande, en vroeg haar waarom ze zei dat het gratis was, als mensen moesten betalen. Ze antwoordde dat als ze niet zou zeggen dat het gratis was, niemand een ritje op haar driewieler zou willen maken. Net zo is het volgens Bob George gesteld met de kerk. Mensen krijgen te horen dat ze gered zijn door het werk van Jezus, zonder dat ze er iets voor terug kunnen doen. Ze komen tot geloof. Vervolgens horen ze in de kerk echter niet meer dat goede nieuws, maar gaat het zondag na zondag over wat hoe ze nu ze gered zijn eigenlijk voor God moeten leven. Dat kan soms nog vrij subtiel zijn, getuige het klassieke voorbeeld, dat ik al vaker heb aangehaald: ‘God houdt van je zoals je bent, maar hij houdt teveel van je om je zo te laten’. Het is het een of het ander. God houdt van me zoals ik ben, of hij houdt niet van me zoals ik ben. Dus als deze uitspraak waar zou zijn, kan ik me dus nog steeds niet werkelijk door God geliefd weten, omdat ik weet dat ik nog niet ben zoals Hij wil dat ik ben. Ik moet nog steeds werken tot ik overspannen ben. Kortom, we gebruiken als christenen misschien soms sacramentele woorden, maar onze boodschap blijkt uiteindelijk toch transactioneel te zijn.

Als we zeggen dat genade niet goedkoop mag zijn, veranderen we de genade onherroepelijk in de wet. Genade moet gratis zijn. Anders is het geen genade. Als je er iets voor terug moet doen, houdt het op genade te zijn, hoe klein het stukje ‘wet’ of ‘transactie’ misschien ook is. Het besmet je hele theologie. Volgens mij is dit wat Jezus ‘de zuurdesem van de Farizeeën’ noemt - hij waarschuwt zijn discipelen dat ze daar niet mee besmet moeten worden (Matteus 16:6). ‘Weet u niet dat een beetje desem het hele deeg zuur maakt?’, zegt ook Paulus. ‘Doe de oude desem weg en wees als nieuw deeg!’ (1 Korintiers 5:6,7). Hij waarschuwt in Galaten: ‘Als u probeert door God als een rechtvaardige te worden aangenomen door de wet na te leven, bent u van Christus losgemaakt en hebt u Gods genade verspeeld’ (5:4). Ik denk zelfs dat dit ten diepste is wat Paulus bedoelt als hij zegt dat we niet gelijkvormig moeten worden aan de wereld, dat we ons niet in die mal moeten laten gieten (Romeinen 12:2). Hijzelf was in elk geval zijn goede leven volgens de wet omwille van Christus als verlies gaan beschouwen. ‘Sterker nog, alles beschouw ik als verlies’ (Filippenzen 3:8). We moeten sterven aan die hele manier van denken, van het ‘voor wat hoort wat’ van onze medemensen, aan het systeem van transactie. Dat moeten we ‘als afval weggooien’. Trouwens, dat was wat we toch al moesten, om ruimte te maken voor het geschenk van het eeuwige leven in ons. Zoals Paulus zegt: ‘Ik wil Christus kennen en de kracht van zijn opstanding ervaren, ik wil delen in zijn lijden en aan hem gelijk worden in zijn dood, in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan’ (v10).
Dit is volgens mij wat onze geloofsreis inhoudt. Het is niet een keuze op een enkel moment om een bepaalde leerstelling aan te hangen, maar een keuze, elk moment van de dag, om in plaats van in de realiteit van het transactionele ‘voor wat hoort wat’-denken, te leven in de realiteit van Gods onvoorwaardelijke liefde. In de realiteit van het teken van het kruis en de opstanding, in de sacramentele werkelijkheid. Dit is wat Paulus bedoelt als hij zegt dat hij een met Christus wil zijn ‘niet door mijn eigen rechtvaardigheid omdat ik de wet naleef, maar door die van God, de rechtvaardigheid die er is door het geloof in Christus’ (v9).
Dit is wat Wayne Jacobson ‘Living Loved’ noemt. Dit is wat Jezus ‘in de wijnstok blijven’ noemt. En dat is helemaal niet makkelijk.

Geloof ik dat God van mijn zonden houdt? Nee.
Geloof ik dat mijn keuzes God niets kunnen schelen? Nee.
Zeg ik dat ik niet verder wil groeien? Nee.
Maar moraal, inzet voor de kerk, geestelijke groei en al die dingen hebben niets te maken met de liefde van God voor mij en moeten er niet mee in verband worden gebracht. Zelfs niet een klein beetje. Die dingen liggen op een heel ander vlak. Ik wil zelfs toegeven dat je manier van leven, je moraliteit en je inzet voor de kerk dramatische gevolgen kunnen hebben, negatieve en positieve. Het loon van de zonde blijft de dood. Meer bijbellezen geeft je meer kennis van de bijbel en de wil van God, zonde ontwricht je leven en dat van anderen, en als je je niet inzet voor de kerk, loopt de organisatie daarvan minder soepel. En als je gelooft in de liefde van God, ervaar je mogelijk meer innerlijke rust en zekerheid. Het is zelfs belangrijk om goed te doen aan alle mensen, om missionair te zijn, om te dienen. God wil ons hier ook in laten groeien en maakt dat ons dan ook duidelijk. Maar niet door middel van schuldgevoel, dreigementen, en zelfs niet met hulp van beloningen. Hij nodigt ons uit om anders te leven omdat dat iets goeds is, anders gezegd: hij laat ons naar die andere manier van leven verlangen, omdat die mooier is, waardevoller, liefdevoller. De wet blijft volgens Paululs heilig, en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed (Romeinen 7:11).
Maar de wet heeft niks te maken met onze relatie met God. Of we op die manier leven of niet, heeft niks te maken met de grootte of diepte van Gods liefde voor ons. Of je goed bent of slecht, of je je inzet voor de kerk of niet, zelfs of je gelooft in bepaalde leerstellingen of niet, het heeft allemaal niets te maken met Gods liefde voor jou. Die is werkelijk onvoorwaardelijk. Of je moeder Teresa heet, of Hitler, het is Gods keuze om van ons te houden, en niets wat wij doen kan daar invloed op uitoefenen. Er is geen ‘double bind’. Geen kleine lettertjes, geen addertjes onder het gras. We hoeven zelfs niet dankbaar te zijn. We hoeven God niet te aanbidden omdat hij ons zo’n groot geschenk heeft gegeven. Het is de keuze van de kerstman om ons cadeautjes te geven, en hij geeft die aan iedereen zonder aanzien des persoons. Als je het pakket in handen krijgt, en er blijkt een racebaan in te zitten, hoef je niet iets terug te doen. Je mag er gewoon mee gaan spelen. Dat is dankbaarheid genoeg. Maar zolang je weigert het cadeau te openen, of met het geschenk te spelen, omdat je het had willen verdienen, of omdat je jezelf met anderen vergelijkt, kan je er niet van genieten, dan kan je niet ervaren wat God aan het doen is, en leidt je in dat opzicht een verloren leven. Dat zou natuurlijk zonde zijn!

Onze redding, het eeuwige leven, is dus een vrij gegeven geschenk. En alleen daardoor zijn wij op onze beurt vrij om goed te doen ‘omdat het goed is’ (for goodness sake). Een andere manier is er niet. Alleen als er geen angst is, kan de liefde zichtbaar worden. Liefde die onze vrije keuze is, liefde die voortkomt uit ons verlangen. We hebben lief omdat God ons eerst heeft liefgehad.

woensdag 25 december 2013

God is niet de kerstman (2): het cadeau van het kruis

Hoe diep ons transactionele wereldbeeld in ons geworteld zit, merk ik bij discussies over de mogelijkheid van 'alverzoening'. Mensen willen bijvoorbeeld niet geloven dat God Hitler zomaar in de hemel zou kunnen toelaten. Maar ze geloven ondertussen wel dat God henzelf in de hemel zou toelaten. Ze geloven dat ze in moreel opzicht ‘beter’ zijn dan Hitler en daarom meer recht hebben op Gods acceptatie, als was het alleen maar omdat ze in God geloven. Elke keer als we een lijn leggen, op welk gebied dan ook, leggen we die zo dat wij aan de veilige kant staan, en de ander niet. Wij gaan wel naar de hemel. Hitler niet. Wij geloven de juiste dingen over God, de ander niet. Ik had het hierover met een vriend die in dezelfde gemeente was opgegroeid als ik, en hij gaf toe dat hij zich ongemakkelijk voelde bij het idee dat iedereen al met God verzoend zou zijn. Het was niet wat we in de kerk hadden geleerd. Het voelde vaag oneerlijk. Wij hadden ons best gedaan de juiste dingen te geloven, betekende dat dan niets?

Nee, dat betekende niets. Als er een lijn moet worden getrokken, staan wij er altijd buiten, aan de zelfde kant als Hitler of Stalin. Dostoyevsky zegt in een van zijn boeken dat wij schuldig zijn aan alle zonden van de wereld. Ik eet soms vlees uit de bioindustrie, gebruik plastic verpakkingsmateriaal, reis met vervoermiddelen die koolstofdioxide uitstoten. Ik loop voorbij aan zwervers en bedelaars. Daar ben ik niet trots op, maar het is een feit. Alleen al door de dingen die ik negeer of achterwege laat, draag ik bij aan het verdoemde wereldsysteem, aan het systeem dat zwakken en kinderen verbrijzelt. Ik ben deel van het systeem dat Hitler voortbracht. Als Hitler schuldig is, ben ik dat dus ook.
Daarbij komt ook nog eens dat Gods eisen niet onze eisen zijn, zijn gedachten niet mijn gedachten. Het licht kan de duisternis niet verdragen, aldus Johannes: ‘God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis’ (1 Johannes 1:5). Dat wil zeggen dat als God inderdaad heilig is, hij het al niet zou kunnen verdragen als wij een keer schelden omdat de trein te laat is, of als we een keer een leugentje om bestwil toepassen, of snoep stelen uit de snoeppot. ‘Wie de hele wet onderhoudt, maar op een enkel punt struikelt, blijft ten aanzien van alle geboden in overtreding’ (Jakobus 2:10). We moeten immers rekening houden met Gods maatstaven van goed en slecht, niet de onze. En ‘vervloekt is eenieder die niet alles doet wat het boek van de wet bepaalt’ (Galaten 3:10). Maar zelfs al zouden we ons hele leven lang volmaakt hebben geleefd - zoals Paulus die zelf aangaf dat hij volledig voldeed aan wat er in de wet over gerechtigheid staat (Filippenzen 3:6) - dan komen we nog steeds tekort aan de eis van God. Het is de ‘double bind’ waar ik in het vorige bericht over schreef, namelijk dat als we een lijn trekken tussen goed en slecht, onze motieven eigenlijk automatisch zelfzuchtig zijn. Zodra we denken dat we bij God horen omdat we goed zijn, zijn we niet langer goed ‘for goodness sake’. Dit is volgens mij wat het verhaal van de zondeval uit Genesis 3 duidelijk wil maken. Het is ook duidelijk te zien in het leven van Paulus: hij liet zich erop voorstaan dat hij heilig was, en vanuit die heiligheid vervolgde hij christenen die in zijn ogen ketters waren. Zijn transactionele bril maakte hem blind voor de sacramentele aanwezigheid van God in andere mensen. Niet voor niets zegt Paulus dat de wet doodt! 'Vervloekt is een ieder die op de wet vertrouwt' (Galaten 3:10). De conclusie moet dus wel zijn dat uiteindelijk ieder mens het zwijgen wordt opgelegd en de hele wereld schuldig staat voor God (Romeinen 3:19). Ja, dit lijkt absurd: God die een kind veroordeelt omdat het een snoepje heeft gestolen, of een man gevangen laat zetten die brood steelt voor een hongerig gezin (God als de ultieme Javert uit Les Miserables). Maar hoe absurd ook, dit is noodzakelijk het gevolg van een transactionele blik op de werkelijkheid. Paulus zegt het zo: ‘Want allen hebben gezondigd en komen tekort aan de heerlijkheid van God’ (Romeinen 3:24, Telosvert.)

Daarachter staat echter geen punt. Er volgt nog iets op. Een ‘maar ...’, en wel een ‘maar’ van jewelste! Lees maar door: ‘Want allen hebben gezondigd, en komen tekort aan de heerlijkheid van God, en worden om niet gerechtvaardigd door zijn genade’ (Romeinen 3:24, Telosvert) Wat wil dat zeggen? We worden gerechtvaardigd? We weten toch nog steeds van onszelf dat we tekort schieten? Dat we onze kant van de transactie niet kunnen voldoen? Het betekent niets anders dan dat God ons rechtvaardig verklaart. Niet omdat wij daar recht op hebben, of omdat wij goed of slecht zijn geweest, maar gewoon omdat hij het zegt. Hij rekent ons gerechtigheid toe, zonder werken (Romeinen 4:6). Dat kan God, omdat Hij nu eenmaal degene is die het laatste woord heeft. Er is geen wet boven hem. God heeft geen ‘Santa Claus’ boven zich die in de gaten houdt of hij goed of slecht is. Goed is wat hij doet, en dat heeft niets met ons te maken. Als God iemand rechtvaardig verklaart, is die dat ook. En hij kiest er inderdaad voor niet boos op ons te zijn, maar ons te behandelen als rechtvaardigen, als zijn geliefde kinderen. Dat liet hij zien in Jezus.
Met kerst denken we aan de geboorte van Jezus. Niet aan de kerstman. Er is niets belangrijkers dan de komst van Jezus. Hij kwam om ons iets te laten zien. Hij was het beeld van de onzichtbare God (Hebreeen 1). Hij kwam om te laten zien dat God welbehagen had in mensen. Zijn dood en de opstanding waren daarom ook geen offer dat God moest brengen aan een hogere macht dan hij (zoals de wet). Het was geen transactie. Het was een teken (zoals zijn hele leven dat was). Een genadetroon, zegt Paulus in Romeinen 3:25 (Telosvert), een middel tot verzoening, zoals op Grote Verzoendag, waarmee God bewijst dat Hij rechtvaardig is. Als mensen naar die genadetroon, dat middel tot verzoening keken, naar het bloed op het altaar, wisten ze dat ze vergeven waren. Het kruis is een teken, zoals de slang die in de woestijn werd opgericht als teken van de genezende kracht van God. Net zo moest Jezus worden verhoogd, zodat iedereen kon zien dat God ons niet ‘straft naar onze zonden en niet vergeldt naar onze schuld' (Psalm 103:10). Het is een teken dat laat zien dat ons trekken van lijnen en ons denken van 'voor wat hoort wat' uit Gods oogpunt niet nodig is.
In het teken van de lijdensweg van Jezus liet God zien dat mensen hem alles konden aandoen, en dat hij toch niet boos zou worden. Mensen konden hem onrechtvaardig behandelen, martelen, en een gruwelijke dood laten sterven tussen twee misdadigers (het toppunt van onrecht). En toch zou God hen niet straffen. ‘Vader, vergeef het hen, want zij weten niet wat ze doen’, bad Jezus. Op het kruis incasseerde God in Jezus alles wat mensen op hem af konden laten komen, al het kwaad en onrecht dat mogelijk was. En liever dan het op ons af te reageren, stierf hij. Jezus was als een lam dat naar de slacht geleid werd, en daarbij niet protesteerde. ‘Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed zijn mond niet open’ (Jesaja 53:7). Is God oneerlijk als hij mensen als Hitler, mensen als wij, vrijuit laat gaan? Ja. Daar is geen twijfel over mogelijk. Maar de gevolgen van die oneerlijkheid onderging hij op het kruis allemaal zelf. Dat hoe hij laat zien dat hij rechtvaardig is.

En nadat Jezus al onze slechtheid had gedragen zonder wraak te nemen, bevestigde God dat zijn zoon zijn wil gedaan had, dat zijn incassering inderdaad het incasseren van God was, door hem uit de dood op te wekken. ‘Daarom ken ik hem een plaats toe onder velen en zal hij met machtigen delen in de buit, omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood en zich tot de zondaars liet rekenen’ (Jesaja 53:12). Jezus ontving als eerste van de doden het geschenk van God: het eeuwige leven. Het opstandingsleven. Niet omdat hij er recht op had, of er iets voor kon doen om het te verdienen. Hij was dood. Maar hij ontving het zomaar, omdat God ervoor koos het hem te geven. Het was Gods vrije keuze, een geschenk. Een cadeau.
Als je dood bent, doe je niet meer goed en doe je niet meer slecht. Je hebt zelfs geen dubbele motieven meer. Je bent dood. Er is geen transactie meer mogelijk. Je kunt alleen maar accepteren wat God uit zijn eigen keuze wil geven. En Hij belooft dat Hij het leven wil geven. Eeuwig leven. Wij kunnen niets anders doen dan dat te accepteren, om onze ogen te openen voor wat de werkelijkheid al is. Dat wil dus zeggen dat het oude systeem van de wet ten einde is gekomen. 'Hij heeft het document met voorschriften waarin wij werden aangeklaagd, uitgewist en het vernietigd door het aan het kruis te nagelen’ (Kolossenzen 2:14). Jezus’ dood en opstanding betekenen het einde van de wet, het einde van transactie. Voor eens en altijd. We zijn niet onder de wet, maar onder de genade. Er is een nieuw verbond aangebroken. Het nieuwe verbond is iets dat God doet. Er is maar een enkele verbondspartner en dat is God. Hij handelt alleen. Er is geen rol voor ons bij.  God belooft het in Jeremia: ‘Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Ik zal hun zonden vergeven en nooit meer denken aan wat ze hebben misdaan’ (32:33v). En in Ezechiel: ‘Ik zal julle een nieuw hart en een nieuwe geest geven, ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen’ (36:26,27). Sterker nog: hij zal de hele aarde en zelfs de hemel vernieuwen: er komen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont (2 Petrus 3:13). Het nieuwe Jeruzalem zal uit de hemel neerdalen en God zelf zal onder de mensen wonen.
Dit alles doet God zelf, niet omdat wij goed of slecht zijn geweest (en we zijn vooral slecht geweest, voor onze omgeving, onze medemens en onszelf), maar omdat het van het begin af aan zijn bedoeling is geweest. We zouden het niet eens kunnen tegenhouden, zelfs al zouden we het willen. Het koninkrijk zal doorbreken zoals zaad dat uit de aarde opgroeit, of gist dat deeg doet rijzen. Maar het is niet alleen iets toekomstigs. Het koninkrijk is nu al aangebroken. Dezelfde macht die werkzaam was in Christus toen God hem opwekte uit de dood, is nu ook werkzaam in ons (vgl. Efeze 1:19,20). ‘De duisternis wijkt en het ware licht schijnt al, en dit is werkelijkheid in Jezus’ leven en in uw leven’ (1Johannes 1:8).

Dit is de realiteit. God is al in ons scheppend aanwezig. Dit is op dit moment nog niet zichtbaar zoals het aan het eind van de tijd te zien zal zijn. Het is nog verborgen, als een cadeau dat nog zit ingepakt. Maar het enige dat we hoeven te doen om het te kunnen zien, is de openbaring ervan niet in de weg te staan. Dat wil zeggen dat we moeten ophouden het te willen verdienen. We moeten ophouden zelf te praten, voor we kunnen luisteren; onze handen moeten tot rust komen om te kunnen ontvangen. We moeten sterven aan ons transactionele leven, om ruimte te maken in ons voor de belofte van zijn sacramentele leven. We moeten zelf geen vrucht proberen te dragen, maar hoeven alleen maar het sap van de wijnstok zijn gang in ons en met ons laten gaan. Het is de wil van de vader dat we vrucht zouden dragen, zegt Jezus. Dan zal hij die ook tot stand brengen. Het is allemaal een geschenk. En God geeft het ons ‘om niet’, zei Paulus in Romeinen 3. Hij geeft het ons omdat hij van ons houdt. En hij geeft het volgens de tekst aan allen. Het geschenk van God is dus wel degelijk universeel.
Het is kortom zoals het zondagschoolliedje zegt:

‘Ben je groot of ben je klein
of ergens tussenin,
God houdt van jou.
Ben je dik of ben je dun,
of ben je blank of bruin,
God houdt van jou
Hij kent je als je blij bent
Hij kent je als je baalt
Hij kent je als je droevig bent
Hij kent je als je straalt.
Het geeft niet of je knap bent,
Het geeft niet wat je doet;
God houdt van jou
Hij is vol liefde,
God houdt van jou!’


Wordt vervolgd ...

dinsdag 24 december 2013

God is niet de kerstman (1): het alziende oog ...

Vorige week zat ik nietsvermoedend te lunchen bij de Delifrance in Houten, verdiept in een boek (voor wie het weten wil: The Wise Man’s Fear van Patrick Rothfuss), toen ik op de radio een kerstliedje hoorde. Dat is in deze tijd van het jaar natuurlijk niet verwonderlijk. Het ging in dit geval niet om een mooie hymne, Stille Nacht of zo, maar om een Amerikaans liedje. Zo’n zoete, vrolijke met zo’n melodie die in je hoofd blijft hangen, zodat je hem dagen erna nog kunt neuriën, terwijl je dat eigenlijk helemaal niet wilt. Tegen mijn zin in luisterde ik dus naar de tekst van deze ode aan de kerstman. ‘Santa Claus is coming to town’ heet het nummer. Van Mariah Carey, zegt google. Voor jullie educatie schrijf ik de tekst hieronder uit.

You better watch out
You better not cry
You better not pout
I’m telling you why

Santa Claus is coming to town (3x)

He’s making a list
He’s checking it twice
He’s gonna find out
Who’s naughty or nice

Santa Claus is coming to town (3x)

He sees you when you’re sleeping
He knows when you’re awake
He knows if you’ve been bad or good
So be good for goodness sake

So you better watch out
You better not cry...

et cetera et cetera ...

De rillingen liepen over mijn rug. Niet alleen omdat het zo’n klef, zeurderig liedje was. Dat speelde ook mee natuurlijk, maar vooral omdat het me deed denken aan hoe ik in de kerk over God heb geleerd. We leerden namelijk dat God alles zag wat we deden. Het verhaal van Jona werd daarvoor vaak aangehaald: Jona kon niet voor God vluchten. God zag hem ook midden op zee, in het ruim van de boot. Vluchten kon niet voor God. Waar de zwarte pieten van Sinterklaas alleen rond december rondwaarden om te kijken of kinderen wel braaf genoeg waren, hield God je elk moment van de dag, zeven dagen per week, in de gaten om te zien of je wel leefde volgens zijn bedoeling. Als we het hadden over films of televisie, zeiden we dat we ons moesten voorstellen dat God over onze schouder met ons meekeek. Zouden we dan wel dat ene programma kijken? En zouden we dan die naaktscène uit een James Bond film zomaar accepteren, of zouden we de TV uitzetten? Want waar je als tiener soms zaken voor je ouders verborgen wilt houden, wist je dat God nog veel strenger moest zijn dan zij. Hij is heilig. Stond er niet in de bijbel dat wij net zo volmaakt moesten zijn? Als God zag dat je iets verkeerds deed, zou hij boos op je worden. Of op zijn minst verdrietig. En de woede van God was nog angstaanjagender dan die van mijn ouders. Ik moest dus elk moment van de dag mijn best doen om niets te doen waarvoor ik straf verdiende.
Maar dat was nog niet het enige. God zag niet alleen wat je deed. Dat zou erg genoeg zijn. Maar uit onder andere Psalm 139 wisten we dat hij ook in onze gedachten kon kijken: ‘U weet het als ik zit of sta, u doorziet van verre mijn gedachten. Geen woord ligt op mijn tong, of u HEER, kent het ten volle’ (vers 3 en 4). Mijn binnenwereld bleefniet voor hem verborgen. Hij wist niet alleen of ik goede of slechte dingen deed, maar ook of ik goede of slechte dingen dacht. Hij kende je fantasieën en verbeeldingsleven, de boosheid op pesters of het verlangen naar boeken. En ook daarover oordeelde hij. Als ik ergens meer naar verlangde (zoals naar het lezen van verhalen) dan dat ik naar God verlangde, was dat een verslaving. Als ik bang was om voor mijn geloof uit te komen, stelde ik God teleur. Als ik mijn pesters iets vreselijks wilde aandoen, gold ik al als een moordenaar, want volgens Mattheus 5 gold dat ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zich zal moeten verantwoorden voor het hemelse gerecht. Ik heb al eerder aangehaald wat datzelfde Bijbelgedeelte zei over begeerte. Ik moest dus niet alleen politieagent spelen over mijn daden, maar ook over mijn gedachten. Dat was gedoemd om te mislukken. Zoals een huisgenote in mijn studententijd een keer zei: ‘Een grote verbeelding en een streng geweten, dat is geen goede combinatie.’ Eigenlijk voelde ik me voortdurend tekortschieten en ik strafte mezelf alvast met schaamte en schuldgevoelens, omdat ik wist dat God mij moest oordelen. Ik was bang voor de kerstman, omdat ik wist dat ik niet braaf was geweest.

De kerstman in het liedje van Mariah Carey gebruikte externe motivatiemiddelen (straf en beloning) om het gedrag van kinderen te veranderen. De God waarin ik geloofde, deed hetzelfde. Maar was het maar zo eenvoudig. Het mooie van een wet of regel is natuurlijk dat je er met genoeg inspanning aan kunt voldoen. Dat verklaart het succes van de Farizeeën, die zelfs nog extra regels opstelden naast die uit het Oude Testament. Het is mogelijk braaf te zijn en met gebruik van je wilskracht de regels niet te overtreden. Het is mogelijk de tienden te geven van de kruiden in je tuin, zoals de Farizeeën deden, of je wijn te zeven zodat je niet per ongeluk een dood mugje zou doorslikken, zoals de Farizeeën deden. Met een beetje discipline kom je een heel eind. Je kunt aan je competenties werken, je kunt de resultaten behalen die je op je functioneringsgesprek hebt afgesproken, en dus aan het eind van het jaar je goede beoordeling en een bonus verdienen. Maar ik ben blij dat mijn werkgever bij die beoordeling niet kijkt naar mijn motivatie. Hij vindt het prima als ik hard werk uit angst om ontslagen te worden, of omdat ik meer geld nodig heb. Als het werk maar afkomt. Dit diepgewortelde transactionele denken (‘Voor wat hoort wat’) kleurt bewust (op kantoor) of onbewust (in families) al onze relaties.
Je ziet deze manier van denken geïllustreerd in de stripverhalen van Bill Watterson over Calvin en Hobbes. Daarin is kerst een terugkerend thema. Het zesjarige jongetje Calvin maakt zich rond de kerstdagen altijd heel druk. Hij wil heel graag cadeautjes, en heel veel (hij heeft steeds een erg lange lijst, op alfabet geordend). Maar hij ligt wakker omdat hij zich afvraagt of hij wel op de lijst met brave jongetjes van Santa Claus staat. Hij weet niet welke criteria Santa hanteert. Is het stout als hij een sneeuwbal teruggooit naar buurmeisje Susie? En als zij nou begon? Hij vraagt zijn speelgoedtijger Hobbes als zijn advocaat op te treden en een brief te schrijven aan de Kerstman om hem vrij te pleiten. Hobbes stelt voor om Calvin ontoerekeningsvatbaar te verklaren, maar Calvin zoekt liever naar een gaatje in de regels van de kerstman, zodat hij er tenminste nog goed van af kan komen. Calvins goedheid in de dagen voor kerst is hypocriet (zodra hij de cadeautjes binnen heeft, gooit hij weer vanouds sneeuwballen naar Susie). Het is de goedheid van een Farizeeërs. Diep van binnen is Calvin zich er echter van bewust dat hij bij de kerstman toch altijd zal falen. Want de kerstman voegt aan al zijn voorschriften over goed en slecht gedrag nog een oneerlijke regel toe: ‘So be good for goodness sake.’
Ik word bijna misselijk van dit ene regeltje, volgend op ‘He knows if you’ve been bad or good’. Die twee gaan namelijk niet samen. We leerden het over God ook, dat het hem ging om onze motivatie. Jezus maakt het in de Bergrede duidelijk dat we niet goed moeten zijn omdat we bang zijn voor straf, maar omdat we goed WILLEN zijn. We moeten van andere mensen houden, en daarom goed voor ze willen zijn. We moeten de zonde heel erg vinden, en daarom heilig leven. En God kon beoordelen of we wel uit de juiste motieven handelden. Hij keek immers in ons hart. En als we niet uit de juiste motieven handelden, was hij teleurgesteld en boos.
Volgens mij wordt dit in de psychologie wel een ‘double bind’ genoemd. In het Engels is er de uitdrukking ‘Damned if you do, damned if you don’t’. Je kunt het namelijk op deze manier niet goed doen. Want zodra je ermee bezig bent dat de kerstman weet wanneer je braaf bent geweest, of stout, zijn je motieven al niet meer oprecht. Dan ben je bezig om goed te doen uit angst voor straf. Maar je kunt ook niet doen wat je wilt doen, wat voortkomt uit je motivatie van binnenuit, omdat je weet dat de kerstman in de gaten houdt wat je wel niet doet! Als je denkt dat God je beoordeelt, als een chef die steeds over je schouders heenkijkt, ben je niet meer vrij om te doen wat je verlangt. Maar als je je eigen verlangen volgt, weet je dat je waarschijnlijk tekort zult schieten aan de eisen van God en dus straf verdient. Je kunt het gewoon niet goed doen.

Als je iets niet kunt, hoef je het ook niet, is een van de stelregels die ik mezelf heb aangeleerd. Ik ben namelijk nogal perfectionistisch en stel zware eisen aan mezelf. Eisen die ik niet kan halen, die menselijk gezien zelfs onmogelijk zouden zijn. Die moet ik daarom relativeren. Ik kan niet vijftig boeken lezen per jaar, dus hoef ik het ook niet van mezelf te verwachten. Ik kan niet zes afspraken hebben in een weekeinde en toch goed blijven slapen, dus hoef ik dat ook niet van mezelf te verwachten. Zo is het op dit punt ook. Maar dat betekent dat we moeten accepteren dat we niet aan Gods verwachtingen kunnen voldoen. Op geen enkele manier. En dat is moeilijk. Want het idee dat we het geschenk van het eeuwige leven niet kunnen verdienen stuit ons tegen de borst. Het transactionele denken zit diep geworteld!

Wordt vervolgd

vrijdag 29 november 2013

Over de drempel (1): het beeld van het trouwen


Wie mij op andere sociale media volgt dan deze blog alleen, heeft meegekregen dat ik afgelopen maand getrouwd ben. Dat is gelijk een van de verklaringen voor de relatieve stilte op deze plek van het wereldwijde web. Nu begin ik langzaam weer mijn interesses en bezigheden op te pakken. Zoals het schrijven van lange overdenkingen en filmbesprekingen. En een trouwerij met alle symboliek en dynamiek eromheen biedt natuurlijk genoeg stof tot overdenkingen.
Een van de dingen die ons bijvoorbeeld opviel, was dat veel mensen gestrest en zenuwachtig zijn voor het trouwen. Wij ook trouwens, omdat er veel georganiseerd moest worden. Gelukkig hadden we ceremoniemeesters die ons het meeste werk uit handen haalden, en zelfs de nacht voor ons trouwen konden we allebei goed slapen! Maar andere mensen met wie we praatten vertelden dat ze voorafgaande aan het trouwen niet bang waren voor de dag zelf en de organisatie ervan, maar vooral voor het getrouwde leven. Ze waren bang dat hun relatie door het trouwen zou veranderen. Dat ze opeens in een bepaalde rol zouden moeten schieten of aan bepaalde verwachtingen zouden moeten voldoen. Dat de ander zich anders zou gaan gedragen. Dat de gesprekken die ze met elkaar zouden hebben niet meer dezelfde zouden zijn. Ze zagen hun trouwen dus als een daad die een verandering in hun leven tot stand zou brengen. Ze voerden een ritueel uit en zouden daarmee de werkelijkheid veranderen.
Zo zagen wij ons trouwen echter niet. Terwijl ons leven er wel door zou veranderen. We zouden immers pas bij ons huwelijk gaan samenwonen. Maar onze relatie werd niet veranderd door het trouwen. We hadden al lang onvoorwaardelijk voor elkaar gekozen, al toen we ons verloofden. En eigenlijk daarvoor ook al. We wisten ook al hoe ons leven er samen zou uitzien. Een leven van een gedeelde liefde voor schoonheid, verbeelding, betekenis, voor boeken, films en musea, voor diepe gesprekken, ontspannen lachen en ontmoetingen met vrienden. Ja, van te voren bleek dat er als je gaat trouwen heel wat van je verwacht wordt. Er gelden heel wat regeltjes als je de officiële boeken mag geloven. En er wordt druk op je gelegd om je te kleden of te gedragen op een manier die voor jezelf als ongemakkelijk of onecht overkomt. Dit heeft vooral mijn vrouw ervaren in de maanden voorafgaande aan het trouwen. Ze houdt zelf niet van het dragen van make up. Maar ze kreeg van heel wat mensen te horen dat je als bruid eigenlijk je zou moeten laten opmaken. Maar als ze dat zou laten doen zou ze zich de hele dag lang niet zichzelf voelen. Dat hele idee was nogal stressvol.
Daarom zijn we bij elkaar gaan zitten om met elkaar op te schrijven wat voor ons de belangrijkste levenswaarden zijn, en hoe we die in ons leven samen willen laten terugkomen. En we hebben besloten dat ons huwelijk een uitdrukking moest zijn van deze levenswaarden. We gingen dus niet voldoen aan maatschappelijke verwachtingen bij een bruiloft, maar vierden een feest dat bij ons en ons leven samen paste. Dat betekende in dit geval: middeleeuwse en fantasy-kleding (een cape!), zwaarden, middeleeuwse appeltaart, Disney-muziek, pannenkoeken ‘s middags, en ‘s avonds samen op de bank met een film. En er moest mede zijn! Onze bruiloft had de sfeer van een fantasyfestival als Castlefest, een plek waar we meerdere malen hebben ervaren dat we helemaal onszelf konden zijn. En we droegen geen make up. Daardoor voelden we ons uiteindelijk helemaal onszelf op ons trouwen. Helemaal niet ongemakkelijk. Ik heb al een paar foto’s gezien, en we staan er allebei breed lachend op, helemaal stralend, en geen enkele ‘gemaakte’ glimlach. De mensen die kwamen, hebben gezien hoe wij willen leven. En wij zelf hebben een beginakkoord gegeven voor ons huwelijk. Een beginakkoord waar we steeds op terug kunnen vallen.
Om het kort te houden: voor ons was ons huwelijk geen daad waarmee we iets in de werkelijkheid veranderden, het was een handeling waarmee we voor anderen (en onszelf) zichtbaar maakten wat al realiteit voor ons was. En daarom hoefden we niet zenuwachtig te zijn voor wat ging volgen, want dat was precies dat wat we op ons huwelijk uitdrukten.

Voor deze twee benaderingen van een huwelijk blijken namen te bestaan. De eerste benadering is ‘transactioneel’. Het idee is dat er een transactie plaatsvindt. Een transactie, zoals in de winkel, waar we geld geven en daar een product voor terugkrijgen, of zoals in de rechtbank, waar we veroordeeld worden en een boete moeten betalen. We doen iets, beloven iets, geven iets op, en daarmee brengen we iets tot stand. We vormen een nieuwe werkelijkheid, een die afhankelijk is van onze keuze, onze daad. De tweede benadering is ‘sacramenteel’. Het idee is dan dat er geen transactie plaatsvindt, maar dat in wat wij doen of beloven een werkelijkheid zichtbaar wordt die al bestaat, onafhankelijk van de daad of de belofte zelf. Zo kunnen mensen even zien wat de werkelijkheid is. Maar die werkelijkheid is op geen enkele manier afhankelijk van de keuze. Bianca en ik hadden al een relatie die bestond uit fantasie, verbeelding, pannenkoeken, symbolen en diepe gesprekken. Die hadden we voor ons trouwen. Die hebben we na ons trouwen. En door ons trouwen weten onze vrienden en familieleden ook hoe onze relatie er uitziet. Ze kunnen nu niet meer denken dat we een braaf ‘huisje, boompje, beestje’-leven ambiëren. Ons huwelijk was een sacrament.
Een van mijn favoriete auteurs, Robert Farrar Capon, beschrijft in zijn boek The Romance of the Word de functie van een sacrament met het voorbeeld van een onzichtbare man. Hij loopt door een menigte. Hij is er, hij is werkelijkheid, hij bestaat, maar je kunt hem niet zien. Je kunt zelfs niet weten dat hij er is. Tot hij een hoedje opzet. Dan zie je het hoedje en kun je aanwijzen waar de onzichtbare man zich bevindt. Tot hij het hoedje af zet. Dan zie je hem niet meer, maar je weet wel dat hij er is, dat hij werkelijkheid is, ongeacht of jij hem ziet of niet. Toen wij trouwden, zette de onzichtbare realiteit van onze gedeelde liefde even een hoedje op. Iedereen kon hem zo even waarnemen. En nu, na ons trouwen, is onze liefde voor anderen weer onzichtbaar geworden, maar als ze terugdenken aan ons huwelijk kunnen ze zich weer te binnen brengen waar onze relatie om draait. En wij ook.

Sacrament is een woord dat ook in de kerk veel gebruikt wordt. En het onderscheid tussen de twee visies op het trouwen dat ik hierboven schetste, geldt volgens mij ook in het geloof. Veel christenen hebben een transactioneel beeld van de werkelijkheid. Voor wat, hoort wat. Ze geloven dat op de een of andere manier wat wij doen of denken een verandering kan brengen in de liefde en acceptatie van God. Ze geloven dat wij door onze keuzes de werkelijkheid kunnen veranderen. De komst van Jezus en zijn dood en opstanding zien ze vervolgens ook als een transactie. Er werd een ‘deal’ gesloten, er werd iets betaald, en mensen die eerst niet gered waren, waren gered, wie ten dode waren opgeschreven, waren nu voor het leven bestemd. Mensen die buiten Gods aanwezigheid waren, bevonden zich opeens in zijn aanwezigheid. Maar om de transactie van Jezus’ offer geldig te maken, moet een nieuwe transactie plaatsvinden. Mensen moeten iets doen, kiezen of geloven om in het voordeel van zijn werk te kunnen delen. Het kan van alles zijn: van intellectueel instemmen met een leerstelling, van een psychologisch kunststukje waarbij je jezelf overtuigd van een waarheid die je niet kunt zien, van het geven van geld in de collecte, of het inzetten voor liefdadigheidswerk en ‘missionair christen zijn’. Wij doen iets, en daarmee zorgen we dat we de grens oversteken tussen niet geredde mensen en geredde mensen, tussen mensen die naar de hel gaan en mensen die naar de hemel gaan. Er vindt een transactie plaats.
Dit soort denken zit heel diep. Laatst vertelde mijn jongere broer me bijvoorbeeld dat iemand bij hem uit de kerk mijn blog had gevonden en had gelezen. Hij vond dat ik mooie dingen zei, maar maakte zich zorgen dat ik in ‘alverzoening’ zou geloven. Ik ben daar helemaal niet over uit, maar mijn vraag is vooral: waarom is dat nou zo belangrijk voor sommige mensen? Zou het zo erg zijn als uiteindelijk ieder individu deelt in de aanwezigheid van God? Waarom zou je er zo’n punt van maken?
Het is als de landarbeiders in de gelijkenis die Jezus vertelt, die van de landman de belofte van een dagloon hadden gekregen. Ze hadden een hele dag gewerkt en kregen inderdaad hun geld. Ze werden echter boos toen anderen, die maar een uur hadden gewerkt (en bovendien de nietsnutten waren die door geen enkele landman waren aangenomen tijdens de dag) precies dezelfde betaling kregen. Ze hadden zich namelijk het idee eigengemaakt dat er sprake was van een transactie: ze verrichtten een bepaalde hoeveelheid werk, en daar hoorde een bepaald geldbedrag bij. Dus was het oneerlijk dat de anderen met zo weinig werk hetzelfde verdienden. Net zo vinden mensen het oneerlijk als er mensen in Gods aanwezigheid zouden komen die niet een keuze voor hem hebben gemaakt, die niet hebben geloofd, niet naar de kerk zijn geweest, of niet de harde morele keuzes hebben gemaakt die zij hebben gemaakt. Ze zien hun eigen overtuiging, geloof, liefdadigheid of kerkgang namelijk als deel van een transactie, als iets wat zij verrichtten om de werkelijkheid te veranderen: namelijk of ze door God aangenomen zijn of niet. Maar als ik de bijbel goed begrijp, is dat niet iets wat je kunt verdienen. Jezus maakt in zijn gelijkenissen duidelijk dat verdienen van Gods aanvaarding niet mogelijk is. Niet voor de bruiloftsgasten op het feest van de koning, niet voor de broer van de verloren zoon, die dacht dat hij door zijn werken recht had op een feestje, en niet voor de landarbeiders. Ze kregen hun dagloon niet omdat ze ervoor gewerkt hadden, maar omdat de landman het ze wilde geven. En net zo wilde hij het geven aan degenen die niet gewerkt hadden. Net zo kreeg de jongste zoon een feestelijk onthaal, niet omdat hij dat verdiend had, maar omdat de vader het hem wilde geven. En de gasten op het bruiloftsfeest kregen witte kleren en een feestmaal, niet omdat ze een goede afkomst hadden of aan de maatschappij hadden bijgedragen, maar omdat de koning ervoor gekozen had ze onder de heggen en struiken vandaan te slepen.
Jezus leek met die gelijkenissen te willen zeggen dat het niet mogelijk was voor een mens om door een transactie de gunst van God te verkrijgen. En het maakt niet uit om wat voor transactie het gaat: missionair zijn, bijbel lezen, bidden, de juiste leerstellingen geloven of geloven op zichzelf. En nee, dat is niet eerlijk. Vooral niet als je zelf van leerstellingen overtuigd bent, veel geloof kunt opbrengen, bidt en in de bijbel leest en je inzet voor allerlei activiteiten. Jezus kreeg dan ook veel kritiek en vooral van de religieuze mensen. De Farizeeën. Zij waren de mensen die God dankten dat ze niet waren zoals de tollenaars, dat ze hun tienden gaven (zelfs van de tuinkruiden) en de schrift kenden, de sabbatsregels hielden en zo voorts ... En ze dankten daarvoor in het openbaar, zodat anderen het ook wisten. Het was niet zo dat de Farizeeën ketters waren, of niet in God geloofden. Ze geloofden in dezelfde God in wie Jezus geloofde, en geloofden zelfs in de opstanding (een feit dat Paulus een keer uitbuitte om ze tegen de Sadduceeën op te zetten). Ze hadden het theologisch bij het juiste eind, en bovendien zetten ze zich in voor de toenmalige kerk (de synagoge), het geestelijk onderwijs (ze onderwezen kinderen), en de morele rechtschapenheid van het volk (ze hadden nog extra regels gemaakt bij de wet, en zorgden dat mensen zich er aan hielden). En ze deden ook nog eens aan liefdadigheid! Er was niets op hen aan te merken. Behalve dat ze een transactioneel beeld van de werkelijkheid hadden (en dus van God) en niet een sacramenteel beeld.

Wat ze deden en dachten, hun morele rechtschapenheid en hun tomeloze inzet voor de maatschappij, had echter  geen invloed op God en op de manier waarop God over hen dacht. Want God hield al van hen voordat ze ook maar iets hadden geloofd, of ook maar een keer naar de synagoge waren gegaan. Ze waren al geaccepteerd, ze waren al vergeven en binnengelaten in het koninkrijk voor ze ook maar een keer een tiende hadden gegeven of zich aan een regel hadden gehouden. Net zoals de hoeren en tollenaars al waren geaccepteerd, waren vergeven en waren binnengelaten in het koninkrijk voor ze ook maar een beetje spijt hadden gehad of hun leven hadden verbeterd. Zoals de overspeligen en melaatsen geliefde kinderen van God waren ook toen ze ziek en overspelig waren.

Wordt vervolgd ...

zondag 15 september 2013

Gedicht: Genoeg

Genoeg

Ik wil zo graag geloven
dat het voldoende is te zijn
mezelf en niemand anders,
dat ik zomaar welkom ben
zonder toegangsbewijs,
dat niemand neerkijkt, vraagt
wat ik heb gedaan, heb nagelaten
en of het niet beter kon.

Ik wil zo graag geloven
dat de overwinning zeker is,
ook al heb ik niet gevochten
schuil ik in de greppel, bang
voor de krijgsraad meer dan
voor de vijand. Mijn kruit
was nat geworden. Geen medaille
is voor mij weggelegd.

Ik wil zo graag geloven
dat ik genezing vinden zal
van wonden die blijven steken,
zelfs na jaren dicht te zijn,
de leegte in mijn ziel, koorts
die mij visioenen geeft
van macht. Ik heb zelf geen weerstand
maar blijf ijlend dolen.

Ik wil zo graag geloven
dat Gods genade genoeg is.

Wat houdt je tegen?

zaterdag 14 september 2013

Gedicht: Ravijn

Ravijn

Ik lijk wel gek.
Mijn greep is veilig, het touw
houdt mijn gewicht
nog wel. Waarom zou ik
springen? De kloof
gaapt onder mij,
ik zie de bodem niet,
voel alleen de koude
wind. Hoor knekels kraken.

Er is geen net
niets om mij op te vangen.
Geen zekerheid
toch hoorde ik de stem
dichtbij: ‘Laat los
als je wilt leven.’
Niets meer. Ik vroeg bewijs
maar het bleef stil. Het was
te mooi om waar te zijn.

Ik doe het zelf,
trek me op naar vaste grond
maar faal, glijd terug
naar waar ik juist begon.
Het koord doorklieft
mijn vingers. Bloed vloeit.
Ik schreeuw, hoor opnieuw
het zachte woord en val.
Ik moet toch eens sterven.