Posts tonen met het label goed. Alle posts tonen
Posts tonen met het label goed. Alle posts tonen

donderdag 18 september 2014

Gedicht: Acceptatie

Acceptatie

De bloem is goed genoeg
Gewoon zoals hij is,
ontvangt de stralen van de zon.
En het gras. Geen onderscheid
wordt door Gods hand gemaakt.
Gulle regen verkwikt
wie haar wil ontvangen.
Zelfs het nederigste mos.
De vogel krijgt in overvloed
dagelijks brood, en vindt
zich in zijn val gedragen
door plotselinge wind.

woensdag 8 december 2010

Boekbespreking: Manalive

Een van de grootste Engelse schrijvers van de vorige eeuw (naast J.R.R. Tolkien en C.S. Lewis natuurlijk) was G.K. Chesterton. En dan bedoel ik natuurlijk niet ‘grootste’ in termen van lichaamsomvang, al schijnt hij wat dat betreft ook tot de top behoord te hebben. Hij was nogal fors, en daarbij ook behoorlijk excentriek wat betreft zijn kleding en zijn gedrag (het is dus duidelijk dat een van de karakters in het boek dat ik hier bespreek gezien moet worden als representant van de auteur, maar dat ter zijde).
Nee, Chesterton was een begaafd auteur. Zijn productie was enorm, om te beginnen wat hij aan kranten- en tijdschriftartikelen voortbracht. Daar is mijn blog niets bij. Volgens mij had hij uiteindelijk zelfs een eigen krant. Hij had heldere ideeën en aarzelde niet die te verdedigen. Dat deed hij met respect voor zijn intellectuele tegenstanders als persoon, met eruditie en intelligentie en niet te vergeten met een aanstekelijke humor in voorbeelden en woordkeuze. Ook het meest serieuze stuk van Chestertons hand (een van zijn biografieën van Charles Dickens of Franciscus van Assisi bijvoorbeeld) valt niet te lezen zonder een glimlach. Chesterton is vooral bekend vanwege zijn detectiveverhalen over Father Brown. Een concurrent van Sherlock Holmes, maar dan geen privedetective, maar een eenvoudige plattelandspriester, die misdaden niet oplost door zijn kennis van exotische grondsoorten en verschillende vormen van sigarenpeuken, maar door zijn kennis van de menselijke aard. De Father Brown-verhalen zijn vertaald tot televisieserie, verfilmd en omgezet tot stripverhaal, en zullen volgens mij voorlopig nog wel gelezen worden.
Daarnaast kennen Chestertons’ apologetische werken enige populariteit, vooral zijn klassiekers Orthodoxy en The Everlasting Man. De christelijke auteur Philip Yancey noemt Chesterton (en vooral Orthodoxy) als een van de invloeden die zijn geloof heeft gered. En het lezen van The Everlasting Man overtuigde Lewis ervan dat je niet je verstand opzij hoefde te zetten om christen te worden. Beide boeken overtuigen misschien zelfs minder door de kracht van de argumenten dan door de vreugdevolle, levendige voorbeelden en schrijfstijl. Ze zijn uitzonderlijk ‘quotable’. Wat Chesterton meer dan enige andere apologeet voor elkaar krijgt is het christelijk geloof verbinden aan de algemene menselijke ervaring, en te laten zien dat het een bron is van vreugde, betekenis en echt leven. Deze boeken zullen door mij in elk geval keer op keer uit mijn boekenkast worden gehaald.

Maar het lijkt alsof Chestertons’ productiviteit onuitputtelijk was. Uit zijn hoge hoed toverde hij niet alleen biografieën van schrijvers en heiligen, en maatschappijkritische commentaren, maar ook talloze korte verhalen en romans. Sommige daarvan hebben de tand des tijds doorstaan. The Man Who Was Thursday is een metafysische spionageroman, en The Napoleon of Notting Hill een absurde politieke farce. Hoewel Chesterton geen science fiction schreef (hij was wel bekend met de werken van H.G. Wells, met wie hij onder andere in Heretics en Orthodoxy in discussie treedt) hangen zijn boeken wel aan tegen het fantastische genre. Ze gaan dan wel niet over de consequenties van technologische ontwikkelingen, en ze bevatten geen draken, elven of tovenaars, maar  wel worden gewone mensen geconfronteerd met een inbreuk in hun alledaagse bestaan, een plotselinge verstoring die hun routines en stokpaardjes grondig in de war gooit. Onverwachte gebeurtenissen zorgen voor een frisse bries in hun leven. Ze openen hun de ogen voor de schoonheid en kostbaarheid die hen omringt, en de onvervangbare betekenis van de mensen om hen heen. Anders gezegd - de gebeurtenissen maken de heiligheid van het menselijke bestaan zichtbaar. De werkelijkheid wordt met een moeilijk woord (en vast geen correct Nederlands) gesacraliseerd.
Dit is volgens mij wat de beste fantastische verhalen doen. Ze betoveren ons niet, maar maken de betovering ongedaan. C.S. Lewis zei al eens dat wij krachtige spreuken nodig hebben om ons te bevrijden van de betovering van wereldgelijkvormigheid die sinds de Verlichting over ons ligt. Hij had het over de spreuken van het materialistische wereldbeeld, de psychologie van Freud die alle emoties terugbrengt tot verdrongen frustraties, het evolutionisme als wereldbeeld dat de mens van zijn betekenis beroofde en de economische theorie die het individu terugbracht tot slechts een radertje in een systeem. Het gaat om de spreuken van het reductionisme, waardoor we zelfs onze relaties met vrienden zien in termen van geven en nemen, als een sociaal spel, waarvoor we zijn geëvolueerd. De constructies uit wetenschap en religie lijken veel te verklaren, maar tegelijk beroven ze de mens en de wereld van hun glans, van hun uniciteit. De beste fantasieverhalen kunnen ons volgens Tolkien genezen van deze vorm van verveling, van “de vale modder van het afgezaagde of het vertrouwde”, zoals hij schrijft in Over Sprookjesverhalen. De fantasie maakt dat we de dingen zien zoals ze bedoeld waren. “Wij moeten weer naar groen kijken en opnieuw verwonderd worden door blauw, geel en rood. Wij moeten de centaur en de draak ontmoeten, misschien plotseling, zoals de oude schaapherders, schapen, honden, paarden – en wolven zien.” Chesterton deelde deze mening over sprookjesverhalen. Volgens hem was het gras in deze verhalen goud, zodat wij ons erover zouden verbazen dat het bij ons groen is. En de paarse hemel boven een andere planeet in een sciencefictionverhaal laat ons stilstaan bij het feit dat de lucht boven ons blauw is. Elk persoon met wie we spreken, elke kiezelsteen, kastanje of knop aan een boomtak, elke wolk en elk boek, ja, elk moment, heeft een unieke, onvervangbare eigenheid. Ze zijn puur en helemaal zichzelf, en dus ons respect waard, ja, zelfs onze liefde. Een liefde die we ernstig mogen vieren, in uitbundige rituelen. Dit lag volgens Chesterton aan de basis van de tradities van de kerk (Chesterton werd uiteindelijk katholiek).

Deze filosofie is overduidelijk te proeven in Manalive, een van Chestertons minder bekende romans. Het is voor mij ook wel duidelijk waarom dit boek de tand des tijds iets minder goed heeft doorstaan dan zijn andere werken. Het ademt de tijdgeest van het begin van de 20e eeuw, inclusief het beeld van andere volken en beschavingen, op een manier die op ons misschien weinig verlicht overkomt. Vooral bij de beschrijvingen van de Jood Mozes Gould moest ik wel een paar keer met mijn ogen knipperen. Wij zijn erop getraind elk spoor van mogelijke discriminatie te onderscheiden en te veroordelen. Een eeuw geleden deed de rassentheorie echter nog opgeld. Bovendien waren andere culturen en landen en mensen met een andere huidskleur nog exotisch: ze behoorden tot een andere wereld, en dat leidde tot generalisaties en onbegrip. Bovendien wordt dit boek, nog meer dan Father Brown en The Man Who Was Thursday gekenmerkt door filosofische  discussies en terzijdes. Chesterton wilde met dit boek niet in de eerste plaats een verhaal vertellen, maar een punt illustreren (en dat doet hij trouwens boeiend). De karakters en hun wedervaren spelen de tweede viool. Wie daar doorheen weet te prikken, komt in dit boek echter ook tegen wat Chestertons werk zo boeiend maakt: prikkelende argumenten, levendige beeldspraak, heldere tegenstellingen en zijn goedaardige Engelse ‘wit’.

Chesterton is, zoals ik al betoogde, een groot schrijver. En hij maakt al in de eerste alinea duidelijk wat zijn lezers van het boek kunnen verwachten: “A wind sprang high in the west, like a wave of unreasonable happiness, and tore eastward across England, trailing with it the frosty scent of forests and the cold intoxication of the sea. In a million holes and corners it refreshed a man like a flagon, and astonished him like a blow. In the inmost chambers of intricate and embowered houses it woke like a domestic explosion, littering the floor with some professor’s papers till they seemed a precious as fugitive, or blowing out the candle by which a boy read ‘Treasure Island’ and wrepping him in roaring dark. Everywhere it bore drama into undramatic lives, and carried the trump of crisis across the world.” De wind bereikt ook een Londens pension, en dreigt de hoeden van de huurders af te blazen. De mannen en vrouwen die hier wonen zijn heel verschillend, maar wel delen ze allemaal het gevoel dat ze tot stilstand zijn gekomen. De een drinkt, de ander is timide en denkt nooit te zullen trouwen, weer een ander waakt scherp over haar erfenis. Ze verschuilen zich allemaal. Ze delen niet in het echte leven. “I don’t smoke or drink,” zegt een van de figuren. “Because I think they’re drugs. And yet I fancy all hobbies, like my camera and bicycle, are drugs too. Getting under a black hood, getting into a dark room - getting into a hole anyhow. Drugging myself with speed, and sunshine, and fatigue and fresh air. Pedalling the machine so far that I turn into a machine myself. That’s the matter with all of us. We’re too busy to wake up.” Dan verschijnt degene van wie de wind de voorbode was: Innocent Smith. De man komt hun leven binnen over de schutting, en zet het pension op zijn kop. Hij doet het net allemaal even anders. De andere gasten worden door zijn enthousiasme meegesleurd, en beginnen als met nieuwe ogen naar hun omgeving en naar elkaar te kijken. Ze willen weer kiezen voor het leven. Maar net als Smith in een opwelling mevrouw Gray ten huwelijk heeft gevraagd (en zij “Ja” zei), verschijnt een Amerikaanse zielendokter Pym ten tonele. Hij heeft bewijzen, zegt hij, dat Smith niet zo onschuldig is als hij zich voordoet. Hij wordt beschuldigd van pogingen tot moord, diefstal, het verlaten van zijn vrouw en van polygamie. Hij zou (op zijn minst) in een gekkenhuis thuishoren. Maar de pensiongasten laten zich niet zomaar overdonderen. Ze waren namelijk juist zelf tot de conclusie gekomen dat Smiths invloed hen van hun gekte had genezen. Ze hadden eindelijk geproefd van geestelijke gezondheid. En dus nemen ze de verdediging op zich van deze bizarre man. In een geimproviseerd tribunaal worden de goed onderbouwde bewijzen van dokter Pym weerlegd door getuigenverklaringen van overal en nergens. Achter de gekheid van Smith blijkt wel degelijk redelijkheid schuil te gaan.

Het blijkt namelijk dat Smith zichzelf steeds opnieuw wil herinneren aan de waarde van het leven, van zijn bezit, zijn huis, en van zijn vrouw en kinderen. Hij wil niet afgestompt raken, niet door gewoonte, en niet door nihilistische filosofie. Hij wil het leven niet aan zich voorbij laten trekken. Nee, hij wil ervoor kiezen het ten volle te ervaren. Maar daarvoor heeft hij soms extreme maatregelen nodig. Want meestal zien we pas in hoe waardevol is wat we hebben, als we het dreigen te verliezen. We beseffen pas hoe glorieus het is om te leven, als we weten dat we morgen zullen sterven. “I caught a glimpse of the meaning of death and all that”, zegt Innocent. “The skull and cross-bones, the memento mori. It isn’t only meant to remind us of a future life, but to remind us of a present life too. With our weak spirits we should grow old in eternity if we were not kept young by death. Providence has to cut immortality into lengths for us, as nurses cut the bread and butter into fingers.” De eindigheid van het bestaan, het besef dat elke seconde die voorbij gaat ons dichter brengt bij de dood, zet de zaken op scherp. Als je weet dat je kans om te genieten van zich rond je bevindt elk moment voorbij kan zijn, worden gewone dingen opeens ontzettend belangrijk. Op de dag van je executie werk je je ontbijt niet meer gedachteloos naar binnen, maar geniet je van elke hap. Misschien hebben we allemaal het idee dat het leven eindeloos is, en dat we morgen wel kunnen beginnen de ware zaken serieus te nemen, maar dat is een illusie. We worden eigenlijk elke seconde geconfronteerd met de kogel van de tijdelijkheid.
Net zo nemen we onze bezittingen als vanzelfsprekend aan. Ook dat weigert Smith. Daarom dringt hij als inbreker zijn eigen huis binnen, om zijn eigen spullen te stelen. Hij wil dat zijn bezit, hoe eenvoudig of gewoon ook, voor hem zo bijzonder is als geld en diamanten voor een dief. Hij wil er niet aan wennen dat hij het heeft, daarom doet hij alsof het niet van hem is. Zo wil hij ook niet dat zijn huis en zijn vrouw voor hem de gewoonste zaak van de wereld worden, hij wil hun aanwezigheid in zijn leven niet ter kennisgeving aannemen. Daarom gaat hij op pelgrimstocht. Hij verlaat huis en haard, juist omdat hij die wil vinden. En als hij de hele wereld is rondgetrokken, vind hij aan het eind van zijn reis de vervulling van zijn verlangen. Zijn huis is dan voor hem weer als nieuw. En zo wil hij ook in zijn huwelijk niet de eerste liefde verliezen, de romantiek van de verloving, de spanning van de verkering, en de verwondering over deze ander naast hem, deze vrouw, zo bijzonder, zo anders. Daarom vraagt hij haar keer op keer ten huwelijk, steeds in een andere situatie, zodat hij bewust blijft genieten van het feit dat hij al getrouwd is.
Dit, te kiezen voor het leven, het eigen bezit, de eigen vrouw, is volgens Chesterton wat het betekent goed te zijn. Dit is het echte, ware leven. En alleen omdat Innocent daarnaar verlangt - te leven, lief te hebben, anderen te dienen - kan hij zich zo wild gedragen als hij doet:  “If Innocent is happy, it is because he is innocent. If he can defy the conventions, it is just because he can keep the commandments. It is just because he does not want to kill but to excite to life that a pistol is still as exciting to him as it is to a schoolboy. It is just because he does not want to steal, because he does not covet his neighbour’s goods, that he has captured the trick (oh, how we all long for it!), the trick of coveting his own goods. It is just ecause he does not want to commit adultery that he achieves the romance of sex. It is just because he loves one wife that he has a hundred honeymoons.”
Een moreel hoogstaand leven wordt vaak gezien als saai, als bekrompen, als benauwd: steeds het goede te moeten zoeken, steeds te moeten liefhebben. Maar volgens Chesterton is het juist andersom - niet het morele leven maakt ons verveeld en afgestompt, niet goeddoen maakt ons saai en levenloos, maar het immorele, kwade leven. Onze zelfzucht maakt ons onvrij. We verliezen onze onschuld, we kunnen niet meer zijn als de kinderen, en daarmee verliezen we ook onze mogelijkheid om onbevangen van het leven te genieten. We raken verveeld van het goede en het mooie, we zijn niet meer tevreden met wat we hebben. We willen het anders, we willen meer. Zoals Chesterton het schrijft in Orthodoxy: “Wij zijn oud geworden, en onze Vader is jonger dan wij.” God vloeit over van leven. Vreugde is bij zijn aangezicht. Als een kind geniet hij er elke dag van de zon te laten opgaan. Hij heeft plezier in de kleinste zandkorrel als in het grootste sterrenstelsel, hij luistert aandachtig naar alles wat we zeggen, hoe vaak hij het ook gehoord heeft. Hij die volmaakt goed en heilig is, is niet saai, maar juist het tegenovergestelde. Hij is het Leven zelf. En Hij wil als een frisse bries ons leven binnenkomen en ons onze verloren onschuld teruggeven.

vrijdag 12 maart 2010

Filmbespreking: Watchmen

Ja, een jaar nadat de film uitkwam ben ik toch maar bezweken voor de verleiding. En blij dat ik het gedaan heb! Watchmen was een film waarin ik behoorlijk geinteresseerd was. Niet dat ik een groot fan ben van het stripverhaal. Ik heb het vroeger in de bibliotheek gelezen (de Nederlandse vertaling, op europees stripboekformaat) en herinner me vooral het karakter Rorschach, met zijn steeds veranderende masker, en de scenes op Mars. En natuurlijk de blauwe dude met superkrachten. Maar ik ben geen kenner. Ik ben echter wel een liefhebber van superheldenfilms en -stripverhalen, een SF-fan en ik was behoorlijk enthousiast over de gestileerde beelden van 300, de eerdere film van regisseur Zack Snyder, hoewel die zo bloederig was dat ik die niet per se een tweede keer hoef te zien. Dat was direct een van de redenen om niet naar Watchmen te gaan. Ik las namelijk in besprekingen op internet dat de film heel bloederig was, met expliciet gefilmde gewelds- en seksscenes. Ik kreeg de indruk alsof die de film zouden bepalen, en besloot dat het misschien maar beter was er van weg te blijven. Mijn fantasie gaf me op basis van de korte aanduidingen in de besprekingen namelijk een soort 'preview' van hoe die dingen er zouden kunnen uitzien en dat wat niet echt appetijtelijk. Wat maar weer laat zien dat je het in je gedachten vaak veel erger maakt dan het is (misschien had ik een gecensureerde DVD want een van de scenes waar ik in de besprekingen over las (over armen en een cirkelzaag, kwam ik in de film niet tegen). Ik had echter ook gehoord dat de film (in iets mindere mate dan het boek wellicht, maar dat is vaak zo) intelligente vragen opriep over moraliteit, het gebruik van macht en het idee van een superheld. En mijn nieuwsgierigheid daarnaar kreeg de overhand.
Laat ik eerst maar zeggen dat er inderdaad veel geweld en nogal wat seks zit in deze film. Ik heb het idee dat het boek wil aangeven dat er ongezonde tendensen zitten in elk superheldenverhaal, over het verband tussen macht en seksualiteit, maar ik heb ook begrepen dat deze film zaken in beeld brengt die in het boek slechts gesuggereerd worden. Maar film is een visueel medium en om dezelfde 'impact' tot stand te brengen moeten sommige dingen misschien ook in visuele termen worden weergegeven. Ik vond de beelden afstotelijk, maar ze vulden niet mijn eigen verbeelding op een ongezonde manier. Ik dacht dat ze iets zeiden over de karakters en hoe die in het leven staan en kun hun inclusie (ja, mooi woord!) begrijpen. Er was wel een wat lange scene die ik maar heb doorgespoeld. Van sommige dingen weet ik dat ik die niet hoef te zien. Maar dat maakt niet dat ik de film als geheel daarvoor afwijs.
Waarschuwing: de film is behoorlijk lang (bijna drie uur). Hij blijft echter boeiend. De cinematografie is heel gestileerd, en daardoor intrigerend. Deze regisseur weet in elk geval mooie plaatjes te maken, hoewel hij misschien iets te veel van 'slow motion' houdt. Ook wordt goed gebruik gemaakt van muziek. De opening onder 'The times they are a changin'' van Bob Dylan is een klassieker, en geeft goed een alternatieve geschiedenis weer, waar superhelden de wet uitmaken. En dan is er 'Sound of Silence' van Simon and Garfunkel. Daar moet ik ook weer eens wat van luisteren. Er zijn nogal wat flashbacks waardoor de geschiedenis van de hoofdpersonen duidelijk wordt gemaakt. Deze zijn meestal wel te volgen. Vooral het ontstaan van Dr. Manhattan is mooi weergegeven. Sommige dialogen (zoals die van Rorschach) zijn wat overdreven, maar dat is misschien het punt. Ik weet niet of ik deze film aan mijn collectie ga toevoegen, maar ik ben wel heel erg geinteresseerd in de special editions, vooral de langste van bijna vier uur. Die schijnt de karakters nog beter uit te diepen, zodat het einde nog tragischer wordt ...

Ja, het einde is hier niet van het conventionele soort. Ik kan het hier natuurlijk niet verklappen - behalve dat het aannames over goed en kwaad ter discussie stelt. Een beetje zoals het einde van Batman film The Dark Knight. Maar dan anders ... Ik kan natuurlijk wel proberen iets te vertellen van het verhaal dat eraan voorafgaat. In deze alternatieve geschiedenis kwamen vlak voor de tweede wereldoorlog de eerste gemaskerde helden op. In zelfgemaakte kostuums en onder soms bespottelijke bijnamen bestreden ze de georganiseerde misdaad. Na de oorlog verscheen de nieuwe generatie, een groep die ook wel de 'Watchmen' werd genoemd. Silk Spectre II (De dochter van de originele Silk Spectre, vooral een atletische meid met vechtsportervaring), Night Owl II (een techneut met een arsenaal aan snufjes in een uilenkostuum), Ozymandias (de slimste en meest atletische mens op Aarde, en een fan van Alexander de Grote), de Comedian (nogal vaardig met allerlei geweren en dat soort wapens) en Rorschach (een doorgeslagen 'hard boiled' detective met een masker met een veranderend vlekkenpatroon). Het gezelschap wordt compleet gemaakt door Dr. Manhattan, die bij een uit de hand gelopen experiment bijna goddelijke superkrachten kreeg toebedeeld. De superhelden hebben nogal wat invloed op de geschiedenis. Zo helpen ze de VS bij het winnen van de Vietnamoorlog en wint president Nixon een derde termijn in de presidentsverkiezingen. Maar er is nogal wat onrust onder de mensen over de ongebonden misdaadbestrijders en er wordt een wet aangenomen die hun activiteiten verbiedt. Ozymandias gaat publiek en als de baas van Veidt industries bouwt hij een gigantisch imperium op. Dr. Manhattan verricht wetenschappelijk onderzoek. Hij leeft samen met Lauri Jupiter (Silk Spectre), maar tussen hen ontstaat een steeds grotere afstand. Night Owl verandert terug in Dan Dreiberg, een teruggetrokken, onhandige man die niet met vrouwen weet om te gaan en zich verliest in melancholische gesprekken met zijn voorganger en inspirator. Alleen de onverzoenlijke Rorschach trekt nog gemaskerd rond door de straten, niet bereid om compromissen te sluiten.
Als zijn vroegere collega de Comedian op een brute wijze wordt vermoord, is Rorschach degene die het er niet bij laat zitten. Hij vermoedt een samenzwering. Tegen de achtergrond van een dreigende kernoorlog tussen de VS en de USSR is iets of iemand bezit met het uitschakelen van de laatste overgebleven superhelden. Hij vindt echter geen gehoor bij Lauri en Dan, tot een aanslag op Adrian Veidt de twijfel wegneemt. Silk Spectre en Night Owl komen terug in actie. Maar ze kunnen de vernietiging van de wereld niet voorkomen zonder de hulp van Dr. Manhattan, die zich heeft afgezonderd op Mars, ver van de mensheid vandaan ...

Om recht te doen aan de thema's van deze film is voor mij haast ondoenlijk. Daarvoor zou ik hem vaker moeten kijken. Het is in elk geval geen film met een heel erg positieve kijk op de menselijke natuur. Het verhaal speelt zich af in een tijd dat de mensheid afstevent op een nucleaire oorlog, en niets lijkt dat te kunnen stoppen. Mensen kijken naar de superhelden, de nieuwe goden, (of in het geval van Dr. Manhattan misschien zelfs letterlijk een nieuwe god) om hen te helpen. Maar omdat die ook mensen zijn, staan die machteloos. De superhelden wilden ooit het recht in eigen hand nemen om de misdaad te bestrijden. (De film herinnert aan drie aspecten van het karakter Batman: -de bijna schizofrene man die het onrecht dat hij geleden heeft verschuilt achter een masker, - de knutselaar die met zijn techniek denkt elke situatie aan te kunnen en - de multibiljonair die boven alle andere mensen verhevn is - alle drie manieren om zich boven anderen te stellen.) Maar wat gebeurt er als iemand zich beter vindt (of beter is?) dan andere mensen? Niet veel goeds, suggereert deze film. Want 'Who watches the watchmen?' Ook al willen ze elk op hun eigen manier voor God spelen, ze blijven mensen. En dus zelfs als het plan van een van hen lijkt te lukken, is het middel misschien wel erger dan de kwaal.
Wat is beter? Geen compromis te sluiten met de waarheid en de wereld naar de ondergang te laten gaan omdat jij nu eenmaal inflexibel bent? (Het karakter Rorschach lijkt het meest moreel van allen, maar zijn morele visie is een wettische - er is in hem geen sprankje genade overgebleven.) Of de wereld voor een moment behoeden voor de ondergang, en daarvoor gruwelijke, immorele daden moeten verrichten? En de suggestie is dat het toch tevergeefs is. De botsing tussen deze twee gezichtspunten (die misschien wel deel zijn van ieder mens en dus in elk van ons botsen) laten elke poging tot verbetering mislukken. Er is geen hoop. Als onze enige goden mensen zijn, als wijzelf op de troon zitten, is het leven een grote grap. Al onze pogingen, om moreel te zijn aan de ene kant, of om de wereld te redden aan de andere kant, zijn niet anders dan lucht en leegte. Ironie. Dat was uiteindelijk het gezichtspunt van de Comedian. Nee, hij was niet grappig. Maar in dit goddeloze universum was hij misschien wel degene die het juist gezien had. Het is niet vreemd dat zijn badge (met smiley) het kernsymbool is van stripboek en film.
Wat dat betreft kan deze film ons er als christenen aan herinneren hoe onze enige hoop gelegen is in ons vertrouwen op een liefhebbende God, die wel degelijk actief bij ons betrokken is. Iemand die wel degelijk uitkijkt over de Watchmen. En de film kan ons er tegelijk aan herinneren dat we niet zelf de macht in eigen handen moeten willen nemen. Dat we ons niet boven mensen moeten willen stellen, ons morele kader aan hen opleggen, hen tegen elke prijs willen redden van wat wij als hun ondergang zien. Wees niet al te zeer rechtvaardig, zegt Prediker tegen iemand als Rorschach. Wie de meeste wil zijn, zal aller dienaar moeten zijn, zegt Jezus tegen iemand als Ozymandias. Opofferende liefde. Dat is het antwoord.
En wellicht zit een kern van dat antwoord in een ontroerende scene die zich afspeelt op Mars. Nou vind ik het so wie wo geweldig om iets van andere planeten op het scherm te zien. En hier was het behoorlijk geloofwaardig (ik zag zelfs de vulkaan Olympus Mons voorbijkomen!). Het kristallen paleis van Dr. Manhattan was prachtig! Alleen al voor de beelden daarvan wil ik de film nog een keer kijken. Maar daar ging het nu niet over. In deze scene probeert Dr. Manhattan aan Laurie uit te leggen hoe hij vanuit zijn 'goddelijke' perspectief de wereld beziet. Volgens hem is er geen betekenis aan het leven. De kale planeet Mars, overgeleverd aan weer en wind, is net zo mooi, net zo rijk, als de krioelende Aarde. Leven is alleen maar een combinatie van chemische en natuurkundige processen en wat dat betreft niet anders dan de chemische en natuurkundige processen die zich afspelen op Mars of in de rest van het universum. Het kan er niet zo goed niet zijn. Daar steigerde ik al, want hoe mooi ik Mars ook vindt, en hoe mooi die levenloze ravijnen en bergen er uitzien, als er leven was zou het nog mooier zijn. Lees het eerste hoofdstuk van mijn boek over een paar weken maar (ja, het is reclame, maar hee, dit is mijn blog, toch?), waarom ik denk dat leven zo mooi en belangrijk is. In deze film komt Dr. Manhattan uiteindelijk ook tot die conclusie. Leven in al zijn uniciteit, is een wonder. En dus is hij bereid een offer te brengen om het leven van de mensen in stand te houden. Het is geen moreel neutraal wonder, het is geen heldere illustratie van Jezus' offer of Gods liefde, en het is misschien niet eens effectief, maar hij is bereid zijn macht opzij te leggen en zichzelf te vernederen om het leven te laten doorgaan. En daar zit wel degelijk een les in.

zaterdag 27 februari 2010

Judas: heilige, monster of iemand als wij allemaal?

En dan nu het vervolg van mijn gedachten naar aanleiding van Judas. Lees voor je verder gaat mijn eerste bericht! Daarin zet ik het dilemma uiteen: hoe reageren we op de persoon van Judas, die zijn meester verraadt. Zien we hem als monster (onder invloed van demonen), dat wil zeggen: als in wezen anders/slechter dan onszelf? Of praten we goed wat hij gedaan heeft? Mijn stelling is dat we in een tijd leven waar we niet meer geloven in objectief goed en kwaad, en vooral niet dat wat wij willen/doen wel eens slecht zou kunnen zijn.
Laat me ter verduidelijking nog een ander, behoorlijk controversieel voorbeeld mogen geven. Omdat ik niet echt een heel controversieel persoon ben, geef ik direct de disclaimer: wat ik hier schrijf betekent natuurlijk niet dat ik het gedrag van de ene groep mensen ook maar enigszins goedkeur of accepteer. En het betekent ook niet dat ik de andere groep mensen om hun gedrag veroordeel, of afwijs, of ze op de een of andere manier als minderwaardig beschouw. Dat is juist het punt!

Een paar weken geleden las ik in de krant een uitspraak die me sterk aan het denken zette. Het ging over pedofielen. Het moge duidelijk zijn: (het verlangen naar) seks met kinderen is een moreel kwaad. Maar dit artikel ging er over dat vijftig jaar geleden mensen die dit type verlangens bij zichzelf opmerkten, nog konden toegeven dat zij daarmee worstelden. Ze konden er voor uitkomen dat ze een probleem hadden, zonder direct met pek en veren te worden afgevoerd. En dit in de tijd voor de seksuele revolutie, in de tijd voor de conclusie dat seks niet exclusief bedoeld was voor het huwelijk tussen man en vrouw. In de tijd die wordt beschouwd als veel 'beperkter' en 'onvrijer' dan de onze. Het is dus opvallen dat juist in onze tijd waarin 'alles mag' mensen met een pedofiele 'geaardheid' als paria's worden vervolgd. Ze worden uit woonwijken verjaagd, ook al zoeken ze hulp, ook al geven ze hun fouten toe. Ze worden als criminelen veroordeeld. Ze worden gezien als slecht als persoon, niet als mensen met een probleem.
Interessant genoeg is er een tweede groep die niet meer mag zeggen dat ze een probleem hebben met de eigen verlangens en gevoelens op seksueel gebied. Mensen die niet mogen zeggen dat het iets is waar ze mee worstelen, omdat ze weten dat het eigenlijk anders hoort. En dat zijn de mensen met een homoseksuele geaardheid. Beweren dat dit 'verkeerd' is, is namelijk 'not done', niet 'politiek correct'. Immers: als de ander ook wil, doe je er toch niemand kwaad mee? Het voelt zo goed! Dat is de maatstaf. Dus zijn zelfs homoseksuele christenen niet langer vrij om te zeggen dat ze seks tussen twee mensen van hetzelfde geslacht zien als een zonde, als iets dat ingaat tegen de scheppingsorde van God, als iets dat verkeerd is. Er is immers geen hogere macht die kan beslissen of iets goed of fout is, dat doen we zelf als maatschappij. En wee je gebeente als je er als individu of gemeenschap anders over denkt. Ons postmoderne begrip van goed en kwaad heeft er dus toe geleid dat de ene groep mensen met bepaalde verlangens tot uitschot is gebombardeerd en als minderwaardig wordt beschouwd, en dat van de andere groep mensen met bepaalde verlangens die als gezond en normaal geaccepteerd zijn.
Dit is dus hetzelfde dilemma als dat van Judas (interessant genoeg komt de musical Jesus Christ Superstar uit de zelfde jaren '60 en '70 als de seksuele revolutie). Omdat we onszelf en onze vrijheid op de hoogste plaats hebben gesteld, omdat wat wij willen de definitie van 'goed' is, blijven er maar twee mogelijkheden over als iemand iets wil of doet dat volgens onze normen 'verkeerd' is. Of we besluiten dat wat hij wil of doet eigenlijk helemaal niet verkeerd is, of we beschouwen de totale persoon als een monster.

Christenen doen ondertussen hetzelfde als de postmoderne mensen om ons heen. We hebben een idee over goed en kwaad meegekregen dat buiten ons ligt, maar willen er tegelijk aan vasthouden dat wij 'goede' mensen zijn, en dat wat wij willen en kiezen in principe 'goed' is. Mensen die iets willen/doen dat 'slecht' is, zijn monsters en moeten worden veroordeeld (hier gaan christenen vaak de fout in ten opzichte van bijvoorbeeld mensen met een homoseksuele geaardheid. Zie de 'God hates fags'-kerk uit de VS. Als er iets is waar ik mij als christen voor schaam ...) .Als wij merken dat we zelf soms verlangen naar iets dat verkeerd is, of dat zelfs doen, hebben we zelfs drie mogelijkheden. We kunnen concluderen dat het niet verkeerd is. Het voelde immers goed. Ik deed er niemand kwaad mee. Niemand zag het. Het gaat niemand aan. (B.v. hoe sommige hooggeplaatste mensen in de katholieke kerk omgingen met pedofilie, maar ook de acceptatie van bijvoorbeeld samenwonen in steeds meer christelijke gemeenschappen).
We kunnen als tweede optie onszelf veroordelen en afwijzen, en onszelf zien als waardeloze monsters, die geen respect verdienen.
Of ten slotte: we schrijven onze verlangens of keuzes toe aan de invloed van machten van buiten ons. Pijn uit het verleden (door ouders of anderen ons aangedaan), of verslavingen, of (en verweven met beide): demonische invloeden. We konden er niets aan doen dat we het verkeerde verlangden of deden, we waren onder invloed. We werden gedwongen. Het overkwam ons. Ik had geen eigen verantwoordelijkheid, de duivel liet het me doen.
Het is denk ik niet toevallig dat we juist in onze tijd het thema 'bevrijding van geestelijke machten' zo zien opkomen. We willen dat er voor ons gebeden wordt. We willen dat de machten die ons tot zonde brengen worden uitgedreven. We willen door iets of iemand bevrijd worden van de geest die ons verslaafd maakt, van de geest die ons ziek maakt, van de geest die ons boos, verdrietig, jaloers of heerszuchtig maakt. Er werd zelfs een keer voor mij gebeden dat ik bevrijd zou worden van een 'geest van nervositeit', toen ik een keer voor een kerk mocht spreken. Het kan er kennelijk bij ons niet in dat we zelf boos, verdrietig, jaloers of heerszuchtig zijn. Dat we zelf ziek zijn. Dat we zelf verslaafd zijn geraakt. Nee, wij zij immers goede mensen. Het slechte moet dus wel van buiten komen. In onze houding ten opzichte van de zonde zijn we niks anders dan de maatschappij om ons heen. En dus is de persoon van Judas voor ons net zo moeilijk als voor de wereld. 

Hier mijn voorlopige gedachten over een uitweg uit het dilemma. Wat goed is en wat niet, wordt bepaald door God. Hij is de wetgever. Hij (zijn karakter) is het morele ijkpunt. Voor iedereen. En wij zijn zondaars. Wij zijn zelfzuchtige mensen, die onszelf en onze begeertes op de eerste plaats willen zetten. Wat wij willen is niet per definitie goed. En ook al willen we het goede, we zullen het niet altijd doen. In de woorden van Paulus: "Ik besef dat in mij, in mijn eigen natuur, het goede niet aanwezig is. Ik wil het goede wel, maar het goede doen kan ik niet. Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik ... ik ben een gevangene van de wet van de zonde, die in mij leeft" (Romeinen 7). Dat is de realiteit. Geconfronteerd met de persoon van Judas, moeten we ten eerste volhouden dat wat hij deed verkeerd was. Zonde is zonde. Je meester verraden is verkeerd. Sex met kinderen of dieren is een overtreding van Gods liefdegebod. Daarvan moeten we overtuigd zijn. Maar ten tweede moeten we eraan vasthouden dat wij precies hetzelfde kunnen doen. En makkelijker dan we denken. In de juiste omstandigheden zijn wij, hoe moreel hoogstaand we onszelf vinden, in staat tot het grootste kwaad. Ik hoorde ooit het verhaal van iemand in een concentratiekamp, die daar zag hoe mensen bereid waren elkaar te vermoorden voor een stuk brood. De conclusie: we zijn geen haar, geen enkele haar, beter dan de pedofiel die we uit onze buurt wegjagen. We zijn geen haar beter dan Judas. Ik ben in staat precies hetzelfde te doen als hij. Sterker nog, ik denk dat ik ook op dit moment in veel van mijn keuzes ten diepste het karakter van Jezus 'verraad'. Ik weet dat ik soms naar dingen verlang die echt niet goed zijn. Ik ben een zondaar en geen heilige.
Maar dat hoeft ook niet. God vraagt van ons niet dat we 'goed' zijn voordat we voor hem waardevol zijn, of door hem aangenomen kunnen worden. Voordat hij ons kon liefhebben. Dat zou wat zijn, als het van ons zou afhangen! Nee, God wil dat we onze verkeerde verlangens en daden als 'fout' erkennen, dat we toegeven dat we zondaars zijn, dat we eerlijk zijn, en dat we vervolgens vertrouwen op Hem om onze zonden te vergeven en ons te reinigen van alle kwaad (1 Johannes 1:9). God houdt van ons, ongeacht of we goed of slecht zijn. We blijven waardevol. En we stellen ons open voor Hem om ons te veranderen tot mensen die ten allen tijde het goede willen en doen. Dat kunnen we niet uit eigen kracht.
Vervolgens scheppen we een omgeving waarin andere mensen vrij zijn om toe te geven dat ze worstelen, dat ze het verkeerde willen of doen, zonder dat we ze daarom afwijzen, tot 'monster' benoemen of ze uit onze gemeenschap stoten. We blijven van ze houden, ook al zijn ze 'slecht'. En we bemoedigen en helpen ze bij hun worsteling. We zijn als God voor ze met onze liefde, en we helpen ze te groeien tot de personen die God ze wil maken. Op Gods tijd. Om weer even controversieel te zijn: de kerk zou een plek moeten zijn waar zowel de pedofiel als de homofiel vrij is om te zeggen dat hij/zij worstelt, dat hij/zij een zondaar is, en waar tegelijk zowel de pedofiel als de homofiel wordt gezien als een waardevol kind van God, totaal afhankelijk van Gods genade en door ons geaccepteerd als broeder of zuster.

Om terug te komen op de Bijbelkring van afgelopen woensdag: ik denk dat Judas zichzelf voor het verraad had gezien als het morele centrum van het universum, en zichzelf daarna alleen nog maar kon zien als monster. En dus eindigde hij ook als monster. Eerst verheerlijkte hij zichzelf als God, daarna verachte hij zichzelf als duivel. Hij veroordeelde zichzelf en strafte zichzelf met de doodstraf.
Wij moeten daarentegen het voorbeeld volgen van Petrus. Petrus deed ook iets verkeerds. Hij verloochende zijn beste vriend, de rabbi die hij al jaren volgde. Hij zei tot drie keer toe dat hij Jezus niet kende, en gebruikte daar zelfs krachttermen bij. Hij zei: 'Deze man is niet mijn vriend'. Een schande. Petrus probeerde het niet goed te praten. Hij zei niet: 'Jezus zou het wel goed gevonden hebben, omdat ik anders ook gekruisigd zou zijn.' Nee, hij erkende dat wat hij deed verkeerd was geweest. Hij erkende dat hij iets had gedaan dat een zonde was. Hij had het al eerder gezegd tegen Jezus: 'Ga weg van mij, heer, want ik ben een zondig mens' (Lukas 5:8). Hij wist dat hij uit zichzelf niet goed was. Hij had een realistischer beeld van zijn eigen natuur. Hij wist dat hij tot alles in staat was.
En in plaats van zichzelf daarom te veroordelen en te straffen, keerde hij met die wetenschap terug tot Jezus. Zijn verdriet bracht hem ertoe zijn falen openlijk toe te geven. En Jezus vergaf hem. Jezus herstelde hem in ere. Jezus omarmde hem. Jezus zou er zelfs voor zorgen dat Petrus aan het eind van zijn leven in staat was om datgene te doen dat hij door de verloochening had willen ontlopen (vgl. Johannes 21:18,19).
En Jezus instrueerde Petrus om op dezelfde manier om te gaan met anderen. Om anderen zo te wijden en te hoeden. Om ze op het rechte pad te brengen, terecht te helpen 'met een geest van zachtmoedigheid' (Galaten 6:1). Als je weet dat je zelf in staat bent tot de grootste zonde, zul je een ander niet de grond instampen, maar naast hem gaan staan en verder helpen op de weg.
Dit is het verschil: "Verdriet dat God geeft, leidt tot inkeer die men nooit berouwt en tot redding; verdriet dat de wereld geeft leidt alleen maar tot de dood." (2 Korintiers 7:10). Ik ben ervan overtuigd dat deze weg van zwakheid ook voor Judas open stond, als hij zijn falen aan Jezus had erkend en hem om vergeving en reiniging had gevraagd.

Ik heb even geaarzeld voor ik zo'n heftig bericht zou publiceren. Ik  hoop dus dat je het leest in de geest zoals het geschreven is: niet als een stuk dat mensen veroordeelt, maar als een stuk dat wil aanzetten tot gesprek.

vrijdag 26 februari 2010

Judas: een probleem voor postmoderne mensen

Deze week liep ik twee keer tegen Judas aan. Niet letterlijk natuurlijk. De man is al bijna tweeduizend jaar dood. Ik bedoel het natuurlijk figuurlijk. De eerste keer was op de kring van onze kerk afgelopen woensdag. We behandelen namelijk de apostelen en deze avond hadden we er twee heel interessante. Petrus en Judas. Niet zo gepland, maar wel een mooi contrast: degene die Jezus verloochende, en degene die Jezus verraadde. Er werden boeiende vragen gesteld. Hoe kwam Judas aan zijn einde, doordat hij zich verhing, of doordat hij viel en zijn ingewanden kwamen eruit? En wie kocht precies die akker? En op welk moment maakte Judas de keuze om Jezus te verraden?
Maar het meest interessant was de vraag: kun je het je voorstellen dat Judas zo'n keuze maakte? Daar kwamen uiteenlopende antwoorden op. Sommigen vonden het heel moeilijk zich het verraad van Judas voor te stellen. Hij had toch drie jaar met Jezus opgetrokken? Hij moest dus toch door iets in Jezus' boodschap zijn aangesproken? Hij had toch al die tekenen en wonderen gezien? Hij bleef zelfs bij Jezus toen vele anderen hem verlieten (in Johannes 6). "Ik zou zoiets nooit doen", zei iemand zelfs als ik het me goed herinner. Dus legden we de nadruk op de teksten die suggereren dat Judas door de satan werd aangestuurd, dat hij daardoor geen keuze meer had. Pas op voor de duivel, want die kan je slechte dingen laten doen. (Iets dergelijks kwam aan bod bij onze discussie over Petrus, "Ga achter mij, Satan", zegt Jezus als Petrus hem ervan wil weerhouden te sterven (ironisch genoeg het omgekeerde van Judas). En op kring werd uitgelegd dat op dat moment Petrus onder de invloed was van de duivel, die hem die woorden deed uitspreken.

De tweede ontmoeting met Judas deze week was toen ik in De Pers las over de Judaspassie - een concurrent van die van Mattheus en Johannes- gebaseerd op (driemaal raden) het evangelie van Judas. Volgens deze gnostische tekst ziet Jezus Judas als zijn beste leerling en enige vertrouweling, en vraagt Judas hem bij wijze van ultieme vriendendienst te verraden. Judas draagt Jezus over naar zijn eindbestemming en wordt zo de held. Het was al de plot van de musical Jesus Christ Superstar uit 1970 (een van mijn favorieten overigens, de volgende paragrafen betekenen niet dat ik niet hardop meezing met de geweldige liederen ... binnenkort de film maar weer eens kijken). In deze musical wordt de suggestie gewekt dat Judas Jezus verraadt omdat hij ziet dat de stijgende populariteit van Jezus hem in botsing zal brengen met de romeinen. Ook wordt gesuggereerd dat Jezus zelf Judas er toe brengt naar de hogepriesters te gaan. En Judas wil geen geld van de priesters aannemen, nee, hij doet het (meent hij) met de beste motieven, niet voor geld. (De musical, maar vooral de film, zijn genuanceerder dan de Judaspassie. De indruk wordt gewekt dat Judas rijker gekleed gaat dan de andere discipelen. En in een scene met tanks wordt heel symbolisch de duivelse invloed in beeld gebracht.)
Beide -Judaspassie en Jesus Christ Superstar- komen eigenlijk voort uit dezelfde vraag die we ons op kring stelden: kun je het je voorstellen dat Judas zo'n keuze maakte? En opnieuw is het antwoord: nee. We kunnen ons niet voorstellen dat iemand zijn vriend verraad voor geld, als hij drie jaren met hem heeft opgetrokken. Zoiets zouden wij zelf immers nooit doen. Omdat we als moderne mensen niet geloven dat duivels ons tot zoiets kwaads zouden kunnen dwingen, blijven er twee opties over: of Judas was niet een normaal mens, maar een monster. Een psychopaat. (Maar dan had hij toch niet tot de apostelen behoord? Ze waren een religieus gezelschap!) Of: wat Judas deed was niet verkeerd, omdat het iets was dat Jezus zelf wilde. Jezus wilde zelf naar het kruis en hij had kennelijk iemand nodig om hem te verraden. Omdat zo de wil van God vervuld kon worden. De daad van verraad van een vriend (door de meeste mensen ongeacht de context als een gruwel beschouwd) is opeens een heldendaad geworden.

Kennelijk is in de afgelopen veertig/vijftig jaar ons beeld van de mens en van onszelf veranderd. We geloven niet meer dat een normaal mens in staat kan zijn tot een daad als die van Judas. We geloven niet meer dat een gewoon persoon op een bepaald moment het verkeerde kan willen of doen. Sterker nog: we geloven niet meer in het bestaan van een moreel goed of kwaad waaraan onze keuzes/verlangens wel of niet voldoen. Anders gezegd: we geloven niet meer in de zonde.
We zien onszelf en de mens in het algemeen als hoogste macht. Het heelal is een koude plaats, gemaakt van atomen, waar het in principe niets uitmaakt wat je doet of verlangt. Er is geen God die alles gemaakt heeft en heeft besloten wat goed, waardevol en liefdevol is. Wij kunnen kiezen en er is niemand boven ons aan wie we verantwoording moeten afleggen. Er is geen objectief 'goed' of 'slecht'. We bepalen zelf wat we mogen doen en verlangen. Wie zegt mij dat ik iets niet zou moeten doen of iets anders juist wel? Wat gaat het die ander aan? We kunnen hooguit als maatschappij bepaalde afspraken maken, zodat we als gemeenschap kunnen blijven functioneren. En we worden geacht ons aan die afspraken te maken. Als we dat niet doen, worden we door de gemeenschap gestraft. Dat is de belangrijkste reden om bepaalde dingen niet te doen. Verder, zolang de ander ermee instemt, en zijn toestemming geeft, mag je (vrijwel) alles doen volgens de moderne mens. Het gaat erom dat je het allebei wilt. Vrijheid van keuze staat vooraan. Over verlangens/gedrag mogen we niet oordelen, zolang het niemand pijn doet.
Daarom: we winden ons op over dierenwelzijn. Wij gebruiken dieren en niemand heeft ze om toestemming gevraagd. We protesteren tegen dierproeven, bont, bioindustrie et cetera. Volgens filosofen zouden we allemaal vegetariër moeten worden, omdat de manier waarop wij dieren behandelen de grootste morele misstand is van onze tijd. (Misschien hebben ze wel gelijk. Er is veel mis in de manier waarop wij omgaan met de schepping.) Aan de andere kant hoor ik die filosofen dan niet over abortus. Immers, vrouwen moeten zelf over hun lichaam kunnen beslissen (pro choice). Zolang het klompje cellen niets kan voelen en niets kan uiten, kan niemand mij dwingen het te houden. Het is moreel neutraal. Ik kan zelf uitmaken of ik het laat ontwikkelen tot een mens. Goed en slecht heeft daar niets mee te maken. Ik zelf geloof dat abortus een groter recht heeft 'de grootste morele misstand' van onze tijd te zijn dan dierenwelzijn.
Andersom: mensen die dingen willen of doen terwijl anderen daar geen toestemming voor willen of kunnen geven, moeten dus wel als monsters, als psychopaten, worden behandeld. Want omdat voor mij mijn eigen wil mijn morele maatstaf is, en alles wat ik wil dus 'goed' is en toegestaan moet worden, moet ik ervan uitgaan dat dit ook geldt voor de ander, dat die ander zelf zijn morele kompas bepaalt. Als hij iets wil dat ik beoordeel als 'slecht', als in strijd met mijn morele maatstaf, betekent het noodzakelijk dat die hele persoon dus slecht is. Want we denken dat hij het ziet als iets 'goeds', puur omdat hij het wil. En omdat hij iets dat ik zie als 'slecht', ziet als 'goed', verdient hij het door mij veroordeeld en verkettert te worden. Dat hij als totale mens afkeurenswaardig is. Dat hij uit de gemeenschap moet worden verstoten.
Kijk hoe activisten mensen behandelen die bont dragen. Ik zeg niet dat ikzelf bont zou dragen (ben er nog niet uit. Maar ja, ik eet wel vlees, en ik draag leren schoenen. Dus waarom niet?). Maar de 'dierenbeschermers' roepen wel heel extreme dingen naar mensen die in bont gekleed gaan. Het zijn in hun ogen verwerpelijke mensen. Monsters, die als minderwaardig aangesproken mogen worden, die geen respect verdienen. Dit gaat twee kanten op, want tegelijk zijn deze mensen verontwaardigd over fundamentalistische moslims (en christenen) die zich uitspreken over hun eigen manier van leven (abortus, vrije seksualiteit, et cetera). De fundamentalisten beroepen zich op het bestaan van een morele realiteit, die ook voor hen zou gelden. Maar daarmee doen ze inbreuk op hun (vermeende) vrijheid zelf te bepalen wat goed en slecht is. Dat is slecht, dus zijn ook deze mensen 'monsters'.

Morgen de controversiële tweede helft van dit bericht ...