vrijdag 28 februari 2014

Gedicht: Offers

Offers

Wanneer is het genoeg?
Ik heb mijn tas al leeg geschud
boven de put. Die gaapt nog steeds:
een tandeloze mond. Vraagt mij
om meer. Meer geld, meer tijd.
Mijn toewijding verzadigt niet.
Wat heb ik dan nog over? Mijn vlees:
bleek, na lange nachten woelen
aan koorts ten prooi gevallen.
Het vuur dat ik ging afbetalen
heeft nu toch het laatste woord.
Maar zijn ogen blijven dwingen,
zijn vinger uitgestrekt. Geen begrip
voor lege beurs of stervend hart.
De machine, die moet draaien,
en voor mij tien anderen.
Dus ik snijd mezelf en voed de macht
met vreugde, met verlangen,
tot slechts leegte overblijft. Zwart,
door niets meer op te vullen.
Is het dan eindelijk genoeg?

donderdag 27 februari 2014

Gedicht: Glorie

Glorie

Ik ben veranderd. Sterk geworden,
draag een zwaard van glanzend staal,
het harnas van een koning en ik kijk
je aan zonder mezelf te haten.
Je hebt zelf het zien gebeuren,
hoe ik streed, zonder versagen
mijn vijand achterliet in 't stof,
hoe ik rechtop ging staan, verbaasd
over het wapen in mijn hand.
Ik liet mijn twijfel achter, zeg je,
en won voor mijzelf de troon.
Dat is niet wat ik mij herinner,
maar bloed, en zweet en tranen,
de zekerheid te falen, een tunnel
waarin mijn eigen trots verdween.
En toen een stem, die mij beloofde
dat ik zou worden wat ik hoopte,
een zachte wind op mijn gezicht.
Ik keek en zag mezelf bekleed
met heerlijkheid. Ik was veranderd.

vrijdag 21 februari 2014

Gedicht: sprookjesbal

Sprookjesbal

De weg was lang en steil
onder een duist're hemel.
Je voeten waren ruw,
je kleren vuil, je haar
verward, aaneen geklit,
toen je de poort bereikte
van het paleis. Je klopte,
bang te worden afgewezen
er niet te mogen zijn.
Was bijna omgekeerd.

Toen opende zich de deur,
ging je de drempel over
de warmte in. Je kleed
werd van je afgenomen.
Je werd vriendelijk onthaald,
zonder afkeer of verwijt,
meegevoerd naar spiegels
waar de dienaars stonden
al op je te wachten. Je liet
hen hun werk verrichten.

Hun handen veegden tranen
van je ogen, kleurden je
lippen rood, je wimpers zwart,
verfden je nagels. Je haar
werd zorgzaam opgestoken.
Ze hulden je in kant,
satijn, leer en brokaat,
hingen stenen aan je oren
bonden zilver om je hals,
bezet met diamanten.

In de reflectie zag je niet
langer wie je was, maar meer:
potentie werkelijkheid.
Hart bonzend schreed je door
naar binnen en naar buiten
in een balzaal groter dan
de wereld, de vervulling
van je diepste dromen.
Je zag hem naar je kijken,
glimlachend, zijn hand naar je uitgestrekt.

En toen begon de dans.

zaterdag 15 februari 2014

Gedicht: Reflectie

Reflectie

Ik zie mijzelf weerkaatst
in glimmend glas. Mijn ziel
verschijnt in blauwe ogen.
Geen bedekking, als in de tuin
voordat het avond werd.
Confronterend werkelijkheid.

Wat ik waarneem moet wel
Slecht zijn. Generaties
lang door dood misvormd.
Slechts waard te verteren in het vuur
van haat dat altijd brandt.
Zo is het mij ingeprent.

Ik mag het niet omarmen
hoe verlokkend het ook oogt
met de schijn van waarde. Ik moet
wat mooi lijkt, lelijk noemen,
verguizen want slechts dan
blijft mij ballingschap gespaard.

Dus vervloek ik mijn gelaat
trek met nagels rode voren
ruk haren uit, besmeur het beeld
tot het op een demon lijkt.
Zonder de pijn te voelen:
die is niet meer dan afgodsdienst.

Dan breekt de spiegel op
in duizend scherven. Ik verdwijn
maar vind mijn zelf weer terug
niet langer op mijn plaats gepind.
De lijst een open raam
dat uitkijkt op de eeuwigheid.

vrijdag 17 januari 2014

Het sacrament en jij (5 en slot): Geloven is jezelf worden

In een eerdere serie op mijn blog schreef ik over het bezoek van mijn Amerikaanse vriend Bryan aan Nederland en hoe we elkaar in Amsterdam ontmoetten. We raakten aan de praat en herkenden veel in elkaars verhaal. Zo vertelde hij dat hij Doctor Who-fan was. Maar daar gaat deze serie niet over. Een van de overeenkomsten tussen ons was dat we allebei een tijd lang onze gevoelens en verlangens, uitingen van ons lichaam, hadden afgewezen. Mede daardoor (en waarschijnlijk doordat we allebei intellectuele mensen zijn) ervoeren we afstand ten aanzien van ons lichaam, alsof we als een marionettenspeler boven ons lichaam zweven en er niet werkelijk mee in contact staan. Mijn vriend had leren inzien dat ‘mens zijn’ betekent ‘lichaam zijn’ en had besloten te proberen meer in contact te komen met zijn lichaam. Dat deed hij onder andere door te koken en door bier te maken. Niet in eerste instantie door recepten te volgen, maar door zelf met de ingrediënten bezig te gaan. Zelf bij het kneden te voelen wanneer het deeg de juiste consistentie had, zelf te voelen wanneer het genoeg gerezen was, zelf te proeven of hij het juiste mengsel te pakken had. Experimenteren en vervolgens ervaren wat de gevolgen zijn - de sensaties van zijn zintuigen te leren ervaren als goed en waardevol. En zo weer af te dalen in zijn lichaam, en dat weer te bewonen. Om, als het ware ‘vlees te worden’ of te incarneren in zijn eigen lichaam.

Spreken over incarnatie als het gaat om onze relatie met ons lichaam is in dit geval niet vreemd. Te vaak hebben we als christenen geloofd in een dualistisch beeld van ons lichaam, recentelijk vooral in navolging van Descartes, waarbij de ziel inderdaad werd gezien als een entiteit los van het lichaam, die dat bestuurde als een soort poppenspeler. Volgens Descartes vond de interactie tussen de immateriële, onstoffelijke ziel en het lichaam plaats via de pijnappelklier. Andere denkers zeiden later dat de interactie plaatsvond via de hersenen. Als delen van de hersenen beschadigd raakten zou de ziel zich niet meer volledig kunnen uiten (bijvoorbeeld in het geval van een aangeboren afwijking als Down), maar de ziel zelf zou daardoor niet zijn aangetast. De ziel bleef immers gescheiden van de materie. De hersenen waren gebrekkig materieel, en de ziel zou niet kunnen wachten om die achter te kunnen laten.
Zelfs denkers als N.T. Wright spreken over de geest van de mens als ‘software’ die loopt op ‘hardware’. Ze bevestigen het belang van het lichaam (software heeft hardware nodig om te functioneren), en verklaren het leven na de dood door te stellen dat God onze ‘software’ op zijn eigen ‘hardware’ laat lopen. Maar in feite houden ze nog steeds een scheiding in stand. En atheïstische wetenschappers als Dick Swaab doen hetzelfde, door het immateriële te ontkennen. Ze zeggen wat wij onze hersenen zijn, en dat wat wij beschouwen als keuzevrijheid, persoonlijkheid of bewustzijn alleen maar bijverschijnselen zijn van natuurkundige of biologische processen in de hersenen.
Allemaal gaan ze uit van een gescheiden zijn van geest en lichaam.

Maar kijk naar de incarnatie, de vleeswording van Jezus. Jezus was God en mens tegelijk, maar zijn goddelijke en zijn menselijke kant konden niet van elkaar worden gescheiden. Zijn goddelijke kant hing niet als een marionettenspeler boven zijn menselijke lichaam. Zijn goddelijke natuur was ook geen software die liep op zijn menselijke hardware.
De geloofsbelijdenissen suggereren dat Jezus volledig, 100 procent, God was, en volledig, 100 procent, mens. De mens Jezus is God. Dat wil zeggen dat de ene eigenschap van Jezus dus tegelijk volledig goddelijk was, en tegelijk volledig menselijk. Anders gezegd: wie Jezus zag in zijn goddelijke glorie (bijvoorbeeld bij de verheerlijking op de berg, in zijn berispen van de storm, in zijn grote vergevingsgezindheid), zag hoe God mensen bedoeld had. Dit is waarvoor wij zijn geschapen. ‘Wie op mij vertrouwt zal hetzelfde doen als ik’, zei Jezus (Johannes 14:12). Maar andersom: wie Jezus’ menselijkheid zag, zag daarin de natuur van God. Bijvoorbeeld in het feit dat hij huilde bij het graf van Lazarus, in zijn woede op de Farizeeën, maar ook in zijn aanraken van melaatsen. ‘Wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien’, zegt Jezus, en dat dus letterlijk (v9). Hoe Jezus was in zijn menselijkheid, is hoe God in zijn eeuwigheid is.
In het lichaam van Jezus is God dus werkelijk zichtbaar, hoewel het lichaam niet ophoudt materie te zijn. Dus kan de kerk leren dat in het brood en de wijn van het avondmaal het lichaam en het bloed van Jezus werkelijk zichtbaar zijn, hoewel ze niet ophouden brood en wijn te zijn. Dit moet je niet dood analyseren (op welk moment wordt het brood dan metafysisch lichaam?). Het is een kenmerk van het sacramentele karakter van brood en wijn, dat er iets werkelijks in zichtbaar wordt, hoewel het materieel is. En zo is het ook met ons. We zijn een enkel geheel. Er zweeft boven ons geen immateriële geest. En al helemaal niet een geest die bij de bevruchting uit de hemel op ons is neergekomen en na de dood daarnaar weer teruggaat.
Ook over de menselijke natuur hebben speculaties als ‘op welk moment na de bevruchting krijgt het lichaam een geest’ geen enkele zin. Wij zijn ons lichaam. Daarin heeft Swaab gelijk. Ontleed ons en je komt geen los onderdeel tegen. Het gaat om meer dan onze hersenen. Onze andere organen, hormonen en spijsvertering, onze huid, onze zintuigen, zelfs de bacteriën in onze darmen, doen allemaal mee. Tegelijkertijd geldt: ons lichaam is ons. Mijn lichaam is mij. Mijn lichaam maakt de persoon ‘Johan’ zichtbaar. In mijn verlangens, in mijn keuzes, in mijn relaties. Ik ben niet te reduceren tot mijn lichaam, ik ben niet ‘maar een lichaam’, mijn lichaam is een sacrament, waarin de persoon zichtbaar wordt ‘die God heeft geschapen als zijn evenbeeld’ (Jakobus 3:9).
We zijn naar Gods beeld geschapen in het feit dat we personen zijn, die tot werkelijke creativiteit in staat zijn, die waarheid kunnen nastreven en vinden, en die vrije relaties met anderen kunnen aangaan. En dat wordt zichtbaar in onze lichamelijkheid. Niet volmaakt - het bijbelverhaal suggereert dat deze werkelijkheid is onderworpen aan invloeden van een transactionele aard, waardoor ze ‘als in barensweeen zucht en lijdt’ (Romeinen 8:22). Dit geldt ook voor ons lichaam. We worden tegengewerkt in onze uiting van onze glorie als geschapen wezen, maar eens zullen de vrijheid en luister van Gods kinderen volkomen worden geopenbaard, eens komt de verlossing van ons sterfelijk bestaan (v23). Daar kijken we naar uit, in deze hoop zij we gered (v24). Maar dat onze vleeswording niet volmaakt is, wil niet zeggen dat ze niet relevant is. Als Jezus een sacrament is, zijn wij, kortom, zelf ook een sacrament. Ik denk dat dit bevestigd wordt door de opstanding van Jezus, en de belofte dat wij net als hij zullen opstaan uit de dood. En het feit dat bij geen van de opwekkingen (die van het dochtertje van Jairus, of die van Lazarus) de suggestie wordt gewekt dat de persoon ‘terugkeerde uit de hemel’. De persoon was dood. Hij (of zij) werd weer levend en werd vanaf dat moment weer sacrament.

Dit inzien, leidt ertoe dat we ons lichaam op een andere manier gaan bekijken. Ons lichaam met alles wat daarbij hoort, want juist het lichamelijke is sacrament van wie we zijn. Dat is: het lichaam zoals dat door miljoenen jaren evolutie is gevormd, inclusief de verschillen tussen man en vrouw, onze seksualiteit, onze sociale structuren, onze taalvaardigheid. Om een voorbeeld te geven van de manier waarop we met dit uitgangspunt anders kunnen gaan denken over wie we zijn, wijs ik terug naar de discussie op de blog van Richard Beck of feministen wel hoge hakken konden dragen, of dat het feit dat mannen visueel zijn ingesteld inherent slecht is. Wat hij suggereert is dit: “The visual bias in male sexual arousal is an adaptive feature of the brain. A feature adaptively intertwined with the female gaze. I'm tentatively suggesting that the gazes, being adaptive features of the brain, are morally neutral, adaptations that are similar to why we find sugar sweet. We generally think of incarnational theology as being about embodiment. If so, an incarnational approach to being "sexy" will recognize and enjoy the evolutionary and biological aspects influencing both the male and female gaze. Males and females have been gazing at each other and finding each other sexy for millions of years. And there is a creational goodness in how these erotic feelings spontaneously emerge within us. How you catch my eye. How that gesture melts my heart. And, being humans, we've reveled in all the ways we can creatively and artistically enhance those feelings. From love songs to diamond rings to, well, to high heels. We become chefs to enhance the pleasures of taste. We do the similar things to enhance the pleasures of sexual attraction and arousal. One of many bodily goods that both genders enjoy, from the taste of good coffee to the pleasure of a symphony. The male and female gaze is embodied pleasure.” Het is een uiting van wie wij zijn, van ons diepste zelf. Net als creativiteit dat is. Wie kan zeggen waar in de hersenen creatieve ideeën vandaan komen? Toch (dat merk ik althans zelf) horen mijn creatieve ideeën diep bij mij, zijn ze niet van mijzelf te scheiden. Een ander zou niet dezelfde creatieve ideeën hebben als ik.
Deze verlangens, creativiteit en seksueel, komen uit mijn diepste hart voort. Ikzelf wordt erin zichtbaar. Ze zijn een sacrament. Als ik goed en liefdevol ben, zal dat in deze uitingen te zien zijn. Als mijn gerichtheid transactioneel is, op mijzelf gericht, zal dat in deze uitingen te zien zijn. De gerichtheid wordt erin zichtbaar. Maar ze zijn zelfs meer dan dat. Mijn creativiteit als mens, als geschapen wezen, is een sacrament van de creativiteit van God, het maakt zichtbaar hoeveel mogelijkheden God ziet en hoeveel nieuwe schoonheid hij tevoorschijn kan brengen. ‘Zie ik maak iets nieuws, nu zal het uitspruiten’ (Jesaja 43:9). En: ‘Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefheeft’ (1 Korintiers 2:9). Hetzelfde geldt voor onze seksualiteit, het plezier dat de man en de vrouw in elkaar hebben, initiatief en overgave, het is een beeld van God in zijn liefde voor ons, een sacrament van het goddelijke plezier in zijn relaties, van het plezier van de Bruid met de bruidegom. ‘Dit mysterie is groot - en ik betrek het op Christus en zijn kerk’ (Efeze 5:32). Dit is waar wij voor bedoeld zijn, om ‘beelddragers van God’ te zijn, om zijn liefde en passie zichtbaar te maken en te openbaren. ‘God heeft ons gemaakt om een relatie met Hem te hebben en zijn gelijkenis in alle gebieden van ons leven tot uitdrukking te laten komen’, stellen Jerram Barrs en Ranald Macaulay. ‘Met ons lichaam, ons verstand, onze emoties en onze wil.’ (Geloven is weer mens worden).

De kern van de zonde is dat dit beeld niet meer zichtbaar wordt. Dat in onze uitingen, onze verlangens, creativiteit en seksualiteit, niet meer de oprechte, opofferende sacramentele liefde van God zichtbaar is, maar dat in ons lichaam onze transactionele natuur zichtbaar wordt, onze gerichtheid om onszelf en anderen te kopen en te verkopen, om mensen (onszelf incluis) te reduceren tot ‘alleen maar lichamen’, om te vragen ‘What’s in it for me’.
Als dat is wat zichtbaar is, tonen we niet het beeld van God, zoals we bedoeld waren, maar het beeld van de duivel, de gepersonifieerde transactionaliteit. “As a heterosexual man--the product of a long, long evolutionary history--I don't know how to look at my wife and not find her sexy”, schrijft Richard Beck op zijn blog experimental theology. “And I love how she, joyously, creatively, and artistically, surprises my gaze. I love the way my wife dresses. Does her hair. The whole thing. And yet, if I start to demand that she dresses a certain way. If I start to privilege my gaze--if anyone, in any sort of romantic context, heterosexual or otherwise, starts to privilege their gaze--we begin in that instance to conflate our gaze with power. When we begin to lord over our partners to indulge our visual appetites we are back to oppression.”
Wat is de oplossing voor dit dilemma? Een antwoord dat Richard Beck geeft is dat we offers moeten brengen. We moeten bereid zijn om af te zien van de vervulling van ons verlangen, als die afhankelijk is van iets dat anderen niet willen geven. De ander moet belangrijker voor ons zijn, en diens integriteit, dan onze eigen begeerte. Anders zijn we immers transactioneel. Anders zijn we 'entitled'. Dus we moeten offers brengen. Niet eisen, maar vragen en ‘nee’ kunnen accepteren. Het belang van de ander boven dat van onszelf stellen. Maar dit soort denken zou terug kunnen vallen in een afwijzen van onze verlangens en onze seksualiteit. Als we immers bereid moeten zijn er van af te zien, als we het moeten opofferen, kunnen we de verlangens immers maar beter helemaal opzij schuiven. Dan kunnen we ze maar beter als slecht bestempelen en onderdrukken. Dan weten we immers zeker dat we niet over een grens gaan, dat we het goed doen. En dan is het maar een kleine stap om te gaan geloven dat we door de offers die we brengen, aangenamer worden voor God. Dat hij wel heel blij met ons is als we zoveel voor de ander en voor hem over hebben. Dan zijn we terug bij het transactionele. Dit kan echter niet de oplossing zijn.
Gelukkig is er een derde weg, beweert Richard Beck, en daarvoor grijpt hij terug op de oosters orthodoxe theologie. “The object of love isn't the sacrifice of the gaze but the divinization of the gaze. No doubt, mortification may be a part of this process. But the goal isn't to repress and sacrifice the biological and erotic aspects of love but to have our bodies taken up and transformed by the love of God.” Dit is de oplossing. Niet het opgeven van het verlangen, maar de vrijheid van het verlangen. Als wij zijn gegrepen door de onvoorwaardelijke liefde van God, als we werkelijk zijn gaan geloven dat hij van ons houdt zoals we zijn, zoveel dat hij daar alles voor over had aan het kruis. Als we die liefde toelaten en accepteren, ons ervoor open stellen. Als we onszelf zien als geliefde kinderen van God, dan gaat dat in ons doorwerken. Dan verandert die wetenschap onze verlangens. Als inkt in een bloem wordt het zichtbaar in onze keuzes, en in onze relaties.

Het openstellen voor de liefde van God zal ertoe leiden dat we onszelf, compleet, zien als waardevol en betekenisvol. Dit is een proces van zelfaanvaarding. Geen afwijzing van delen van mezelf, maar mezelf accepteren. Dit is wie ik ben, en ik ben door God geliefd. Ik bedoel hier niet mee een goedpraten van de zondige, transactionele kanten van mijn verlangens en mijn keuzes. Die zijn nooit goed, omdat ze mijzelf, de ander en de wereld beschadigen. En God accepteert die ook niet. Liefde is volgens 1 Korintiers 13 immers niet blij met de ongerechtigheid. Maar dat is gerichtheid, niet kern. Het ik dat gericht is op zelfverrijking, of ‘voor wat hoort wat’, is door God geaccepteerd. Volledig. Ook als het op zichzelf gericht is. Maar die acceptatie ervaren, die tot je laten doordringen, daarin gaan leven, verandert je gerichtheid. Als je jezelf echt onvoorwaardelijk gaat accepteren, zoals God dat doet, ga je ook anderen zien in datzelfde licht: als belangrijk, waardevol, betekenisvol. Je ziet ze niet meer als bijfiguren in jouw verhaal. Je ziet ze als belangrijk in Gods verhaal. ‘Daarom beoordelen we vanaf nu niemand meer volgens de maatstaven van deze wereld’ (2 Korintiers 5:16). Je gaat hen ook liefhebben, zoals God hen liefheeft.
Dit is volgens mij wat de bijbel bedoelt met de uitspraak: ‘Voor wie rein zijn, is alles rein’ (Titus 1:15). En: ‘Ieder die in Hem blijft, zondigt niet’ (1 Johannes 3:6)
En op deze manier werkt Gods liefde door, via ons. Want wij worden voor anderen een sacrament van Gods liefde, in ons wordt Gods acceptatie zichtbaar. Zodat anderen die kunnen accepteren, en zichzelf kunnen gaan zien als waardevol en betekenisvol, als sacramenten. En zo breidt de vernieuwing zich uit als een olievlek, of althans, zo zou het kunnen gaan. Het transactionele wereldbeeld, gebaseerd op de leugen dat we Gods acceptatie moeten verdienen, viert hoogtij. In onze wereld, in ons. Daarom dat wij met de schepping zuchten in afwachting van de ‘verlossing van ons sterfelijk bestaan’ (Romeinen 8:23). Wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard, maar we weten dat we aan hem gelijk zullen zijn wanneer hij zal verschijnen, want dan zien we hem zoals hij is (1 Johannes 3:2). Wat in de toekomst volledig openbaar wordt, is nu echter in het verborgene al wel werkelijkheid. We zijn al nieuwe mensen! Daarom: ‘Ieder die dit vol vertrouwen van hem verwacht maakt zich rein, zoals ook Jezus rein is’ (1 Johannes 3:3).

Ik vind dit hele principe prachtig in beeld gebracht in de recente Disneyfilm Frozen (die ik op mijn blog eerder ook heb besproken). In dat verhaal is koningin Elsa bang dat wat uit haar voortkomt niet goed is. Ze heeft er mensen mee beschadigt en probeert haar gave nu te onderdrukken. Ze accepteert zichzelf niet. En als haar gave door haar muur van bescherming heenbreekt, doet ze anderen pijn. Zelfs haar eigen zus. De enige manier die ze kan vinden om anderen geen pijn te doen, is door zich te isoleren. Helemaal alleen op een berg. Het heeft de vorm van vrijheid (geen regels), maar ze is niet vrij. Hoe ze zich ook aan het keurslijf ontvochten heeft, ze blijft van binnen overtuigd dat ze anderen pijn zal doen, en dat iets dat echt bij haar hoort gevaarlijk is en blijft.
Tot iemand zich voor haar opoffert. Iemand die ze eerst had afgewezen, die ze pijn had gedaan, die ze van zich had afgestoten. Zonder er twee keer over na te denken springt die persoon tussenbeide. Ze vraagt: ‘Waarom doe je zoiets?’. De ander antwoordt: ‘Uit liefde’. en dat verandert het hart van koningin Elsa. Het is haar hart dat bevroren was, en het is haar hart dat moet ontdooien. En als haar hart ontdooid is, kan ze niet alleen maar bevriezen, dan kan ze zelf ook de wereld om haar heen ontdooien. Ze kan nog steeds volledig zichzelf zijn, maar uit haar komen goede dingen voort, geen slechte. Een betere parabel voor het evangelie is volgens mij niet mogelijk.

donderdag 16 januari 2014

Gedicht: Het ei

Het ei
De wereld lijkt niet groter
dan ik kan zien. Een schaal
niet door mij te doordringen
hoe ik ook tast. Boven en onder mij
voel ik de wand, hard als beton
 als ijs zo glad. Geen grip te krijgen.
Geen naad. Geen deur die open slaat.
Verslagen zink ik neer. Met ogen dicht
zie ik hetzelfde en mijn stem
keert onverrichterzake terug
als van galmend koper. Ik vlucht
in de sensaties, vermaak mezelf
tot ik ooit niet wakker word;
het einde van de wereld en van mij.

Dan schrik ik op, wakker geschud
door een geluid dat ik niet maakte,
nauwelijks gekras, aan de grens
van mijn gehoor. Het komt van buiten.
Waar ik eerst niets vermoedde, daar ontstaan
nu mogelijkheden, oneindig rijk.
Ik zie barsten, onverklaarbaar,
over het blauw en groen en grijs,
te dun om terug te vinden. Het licht
erachter is voor mijn ogen vreemd,
komt niet van zon of maan,
is niet te delen, behalve met wie
het ooit zelf zag. Ik wacht nu
tot mijn wereld openbreekt.

dinsdag 14 januari 2014

Filmbespreking: The Secret Life of Walter Mitty

Ik las op de middelbare school het korte verhaal waarop deze film (heel erg losjes) is gebaseerd. In een boek over Engelse literatuur. Niet verwonderlijk, want volgens Wikipedia is dit verhaal van James Thurber een van de meest in anthologieën opgenomen verhalen uit de Amerikaanse literatuurgeschiedenis. Het sprak me meteen aan. Ik herkende namelijk mezelf in de hoofdpersoon, die zodra hij de kans krijgt, zich verliest in dagdromen. Zo stelt hij zichzelf voor als vliegbootspiloot, als chirurg en voor het vuurpeloton. Ikzelf heb ook al van jongs af aan een nogal levendige fantasie. Oh, dit wordt trouwens weer een wat autobiografische filmbespreking, dus als je daar geen trek in hebt, kun je beter stoppen met lezen en de film kijken. Ik ga hem namelijk hieronder van harte aanbevelen.
Maar verder over mij, voordat ik op de film overga: ik liep als kind al fantaserend over straat, van huis naar school (en terug). Ik verzon allerlei avonturen (gebaseerd op tekenfilmseries als G.I. Joe), maar stelde mezelf ook graag voor als ontdekkingsreiziger, waarbij ik nieuwe vissoorten ontdekte, en die vervolgens in een aquarium hield en tot voortplanting bracht. Ik las veel aquariumtijdschriften, dat verklaart een boel. Ik was hierdoor ook wel wat afwezig, wat leidde tot plagerijen, maar ook tot een bijna-aanrijding, omdat ik op de fiets de straat overstak zonder op of om te kijken. (Dit is de reden dat ik nu ook nog steeds niet graag fiets: je kunt dan niet veilig in gedachten verzonken blijven). In een of twee situaties gebruikte ik het fantaseren bewust als vlucht uit de realiteit, zoals die ene keer dat ik voor straf op de gang moest zitten.
Het lezen van dit korte verhaal op de middelbare school kwam daarom ook wel heel dichtbij. Want het is duidelijk dat Walter Mitty het in dit verhaal niet makkelijk heeft. Hij is een meegaande man, die wordt afgesnauwd, onder andere door zijn wat dominante vrouw. In zijn fantasieën is hij echter sterk, inventief, heldhaftig. Alles wat hij in het echt niet is. Maar zijn fantasieën brengen hem er niet toe in actie te komen om zijn situatie te verbeteren, maar zorgen er juist voor dat hij langer passief blijft. Ik was gefascineerd door het verhaal, maar voelde me ook beschuldigd. Wilde de schrijver zeggen dat verbeelding iets negatiefs was? In mijn leven bevonden zich genoeg andere stemmen die mij ervan beschuldigden uit de realiteit te willen vluchten. En er zat een kern van waarheid in, want ik werd op de middelbare school gepest, en voelde me afwijkend vergeleken met klasgenoten, en niet begrepen door mijn ouders en de kerk. Ik had het gevoel dat ik alleen mezelf kon zijn in de wereld die ik in mijn gedachten bij elkaar fantaseerde. Dus kon ik de waarschuwing van het verhaal nooit goed achter mij laten. Er bleef een knauwende twijfel bij me achter, of ik soms niet de waarheid over mezelf onder ogen durfde zien. Mijn fantasie kon ik echter onmogelijk afwijzen. Daarom was ik opgelucht toen ik ontdekte dat de film een andere kant op gaat, en laat zien hoe fantasie een positieve rol in iemands leven kan gaan spelen.
Ik ben dus niet een van de critici die er een probleem mee heeft dat deze film afwijkt van het originele verhaal of zelf er een heel andere draai aan geeft. Ik juich het juist toe! Alleen verdwijnt uiteindelijk het element van fantasie uit het plot. Gelukkig ben je dan als kijker al gefascineerd door het verhaal en de hoofdpersoon (briljant neergezet door Ben Stiller, nu eens niet boos of opgewonden, maar introvert en bescheiden, althans in het begin), en merk je deze andere nadruk nauwelijks. Mooi zijn verder de subtiele grafische toevoegingen aan de shots, de beelden van prachtige natuur en de geloofwaardige relaties (al hoop ik niet dat er werkelijk zulke afstotelijke managers bestaan als in deze film - van die mannen die baarden dragen, alleen omdat de tijdschriften zeggen dat het in de mode is). Grappig zijn de filmpersiflages in de fantasiescenes en de heel diverse bijfiguren. In de bioscoopzaal werd meerdere malen hardop gelachen. Ik hoop de film nog meerdere malen te kijken en zou zelf niet verbaasd zijn als hij tot mijn favorieten zou gaan horen.

Wie de hoofdpersoon is in deze film wordt verklapt door de titel. Walter Mitty. Hij werkt bij het tijdschrift Life, op de foto-afdeling. Hij is de contactpersoon van sterfotograaf Sean, die nog steeds zweert bij filmrolletjes. Terwijl hij filmnegatieven ontwikkelt, heeft Walter een oogje op zijn knappe collega Cheryl. Hij durft haar echter niet aan te spreken. In plaats daarvan verliest hij zich in dagdromen waarin hij dat wel durft, en een interessanter leven leidt dan hij doet. Wanneer Life wordt overgenomen en het papieren tijdschrift wordt opgeheven, staat ook Walters baan op het spel. Hij moet voor het laatste nummer van het tijdschrift de coverfoto verzorgen, aan hem toegestuurd door Sean. Maar het negatief in kwestie, nummer 25, ontbreekt. Uit de andere foto’s probeert Walter aanwijzingen te destilleren. Hij ontdekt dat een van de plaatjes een schip betreft in Groenland. Aangespoord door Cheryl gaat Walter op zoek naar Sean. Het is de eerste keer dat Walter het land uit is, en het voelt heel avontuurlijk, maar al snel ontdekt hij dat het werkelijke leven nogal eens anders uitpakt dan hij zich in zijn dromen voorstelt.

Het is te eenvoudig om fantasie te reduceren tot een ‘vlucht uit de werkelijkheid’. Dat moet James Thurber zich ook hebben gerealiseerd. Hij was per slot van rekening schrijver, en gebruikte zijn verbeelding om Walter Mitty te verzinnen. Verbeelding is iets heel moois en krachtigs. Verbeelding is scheppend. Toen ik op de basisschool zat was er niet zoveel mis in mijn leven (ik werd toen bijvoorbeeld niet gepest). Toch fantaseerde ik veel. Ik vond het geweldig om verhalen te verzinnen, nieuwe werelden, spannend en mooi. Daar ging ik in op. Niet omdat ik iets had om van te vluchten, maar omdat ik deze verhalen zo mooi vond. Ik ging ze zelfs naar de werkelijke wereld vertalen, door te tekenen, maar ook door te schrijven. Ik keek steeds uit naar het schrijven van opstellen, maar begon toen die er te weinig kwamen, ook thuis te schrijven. Schriften en mappen vol. Tot ik uiteindelijk een boek schreef dat het waard was om uitgegeven te worden. Dat had ik niet gekund als ik niet als kind (en als volwassene) in mijn eigen verbeelding was opgegaan. Ja, ik was iemand die liever in de verzonnen werelden ronddoolde, dan bijvoorbeeld te voetballen of te klussen in huis. Of naar dansfeestjes te gaan of geld te verdienen. Maar dat is in zichzelf niet erg. J.R.R. Tolkien weerlegt bijvoorbeeld de beschuldiging dat sprookjesverhalen escapistisch zouden zijn. “Waarom zou iemand worden gehoond als hij, wanneer hij merkt dat hij in een gevangenis zit, probeert uit te breken en naar huis te gaan? Of wanneer hij dat niet kan, aan andere onderwerpen denkt dan gevangenisbewaarders en gevangenismuren? De wereld buiten is niet minder echt geworden omdat de gevangene die niet kan zien.”
Als christen en als mens geloof ik niet dat die wereld van geld, huizen, auto’s en sport de enige wereld is, en zou ik er depressief van worden als dat wel zo was. Ik zoek naar betekenisvoller activiteiten. Maar hier ligt het verschil: ik geloof dat die er zijn, dat schoonheid, avontuur en intimiteit (volgens John Eldredge de drie kernelementen van elk episch verhaal) werkelijk betekenis hebben. Daarom was mijn ontsnapping in de verbeelding de ontsnapping van een gevangene en niet het verraad van een deserteur, om opnieuw Tolkien te citeren. Die laatste, de deserteur, vlucht omdat hij zijn land haat, de eerste ontsnapt omdat hij van de buitenwereld houdt. Oh, toen ik uiteindelijk gepest werd deserteerde ik ook wel eens, niets menselijks is mij vreemd, tenslotte.
Maar dat waren andere fantasieën. Het waren fantasieën waarin ik zelf heel succesvol was, waarin ik pesters in elkaar sloeg of opeens beroemd schrijver was. Het was de fantasie zoals C.S. Lewis die beschrijft van kinderboeken die zich op scholen afspelen. ‘There are two kinds of longing,’ zegt hij in On Three Ways of Writing for Children. ‘The one is a spiritual exercise and the other is a disease.’ De tweede, die van de realistische verhalen, doet kinderen ernaar verlangen de beste van de klas te zijn, en het meisje te versieren, en doet mannen ernaar verlangen succesvol zakenman te zijn, een sportauto te rijden of overspel te plegen. ‘I never expected the real world to be like the fairy tales’, geeft Lewis toe. ‘I think that I did expect school to be more like the school stories.’ Als een romanpersonage dat soort dingen ongestraft kan doen, dan jij toch ook?
De fantasieën van Walter Mitty in het begin van deze film horen tot deze categorie. Ze gaan over hemzelf. Hij stelt zich bijvoorbeeld voor hoe hij de vervelende manager een lesje leert in een gevecht als in een Matrix-film. Het is de vlucht van een deserteur. En deze fantasieën houden hem gevangen. Want ze helpen Walter niet zichzelf waardevol te vinden, maar maken hem juist teleurgesteld in zichzelf. Hij denkt dat hij oninteressant is, en niks bijdraagt: maar hij heeft ondertussen een fascinerende baan bij een mooi tijdschrift, een collega die ook een vriend is, hij zorgt trouw voor zijn moeder en is er voor zijn zus. Hij denkt dat niemand van hem kan houden, maar het is duidelijk dat Cheryl in hem geïnteresseerd zou zijn, als hij zichzelf maar zou zien door haar ogen (ook dat is voor mij trouwens pijnlijk herkenbaar).
Er is gelukkig ook een tweede vorm van fantasie, die niet leidt tot passieve aanvaarding, maar tot actie, tot opstand tegen het kwaad. Het is verbeelding, fantasie, die iemand inspireert en tot daden aanzet. Want om iets aan je omstandigheden te veranderen, moet je je eerst kunnen voorstellen dat ze anders zouden kunnen zijn. Het kenmerk van deze tweede vorm van fantasie is dat het niet op zichzelf gericht is, niet zelfzuchtig is. Ze geeft juist de dingen buiten ons betekenis, en stimuleert ons ernaar te verlangen. Ze suggereert ons dat het leven de moeite waard is. Opnieuw Lewis: “Fairy land arouses a longing for he knows not what. It stirs and troubles him (to his life long enrichment) with the dim sense of something beyond his reach and, far from dulling or emptying the actual world, gives it a new dimension of depth. He does not despise real woods because he has read of enchanted woods. Thsi reading makes all real woods a little enchanted.
En ook deze vorm van verbeelding komt in deze film aan bod. Namelijk als Walter zich Cheryl voorstelt en hoe zij hem aanmoedigt een helikopter in te gaan. Zijn verbeelding is gericht op iets buiten hem, en hij ontdekt door zijn verlangen te volgen waartoe hij allemaal in staat is. Hij ontdekt wie hij eigenlijk is. Hij was namelijk ooit sportief en scateboarde, maar is dat kwijtgeraakt. Nu vind hij het terug. Ikzelf schreef heel lang verhalen, tot ik het kwijtraakte. Door boodschappen van anderen. Juist boodschappen die de fantasie afwezen. Ik dacht dat wat bij mij hoorde niets waard was, en dat ik mijn plicht moest doen. Ik begroef, net als Walter, mijn verlangen, omdat ik dacht dat er iets mis met mij was. Ik moest net als hij op een punt komen dat ik me voorstelde dat ik elk moment kon sterven, en me dan de vraag stellen wat ik het liefst van alles wilde doen. Voor mij was dat schrijven. En dus ging ik het weer doen. En dat leidde ertoe dat ik mezelf meer ging aanvaarden. Er was nooit iets mis geweest met mij. Ik was altijd, ook toen ik het zelf niet kon zien, een waardevol mens geweest. Net zo met relaties. Ik moest op het punt komen dat ik besloot dat ik 'ziek en moe was van ziek en moe te zijn'. Maar voor ik durfde een meisje uit te vragen, moest ik gaan verlangen. In plaats van met mij en mijn onvermogen bezig te zijn, moest ik gaan zien dat iemand anders zo goed was dat ik voor haar de sprong in het diepe wilde maken. Ik moest me kunnen voorstellen dat een relatie waardevol was, voor ik daar een risico voor wilde nemen. Het risico bleek gelukkig de moeite waard te zijn!

Dit is ook het punt van de film. De boodschap is niet dat Walter op reis moest gaan, dat hij avonturen moest beleven, om dan pas waardevol te zijn. De boodschap is niet dat hij pas interessant is voor vrouwen, als hij uit een helikopter is gesprongen en in de Himalaya heeft gereisd. Ik zie dit bevestigd als Walter eindelijk de medewerker van eHarmony ontmoet, die hem de hele film al heeft lastig gevallen omdat hij op zijn profiel niet heeft ingevuld waar hij geweest is en wat hij gedaan heeft. Deze man lijkt zelf ook geen avontuurlijk type, maar is meer een stereotype nerd, die achter de computer zit.
Nee, de boodschap is dat Walter al vanaf het begin waardevol, interessant en menselijk was als zichzelf. Altijd al. Maar hij wist het niet van zichzelf (door boodschappen uit zijn omgeving). Dus zijn avonturen gaven hem geen waarde, ze openden alleen zijn ogen voor de waarde die hij al had. Fotograaf Sean zegt het ergens in de film dat ‘Beautiful things don't ask for attention’. Je eigen schoonheid dus ook niet. Dus moet je die leren zien, leren waarderen. De ongezonde fantasie zorgt dat je je vergelijkt met anderen die succesvoller zijn dan jij, rijker, gelukkiger in de liefde. De gezonde fantasie zorgt dat je de betekenis ziet in alles en iedereen, in schoonheid, waarheid en intimiteit, en dus ook in jezelf - als jezelf, niet als een ideaal.
Wat Walter tijdens de film nastreeft, waar hij naar op zoek is, bevindt zich dus dichter bij huis dan hij zich kon voorstellen. Letterlijk en figuurlijk. Maar soms moet je een omweg bewandelen om te ontdekken wat altijd al waar was. Het geheime leven van Walter Mitty is niet het leven in zijn fantasie, maar het waardevolle leven dat hij al leidde, maar dat voor hemzelf nog een geheim was. Hij had een ander nodig die het voor hem kon waarnemen. Een fotograaf.
Een van de mooie scenes in de film (een van de vele) vindt plaats in de Himalaya, waar fotograaf Sean en een groep dragers bivakkeren. Aan het eind van de dag gaan ze een potje voetballen. Walter wordt gevraagd om mee te doen. Dat is volgens mij het moment van overgave. Hij bevindt zich namelijk op zijn dieptepunt, heeft zijn hoop verloren, maar wordt toch gevraagd om mee te spelen. Spelen is iets fundamenteel ander dan werken. Daar heb ik op mijn blog ook al over geschreven. Spelen vraagt van je dat je gewoon jezelf bent. En dat is Walter, onder de Oosterse zon, hoog in de bergen, ver van huis, een mens onder de mensen.
Ik herinner me zelf hoe ik in India de vraag kreeg of ik mee wilde volleyballen. En daar stond ik even later aan het eind van de middag op een veldje, tussen allemaal Indiase jongens, geen westerling te bekennen, de hemel oranje, palmbomen hun toppen boven de muren uitstekend, en ik sloeg een bal over het net heen. Ik heb weinig momenten me zoveel momenten gewoon ‘Johan’ gevoeld als toen. En dat moment van zelfacceptatie hielp me om terug in Nederland ook mezelf te blijven accepteren.
Zo ook met Walter als hij terugkeert. Hij vlucht niet meer in zijn fantasieën, maar zegt de veranderingsmanager wat hij vindt, en hij vraagt Cheryl of ze met hem uit wil gaan. En dat hoewel hij is ontslagen. Hij leeft. En zijn fantasie is nu niet meer een vlucht, maar hoort bij het leven zelf. Walter kan weer scateboarden, hij kan weer tekenen, hij kan weer creatief zijn. Dit is de quintessence van ‘Life’ - zoals de leus van het tijdschrift zei: ‘To see the world, things dangerous to come to, to see behind walls, draw closer, to find each other, and to feel. That is the purpose of life’. Ik kan me hierbij aansluiten. Ikzelf zie deze maanden ook weer een lang gekoesterde droom in vervulling gaan, met de kans om meer tijd aan schrijven te besteden. Ik kan steeds vaker de vlaggen verzetten, met aandacht leven voor anderen, de natuur, maar ook mezelf. En dat, dat bewustzijn, is wat leven inhoudt.