maandag 14 november 2011

Terug naar de basis (11): De God in de details

Het plaatje dat je hiernaast ziet, is een fractal (voor de kenners: een Mandelbrot-fractal). Fractals zijn heel mooi - en dat is een eigenschap ervan die prima past bij de boodschap van dit blogbericht. Het is echter niet waar ik over wil schrijven. Fractals zijn namelijk niet alleen maar mooie plaatjes. Het zijn eigenlijk weergaven van een wiskundige formule. Die formule zorgt ervoor dat ongeacht de schaal van de afbeelding, dezelfde vorm te zien is. Dat wil zeggen: het plaatje is tot in het oneindige gedetailleerd. Als je een hoekje van deze figuur zou uitvergroten, zou je daar dezelfde vorm in terugvinden. En als je daar weer een hoekje van neemt en opblaast, komt opnieuw deze vorm tevoorschijn. En zelfs als je tienduizend stappen doet, zie je deze zelfde vorm. De formule zorgt ervoor dat die op elk niveau terugkomt. Kijk voor meer voorbeelden van fractals hier, je kunt er heel wat uurtjes doorbrengen.
Het interessante is dat de schepping een fractalachtergrond blijkt te hebben. Heel veel structuren in de schepping zijn opgebouwd uit kleinere onderdelen. Een galactisch supercluster bestaat uit melkwegstelsels, die bestaan uit zonnestelsels, die bestaan uit individuele hemellichamen. Een maatschappij bestaat uit mensen, die zijn samengesteld uit organen, die bestaan uit cellen (elk een afzonderlijk levend wezen!), die bestaan uit organellen. Als je een tak van een boom bekijkt, lijkt dat een soort kleine boom. Met één dikke tak en hieraan steeds kleinere vertakkingen. En ook die kleinere vertakkingen lijken op nog kleinere boompjes. Tot aan de bladeren toe. Als je inzoomt zie je overal onafhankelijke onderdelen. Zelfs de vormen van bergen en kustlijnen kunnen worden beschreven met fractalachtige vergelijkingen. En soms herken je duidelijkere fractalvormen. In de vertakte structuren van de longen en de nieren. In sneeuwvlokken, in koraalriffen, in de bladeren van varens: de hele tak heeft dezelfde soort vorm als een van de blaadjes. En ook zo’n blad, of zijtak, bestaat weer uit blaadjes van dezelfde vorm. Het lijkt in de natuur dus ook zo te zijn, dat in een enkele formule op verschillende niveau’s bepaalt hoe de wereld eruitziet.

Met het Verhaal van de Werkelijkheid, het Verhaal van God, is het net zo. We zagen al dat het Grote Verhaal dat het hele heelal van begin tot eind vertelt, Het Koninkrijk van God, volledig zichtbaar werd op het niveau van het leven van Jezus. Het eeuwige verhaal herhaalde zichzelf, zoals het patroon van een fractal zich herhaalt, op een bepaalde plek en in een bepaalde tijd. Maar net als elke fractal kan ook dit verhaal nog een stap verder worden uitvergroot. Het plaatje van Gods Koninkrijk kan nog verder worden ingezoomd, tot op het niveau van onze individuele levens. En dan zie je opnieuw hetzelfde patroon terugkeren. Het Grote Verhaal wordt herhaald in onze kleinere verhalen. Gods koninkrijk wordt ook in onze woorden en daden zichtbaar.
Als wij daarvoor willen kiezen. Als wij ons ervoor open willen stellen. Het belangrijkste kenmerk van het verhaal van God is immers zijn keuze zijn macht niet te gebruiken om ons te veranderen. Hij nodigt ons uit, maar dwingt ons niet. Hij stelt zich kwetsbaar op, zwak. Wij hebben de keuze om aan onze eigen verhalen, gebaseerd op macht, vast te houden, te blijven oordelen over de wereld om ons heen volgens onze eigen belangen. Of we kunnen gaan leven in het Verhaal dat God vertelt, het Verhaal van de Werkelijkheid, en ons leven daardoor laten veranderen. We kunnen gaan leven in het Koninkrijk van God, dat de realiteit bepaalt. Dit was waartoe Jezus opriep: “Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij” (Mattheus 4:17). Dit betekent dat we dezelfde weg gaan als Jezus, die immers de belichaming was (en is) van Gods Weg. En de weg die Jezus ging was de weg die God ging. De weg van identificatie met het gebrokene, het zieke, het zondige. De weg van de machteloosheid en de dood. Het is de weg van de zwakheid, waarover ik vorig jaar op mijn blog ook al schreef.
Paulus schrijft hierover in de eerste brief aan de Korinthiers. Hij heeft namelijk eerst betoogd dat het Geheim van God bestaat uit het ultieme vertoon van zwakheid: Jezus Christus en die gekruisigd. God die ervoor kiest een marteldood te sterven. Dat is waardoor de wereld wordt veranderd. Maar dit is tegelijk het geheim dat het leven van Paulus kenmerkt. Hij kwam immers bij de Korintiers niet met een vertoon van kracht, niet met welluidende woorden of een indrukwekkend betoog. Hij was niet populair of een demagoog. Hij was zwak en ziek, en sprak rommelig en stotterend. Maar God koos ervoor zijn woorden te gebruiken en er leven uit voort te brengen.
De gemeente in Korinthe was zelf ook zwak. Er waren niet vele rijken of machtigen onder hen  Deze christenen waren slaven, middenstanders, armen. En God had hen uitgekozen om wat macht heeft te beschamen. Maar er waren in deze gemeente mensen die kozen de weg te gaan van de macht, van de eigen inspanning, van de eigen prestaties. Mensen die zichzelf beter vonden dan anderen, die meenden het recht aan hun kant te hebben en andere christenen dus voor de rechter te mogen slepen, die eisen stelden aan hun vrouwen en die aan het avondmaal alleen aan zichzelf dachten en zelfs dronken werden van hun wijn terwijl hun armere medegelovigen honger hadden. Paulus roept hen op in hun persoonlijke leven, in hun huwelijk en in hun kerk de weg van de zwakheid te gaan. Om de ander uitnemender te achten dan henzelf. Om niet alleen te letten op hun eigen belang, maar ook op dat van anderen. Om niet hun eigen voordeel te zoeken, maar dat van alle anderen. Hij roept hen op om hem na te volgen, zoals Hij Christus navolgt (1 Korintiers 11:1). Ik heb hier vorig jaar op mijn blog uitgebreider over geschreven.

De weg van Jezus, het pad dat hij ging, is niet een glamoureus bestaan van succes, rijkdom, gezondheid, en bewondering. Het is niet een leven dat in de schijnwerpers staat, geen leven met een podium, fanfare en een foto op de cover van een tijdschrift. De mensen buiten de kerk hebben dat soms zelfs beter door dan de gelovigen zelf. Ik las op internet laatst het volgende citaat van John Cleese, bekend van de Britse groep Monty Python. Hij had het over de film The Life of Brian, die bij het verschijnen ervan controversieel was omdat hij religie op de hak nam. De film werd ervan beschuldigt Jezus belachelijk te maken, maar volgens Cleese was dat niet de bedoeling: “… it’s not in any way against Christ or Christ’s teachings. It’s all about criticizing people who make something of Christ’s teachings, which I think he himself would not recognize. There’s a lovely line that an idea is not responsible for the people who hold it. A lot of people in America who describe themselves without any hesitation at all as Christians are, in my opinion, completely missing the point of most of his teachings. Here’s what I think in a single sentence: I think that the real religion is about the understanding that if we can only still our egos for a few seconds, we might have a chance of experiencing something that is divine in nature. But in order to do that, we have to slice away at our egos and try to get them down to a manageable size. So real religion is about reducing our egos, whereas all the churches are interested in is egotistical activities, like getting as many members and raising as much money and becoming as important and high-profile and influential as possible. All of which are egotistical attitudes. So how can you have an egotistical organization trying to teach a non-egotistical ideal? It makes no sense, unless you regard religion as crowd control. What I think most organized religion is – simply crowd control.”
Dit betekent niet dat we slecht over onszelf moeten denken. Dat we Jezus volgen wil niet zeggen dat we over onszelf zeggen dat we slechts ‘wormen’ zijn, of dat we tot niets goeds in staat zijn. We hoeven niet onszelf af te wijzen of te veroordelen. Als we dat doen zijn we nog steeds met onszelf bezig. We plaatsen onszelf nog steeds in het centrum van het universum en gebruiken onze eigen maatstaven om te oordelen over onszelf en anderen. Ook deze zelfverachting is een vorm van hoogmoed.
Echte nederigheid betekent niet dat je slecht over jezelf denkt, maar dat je niet over jezelf denkt. Het betekent dat je ophoudt jezelf te oordelen, dat je ophoudt je waarde af te meten aan wat je bezit, wat je doet, of hoe heilig je bent. Het betekent dat je ophoudt jezelf voortdurend met anderen te vergelijken. Dat je stopt met al je inspanningen om je ‘ego’ in stand te houden. Van nature wordt ons leven echter juist gekenmerkt door het beschermen, ondersteunen en afmeten van ons ‘ego’. Daarom heeft de bijbel het er ook over dat we ons leven moeten verliezen. We moeten sterven. Sterven aan onze claim op ons ‘ego’.
Dit is wat het betekent ‘met Christus te sterven’. We slaan niet langer terug wie ons slaat, maar keren de andere wang toe. We lenen uit zonder terug te verlangen. We raken de melaatse aan zonder schaamte en zoeken het gezelschap op van hoeren en tollenaars zonder ze te veroordelen. We zijn creatief, we werken en we spelen, zonder onze eigenwaarde daaraan te ontlenen. We ‘doen wat onze hand vindt om te doen’ zonder ons af te vragen of we er zelf wel beter van worden. We accepteren ons eigen onvermogen en ons eigen tekort zonder onszelf te gaan verachten. Maar ons succes en ons geluk klampen we niet vast als basis voor ons zelfbeeld. ‘Laat ieder die een vrouw heeft, zo leven dat het hem niet in beslag neemt, ieder die verdriet heeft zo dat hij er niet door wordt beheerst, ieder die vreugde voelt zo dat hij er niet in opgaat, ieder die bezit verwerft alsof het niet zijn eigendom is, ieder die in deze wereld [het wereldsysteem van macht en afhankelijkheid, JK] leeft alsof ze voor hem niet meer van belang is’ (1 Korintiers 7:29-31). In mijn serie over zwakheid gaf ik meer voorbeelden van wat deze weg in de praktijk kan inhouden.
Voor mij betekent het onder andere dat ik accepteer dat het mij niet lukt me aan mijn goede voornemens te houden. Ik veroordeel mezelf niet als ik terugval in een verkeerde gewoonte, ik straf mezelf niet met schuldgevoelens. Ik eis van mezelf geen volmaaktheid. Maar net zo min blijf ik me vastklampen aan wat geen leven kan bieden, als ik faal geef ik de moed niet op. Ik probeer het gewoon opnieuw, rustig, nederig. Zo vaak als nodig is, desnoods mijn hele leven lang. Dat is de weg van de zwakheid.

Als we Jezus volgen op deze weg, zijn we dus net als Paulus bereid om te delen in zijn lijden en aan hem gelijk te worden in zijn dood. Maar dat doen we ‘in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan’ (Filippenzen 3:11). De weg die Jezus ging was immers een weg van vertrouwen op God voor wie het mogelijk moet zijn iemand uit de dood op te wekken (Hebreeen 11:19). Jezus hoopte op God, die met zijn woord kan scheppen uit het niets, die uit de leegte van de dood de volheid van leven kan laten opbloeien. En zijn vertrouwen werd beloond: op de derde dag verliet hij het graf, in een verheerlijkt, geestelijk lichaam. Dit is de christelijke hoop, dat ook dit deel van het Verhaal zich zal gaan herhalen in ons leven, op ons niveau. Dat wij ook allemaal veranderd zullen worden (1 Korintiers 15:51). Dat God ook ons levend zal maken. Niet alleen in de toekomst, maar ook nu al.
Want het Grote Verhaal is ook nu al het Verhaal achter de werkelijkheid. Alles wat we aan leven ervaren, is een geschenk van God, een genadegave. Alle echte schoonheid, echte intimiteit, echte avontuur wordt ons door God gegeven. Alle vruchten die we dragen zijn zijn vruchten (vergelijk Hosea 14:9). Het is de actieve, creatieve geest van God die in ons wordt tot rivieren van levend water die zullen stromen uit het hart van wie in Jezus gelooft (Johannes 7:36). Het is God ‘die zowel het willen als het handelen teweegbrengt, omdat het hem behaagt’ (Filippenzen 2:13). Wij kunnen er niets aan bijdragen. We kunnen het niet controleren, we kunnen er niet trots op zijn. Als we dat wel zouden kunnen, zou het geen leven meer brengen.
Echte schoonheid, echte intimiteit, en echt avontuur heeft juist zo’n effect op ons, omdat we er niets aan kunnen bijdragen. Dit is wat mijn favoriete auteur G.K. Chesterton erover zegt in Heretics: ‘Adventure is, by its nature, a thing that comes to us, it is a thin that chooses us, not a thing we choose ... In order that life should be a story or romance to us, it is necessary that a great part of it at any rate should be settled for us without our permission ... The rich are dull becaus they are omnipotent ... The thing which keeps life romantic and full of fiery possibilities is the existence of those great plain limitations which force all of us to meet the things we do not like or do not expect.’

God is degene die ons verrast met dit geschenk van het eeuwige leven. Wij kunnen er alleen maar voor open staan. We kunnen alleen onze handen openen voor zijn gaven. Als we ze geklemd houden om ons eigen ego, kan God ons niets geven. Dan zijn we niet in staat te ontvangen. Als we zelf de controle willen houden, als we wat goed en wat slecht is willen blijven afmeten aan ons eigen belang, als we sterk willen blijven overkomen, kan Gods leven niet tot ons doordringen. Dan blijven we geestelijk droog staan. Maar als we onze handen openen, als we ons leven durven loslaten, als we zwak durven zijn, kan Gods water door ons heen stromen, en ons vrucht laten dragen. Dan blijk ik opeens toch in staat te zijn vaker ‘nee’ te zeggen tegen een verleiding, of is mijn verlangen naar ongezond voedsel opeens verminderd. Dan zijn we in staat om anderen lief te hebben, zoals God ons liefheeft, en ruimte in onszelf te maken voor hen, zoals God dat heeft gedaan.
Daarover meer in het volgende deel van deze serie.

vrijdag 11 november 2011

Amerika: Grand Teton National Park

Direct ten zuiden van Yellowstone ligt nog een ander nationaal park, dat dan wel geen heetwaterbronnen of andere vulkanische bezienswaardigheden kent, maar op een eigen manier toch wel indrukwekkend is. Het Grand Teton national park. Prachtige besneeuwde bergen verheffen zich boven een uitgestrekt meer, omringt door naaldbomen en fris groen uitlopende berken.








donderdag 10 november 2011

Filmbespreking: Sunshine

Ik verzin al verhalen zolang ik me kan herinneren. Toen ik op de basisschool zat, beleefde ik allerhande avonturen terwijl ik de brug overstak. Ik ging helemaal op in de andere wereld. Ik zag die werkelijkheid voor mijn geestesoog. Mijn verbeelding is altijd visueel gebleven. Ideeën komen bij mij boven als beelden, niet als woorden. Ik houd ervan te fotograferen, en iemand merkte laatst op dat mijn foto’s een verhaal lijken te vertellen. En ik heb (zoals lezers van mijn blog wel weten) een grote liefde voor visueel vertelde verhalen, zoals films en stripboeken. En ik houd van de uitgebreide omschrijvingen van nieuwe omgevingen in fantasyverhalen, omdat ik daardoor een gedetailleerd plaatje kan oproepen in mijn gedachten. Wanneer ik zelf een verhaal ga schrijven, zie ik het voor me, als een film. Ik maak vaak tekeningen van voorwerpen en personen uit het verhaal. En nog voor ik een letter op papier heb gezet, stel ik me het verhaal voor als een film. Letterlijk. Ik verzin zelfs de filmposter, en de trailer. Compleet met voice-over van een forse man die net iets te veel sigaren heeft gerookt. Ik denk er over na wie de karakters in mijn verhalen zou moeten spelen. En ik stel me zelfs al voor wat recensenten zouden zeggen van de imaginaire film van mijn nog niet geschreven boek. Mijn verbeelding is niet alleen beeldend, maar ook levendig.
Dit deed ik bijvoorbeeld bij mijn debuut Neptunus (dat tien jaar geleden verscheen dit jaar). Ik kon de filmposter voor me zien: een astronaut die wegdrijft van het pijlvormige ruimteschip, zijn armen er nog wanhopig naar uitgestrekt. En dan op de achtergrond de aquamarijnblauwe gasplaneet. Daarboven de titel in rode letters. En onderaan de dramatische woorden: “Negen astronauten aan de rand van het zonnestelsel ... zullen ze de Aarde ooit terugzien?”. Ik heb er in een van mijn tekenboeken een schets van staan. Ik ging behoorlijk op in mijn dagdroom. De realiteit was echter dat ik natuurlijk nooit een film zou zien op basis van mijn boek - ik maakte me heus geen illusies. Steven Spielberg zou mijn manuscript nooit onder ogen krijgen. Maar je bent geen echte idealist als je jezelf door zulke praktische overwegingen van het dromen laat afhouden.
Zes jaar na de publicatie van Neptunus had ik de fantasie al lang achter me gelaten. Ik had nog niet zo lang mijn huidige baan en schreef in mijn vrije tijd vooral artikelen voor bijbelstudietijdschrift Bode. Maar ik hield natuurlijk nog steeds van films. En zo kwam het dat onverwachts mijn droom toch uitkwam. Ik zag in de bioscoop een film, die een verfilming had kunnen zijn van Neptunus ...

Net als mijn boek gaat Sunshine namelijk over een ruimtereis (het ontwerp van het ruimteschip in de film heeft zelfs een of twee overeenkomsten met dat uit mijn verhaal). Aan boord bevindt zich een kleine groep bemanningsleden, van verschillende nationaliteiten en met verschillende rollen: wetenschappers, technici, een dokter en een psycholoog. En een kalme, vaderlijke kapitein. In beide verhalen gebeurt er iets onverwachts, waardoor de expeditie in gevaar komt. In beide verhalen loopt de spanning hoog op als blijkt dat er geen zuurstof meer genoeg is om de terugreis te kunnen maken. In beide verhalen gaat de kapitein als eerste dood. In beide verhalen moet een uitstapje buiten het schip gemaakt worden om schade te herstellen. In beide verhalen ontstaat het vermoeden dat er wel eens sprake zou kunnen zijn van sabotage. En in beide verhalen speelt God een belangrijke rol. Wie een idee wil hebben welk type film ik in gedachten had  bij het schrijven van mijn boek moet deze film gaan kijken.
Natuurlijk zijn er ook grote verschillen tussen Sunshine en Neptunus. De film is namelijk in dit geval beter dan het boek. Hij ziet er mooier uit, om te beginnen. Beelden van het voorbij vliegende ruimteschip zijn adembenemend, en ik was onder de indruk van de weergave van planeten en andere hemellichamen. Het verhaal is ook spannender, met inventievere actiescènes en een onvoorspelbaar beloop dat je op het puntje van je stoel laat zitten. De karakters vind ik zelf ook adequaat neergezet - hoewel ze (net als die in Neptunus) af en toe wat clichematige trekjes vertonen. Chris Evans (ook uit Captain America) zet een stoere technicus neer, die bereid is tot het uiterste te gaan om de missie te redden. Mark Strong is een psycholoog die zelf gekker lijkt dan zijn collega’s. En Cillian Murphy is een natuurkundige die een beslissing moet maken met grote gevolgen. Op internet klagen sommige recensenten dat de film tegen het einde een ander karakter krijgt en ongeloofwaardig wordt. Maar ik denk dat dit einde heel goed wordt aangekondigd in eerdere scènes en heel belangrijk is voor het verhaal dat deze film wil vertellen. Regisseur Danny Boyle is geen beginneling. Hij weet precies wat hij wil doen met zijn materiaal.
Verder verschilt de film van het boek in de bestemming van de ruimtereis. In mijn verhaal is dat Neptunus, de achtste planeet van ons zonnestelsel, en sinds Pluto is gedegradeerd tot dwergplaneet, direct de verste. De zon is er nog slechts een extreem felle ster, die de omgeving niet langer kan verwarmen. Donker, koud, levenloos - dat zijn de kenmerken van het reisdoel. In deze film gaat de reis daarentegen naar de zon zelf. Die is namelijk donkerder geworden, waardoor de Aarde in een nieuwe ijstijd is beland. De mensheid zal alleen kunnen overleven, als het lukt de zon weer een ‘boost’ te geven. Daartoe zijn alle splijtbare stoffen uit de Aardkorst gemijnd en samengevoegd in een nucleair explosief zo groot als het eiland Manhattan. Het ruimteschip de Icarus 2 (onheilspellende naam natuurlijk, en hierbij moest ik denken aan mijn verhaal Het Wrak) zal deze lading afleveren. Dat is nog niet zo eenvoudig. Hoe dichter bij de zon, hoe feller en heter het zonlicht namelijk is. Alles wat niet door een spiegelend schild beschermd wordt, zal onherroepelijk verbranden. Als het schip de planeet Mercurius passeert, vangt de communicatie-officier een onverwacht signaal op. Het is afkomstig van de Icarus 1. De eerste missie naar de zon, die spoorloos verdwenen zou zijn. Op advies van natuurkundige Kappa wordt de koers aangepast. Als de Icarus 1 weer te besturen zou zijn, zouden hun kansen op succes verdubbelen. De expeditie zou immers een tweede kernlading hebben om de zon te kunnen herstarten. Deze beslissing heeft echter noodlottige gevolgen. Een aaneenschakeling van ongelukken verwoest de zuurstoftuin en de gastanks, en rooft het leven van meerdere bemanningsleden. Het wrak van de Icarus 1 blijkt bovendien niet zo verlaten als het op het eerste gezicht leek te zijn ...

Het belangrijkste verschil tussen Neptunus en Sunshine is op welke manier God in het verhaal voorkomt. Het zal lezers van mijn blog niet verbazen als ik vertel dat mijn boek uitgaat van een christelijke visie op God en de schepping. Dat wil zeggen dat God in mijn verhaal gescheiden is van de schepping. Als de hoofdpersonen daadwerkelijk in een baan rond Neptunus zijn aangekomen merken ze de leegte op en de duisternis. Ze zijn zo ver van de Aarde vandaan, dat ze zich afvragen of God hen hier aan de rand van het zonnestelsel nog wel ziet. ‘De ruimte was een leeg vacuüm en God leek er niet aanwezig te zijn.’ Ze ervaren de afwezigheid van God. Ze ervaren de God die zich heeft teruggetrokken, zodat de schepping een eigen bestaan zou kennen, een eigen identiteit. Ze ervaren de God die heeft gekozen voor zelfbeperking, voor zwakheid. Maar zoals de schepping in het christelijke wereldbeeld een eigen bestaan heeft, heeft God ook een eigen bestaan onafhankelijk van de schepping. Hij is een levend persoon, die vrij is om te handelen, overal in het heelal. Zijn actieve handelen is wat de schepping doet functioneren. En omdat hij een persoon is, is het ook mogelijk hem te kennen. Niet omdat mensen hem kunnen waarnemen in de schepping, maar omdat hij zich openbaart. Hij doet zichzelf kennen. Niet met wonderen en macht, maar in zwakheid, opoffering en liefde. Dit maakt dat hoe vijandig de leegte van het heelal ook lijkt, hoe onpersoonlijk ook, mensen zich toch gekend kunnen voelen, en in hun identiteit bevestigd. Ze ontvangen hun betekenis van God. De boodschap van mijn boek wordt samengevat door de opdracht, Psalm 139:7-10: ‘Waarheen zou ik gaan voor uw Geest, waarheen vlieden voor uw aangezicht? Steeg ik ten hemel – Gij zijt daar… Nam ik vleugelen van den dageraad, ging ik wonen aan het uiterste der zee, ook daar zou uw hand mij geleiden, uw rechterhand mij vastgrijpen.’
Een letterlijke verre reis is altijd gebruikt als metafoor voor een spirituele reis. Ze komen ook samen in het idee van een pelgrimstocht. Ook in de film Sunshine krijgt de reis al snel een religieuze lading. Dit ruimteschip is echter niet op weg naar de donkere, koude, stille grens van het zonnestelsel, maar de andere kant op. Naar de zon, waarvan het licht al snel zo fel is dat je maar een paar procent kan zien zonder je ogen te verliezen, en zo heet dat wie niet beschermd is levend verbrand door de straling. En stil is het ook niet: als mensen aan het zonlicht worden blootgesteld klinkt er een luid gebrul. De zon is geen fletse ster, zoals in Neptunus, maar een hemellichaam dat de hemel daadwerkelijk domineert, dat alle aandacht naar zich toetrekt. Niet voor niets dromen alle astronauten nacht op nacht dat ze in de richting van de zon vallen, om dan te verbranden. De psycholoog Searle benoemt in de film het verschil tussen de twee ervaringen: “The point about darkness is, you float in it. You and the darkness are distinct from each other because darkness is an absence of something, it's a vacuum. But total light envelops you. It becomes you.
Aan de zon worden door de ruimtereizigers al snel religieuze betekenissen toegedicht. Het is immers de zon waar volgens deze wetenschappers al het leven op Aarde van afkomstig is. Niet alleen zijn de elementen waaruit wij zijn opgebouwd gevormd in de fusieoven van deze ster, zonder het licht van de zon zouden planten geen energie meer krijgen om te groeien. Zonder de zon zouden we onherroepelijk omkomen. De reis naar de zon wordt zo een reis om het gezicht van God aan te raken (wat in de film ook letterlijk gebeurt, trouwens). Maar de zon is als God zoals Searle aangeeft, geen god die zich verborgen houdt. Hij is niet een god die zich terugtrekt uit de schepping, ervan gescheiden is. Hij vult de schepping tot de rand. Hij IS de schepping. Dit is een God die niets en niemand in zijn nabijheid verdraagt, wiens zachtste spreken dodelijk is, die geen relatie kan aangaan met anderen. Alleen al de aanwezigheid van de zon is genoeg om het gevoel van betekenis van de ruimtereizigers te doen afnemen. Geconfronteerd met de zon komen ze erachter dat ze niks voorstellen, dat ze niets zijn dan stof. En er zijn er die tot de conclusie komen dat ze ook naar die gevolgtrekking moeten handelen. Deze macht in de hemel kun je immers niet tegenspreken. En als de zon minder licht geeft, en het leven op Aarde ten einde komt, is het dan geen heiligschennis om dat te proberen te voorkomen? Wat stelt het leven voor, als het niet kan bestaan in deze gloeiende oven? De mensen die de zon als god gaan zien, besluiten hun eigen geweten te laten varen. Ze willen vanaf nu de wil van de zon uitoefenen. Ze zien zichzelf als slaaf van hun god. En alle andere mensen moeten net als zij zich aan hun god onderwerpen, of anders ten onder gaan. “Mijn god!”, roept de held Capa in een scene verbaasd. “Niet jouw god, MIJN god!”, snauwt een ander hem toe. Deze God duldt geen andersdenkenden naast zich. Iemand die zich ontfermt over een pas uitgelopen plantje, een vleugje groen in een zwarte omgeving, moet dat met de dood bekopen. Uiteindelijk moet deze god het enige zijn dat overblijft.
Dit is wat er gebeurt als mensen geloven in een God die aanwezig is. De godsdienst ontwikkelt zich tot een bloedige kruistocht. Maya’s brengen mensenoffers, zonaanbidders onderwerpen andere volken. En dit gebeurt ook in de christelijke kerk. Als God wordt gezien als iemand die de ‘macht van de rechter hand’ gebruikt, iemand die mensen overtuigt op basis van macht en van tekenen, iemand die geen respect heeft voor de vrijheid van individuen, maar die zelf zonder tegenspraak het lot van alles en iedereen bepaalt, leidt dat er onherroepelijk toe dat zijn volgelingen hetzelfde gaan doen. Van strenge calvinisten, tot enthousiaste charismaten - de zwakken, de andersdenkenden, de kinderen zijn het slachtoffer. Wat trouwens ook geldt voor de ‘nieuwe atheisten’. Als God niet te scheiden is van zijn schepping, is de schepping God. Deze atheisten zijn net zo religieus als de theisten die ze bestrijden en trekken zelf ook ten strijde tegen wie anders is dan zij.
Daarom ben ik blij dat de bijbel een andere God laat zien. Een God die kiest voor de macht van de linker hand. Een God die zich verborgen houdt. Een God als die in 1 Koningen 19:11-13: “Er ging een grote, krachtige windvlaag voor de HEER uit, die de bergen spleet en de rotsen aan stukken sloeg, maar de HEER bevond zich niet in die windvlaag. Na de windvlaag kwam er een aardbeving, maar de HEER bevond zich niet in die aardbeving. Na de aardbeving was er vuur, maar de HEER bevond zich niet in dat vuur. Na het vuur klonk het gefluister van een zachte bries.Toen Elia dat hoorde, sloeg hij zijn mantel voor zijn gezicht.” De bijbel laat een God kennen die kwetsbaar durft te zijn. Hij is niet als de zon, maar als de nacht.
En ik durf te stellen dat ook de film Sunshine toch nog iets van die God laat zien - niet in de zon, maar in de hoofdpersoon. De natuurkundige is niet de sterkste man aan boord van het ruimteschip. Maar hij is degene die zich opoffert om anderen te redden. Daarin wordt God zichtbaar.

P.S. dat Neptunus en Sunshine zo op elkaar lijken, is geen toeval. Maar dat betekent niet dat de een door de ander geïnspireerd is. Het betekent alleen dat het twee verhalen zijn in hetzelfde genre. Immers: geen betere basis voor een verhaal dan een paar mensen die met elkaar opgescheept zitten in vijandige omstandigheden, vooral niet als er dan ook nog sprake zou kunnen zijn van sabotage of verraad!

woensdag 9 november 2011

Terug naar de basis (10): De goddelijke verliezer

Jezus vertelt niet alleen het Verhaal van God, Jezus IS het verhaal van God, was mijn conclusie in het vorige deel van deze serie. En wat in Jezus zichtbaar werd, was precies Gods weigering zich te houden aan het verhaal van de wereld, het verhaal van machtsvertoon, van dwang en overheersing. Hij weigerde ook maar iets van zijn kracht voor hemzelf te gebruiken, al had hij veertig dagen gevast in de woestijn. Wat in Hem zichtbaar werd was Gods macht die ervoor kiest zijn eigen zelfbeschikkingsrecht af te leggen, en af te dalen in de ziekte en de duisternis. Het geheim van God is “een gekruisigde christus, voor joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas.” (1 Korintiers 1:23). “Hij hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als een mens verschenen, heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood - de dood aan het kruis.” (Filippenzen 2:7,8).
Het kruis is de plek waar de zwakheid van God voor iedereen tentoon werd gespreid. Jezus - God zelf, gekomen als mens- liet de machthebbers van deze wereld hun gang met Hem gaan. Hij liet zich bespotten, vernederen, martelen, doden. Hij was als een lam dat ter slachting geleid werd en niet eens blaatte tegen de slager. Hij vervloekte de Joden en de Romeinen die hem kruisigden niet, maar vroeg om hun vergeving ‘want zij weten niet wat ze doen’. Hij daalde af in de dood. In de hel.

Dit is niet hoe menselijke verlossers zo’n actie zouden hebben uitgevoerd. Die zouden een leger bij elkaar hebben geroepen, die zouden acties hebben ondernomen, die zouden tot verzet hebben opgeroepen. Die zouden sabotage hebben gepleegd, de bezetter het land uit hebben gepest. Dit was wat talloze andere zelfverklaarde messiassen deden in de tijd van Jezus. En dit was wat men voortdurend van Jezus verwachtte. Dat hij de Koning zou zijn die Israel zou bevrijden. Dat hij zijn volgelingen zou beschermen voor verdrukking en vervolging. Dat hij hen voor zou gaan in een bovennatuurlijke oorlog tegen de bezetter. En dat de discipelen vervolgens naast hem zouden zitten op tronen, om te heersen over de mensen die niet dicht bij hem hadden geleefd. Dit was wat mensen van een redder verwachtten en nog steeds verwachten.
Willem Jan Otten schrijft het mooi in het boek De Crux (een verzameling van persoonlijke essays en kunstwerken over de kern van het christelijke geloof): “In elke constructie van elke verbeelding kon ik mij wel voorstellen te kunnen geloven ... in de vele goden van eigen makelij (die meestal de beredeneerde, filosofische of ideologische goden zijn), is het makkelijk geloven, want je hoeft niet in ze te geloven. Ze zijn overtuigend, want je kunt ze bedenken. Niets is zo verheffend als talentvol zijn, en geniaal. De almachtige, waar ik moeiteloos in kon geloven, want hij was toch verborgen, is afgedaald om een keer mens te worden. Ook dat is nog fictie te noemen, een goed bedachte, mythische mogelijkheid. Totdat je beseft dat die mens op zijn beurt verder afgedaald is, steeds verder, tot onttakelens toe, om de zondebok te worden, de geringste, onaanzienlijkste, luisterlooste van alle mensen. Welbeschouwd is er niets aan Jezus, zoals we die uit de evangeliën kennen, geloofwaardig - hij is werkelijk de laatste aan wie je zou denken als je een halfgod nodig had om een nieuwe wereldorde mee te stichten. Als mensen uit pure kudde-instinct en individualiteitsangst zo nodig een God willen projecteren die mens wordt - waarom dan een man die, als we hem in onze hedendaagse situatie voorstellen, ongeveer in Nickerie ter wereld komt, of een andere negorij in een uithoek van het koninkrijk; die alleen gedurende de laatste achttien maanden van zijn korte leven langs de Marowijne zijn opvattingen verkondigt, en dan, met maar twaalf volgelingen van wie er minstens een niet deugt, optrekt naar Paramaribo om daar door een mengeling van zinloos geweld en schreeuwend slechte advocatuur op een abattoirachtige manier aan zijn einde te komen? Zijn leven is een reeks van mislukkingen en nederlagen geweest ... en vooral uit zijn einde blijkt hoe krankzinnig weinig hij voor elkaar gekregen heeft: zijn handvol vrienden vluchtten alle kanten uit, zijn belangrijkste leerling loochende hem en niemand begreep meer wat hij bedoelde, behalve misschien twee of drie vrouwen die moesten vrezen dat het waar was, wat hij tegen het einde riep. Dat hij door God verlaten was ... Telkens wanneer je zegt: maar als hij dan God moet zijn, waarom is hij dan zo zwak, onaanzienlijk, onttakeld, gefolterd door lijden, en zelfs: geslagen door een bijna finale en mortale wanhoop - juist dan besef je dat hij geen fictie is.”

Jezus onderging aan het kruis de gevolgen van de menselijke gebrokenheid. 'Hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht. Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam. Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken. Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing.’ (Jesaja 53:3-5). Hij identificeerde zich er volledig mee, zelfs met het ultieme gevolg: de dood, het einde van het bestaan. Hij liet zich opslokken door de duisternis van het leven zonder God, de hopeloosheid van het bestaan in een kil, betekenisloos universum.
En midden in die donkerte, die hel, werd Jezus door God levend gemaakt. Hij was zelf zwak, voor altijd hulpeloos. Hij kon zichzelf niet levend maken. Hij was volledig afhankelijk van God. En die schiep in Hem nieuw leven - met hetzelfde woord als waarmee hij de Schepping begon: “Er zij leven ...”  De machinerie van Jezus’ cellen begon weer te functioneren, zijn gestolde bloed begon weer te stromen, zijn hart begon weer te bonzen. Hij was meer levend dan ooit tevoren, maar werkelijkheid dan hij ooit geweest was. Zo concreet dat hij door muren heen kon wandelen, en de grenzen van tijd en ruimte kon doorbreken. De dood kon Jezus niet vasthouden, de ketenen van het verval werden verbroken. De machtige vijand, die zo zeker was geweest van zijn overwinning, die zich al zelfgenoegzaam in de handen wreef, verloor zijn territorium. De deuren van de hel gingen van binnenuit open en Jezus verscheen in de volledige heerlijkheid van de zoon van de levende God.
Zijn opstanding was niet iets dat Jezus zelf tot stand had gebracht, niet iets dat hij op zijn eigen conto kon bijschrijven, geen prestatie waar hij zelf trots op kon zijn. Het was helemaal en volledig het scheppende werk van God. 'God [heeft] hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat' (Filippenzen 2:9)
Het enige dat Jezus aan zijn opstanding had bijgedragen was op God te vertrouwen. Hij had zich voortdurend afhankelijk opgesteld, ook in de diepte van de dood. Dat vertrouwen werd niet beschaamd. En omdat hij zich met ons verbond in onze zwakte, in onze ziekten, in de dood, worden wij met Hem geïdentificeerd in zijn opstanding. De liefdeloosheid, het oordelen, het kwaad in ons, heeft Jezus met zich meegenomen het graf in. Het is nu voor altijd in het niets verdwenen. En het nieuwe leven dat God in Jezus tot stand bracht, vindt zijn weg tot ieder van ons. Zijn identiteit als de levende zoon van God wordt ook de onze. We zijn als takken aan een wijnrank. Het leven brengende water dat door de stam stroomt, vindt zijn weg naar de verste, de dunste uitloper. Omdat wij met Christus verbonden zijn, leven wij. Ook al sterven we - we zullen opstaan uit de dood.
Jezus werd zo de ‘de eersteling van hen die ontslapen zijn’ (1 Korintiers 15:20, NBG). Hij is de eerstgeborene van de herschepping. Zijn opstanding was de eerste vrucht van het herstel dat God zal bewerken, de vernieuwing die het hele heelal zal beslaan. Het Koninkrijk van God zal tot het verste sterrenstelsel de realiteit bepalen. De overwinning van de goddelijke ‘Underdog’ zal gelden voor elke mogelijke ‘underdog’ in het heelal. De laatsten, de minsten, zullen de eersten zijn. Allemaal.

Het Verhaal van God wordt zo zichtbaar in Jezus. En Jezus is de belichaming van het Koninkrijk van God.  "Als jullie mij kennen zullen jullie ook mijn Vader kennen”, zegt Jezus. Hij voegt er aan toe: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij” (Johannes 14:6,7).
Ik heb mensen deze tekst vaak exclusief horen uitleggen, alsof hij betekent dat alleen mensen die in Jezus geloven op de manier waarop de uitleggers dat doen, bij God horen, en alle anderen voor altijd verloren gaan. Alsof je behoud afhangt van het geloven van een aantal intellectuele waarheden over Jezus, of het instemmen met een dogma. Ik ben gaan geloven dat deze uitleg niet correct is. Jezus is juist heel erg inclusief. Want Jezus is de waarheid zelf, hij is het Verhaal van God zelf. Maar ook andersom: de waarheid (ongeacht door wie de waarheid gepredikt wordt en in welke cultuur hij gevonden wordt) is de waarheid van Jezus. “De werkelijkheid is Christus” (Kolossenzen 2:17). Rob Bell verwijst in zijn boek Love Wins naar het verhaal van de steen in de woestijn. In het bijbelverhaal lijdt het volk Israel dorst, tot Mozes met zijn staf op een steen staat. Deze steen barst open en er komt water uit, genoeg voor het volk om de dorst te lessen. In het hele verhaal wordt Jezus niet genoemd. De steen is een doodnormale steen, en het water doodnormaal water. Maar Paulus interpreteert dit verhaal heel anders, blijkt uit 1 Korintiers 10:3,4: "Ze aten allemaal hetzelfde geestelijke voedsel en dronken allemaal dezelfde geestelijke drank. Ze dronken uit de geestelijke rots die hen volgde – en die rots was Christus." Rob Bell legt uit: “Paul insists that Christ was present in that moment, that Christ was providing the water they needed to survive--that Jesus was giving, quenching, sustaining. Jesus was, he says, the rock. According to Paul, Jesus was there. Without anybody using his name. Without anybody saying that it was him. Without anybody acknowledging just what, or, more precisely, who--it was. Paul find Jesus there, in that rock, because Paul finds Jesus everywhere" (Aangehaald door Richard Beck op Experimental Theology).
Paulus kan Jezus overal vinden, in het Oude Testament, in het beeld voor een onbekende God in Athene, in een vriendelijk gebaar, in een steen, omdat Jezus ook daadwerkelijk overal is. Het feit dat de steen zelf geen water kon voortbrengen, maar eerst gebroken moest worden, zodat God uit de steen nieuw leven kon brengen, was voor hem teken genoeg: dit was het Koninkrijk van God, dit was Jezus. Dus is elke glimp van het Verhaal van God, in welke mythe of film ook, een glimp van Jezus - net als de scene uit The Matrix Revolutions waarmee dit bericht begon. Overal waar mensen zich voor elkaar opofferen, waar mensen risico durven lopen door eerlijk te zijn, waar iemand het opneemt voor een zwakke, waar mensen elkaar echt liefhebben, daar is het Geheim van God in die dingen aanwezig. En net zo wordt  het Verhaal van God, Jezus zelf, zichtbaar in het verhaal van ons leven als wij net als hij zwak durven zijn en onze afhankelijkheid van God toegeven. Daarover gaat het volgende deel van deze serie.

dinsdag 8 november 2011

Terug naar de basis (9): Het geheim van God

Aan het eind van The Matrix - Revolutions staat Neo voor het laatst tegenover zijn aartsvijand, agent Smith. Smith heeft ondertussen elke inwoner van de digitale wereld de eigen identiteit ontnomen en in een kloon van zichzelf veranderd. Hij heeft de macht verkregen het programma aan zichzelf aan te passen, in zijn beeld, en The Matrix is nu een plek van duisternis en eeuwige regen. Smith is krachtiger dan ooit. Waar Neo bij hun confrontatie in de eerste film nog met het grootste gemak zijn aanvallen afsloeg, moet hij nu het onderspit delven. De agent is onvermoeibaar, en beukt steeds opnieuw op hem in. De man naar wie de mensen opkijken als hun verlosser stort ter aarde. Smith volgt hem. Elke keer als Neo wil opstaan, wordt hij neergeslagen. Dan hoort hij de woorden van het Orakel: ‘Everything that has a beginning, has an end.’ Neo geeft de strijd op. Hij is verslagen. Smith grijnst en begint zijn slachtoffer in zichzelf te veranderen. Neo neemt de identiteit aan van zijn vijand.  De overwinning van de agent lijkt te zijn veiliggesteld. Dan gebeurt er opeens iets wonderlijks. Neo, die in een kloon van Smith is veranderd, begint te gloeien. De hele identiteit van de agent wordt in hem uitgewist. En de verandering spreidt zich uit tot alle klonen van Smith, die in hun identiteit met hem verbonden waren. Ze vallen allemaal uiteen. De regen houdt op. De oorlog is voorbij. The Matrix wordt hersteld. Neo was de beloofde redder, niet omdat hij zo krachtig was dat hij Smith kon verslaan, maar omdat hij zwak durfde zijn.

Paulus spreekt in de eerste Korinthebrief over het geheim van God. “Gods verborgen en geheime wijsheid, een wijsheid waarover God voor alle tijden besloten heeft dat wij door haar zouden delen in zijn luister” (1 Korintiers 2:1,7). In plaats van ‘geheim’ kun je hier volgens mij ook lezen: ‘het Verhaal van God’, het verhaal dat God vertelt en dat de basis is van het bestaan van deze wereld. Paulus stelt dit geheim tegenover de wijsheid van deze wereld en haar machthebbers “die ten onder zullen gaan.” Geen van de machthebbers van deze wereld heeft die wijsheid gekend; zouden ze haar wel gekend hebben, dan zouden ze de Heer die deelt in Gods luister niet hebben gekruisigd. (vers 6, 8). Het geheim van de wereld, het verhaal dat overal om ons heen verteld wordt, is dat van de machtsuitoefening. Het is het verhaal van de overwinning van de sterkste, de krantenjongen die zich door zijn eigen inspanning opwerkt tot miljonair, de popster die op basis van zijn talent (maar vooral marketing) een villa met veertig of vijftig kamers kan bekostigen, de bankdirecteur die veel geld kan verzamelen zolang zijn methodes maar niet aan het licht komen. Het is het verhaal van de menselijke inspanning - door het maken van wetten, het oprichten van instituten, het verzamelen van hulpbronnen. Dit is het verhaal waarbij de zieken en zwakken met de nek worden aangekeken, waarbij mensen die falen worden geminacht, waarbij de armen hun situatie aan zichzelf te wijten hebben, waar wie niet mooi is wordt achtergesteld. Het is het verhaal van de ‘macht van de rechterhand’, om een term uit de Lutherse theologie te gebruiken.

Maar het geheim van God, het verhaal van de werkelijkheid, is totaal anders. “Wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft god uitgekozen om de sterken te beschamen. Wat in de ogen van de wereld onbeduidend is, en wordt veracht, wat niets is, heeft god uitgekozen om wat wel iets is teniet te doen.” (1 Korintiers 1:27,28). God heeft de wijsheid van de wereld in dwaasheid veranderd (1:20). Wat is dan dit geheim van God dat zo anders is dan het geheim van de wereld? Wat is het verhaal dat God over onze wereld vertelt, van schepping tot voleinding? Het is een verhaal van zwakheid, van zelfbeperking, van meegeven in plaats van dwingen, van opoffering in plaats van verovering. Het is het verhaal van de ‘macht van de linkerhand’ - de macht die afziet van het privilege van de macht. “Power that looks for all the world like weakness,” aldus Robert Farrar Capon in Kindom, Grace, Judgment. “Intervention that seems indistinguishable from nonintervention. It is guaranteed to stop no determined evildoers whatsoever. It might, of course, touch and soften their hearts. But then again, it might not ... The only thing it does insure is that you will not - even after your chin has been bashed in - have made the mistake of closing any interpersonal doors from your side.
Deze ‘linkshandige macht’ ligt ten grondslag aan de werkelijkheid. Hij wordt dus al zichtbaar op het moment van de schepping. Het Bijbelse scheppingsverhaal verschilt namelijk van dat van de omliggende volken. Bij hen begint het verhaal met chaos, waaruit de goden ontstaan. Deze goden vechten en strijden, en daaruit ontstaan de mensen en dieren. En deze schepselen verhouden zich tot hun goden als een slaaf tot zijn meester. De goden zijn de sterksten, degenen die zich het eerst aan de chaos ontworstelden, en zij dienen dus gediend en geëerd te worden. Het bijbelse getuigenis begint daarentegen met God, die alles is. Maar deze God overheerst niet, dwingt niet en strijd niet. Hij wijkt terug, hij verwijdert zich als het ware van het toneel. “The first part of creation is God's withdrawal”, schrijft Richard Beck op zijn blog ‘Experimental Theology’, “A negative action of God to create space for creation. This "making room" for creation involves an act of self-limitation on God's part. After this negative space has been created the second, positive act of creation can occur. Here God speaks a positive word into the vacuum that was created through God's self-limitation. These two phases of creation are like breathing. First, a breathing in--passivity, vacuum, a pulling in. Followed by a breathing out--activity, creation, a moving out.”
God trekt zich terug. Hij kan niet anders, omdat hij niet in een relatie wil staan tot zijn schepping als machthebber, als slavenmeester, als tiran. Hij wil zijn schepping niet overheersen, hij wil haar liefhebben. Hij wil dat wij Hem liefhebben. En liefde valt niet af te dwingen. Daarom kiest hij ervoor ons vrij te laten. En we kunnen alleen maar vrij zijn, als Hij ervoor kiest niet zijn macht over ons uit te oefenen. Hij kiest er dus voor ons ruimte te geven, ook al leidt dat tot het risico dat wij tegen hem kiezen en hem en onszelf beschadigen. Nogmaals Richard Beck: “This is a very paradoxical space. We are "in God" but in a way marked by the absence of God. We exist in a space that God has evacuated. Because of God's self-limitation the space of creation is marked by god-forsakenness, the loss or lack of God. The practical implication of this is that God can only appear in creation--the space of God's self-limitation--as weakness.”

Het geheim van Gods zwakheid is al terug te vinden in onze sprookjesverhalen over de jongste zoon, de ‘underdog’, in het verhaal van de evolutie - waarbij het kleine, onbeduidende zoogdiertje de dinosaurussen overleeft, en een onbehaarde aap het brengt tot rentmeester over de wereld en in het verhaal van Israel, dat kleine kuddeke dat de wereld veranderde.
Maar Gods zwakheid wordt pas volledig openbaar in Jezus. Jezus Christus is namelijk het zichtbare, levende Verhaal van God - het onuitgesproken geheim dat nu in de volheid van de tijd eindelijk in het daglicht is getreden. Het Woord dat leven is, dat wij nu met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt (1 Johannes 1:1). Het spelletje verstoppertje is over, de goochelaar legt zijn truc uit.
Jezus is het Woord van God -dat bij God was, en dat God was- de Logos. Het scheppende woord, dat de hele schepping draagt, was zelf deel van deze schepping geworden. Het Koninkrijk van God, de werkelijkheid van Gods regering, was zichtbaar geworden in Jezus zelf. Hij kondigde aan: ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij’ (Mt4:17). De profetieen over de nieuwe wereld, waarin lam en leeuw samen zouden weiden, waarin rund en beer samen in de stal zouden liggen, waarin zwaarden tot ploegen zouden worden gesmeed, was werkelijkheid geworden in zijn Persoon. Alles waarop de mensen al die tijd hadden gehoopt was nu uitgekomen. ‘Blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen … doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt.’ (Mt11:5). Het einde van de tijd was gekomen. Iedereen kon nu het koninkrijk binnengaan, van de hoogste tot de kleinste, van de armen, de treurenden tot de vervolgden (Mt5:3-10). Gods wil werd realiteit in mensenlevens en aardse verbanden ‘zoals in de hemel’ (Mt6:10). Simeon kon in vrede heengaan nadat hij Jezus had gezien, want, zei hij, ‘met eigen ogen heb ik de redding gezien die u bewerkt hebt’ (Lk2:30,31).
Derek Morphew zegt: “Terwijl de volle openbaring van het koninkrijk dat de profeten beschrijven pas bij de wederkomst van Christus zal plaatsvinden, is in Jezus dat koninkrijk in al zijn aspecten in deze huidige wereld doorgebroken. De beloften zijn vervuld .... God kwam in Jezus om zijn volk te redden en te troosten en zijn heerlijkheid te openbaren. De Koning kwam om recht te verschaffen, het verbond te herstellen en als Gods dienaar te helpen ... In een woord: Jezus is de eschatos, het einde van deze eeuw en de volle openbaring van de komende eeuw. Dit is van zijn kant de volle openbaring van God” (De Grote Doorbraak). In de persoon van Jezus was het Koninkrijk van God onder de mensen gekomen, het was realiteit geworden. Die twee zijn niet van elkaar te scheiden - Als Jezus in gelijkenissen spreekt over het Koninkrijk van God, spreekt hij over zichzelf. Hij is zelf het Verhaal dat hij vertelt.

Omdat dit bericht weer eens veel te lang dreigde te worden, heb ik het in tweeën gesplitst. In het volgende deel lees je wat de scène uit The Matrix die ik hierboven beschreef te maken heeft met de zwakheid van God.

maandag 7 november 2011

Amerika: schilderen met micro-organismen

Dit is mijn laatste serie foto's uit het nationale park Yellowstone. De reis deed immers meer bestemmingen aan. Maar het moge duidelijk zijn dat dit park op mij wel indruk maakte. Een van de dingen die ik zo bijzonder vind is de aanwezigheid van hitteminnende micro-organismen, met name archaea (levensvormen die lijken op bacteriën, maar daar net zo min aan verwant zijn als dat wij dat zijn), maar ook algen en bacteriën.  Deze zogenaamde 'Thermofielen' kunnen overleven in omgevingen die dodelijk zijn voor andere soorten. In kokend of bijna kokend water bijvoorbeeld, maar ook in extreem zuur of basisch water. Het herinnert me eraan dat leven zich aan bijna alle omstandigheden kan aanpassen en dan ook nog kan floreren. En deze soorten, in allerlei kleuren, verven het landschap in abstracte patronen. Mooi om te fotograferen!

Voor wie mijn foto's mooi vindt: eind november verschijnt 'Het Boek van de Natuur' onder redactie van Rene Fransen en Reinier Sonneveld - met onder andere dertien foto's van mijn hand, met daarbij geschreven overdenkingen.






vrijdag 4 november 2011

Boekbespreking: Kijken naar de Heer

Ik vind Twitter een tijdrovend, maar boeiend medium. (Ja, ik ga het heus wel over dit boek hebben. Er staat immers Boekbespreking boven dit bericht. Even geduld alsjeblieft!). Het leidt me soms af van bezigheden waar ik concentratie voor nodig heb, maar het maakt ook boeiende gesprekken mogelijk, en attendeert me op fascinerende teksten en links. En ik sta in contact met interessante mensen. Een daarvan is dominee Jos Douma. Ik kwam eens een stuk van zijn hand tegen op internet toen ik aan het zoeken was naar informatie over ‘glorie’ of ‘luister’. Ik was door dit onderwerp gefascineerd, vooral omdat we het hier als christenen weinig over hebben, en als we het er over hebben, weten we niet wat de woorden ten diepste betekenen.
Jos Douma bleek ook gegrepen door dit onderwerp. Zijn gedachten verhelderden de mijne: iemands ‘luister’ is zijn gewichtigheid, iemand die ‘glorie’ heeft, is indrukwekkend, hij laat een indruk achter in zijn omgeving. Als wij oog krijgen voor de luister van God, zijn indrukwekkendheid, heeft dat een effect in ons leven. Dan veranderen wij. Wij gaan delen in Gods luister, wij gaan dezelfde indruk achterlaten in onze omgeving. Wij worden ook indrukwekkend. Deze verandering komt niet tot stand door onze eigen inspanning of verrichting, maar is puur en alleen het gevolg van Gods heerlijkheid in ons. We zijn helemaal vrij. Sterker nog, pas als we ons door God laten veranderen, worden we mensen zoals God ons bedoeld had. Dan worden we onszelf. Paulus spreekt in Romeinen 8 niet voor niets van de ‘Vrijheid en luister’ van Gods kinderen. Ik vond dit zo’n bevrijdende boodschap, dat ik hier een heel boek over heb geschreven. Mijn oorspronkelijke titel voor Indrukwekkende Vrijheid was: Vrijheid en luister. Hoe God ons helemaal onszelf laat zijn. De huidige ondertitel van mijn boek vat de inhoud ervan mooi samen: Hoe dichter bij God, hoe vrijer je wordt. Ik ga hier echter geen reclame maken voor mijn eigen werk, maar voor dat van Jos Douma. Uit zijn twitterberichten begreep ik dat hij nog steeds over de luister en schoonheid van God nadacht. En zelfs dat hij daar een boek over had geschreven, met de titel: Kijken naar de Heer, veranderen door zijn schoonheid. Toen hij aan zijn ‘followers’ vroeg of er mensen waren die dat boek zouden willen recenseren, stak ik digitaal mijn vinger op.

Ik kon de mij toegestuurde PDF-versie van het boek niet onmiddellijk lezen, want ik was nog in een ander boek bezig. Dus gebeurde het dat ik de dag voor ik het las, in de stad koffie dronk met een vriend van me. We hadden het over de kerk (niet verwonderlijk, want het was zondag). Mijn vriend vertelde me dat hij blij was dat ik weer vaker in de dienst te vinden ben tegenwoordig. Hij zei dat het goed was voor mij om weer onder medegelovigen te zijn. Ik antwoordde dat ik dat nog niet zo zeker wist. (Voor mijn vaste lezers is het geen verrassing dat ik op zijn best een ambivalente houding heb ten opzichte van de kerk als instituut en de kerkdienst als georganiseerd evenement). Ik vertelde hem dat ik me nog steeds elke preek ongemakkelijk voel. Het lukt me beter om me niet schuldig te voelen, het lukt me beter om tegen mezelf te zeggen dat ik me niet aangesproken hoef te voelen. Maar het probleem is dat ik dat elke zondag moet zeggen. De betreffende zondag hadden we een preek van een zendeling uit Sri Lanka, die enthousiast vertelde hoe de Heer hem had geleid. Hij gebruikte het voorbeeld van Elia, die  naar de stem van God had geluisterd en had gehoorzaamd. En God had voor hem gezorgd, bij de beek van Kidron. God zou ons de bewogenheid geven, als wij hem wilden gehoorzamen. We moesten openstaan voor zijn leiding.
Niet eens een heel slechte boodschap. Maar ik miste het evangelie. Het was weer een oproep aan ons om gehoorzaam te zijn, ons door God bewogenheid te laten geven, en meer te gaan doen. Net als de week ervoor, en de week daarvoor en de week daarvoor. En al die keren had ik niets gehoord over Jezus: niets over zijn leven, niets over zijn dood en niets over zijn opstanding. Op de Internetmonkblog las ik een tijdje terug een artikel van de vorig jaar overleden Michael Spencer over ‘Christless preaching’. Hij deelde daarin zijn observatie dat hij heel weinig preken hoorde die over Jezus gingen. “The sermon could go forward in many settings with little or no mention of Jesus. Nothing essential is communicated about Jesus, and the principles of guidance apply to life without any particular reference to Jesus. A perfectly good sermon on guidance can be produced just talking about a Biblical character or a list of Biblical principles without taking the trouble to bring Jesus into the essential focus of the subject. (This is why topical preaching is the most dangerous kind of preaching, because it can easily exempt itself from winding up with Jesus and the Gospel.) So it is with many “how to” messages. Jesus may make an appearance as an example or a coach, but he isn’t the Final Word. He may have a privileged place in a hierarchy or examples or authority, but what’s the real point of Jesus in the message? Ultimately, he’s just one more character, and often a minor one at that.”
Ik vertelde mijn vriend dat ik in plaats van dit soort preken, het nodig had het evangelie te horen, namelijk dat Jezus voor mijn zonden is gestorven en uit de dood is opgestaan, dat God van mij houdt en dat het koninkrijk van God realiteit is. Ik zei tegen mijn vriend dat ik uit mezelf de lat al zo hoog leg dat ik er nooit overheen kan springen. Ik leg mezelf al veel eisen op. Ik hoef niet te horen dat ik meer moet bijbellezen - ik weet al dat ik het te weinig doe. Ik hoef niet te horen dat ik meer moet bidden - ik voel me al schuldig omdat ik weinig naar God luister. Ik hoef niet te horen dat ik minder moet zondigen - ik schaam me al om mijn vele tekortkomingen. Ik heb het goede nieuws nodig. Maar volgens mijn vriend was ik daarin uniek. Volgens hem zorgde mijn gebrokenheid ervoor dat ik altijd alle boodschappen in alle kerken als verplichtend zou horen en erdoor aangesproken zou worden. Volgens hem was het voor andere mensen wel goed om vermaand te worden. Dat was nodig om de kerk een eenheid te maken, en om daadwerkelijk te groeien en de wereld te beïnvloeden.
Maar ik vraag me dat ernstig af. De mensen in de kerkbanken weten het namelijk allemaal al. De mensen in de kerk weten al dat ze meer moeten bidden, meer bijbellezen, meer evangeliseren, minder zondigen, minder zelfzuchtig zijn. Dat is namelijk wat ze elke zondag opnieuw horen! Zoals een vriend van me ooit verzuchtte: “De ene zondag hoor ik dat ik hier aan moet werken. Maar ik ben er nog nauwelijks mee begonnen, en ik hoor de volgende zondag dat ik met iets anders bezig moet zijn.” Weten wat je doen moet, leidt echter niet tot verandering. De kerkgangers veranderen geen iota door de vermanende preken. De maandag na de dienst gaat niemand daadwerkelijk meer bidden of bijbellezen. Er is niemand die besluit zich op te geven voor de evangelisatiecommissie. Niemand stopt met porno kijken of roddelen. Anders zouden de predikers immers niet elke zondag opnieuw de behoefte voelen de mensen hun vermanende boodschap voor te houden. De prediking heeft geen effect, is totaal krachteloos. En toch blijven alle mensen trouw naar de dienst komen. Volgens mij omdat de prediking ze bevestigt in wat ze al weten: dat ze te weinig bidden/bijbellezen et cetera. Ze worden niet wakker geschud, maar knikken: ja, dit is waar. En ze leven gewoon door. Ondertussen weet ik niet of mensen onder woorden kunnen brengen wat het goede nieuws van het evangelie werkelijk inhoudt. Dat horen ze immers niet op zondag.

Ik was nog aan het nadenken over dit gesprek, toen ik de maandag erna in de trein het boek Kijken naar de Heer, van Jos Douma, ging lezen. Nu is Jos Douma dominee. Mensen die denken dat ik iets heb tegen de kerk zouden zich kunnen afvragen of ik dan wel iets van hem wil aannemen. Maar ik heb niets tegen de kerk. Ik geloof juist dat de gemeenschap van gelovigen, het lichaam van Christus, de tempel van de Heilige Geest, de bruid van Christus, ongelofelijk belangrijk is. Ik trek graag op met mijn broeders en zusters. Ik ageer alleen tegen de boodschap dat wij het zijn die het moeten organiseren, dat wij het zijn die de kerk moeten bouwen, dat wij het zijn die ons leven op orde moeten maken en op Jezus gaan lijken. En Jos Douma bestrijdt net als ik deze instelling. Hij vergelijkt het (terecht) met het houden van de wet - pogingen om uit eigen kracht rechtvaardig te worden. Dit wordt in de bijbel ‘het oude verbond’ genoemd. “Dat het oude verbond zo aantrekkelijk is,” zegt hij, “ligt niet eens zozeer aan het oude verbond, dat ligt aan het hárt van de mensen. Als jij houdt van de wet, als je wettisch wilt leven, als jij je aan al die regels wilt houden, prima – maar dan ligt er dus een sluier over je hart. Als we nog niets van de schoonheid van Jezus ontdekt hebben, dan kan het evangelie ons als niet relevant en erg onaantrekkelijk in de oren klinken.” Mijn vriend reageerde ietwat ongeduldig toen ik aangaf het evangelie nodig te hebben. Volgens hem was het niet relevant om de wereld te veranderen, om mensenlevens te veranderen. In elk geval niet zo relevant als herhaalde vermaningen om meer te gaan doen, meer te gaan presteren.

Maar volgens Jos Douma zijn het juist die laatste boodschappen die niet relevant zijn. Die juist het werkelijke goede nieuws versluieren. “Het veranderingsproces waar het nu over gaat ... komt niet tot stand door onze goede voornemens. Dat proces komt niet tot stand door onze inspanningen. Dat proces komt niet tot stand omdat wij onze wil aanspreken.” Dit is precies wat de predikers in de kerk wel betogen: dat we moeten voornemen meer te bidden, dat we harder moeten werken, dat als we maar meer zouden willen gehoorzamen, we zouden veranderen. Maar niet alleen is dat niet effectief - het zorgt alleen voor een (kortdurende) uiterlijke verandering, en uiteindelijk tot falen, teleurstelling en schaamte - het versluiert ons beeld van Gods karakter. “Veel christenen hebben God vooral leren kennen als een eisende God, een God die van alles van je vráágt: ‘Jij moet veranderen, en als je niet verandert, dan hou Ik niet van je.’ Het is totaal in strijd met Gods karakter en Gods woorden om dat zo te zeggen.” God is liefde. Hij eist niet van ons dat we veranderen - hij wil dat wij ons door Hem laten liefhebben. Daardoor zullen we veranderen. Het veranderingsproces is volgens Jos Douma “een genadig proces, dat uit de hemel in ons leven neerdaalt. Dat veranderingsproces komt tot stand als wij ons openstellen voor de genadige werking van God in onze levens.” Dat is het enige dat God van ons vraagt: dat we ons hart voor Hem openstellen, dat we onze handen leeg maken, zodat we kunnen ontvangen wat Hij ons wil geven: zijn grootheid, zijn kracht, zijn schoonheid, zijn wezen. We moeten helemaal niets om Hem tevreden te stellen. We ‘moeten’ maar een ding: onze ogen op Hem richten, of in de woorden van de bijbel: de luister van de Heer aanschouwen. De bijbel belooft dat, als we dat doen, verandering onontkoombaar is: “Wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, zullen meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld worden veranderd” (2 Korintiers 3:18). Dit is de favoriete bijbeltekst van Jos Douma, en het thema waaromheen hij dit hele boek heeft opgezet, de rode draad in zijn betoog. Het is ook een van mijn favoriete bijbelteksten. Omdat het ‘zullen’ in deze tekst een belofte inhoudt, (zoals in 1 Korintiers 15:51 “Wij zullen allemaal veranderd worden.”). Het is een belofte van God, die Hij zal vervullen. Of het gebeurt is dus niet van mij afhankelijk, niet van mijn karakter en niet van mijn inspanning. God doet wat hij heeft belooft. Ik zal dus veranderen,  meer gaan lijken op God. Zijn luister, zijn gewicht, zijn indrukwekkendheid zal in mijn leven zichtbaar worden, worden weerspiegeld. Niet omdat ik zo goed ben of zo gehoorzaam, maar omdat ik naar Hem kijk, omdat ik onder de indruk ben gekomen van zijn liefde, zijn luister, zijn genade. Dit is goed nieuws. Dit is euangelion, evangelie.

Ik geloof dat ik niet de enige ben die dit goede nieuws nodig heeft. Ik ben niet de enige die de boodschap van de genade moet horen. Ik ben niet de enige die behoefte heeft Jezus Christus als gekruisigd voor ogen geschilderd te krijgen, en in mijn geestesoog het lege graf te zien en de wolk waarop hij naar de Vader steeg. Dit is wat ons motiveert, dit is waardoor we gaan verlangen naar het leven volgens Gods geboden, dit is waardoor we ons uitstrekken naar de nieuwe mens. Jos Douma gelooft hetzelfde: “Ik denk dat we het in de kerk vaak over waarheid hebben, en we zeggen: iets is waar of iets is niet waar. We hebben het ook vaak over goedheid, en we zeggen: iets is goed of iets is fout. Zouden we het in de kerk van Jezus Christus niet wat vaker moeten hebben over schoonheid? En dat we als christenen zijn schoonheid ook veel meer leren ontdekken en bewonderen?”
Schoonheid is een van mijn favoriete onderwerpen. Niet voor niets plaats ik zoveel foto’s op mijn blog. En niet voor niets reageerde ik direct op de gelegenheid bij te dragen aan een boek over de natuur en over schoonheid. Schoonheid is onderbelicht in de kerk. Maar het is juist schoonheid (met daarin inbegrepen waarheid en goedheid - want schoonheid bestaat niet zonder deze waarden) wat ons hart verandert. Kijk naar een zonsondergang, sta stil bij een madeliefje, bewonder een schilderij, luister naar het kraaien van een baby. Het doet wat met je, het verandert je. En het mooiste dat er is, het meest indrukwekkende, het meest glorieuze, is Jezus Christus. In Hem is de heerlijkheid van God volledig zichtbaar geworden. Hij is het beeld van de enige God. Hij is de uitstraling van Gods wezen. Het kan dus niet anders dan dat we veranderen als we Jezus ontmoeten, als we zijn schoonheid zien. En zijn schoonheid, zijn luister, zijn pracht is niet ver van ons. Deze Jezus is levende realiteit, in ons, naast ons, om ons heen. Hij komt tot ons door de bijbel, waarvan elke pagina zijn heerlijkheid laat zien. Net als bij de Emmausgangers gebeurde, kan ons hart kan in ons gaan branden als de schriften wordt geopend. Hij komt tot ons door het brood en de wijn - zijn lichaam en zijn bloed, vergoten voor onsHij komt tot ons door zijn schepping, en door onze medemensen, die naar zijn beeld zijn geschapen (en dan vooral de zwakke, zieke, gebroken medemensen - wat we aan hen doen, hebben we aan Hem gedaan, zegt Hij zelf). En hij komt tot ons door de zachte stem in ons binnenste die ons vertelt dat we geliefd zijn - de Heilige Geest die in ons woont openbaart zijn heerlijkheid aan ons. Hij is dus niet ver van ieder van ons. “Er is mateloos veel genade”, concludeert ook Jos Douma. “Het stroomt door deze wereld, het stroomt door de kerk heen. Alleen: we moeten er in willen duiken, we moeten er in willen zwemmen, in de kostbare, eindeloze, prachtige genade van onze Heer Jezus Christus. Als we dat gaan doen, als we gaan zwemmen in de genade, dan zullen we zijn schoonheid ontdekken. En er zal een proces op gang komen in ons leven, een veranderingsproces, waarvan we nooit hadden durven dromen.”

Het zal de lezers van mijn blog niet verbazen dat ik enthousiast ben over deze boodschap.  Jos Douma schrijft aanstekelijk, enthousiasmerend. Hij duikt aan de ene kant diep in de bijbeltekst en geeft uitleg over de oorspronkelijke woorden in de grondtekst. Aan de andere kant blijft hij altijd heel begrijpelijk en vooral praktisch. Maar zijn adviezen, zijn praktische tips zijn niet dwingend. Ze roepen geen schuldgevoel op. Het zijn suggesties aan de lezer, geen wetten of regels. De kern van zijn betoog is de schoonheid van God, zoals die geopenbaard is in Jezus Christus. Dit is een prediking waarin Jezus centraal staat. Jos Douma hoopt dat deze boodschap in meer kerken en bijbelkringen wordt opgepikt. Hij gebruikt daarvoor de term ‘3vers18’-beweging. En hij geeft tips en handreikingen om dit materiaal in groepen te gebruiken. Dit is duidelijk geen beweging die draait om de persoon van Jos Douma, maar om de eenvoudige waarheid van zijn favoriete bijbeltekst. Ik kan dit boek daarom van harte aanbevelen. Het had voor mij wel wat dieper mogen gaan (het zijn maar honderd niet echt vol gedrukte pagina’s), maar aan de andere kant: ook wie niet zo snel leest, kan dit boek in korte tijd tot zich nemen. En ik gun dit boekje een wijde verspreiding.
Zondag ga ik toch weer naar de kerk. Ik ga omdat ik het nodig heb over Jezus te horen, omdat ik Hem wil ontmoeten. Ik ga, omdat ik hoop dat de sluier wordt weggenomen, en Jezus’ heerlijkheid zichtbaar wordt. Ik ga omdat ik hoop dat ik vanaf het podium het goede nieuws weer te horen krijg.