Posts tonen met het label redding. Alle posts tonen
Posts tonen met het label redding. Alle posts tonen

zaterdag 3 december 2011

Terug naar de basis (appendix): Het grote plaatje

De afgelopen maanden bestond de ‘rode draad’ van mijn blog uit mijn serie ‘Terug naar de basis’. Daarin probeerde ik voor mezelf te verwoorden waarom ik nog steeds in Jezus blijf geloven, als ik leef in een wereld vol lijden en verdriet, waar de materialistische verklaringen van wetenschappers behoorlijk overtuigend zijn, en waar ik de aanwezigheid van God maar zelden voel.  Mijn conclusie was dat ik niet geloofde op basis van rationele onderbouwing van een theorie (hoewel het christelijk geloof niet anti-rationeel is) en niet op basis van bepaalde emotionele ervaringen van extase of transcendentie (hoewel veel gelovigen dat soort ervaringen beschreven hebben en als iets heel positiefs), maar dat ik geloof omdat ik van alle verhalen over de werkelijkheid, Gods verhaal het mooist vindt.
Anders gezegd: ik geloof omdat ik verlang naar een leven in dat verhaal, in die werkelijkheid. Ik citeerde in mijn laatste bericht Stefan Paas, die met Augustinus betoogde dat mensen geen denkende wezens zijn, maar liefhebbende wezens. Wat wij willen wordt niet bepaald door onze ratio in de eerste plaats, maar door ons verlangen, onze liefde. En wat we verlangen, wat we liefhebben, wordt bepaald door de waarde, de betekenis die we toekennen aan de wereld en de mensen om ons heen. Iets dat we betekenisloos vinden, iets dat niet waardevol voor ons is, willen we niet kennen of bezitten. De betekenis van onszelf, de mensen om ons heen, en het heelal is afhankelijk van de verhalen die we daarover vertellen.
Het goede nieuws dat Jezus kwam brengen, was dat van Gods verhaal. Namelijk dat God aan alle mensen, voorwerpen, het hele heelal, een onvervangbare, onwrikbare betekenis toekende. Hij is de Schepper, wat gelijk staat aan te zeggen: Hij is Koning. Alles wat is, ontleent zijn betekenis, zijn bestaan, zijn leven, aan het woord, het verhaal, van God. Dat wil zeggen: we bestaan, we leven, omdat God van ons houdt (want ‘houden van’ is ‘betekenis hechten aan’). Er is geen andere bron van leven, van betekenis. Alle andere wegen, alle andere verhalen, leiden alleen maar tot de dood, tot betekenisloosheid. Daarom is de aankondiging van het Koninkrijk van God ook zulk goed nieuws, voor alle mensen, voor de hele schepping.
Maar deze aankondiging stelt ons wel voor de keus: houden we vast aan onze eigen verhalen, onze eigen zingeving van ons leven, of geven we die op, sterven we aan onszelf, en laten we ons voortaan betekenis geven door Gods liefde? Ontvangen we van Hem het leven van de Eeuwigheid? Door dat te doen treden we in de voetsporen van Jezus, worden we met Hem vereenzelvigd. Hij sprak namelijk niet alleen over het koninkrijk, over het verhaal van God: Hij IS het Verhaal van God. In zijn leven (waarbij hij zijn betekenis alleen van God ontving), in zijn dood (waarin hij afzag van elke zelfrechtvaardiging, elke zelfbevestiging), in zijn opstanding (door de kracht van God en niet door eigen kracht) en zijn verhoging (God geeft hem de positie waarvoor Hij bedoeld was). Hij roept ons vervolgens op om op Hem te vertrouwen in alles, te sterven aan onze eigen centrale positie in ons verhaal, en ons door God nieuw leven te laten geven en zo onze plek in te nemen in Gods verhaal. Jezus’ verhaal (dat is: Gods verhaal, Gods koninkrijk), wordt ons verhaal, ons leven. En zo worden wij zoals God ons bedoeld heeft.
Een beter verhaal is er niet. Ik word er enthousiast over, ik ga ernaar verlangen. Ik geloof erin.

Dit is echter niet hoe in veel kerken over het geloof wordt gesproken. Het is ook niet hoe ik in de kerk waar ik opgroeide over God hoorde. Ik hoorde een heel ander verhaal. Ik hoorde dat ik een zondaar was, zonder dat ik daar zelf voor gekozen had. Ik hoorde dat God boos op mij was, en daarom eigenlijk niets anders kon of wilde dan mij voor eeuwig straffen. Ik hoorde dat Jezus tussenbeide was gekomen, en dat God Hem had gestraft en niet mij. Ik hoorde dat als ik dat maar geloofde, dat ik dan naar de hemel zou gaan. Ik hoorde dat ik in de tussentijd mijn best moest doen om goed te leven, want ik was dan wel gered van het oordeel, maar God was eigenlijk nog steeds boos op mijn zonde. Ik moest hem niet verder teleurstellen. Aan de ene kant was ik blij dat ik voor eeuwig gered was en naar de hemel ging, aan de andere kant was ik voortdurend bang om tekort te schieten en ‘te licht te worden bevonden’. Dit was het ‘evangelie’ werd mij gezegd.
Een groot deel van wat ik schrijf op mijn blog, is bedoeld om af te rekenen met dit verwrongen beeld van God en van zijn bedoeling. God is niet boos op mij, zelfs niet als ik niet ‘schuil achter het bloed van Jezus’. God is nu en te allen tijde Liefde. Maar de realiteit is dat wat ik ben gaan zien als een vals evangelie (wat Dallas Willard noemt: het evangelie van zondemanagement) in de kerk waar ik opgroeide wel werd onderbouwd door bijbelteksten. De bijbel gebruikt wel degelijk de beeldspraak van rechtspraak. Van God als rechter, van de duivel als aanklager, van Jezus als advocaat, en als degene die straf ondergaat in onze plaats. Ik sprak laatst met een vriend van vroeger. Die had een paar van mijn stukken gelezen op mijn blog. En hij merkte op: “Jij hebt niet zoveel met het idee van verzoening door plaatsvervanging he?” Hij vond dat een probleem, omdat het wel in de bijbel voorkomt. En misschien hebben meer lezers van mijn blog het idee dat ik me verzet tegen ideeen die duidelijk in de bijbel staan en dat ik een theologie wil opbouwen die op andere dingen is gebaseerd dan Gods woord. Ik hoop dat mijn liefde voor de bijbel ondertussen wel is gebleken uit mijn stukken (lees anders Indrukwekkende Vrijheid nog eens en verbaas je over de hoeveelheid bijbelteksten die ik uit puur enthousiasme aanhaal). Ik geloof in de bijbel. Ik geloof ook in bovengenoemde teksten die gaan over het offer van Jezus voor onze zonden. Ik geloof echter niet in de theorie van de verzoening die daarvan is afgeleid. Of beter: ik geloof niet dat het de enige theorie is die de feiten (de bijbelteksten) verklaart, en ook niet dat deze verzoeningstheorie het Verhaal van God omvat. Het is eerder andersom.

Om bij het eerste te beginnen: de in de evangelische wereld gehanteerde verzoeningsleer (de mens is zondig, God is rechter en moet de mens straffen, Jezus draagt de straf, en wie dat voor waar aanneemt gaat naar de hemel) is maar een interpretatie van de bijbelse gegevens. Deze theorie staat nergens letterlijk zo uitgespeld. Het betoog uit de eerste hoofdstukken van de Romeinenbrief bevat veel van de genoemde elementen, maar geeft nergens een zo heldere samenvatting dat deze leer er als absolute waarheid uit afgeleid kan worden. Sterker nog: de ‘verzoening door plaatsvervanging’ blijkt in de theologie een vrij recente theorie - opgesteld rond het jaar 1000 door Anselmus. Al die eeuwen daarvoor interpreteerden christenen de bijbelteksten op een heel andere wijze. De ‘Christus victor’-theorie van de verzoening - waarbij Jezus door zijn dood en opstanding de macht van zonde en dood overwon en ons van de overheersing daarvan bevrijdde - had toen de overhand. Er zijn nog wat meer ‘theorieen van de verzoening’ - die allemaal een kant belichten van het werk van Jezus. Om een ervan tot absoluut te verklaren, beperkt ons zicht op wat Jezus deed.
Bovendien is de theorie over onze redding te klein om te dienen als basis voor ons geloof en onze geloofsbeleving. Je leven baseren op deze leer leidt ertoe dat je een verstandelijke keuze maakt voor of tegen Jezus - en dan voor altijd gered bent. Maar het leidt niet tot een veranderd leven, het leidt niet tot mensen die van harte Jezus volgen en anderen liefhebben, het leidt ook niet (dat deed het in elk geval niet bij mij) tot liefde voor God (want die was boos op mij, als hij mij niet zag door Jezus heen), en ook niet tot enthousiasme over het evangelie (ik moest anderen vertellen dat ze moesten stoppen met het doen van wat ze graag wilden, maar allerlei dingen moesten doen die ze niet wilden. Geen goed nieuws.)
Deze theorie liet namelijk geen ruimte voor het goede nieuws van het koninkrijk van God (dat was in onze gemeente een vrij onbekend begrip. We waren zo wie zo geneigd om te denken dat wat Jezus zijn discipelen vertelde niet voor ons gold, omdat wij leefden na Jezus’ dood en opstanding), deze theorie liet geen ruimte voor de geschiedenis van Israel (alleen als bron van voorbeelden voor ‘typologische uitleg’, maar niet als deel van de heilsgeschiedenis zelf), maar ook niet werkelijk voor de opstanding van Jezus (alleen als ‘bevestiging’ van Jezus’ goddelijkheid, niet als noodzakelijk voor ons behoud. Alles was aan het kruis gebeurd. Daarom hoefden we het maar een keer per jaar over de opstanding te hebben en elke andere zondag over het kruis). De verzoeningsleer bood geen plek voor sociale gerechtigheid of zorg voor de schepping (deze wereld stond onder het oordeel en zou vergaan), en discipelschap werd gereduceerd tot bidden en bijbellezen. Er was geen ruimte voor de hele menselijke ervaring (schrijven en kunst waren bijzaken, hooguit afleiding) of voor echt gemeente zijn (het ging erom Jezus te aanbidden, niet om echt relaties met elkaar te hebben).
Maar als we het omdraaien, blijkt de leer over de redding wel te passen in het Grote Verhaal van God, zoals ik dat in de afgelopen blogberichten uiteenzette. We kunnen het Grote Verhaal van het koninkrijk, niet zien door de bril van de ‘verzoening door plaatsvervanging’, maar kunnen de ‘verzoening door plaatsvervanging’ wel zien door de bril van Gods scheppende liefde, Gods koninkrijk. Want als wij onszelf centraal stellen en niet God (de wortel van de zonde), snijden we ons af van de bron van het leven, en ervaren we daarvan de gevolgen. Dat is ons oordeel. ‘Het licht kwam in de wereld en de mensen hielden meer van de duisternis dan van het licht, want hun daden waren slecht’ (Johannes 3:19). En Jezus identificeerde zich inderdaad met de Godverlatenheid waar wij voor hadden gekozen, en al de gevolgen ervan. Hij nam dus onze zonde en de consequenties ervan op zich, precies zoals de verzoeningstheorie het wil, zodat wij die niet meer hoeven ervaren. Want Jezus werd uit de dood opgewekt, en ook daarin worden wij met Hem geidentificeerd. God accepteert ons als zijn kinderen en zijn leven gaat door ons heen stromen.

Jezus’ dood en opstanding hadden echter grotere gevolgen dan de kwijtschelding van de zonde van het individu alleen. Ze betekenden de overwinning van Gods scheppende liefde. Ze bewerkten leven uit de dood, een nieuwe (of vernieuwde) schepping. Die zich uitte in de levens van mensen, maar uiteindelijk leidt tot een vernieuwde hemel en aarde, waar gerechtigheid woont. Uiteindelijk zal Gods koningschap hersteld zijn, zal Gods verhaal de enige bron van betekenis zijn, en zal de liefde zoals die zichtbaar werd in Jezus het laatste woord hebben. Dat Jezus ons redde van onze zonden, is daar een onderdeel van, maar is niet de hoofdzaak. Zie bijvoorbeeld de oudste samenvatting van het goede nieuws dat de apostelen brachten, die Paulus geeft in 1 Korintiers 15: “Het evangelie ... dat uw redding is ... dat christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, en dat hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen ...” Zelfs het schema van de redding uit de Romeinenbrief staat in het kader van ‘het evangelie over Gods Zoon, een mens voortgekomen uit het nageslacht van David, aangewezen als Zoon van God en door de heilige Geest bekleed met macht toen hij, Jezus Christus onze Heer, opstond uit de dood.’ Ook in 2 Korintiers 5 plaatst Paulus Jezus’ verzoenende dood in het kader van Jezus’ opstanding en de vernieuwing van de hele schepping. ‘We zijn ervan overtuigd dat een mens voor alle mensen is gestorven, waardoor alle mensen zijn gestorven, en dat hij voor allen is gestorven, opdat de levenden niet langer voor zichzelf zouden leven, maar voor hem die voor de levenden is gestorven en is opgewekt ... daarom ook is iemand die een met Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen. Dit alles is het werk van God’ (v14-17). Het verhaal van Jezus' leven, dood en opstanding is het goede nieuws.
Ik lees op dit moment het boek The King Jesus Gospel van de Amerikaanse theoloog Scot McKnight. Hij legt uit dat veel christenen het goede nieuws beperken tot de boodschap over de redding. Maar dat het evagelie voor de eerste christenen veel breder was. Het was de boodschap dat in Jezus het verhaal van God tot zijn vervulling kwam - het verhaal dat in het Oude Testament begon, namelijk van Gods regering op Aarde. Jezus was de beloofde koning, door wie die regering werkelijkheid zou worden. McKnight citeert onder andere een van mijn favoriete schrijvers N.T. Wright: “The gospel is not a system of how people get saved. The announcement of the gospel results in people getting saved ... But ‘the gospel' itself, strictly speaking, is the narrative proclamation of King Jesus. Or, to put it yet more compactly: Jesus, the crucified and risen messiah is Lord.” Het evangelie is het verhaal over Jezus, zegt McKnight, aan de hand van 1 Korintiers 15. “The authentic apostolic gospel, the gospel Paul received and passed on and the one the Corinthians received, concerns these events in the life of Jesus: that Christ died, that Christ was buried, that Christ was raised and that Christ appeared. The gospel is the story of the crucial events in the life of Jesus Christ. Instead of ‘four spiritual laws’ which for many holds up our salvation culture, the earliest gospel concerned four events or chapters in the life of Jesus Christ.” Door het alleen maar te hebben over de redding van onze zonden ontstaat een ‘reddingscultuur’ in de kerk, waarbij het alleen maar gaat om het eenmalig maken van een keuze voor Jezus, en niet om een leven van discipelschap, een leven dat van navolging. “The plan of salvation is not the gospel”, benadrukt McKnight. “The plan of salvation emerges from the story of Israel/Bible and from the Story of Jesus, but the plan and the gospel are not the same big idea ... The ‘gospel’ cannot be reduced to the plan of salvation. Instead, the plan of salvation, flows out of and is founded upon the story of Israel and the Story of Jesus. The good news is that the more we submerge ‘salvation’ into the larger idea ‘gospel’, the more robust will become our understanding of salvation.” Christen zijn is namelijk, zoals ik in deze serie heb betoogd, niet het rationeel aannemen van een set geloofswaarheden. Het is het opnemen van het juk van Jezus, het sterven met Hem, dat wil zeggen: Hem volgen in zijn dood, in de hoop met hem uit de dood op te staan. Het is een leven dat niet om het eigen gelijk en geluk draait, maar om de wetenschap door God geliefd te zijn, en zelf de naaste en God op dezelfde manier lief te hebben. Dat is wat Jezus’ dood en opstanding mogelijk hebben gemaakt. Dat is het Grote Verhaal, dat is goed nieuws.

woensdag 9 november 2011

Terug naar de basis (10): De goddelijke verliezer

Jezus vertelt niet alleen het Verhaal van God, Jezus IS het verhaal van God, was mijn conclusie in het vorige deel van deze serie. En wat in Jezus zichtbaar werd, was precies Gods weigering zich te houden aan het verhaal van de wereld, het verhaal van machtsvertoon, van dwang en overheersing. Hij weigerde ook maar iets van zijn kracht voor hemzelf te gebruiken, al had hij veertig dagen gevast in de woestijn. Wat in Hem zichtbaar werd was Gods macht die ervoor kiest zijn eigen zelfbeschikkingsrecht af te leggen, en af te dalen in de ziekte en de duisternis. Het geheim van God is “een gekruisigde christus, voor joden aanstootgevend en voor heidenen dwaas.” (1 Korintiers 1:23). “Hij hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als een mens verschenen, heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood - de dood aan het kruis.” (Filippenzen 2:7,8).
Het kruis is de plek waar de zwakheid van God voor iedereen tentoon werd gespreid. Jezus - God zelf, gekomen als mens- liet de machthebbers van deze wereld hun gang met Hem gaan. Hij liet zich bespotten, vernederen, martelen, doden. Hij was als een lam dat ter slachting geleid werd en niet eens blaatte tegen de slager. Hij vervloekte de Joden en de Romeinen die hem kruisigden niet, maar vroeg om hun vergeving ‘want zij weten niet wat ze doen’. Hij daalde af in de dood. In de hel.

Dit is niet hoe menselijke verlossers zo’n actie zouden hebben uitgevoerd. Die zouden een leger bij elkaar hebben geroepen, die zouden acties hebben ondernomen, die zouden tot verzet hebben opgeroepen. Die zouden sabotage hebben gepleegd, de bezetter het land uit hebben gepest. Dit was wat talloze andere zelfverklaarde messiassen deden in de tijd van Jezus. En dit was wat men voortdurend van Jezus verwachtte. Dat hij de Koning zou zijn die Israel zou bevrijden. Dat hij zijn volgelingen zou beschermen voor verdrukking en vervolging. Dat hij hen voor zou gaan in een bovennatuurlijke oorlog tegen de bezetter. En dat de discipelen vervolgens naast hem zouden zitten op tronen, om te heersen over de mensen die niet dicht bij hem hadden geleefd. Dit was wat mensen van een redder verwachtten en nog steeds verwachten.
Willem Jan Otten schrijft het mooi in het boek De Crux (een verzameling van persoonlijke essays en kunstwerken over de kern van het christelijke geloof): “In elke constructie van elke verbeelding kon ik mij wel voorstellen te kunnen geloven ... in de vele goden van eigen makelij (die meestal de beredeneerde, filosofische of ideologische goden zijn), is het makkelijk geloven, want je hoeft niet in ze te geloven. Ze zijn overtuigend, want je kunt ze bedenken. Niets is zo verheffend als talentvol zijn, en geniaal. De almachtige, waar ik moeiteloos in kon geloven, want hij was toch verborgen, is afgedaald om een keer mens te worden. Ook dat is nog fictie te noemen, een goed bedachte, mythische mogelijkheid. Totdat je beseft dat die mens op zijn beurt verder afgedaald is, steeds verder, tot onttakelens toe, om de zondebok te worden, de geringste, onaanzienlijkste, luisterlooste van alle mensen. Welbeschouwd is er niets aan Jezus, zoals we die uit de evangeliën kennen, geloofwaardig - hij is werkelijk de laatste aan wie je zou denken als je een halfgod nodig had om een nieuwe wereldorde mee te stichten. Als mensen uit pure kudde-instinct en individualiteitsangst zo nodig een God willen projecteren die mens wordt - waarom dan een man die, als we hem in onze hedendaagse situatie voorstellen, ongeveer in Nickerie ter wereld komt, of een andere negorij in een uithoek van het koninkrijk; die alleen gedurende de laatste achttien maanden van zijn korte leven langs de Marowijne zijn opvattingen verkondigt, en dan, met maar twaalf volgelingen van wie er minstens een niet deugt, optrekt naar Paramaribo om daar door een mengeling van zinloos geweld en schreeuwend slechte advocatuur op een abattoirachtige manier aan zijn einde te komen? Zijn leven is een reeks van mislukkingen en nederlagen geweest ... en vooral uit zijn einde blijkt hoe krankzinnig weinig hij voor elkaar gekregen heeft: zijn handvol vrienden vluchtten alle kanten uit, zijn belangrijkste leerling loochende hem en niemand begreep meer wat hij bedoelde, behalve misschien twee of drie vrouwen die moesten vrezen dat het waar was, wat hij tegen het einde riep. Dat hij door God verlaten was ... Telkens wanneer je zegt: maar als hij dan God moet zijn, waarom is hij dan zo zwak, onaanzienlijk, onttakeld, gefolterd door lijden, en zelfs: geslagen door een bijna finale en mortale wanhoop - juist dan besef je dat hij geen fictie is.”

Jezus onderging aan het kruis de gevolgen van de menselijke gebrokenheid. 'Hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht. Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam. Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken. Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing.’ (Jesaja 53:3-5). Hij identificeerde zich er volledig mee, zelfs met het ultieme gevolg: de dood, het einde van het bestaan. Hij liet zich opslokken door de duisternis van het leven zonder God, de hopeloosheid van het bestaan in een kil, betekenisloos universum.
En midden in die donkerte, die hel, werd Jezus door God levend gemaakt. Hij was zelf zwak, voor altijd hulpeloos. Hij kon zichzelf niet levend maken. Hij was volledig afhankelijk van God. En die schiep in Hem nieuw leven - met hetzelfde woord als waarmee hij de Schepping begon: “Er zij leven ...”  De machinerie van Jezus’ cellen begon weer te functioneren, zijn gestolde bloed begon weer te stromen, zijn hart begon weer te bonzen. Hij was meer levend dan ooit tevoren, maar werkelijkheid dan hij ooit geweest was. Zo concreet dat hij door muren heen kon wandelen, en de grenzen van tijd en ruimte kon doorbreken. De dood kon Jezus niet vasthouden, de ketenen van het verval werden verbroken. De machtige vijand, die zo zeker was geweest van zijn overwinning, die zich al zelfgenoegzaam in de handen wreef, verloor zijn territorium. De deuren van de hel gingen van binnenuit open en Jezus verscheen in de volledige heerlijkheid van de zoon van de levende God.
Zijn opstanding was niet iets dat Jezus zelf tot stand had gebracht, niet iets dat hij op zijn eigen conto kon bijschrijven, geen prestatie waar hij zelf trots op kon zijn. Het was helemaal en volledig het scheppende werk van God. 'God [heeft] hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat' (Filippenzen 2:9)
Het enige dat Jezus aan zijn opstanding had bijgedragen was op God te vertrouwen. Hij had zich voortdurend afhankelijk opgesteld, ook in de diepte van de dood. Dat vertrouwen werd niet beschaamd. En omdat hij zich met ons verbond in onze zwakte, in onze ziekten, in de dood, worden wij met Hem geïdentificeerd in zijn opstanding. De liefdeloosheid, het oordelen, het kwaad in ons, heeft Jezus met zich meegenomen het graf in. Het is nu voor altijd in het niets verdwenen. En het nieuwe leven dat God in Jezus tot stand bracht, vindt zijn weg tot ieder van ons. Zijn identiteit als de levende zoon van God wordt ook de onze. We zijn als takken aan een wijnrank. Het leven brengende water dat door de stam stroomt, vindt zijn weg naar de verste, de dunste uitloper. Omdat wij met Christus verbonden zijn, leven wij. Ook al sterven we - we zullen opstaan uit de dood.
Jezus werd zo de ‘de eersteling van hen die ontslapen zijn’ (1 Korintiers 15:20, NBG). Hij is de eerstgeborene van de herschepping. Zijn opstanding was de eerste vrucht van het herstel dat God zal bewerken, de vernieuwing die het hele heelal zal beslaan. Het Koninkrijk van God zal tot het verste sterrenstelsel de realiteit bepalen. De overwinning van de goddelijke ‘Underdog’ zal gelden voor elke mogelijke ‘underdog’ in het heelal. De laatsten, de minsten, zullen de eersten zijn. Allemaal.

Het Verhaal van God wordt zo zichtbaar in Jezus. En Jezus is de belichaming van het Koninkrijk van God.  "Als jullie mij kennen zullen jullie ook mijn Vader kennen”, zegt Jezus. Hij voegt er aan toe: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij” (Johannes 14:6,7).
Ik heb mensen deze tekst vaak exclusief horen uitleggen, alsof hij betekent dat alleen mensen die in Jezus geloven op de manier waarop de uitleggers dat doen, bij God horen, en alle anderen voor altijd verloren gaan. Alsof je behoud afhangt van het geloven van een aantal intellectuele waarheden over Jezus, of het instemmen met een dogma. Ik ben gaan geloven dat deze uitleg niet correct is. Jezus is juist heel erg inclusief. Want Jezus is de waarheid zelf, hij is het Verhaal van God zelf. Maar ook andersom: de waarheid (ongeacht door wie de waarheid gepredikt wordt en in welke cultuur hij gevonden wordt) is de waarheid van Jezus. “De werkelijkheid is Christus” (Kolossenzen 2:17). Rob Bell verwijst in zijn boek Love Wins naar het verhaal van de steen in de woestijn. In het bijbelverhaal lijdt het volk Israel dorst, tot Mozes met zijn staf op een steen staat. Deze steen barst open en er komt water uit, genoeg voor het volk om de dorst te lessen. In het hele verhaal wordt Jezus niet genoemd. De steen is een doodnormale steen, en het water doodnormaal water. Maar Paulus interpreteert dit verhaal heel anders, blijkt uit 1 Korintiers 10:3,4: "Ze aten allemaal hetzelfde geestelijke voedsel en dronken allemaal dezelfde geestelijke drank. Ze dronken uit de geestelijke rots die hen volgde – en die rots was Christus." Rob Bell legt uit: “Paul insists that Christ was present in that moment, that Christ was providing the water they needed to survive--that Jesus was giving, quenching, sustaining. Jesus was, he says, the rock. According to Paul, Jesus was there. Without anybody using his name. Without anybody saying that it was him. Without anybody acknowledging just what, or, more precisely, who--it was. Paul find Jesus there, in that rock, because Paul finds Jesus everywhere" (Aangehaald door Richard Beck op Experimental Theology).
Paulus kan Jezus overal vinden, in het Oude Testament, in het beeld voor een onbekende God in Athene, in een vriendelijk gebaar, in een steen, omdat Jezus ook daadwerkelijk overal is. Het feit dat de steen zelf geen water kon voortbrengen, maar eerst gebroken moest worden, zodat God uit de steen nieuw leven kon brengen, was voor hem teken genoeg: dit was het Koninkrijk van God, dit was Jezus. Dus is elke glimp van het Verhaal van God, in welke mythe of film ook, een glimp van Jezus - net als de scene uit The Matrix Revolutions waarmee dit bericht begon. Overal waar mensen zich voor elkaar opofferen, waar mensen risico durven lopen door eerlijk te zijn, waar iemand het opneemt voor een zwakke, waar mensen elkaar echt liefhebben, daar is het Geheim van God in die dingen aanwezig. En net zo wordt  het Verhaal van God, Jezus zelf, zichtbaar in het verhaal van ons leven als wij net als hij zwak durven zijn en onze afhankelijkheid van God toegeven. Daarover gaat het volgende deel van deze serie.

dinsdag 8 november 2011

Terug naar de basis (9): Het geheim van God

Aan het eind van The Matrix - Revolutions staat Neo voor het laatst tegenover zijn aartsvijand, agent Smith. Smith heeft ondertussen elke inwoner van de digitale wereld de eigen identiteit ontnomen en in een kloon van zichzelf veranderd. Hij heeft de macht verkregen het programma aan zichzelf aan te passen, in zijn beeld, en The Matrix is nu een plek van duisternis en eeuwige regen. Smith is krachtiger dan ooit. Waar Neo bij hun confrontatie in de eerste film nog met het grootste gemak zijn aanvallen afsloeg, moet hij nu het onderspit delven. De agent is onvermoeibaar, en beukt steeds opnieuw op hem in. De man naar wie de mensen opkijken als hun verlosser stort ter aarde. Smith volgt hem. Elke keer als Neo wil opstaan, wordt hij neergeslagen. Dan hoort hij de woorden van het Orakel: ‘Everything that has a beginning, has an end.’ Neo geeft de strijd op. Hij is verslagen. Smith grijnst en begint zijn slachtoffer in zichzelf te veranderen. Neo neemt de identiteit aan van zijn vijand.  De overwinning van de agent lijkt te zijn veiliggesteld. Dan gebeurt er opeens iets wonderlijks. Neo, die in een kloon van Smith is veranderd, begint te gloeien. De hele identiteit van de agent wordt in hem uitgewist. En de verandering spreidt zich uit tot alle klonen van Smith, die in hun identiteit met hem verbonden waren. Ze vallen allemaal uiteen. De regen houdt op. De oorlog is voorbij. The Matrix wordt hersteld. Neo was de beloofde redder, niet omdat hij zo krachtig was dat hij Smith kon verslaan, maar omdat hij zwak durfde zijn.

Paulus spreekt in de eerste Korinthebrief over het geheim van God. “Gods verborgen en geheime wijsheid, een wijsheid waarover God voor alle tijden besloten heeft dat wij door haar zouden delen in zijn luister” (1 Korintiers 2:1,7). In plaats van ‘geheim’ kun je hier volgens mij ook lezen: ‘het Verhaal van God’, het verhaal dat God vertelt en dat de basis is van het bestaan van deze wereld. Paulus stelt dit geheim tegenover de wijsheid van deze wereld en haar machthebbers “die ten onder zullen gaan.” Geen van de machthebbers van deze wereld heeft die wijsheid gekend; zouden ze haar wel gekend hebben, dan zouden ze de Heer die deelt in Gods luister niet hebben gekruisigd. (vers 6, 8). Het geheim van de wereld, het verhaal dat overal om ons heen verteld wordt, is dat van de machtsuitoefening. Het is het verhaal van de overwinning van de sterkste, de krantenjongen die zich door zijn eigen inspanning opwerkt tot miljonair, de popster die op basis van zijn talent (maar vooral marketing) een villa met veertig of vijftig kamers kan bekostigen, de bankdirecteur die veel geld kan verzamelen zolang zijn methodes maar niet aan het licht komen. Het is het verhaal van de menselijke inspanning - door het maken van wetten, het oprichten van instituten, het verzamelen van hulpbronnen. Dit is het verhaal waarbij de zieken en zwakken met de nek worden aangekeken, waarbij mensen die falen worden geminacht, waarbij de armen hun situatie aan zichzelf te wijten hebben, waar wie niet mooi is wordt achtergesteld. Het is het verhaal van de ‘macht van de rechterhand’, om een term uit de Lutherse theologie te gebruiken.

Maar het geheim van God, het verhaal van de werkelijkheid, is totaal anders. “Wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft god uitgekozen om de sterken te beschamen. Wat in de ogen van de wereld onbeduidend is, en wordt veracht, wat niets is, heeft god uitgekozen om wat wel iets is teniet te doen.” (1 Korintiers 1:27,28). God heeft de wijsheid van de wereld in dwaasheid veranderd (1:20). Wat is dan dit geheim van God dat zo anders is dan het geheim van de wereld? Wat is het verhaal dat God over onze wereld vertelt, van schepping tot voleinding? Het is een verhaal van zwakheid, van zelfbeperking, van meegeven in plaats van dwingen, van opoffering in plaats van verovering. Het is het verhaal van de ‘macht van de linkerhand’ - de macht die afziet van het privilege van de macht. “Power that looks for all the world like weakness,” aldus Robert Farrar Capon in Kindom, Grace, Judgment. “Intervention that seems indistinguishable from nonintervention. It is guaranteed to stop no determined evildoers whatsoever. It might, of course, touch and soften their hearts. But then again, it might not ... The only thing it does insure is that you will not - even after your chin has been bashed in - have made the mistake of closing any interpersonal doors from your side.
Deze ‘linkshandige macht’ ligt ten grondslag aan de werkelijkheid. Hij wordt dus al zichtbaar op het moment van de schepping. Het Bijbelse scheppingsverhaal verschilt namelijk van dat van de omliggende volken. Bij hen begint het verhaal met chaos, waaruit de goden ontstaan. Deze goden vechten en strijden, en daaruit ontstaan de mensen en dieren. En deze schepselen verhouden zich tot hun goden als een slaaf tot zijn meester. De goden zijn de sterksten, degenen die zich het eerst aan de chaos ontworstelden, en zij dienen dus gediend en geëerd te worden. Het bijbelse getuigenis begint daarentegen met God, die alles is. Maar deze God overheerst niet, dwingt niet en strijd niet. Hij wijkt terug, hij verwijdert zich als het ware van het toneel. “The first part of creation is God's withdrawal”, schrijft Richard Beck op zijn blog ‘Experimental Theology’, “A negative action of God to create space for creation. This "making room" for creation involves an act of self-limitation on God's part. After this negative space has been created the second, positive act of creation can occur. Here God speaks a positive word into the vacuum that was created through God's self-limitation. These two phases of creation are like breathing. First, a breathing in--passivity, vacuum, a pulling in. Followed by a breathing out--activity, creation, a moving out.”
God trekt zich terug. Hij kan niet anders, omdat hij niet in een relatie wil staan tot zijn schepping als machthebber, als slavenmeester, als tiran. Hij wil zijn schepping niet overheersen, hij wil haar liefhebben. Hij wil dat wij Hem liefhebben. En liefde valt niet af te dwingen. Daarom kiest hij ervoor ons vrij te laten. En we kunnen alleen maar vrij zijn, als Hij ervoor kiest niet zijn macht over ons uit te oefenen. Hij kiest er dus voor ons ruimte te geven, ook al leidt dat tot het risico dat wij tegen hem kiezen en hem en onszelf beschadigen. Nogmaals Richard Beck: “This is a very paradoxical space. We are "in God" but in a way marked by the absence of God. We exist in a space that God has evacuated. Because of God's self-limitation the space of creation is marked by god-forsakenness, the loss or lack of God. The practical implication of this is that God can only appear in creation--the space of God's self-limitation--as weakness.”

Het geheim van Gods zwakheid is al terug te vinden in onze sprookjesverhalen over de jongste zoon, de ‘underdog’, in het verhaal van de evolutie - waarbij het kleine, onbeduidende zoogdiertje de dinosaurussen overleeft, en een onbehaarde aap het brengt tot rentmeester over de wereld en in het verhaal van Israel, dat kleine kuddeke dat de wereld veranderde.
Maar Gods zwakheid wordt pas volledig openbaar in Jezus. Jezus Christus is namelijk het zichtbare, levende Verhaal van God - het onuitgesproken geheim dat nu in de volheid van de tijd eindelijk in het daglicht is getreden. Het Woord dat leven is, dat wij nu met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt (1 Johannes 1:1). Het spelletje verstoppertje is over, de goochelaar legt zijn truc uit.
Jezus is het Woord van God -dat bij God was, en dat God was- de Logos. Het scheppende woord, dat de hele schepping draagt, was zelf deel van deze schepping geworden. Het Koninkrijk van God, de werkelijkheid van Gods regering, was zichtbaar geworden in Jezus zelf. Hij kondigde aan: ‘Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij’ (Mt4:17). De profetieen over de nieuwe wereld, waarin lam en leeuw samen zouden weiden, waarin rund en beer samen in de stal zouden liggen, waarin zwaarden tot ploegen zouden worden gesmeed, was werkelijkheid geworden in zijn Persoon. Alles waarop de mensen al die tijd hadden gehoopt was nu uitgekomen. ‘Blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen … doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt.’ (Mt11:5). Het einde van de tijd was gekomen. Iedereen kon nu het koninkrijk binnengaan, van de hoogste tot de kleinste, van de armen, de treurenden tot de vervolgden (Mt5:3-10). Gods wil werd realiteit in mensenlevens en aardse verbanden ‘zoals in de hemel’ (Mt6:10). Simeon kon in vrede heengaan nadat hij Jezus had gezien, want, zei hij, ‘met eigen ogen heb ik de redding gezien die u bewerkt hebt’ (Lk2:30,31).
Derek Morphew zegt: “Terwijl de volle openbaring van het koninkrijk dat de profeten beschrijven pas bij de wederkomst van Christus zal plaatsvinden, is in Jezus dat koninkrijk in al zijn aspecten in deze huidige wereld doorgebroken. De beloften zijn vervuld .... God kwam in Jezus om zijn volk te redden en te troosten en zijn heerlijkheid te openbaren. De Koning kwam om recht te verschaffen, het verbond te herstellen en als Gods dienaar te helpen ... In een woord: Jezus is de eschatos, het einde van deze eeuw en de volle openbaring van de komende eeuw. Dit is van zijn kant de volle openbaring van God” (De Grote Doorbraak). In de persoon van Jezus was het Koninkrijk van God onder de mensen gekomen, het was realiteit geworden. Die twee zijn niet van elkaar te scheiden - Als Jezus in gelijkenissen spreekt over het Koninkrijk van God, spreekt hij over zichzelf. Hij is zelf het Verhaal dat hij vertelt.

Omdat dit bericht weer eens veel te lang dreigde te worden, heb ik het in tweeën gesplitst. In het volgende deel lees je wat de scène uit The Matrix die ik hierboven beschreef te maken heeft met de zwakheid van God.

dinsdag 18 oktober 2011

Boekbespreking: Patience with God (2): de Weg van de kerkvaders

Ik had geen spijt van mijn aanschaf van Disappointed with God, al had ik gehoopt dat de auteur, Frank Schaeffer, iets dieper op de theorie achter zijn ideeen was ingegaan. Hij is duidelijk een minder systematisch denker, en minder georganiseerd schrijver dan zijn vader. Hij probeert meer met citaten en herinneringen een sfeer op te roepen dan dat hij een overtuigend betoog houdt. Maar hij schrijft naar mijn mening wel beter dan de andere Schaeffer. Het is duidelijk dat hij ervaring heeft als romanschrijver. De autobiografische passages zijn sterk beeldend, en komen realistisch over.
In het eerste deel van het boek richt Schaeffer zijn blik op de de nieuwe atheïsten. Dawkins, Hitchens en Dennet worden geciteerd - en op een humoristisch kritische manier laat de schrijver zien waar deze nogal luidruchtige wetenschappers en filosofen zelf doen wat ze bekritiseren bij gelovigen, waar ze niet zien hoe ze de waarde van mensen totaal vernietigen en hoe ze stellig zijn waar hun uitspraken niet te onderbouwen zijn. Maar Schaeffer is minstens net zo scherp tegen de evangelische fundamentalisten. Megavoorganger Rick Warren krijgt er van langs en met hem de ‘celebrity’-cultuur uit de kerk, en de Laatste Bazuin-serie: boeken over de eindtijd, die duidelijk een afkeer van andersdenkenden en andersgelovigen illustreren. Bij beide groepen merkt Schaeffer op dat ze gebaseerd zijn op een volledige overtuiging van het eigen gelijk. Maar dat is een valse zekerheid.

In het tweede deel van het boek zoekt Schaeffer naar een weg die beiden overstijgt. Hij wijst erop dat er in de geschriften van de oude kerkvaders (die in de Oosters Orthodoxe kerk nog steeds worden bestudeerd) een andere vorm van christelijk geloof te vinden is dan de ‘wie het niet met ons eens is gaat naar de hel’-variant. Het is een theologie die in de westerse kerk, vooral van de protestantse en evangelische tak bijkans vergeten lijkt. Deze kerkvaders betoogden dat mensen God niet in beschrijvingen kunnen vangen. Dat wil zeggen: we kunnen niet van God uitspreken wat of hoe hij IS. Gods wezen is daarvoor nu eenmaal te groot. Wat we wel van God kunnen zeggen is wat en hoe hij NIET is. De term daarvoor is ‘apophatic theology’.
Het moge duidelijk zijn dat deze theologie het niet mogelijk maakt absolute zekerheid te claimen, maar meer een zoeken inhoudt naar de grenzen van de menselijke kennis. Deze theologie maakt het ook mogelijk de paradoxen te omarmen die ons bestaan als mensen kenmerken. “I think that atheism and fundamentalist religion as we know them will last barely a geological eye-blink”, schrijft Schaeffer. “Just a few hundred or a few thousand years more. Then we will begin to understand that we are spiritual beings AND animals; that the universe is impersonal AND love preceded it; that we believe AND we doubt; that a particle may be in one place AND in another place at the same time; and that love is a chemical reaction AND a revelation. Above all, I hope that we will someday understand that apophatic paradox is the blessed, creative and freeing nature of reality, not a ‘problem’.”
De paradox - een (schijnbaar) onmogelijke tegenstelling - is altijd al een kenmerk geweest van de christelijke leer. Zoals de Engelse auteur Michael Green ooit zei: ‘Paradox is an essential form of truth’. Ga maar na: God die zowel een eenheid is als een gemeenschap. Jezus die zowel God is als mens. De mens is niet alleen zowel geest als lichaam, maar ook zowel een heilige is als een zondaar. Het Koninkrijk van God is er, maar nog niet. In de kerkgeschiedenis zijn mensen die een van deze uitersten claimden en de andere kant van de paradox verwierpen, voor ketters uitgemaakt. Dat wil zeggen: de kerk stelt het ‘accepteren dat je iets niet kunt begrijpen’ boven een keuze voor ‘absolute zekerheid’. Dit biedt de ruimte om ook op andere gebieden (zoals die waarover Schaeffer schrijft) zowel het een als het ander te aanvaarden en niet te hoeven kiezen voor een enkel gezichtspunt. Onzekerheid hoort er in het christelijke geloof bij - al heet het dan officieel mysterie.

Volgens de kerkvaders die Schaeffer aanhaalt, is het christelijke leven dus niet een vaste positie van waaruit stellige uitspraken gedaan kunnen worden. Het is een reis, niet gebaseerd op een juiste kennis van de waarheid of het claimen van zekerheid, maar op liefde. Liefde is het dienen van de God die niet beschreven kan worden, omdat hij anders is dan wij. Want wat is liefde anders dan het toekennen van waarde en betekenis aan iets of iemand buiten jezelf? Wat is liefde anders dan je opofferen voor de ander, in plaats van hem of haar af te wijzen voor zijn of haar anders-zijn? Liefde is het omarmen van de paradox, het bijeenbrengen van tegenpolen. Liefde is bovendien niet iets theoretisch. Het is geen lijst met regels die je uit het hoofd kunt leren, of een waarheid waar je over kunt discussieren. Het is ook niet een fijn gevoel of een spirituele ervaring. Liefde is heel praktisch. Liefde wordt uitgeleefd in de rituelen van het dagelijkse bestaan. In het masseren van de voetjes van je vijf maanden oude kleindochter, in het uitzwaaien van je zoon als hij naar zijn werk gaat, in een blik naar de hemel als je aan je werk begint.
Schaeffer beschrijft het zo: “As the congregants in African American churches clap, sing or solemnly process or as new Rangers put on their hard-won tan berets for the first time at their graduation ceremony, or as mothers push a stroller through the park and wave to other mothers, we ARE liturgy. We ARE ‘faith and love drawing near’. We ARE all vowing to ‘fight on ... though I be the lone survivor’, along with those Rangers. We have love, as Maximos says, and love is God’s gift. We see this not with our eyes, but with inner eyes. It is revealed to us, not in a book, but through our experience.”
Het Grote Verhaal speelt zich af in ons dagelijkse leven, sterker nog: het Grote Verhaal IS ons dagelijkse leven. Het optrekken met andere mensen, het genieten van schoonheid, betrokkenheid bij de maatschappij: dat is geloven - geen mentale activiteit of een emotionele toestand. Schaeffer legt die verbinding in een aantal verhalen die hij vertelt over zijn jeugd, over het schoolhoofd dat een voorbeeld geeft van genade en acceptatie, en de metselaar in het kleine Zwitserse dorp die eenvoudig goed zijn werk deed, bij iedereen, en daarmee vanzelf Frank inspireerde hetzelfde te doen, zonder enige vorm van dwang.
Tegelijk is er de liturgie van de kerk. Die is niet gescheiden van het normale leven, alsof het twee verschillende werelden betreft (dat is wel hoe ik vaak de gemiddelde evangelische kerkdienst ervaar - vooral omdat het eenrichtingsverkeer is, denk ik). In de liturgie beleven gelovigen samen het Grote Verhaal - in de vorm van symbolen en rituelen. Net als bij het leven van alle dag gaat het niet om theorie of gevoel, maar om het uitleven van het Verhaal. Door het in de vorm van de liturgie samen mee te maken, wordt het Verhaal meer realiteit voor de gemeenteleden, en herkennen ze het eerder in hun leven in de wereld door de weeks. De liturgie, geestelijke vorming, gebed, liefdadigheid, het is allemaal deel van de weg die leidt naar het uiteindelijke doel van de Schepper, dat we zouden delen in zijn natuur, die niets anders is dan liefde. Niet voor niets werden de eerste christenen ‘volgers van de Weg’ genoemd.

Op sommige punten houd ik iets meer vast aan het traditionele christendom dan Frank Schaeffer. Hij gaat uit van de gedachte dat de mensheid zal evolueren naar een meer spiritueel hoogstaande vorm, die geen valse zekerheid meer zal claimen. Zo optimistisch ben ik dan weer niet - de mens zal volgens mij zonder ingrijpen van buitenaf niet van zijn religieuze neigingen afraken. Ik verwacht het daarom niet van de progressie van de mens, maar van God. Het is zijn Verhaal, niet het onze. Ik zeg nog altijd van harte ‘amen’ op de weergave van dat Verhaal in de Apostolische geloofsbelijdenis. Ik geloof dat alleen de opstanding van Jezus (niet figuurlijk, maar concreet in ruimte en tijd) werkelijke hoop geeft op verandering in mij persoonlijk en in de wereld. Als Jezus niet is opgestaan, hebben we niets om op te vertrouwen.
Desondanks zie ik overeenkomsten tussen mijn huidige beleving van het christelijke geloof en die van Schaeffer. Ik ben vooral gefascineerd door de verbinding die hij legt tussen zijn ‘hoopvolle onzekerheid’ en de uitspraken van sommige kerkvaders. Ikzelf ben me namelijk ook voorzichtig aan het oriënteren op de theologie van de Oosters Orthodoxe kerken. Het blijkt uit wat ik erover op internet lees, dat mijn gedachten over het leven als christen -zoals ik die onder andere verwoord op mijn blog- niet zo origineel zijn als ik wel eens denk: ik vind ze namelijk terug in wat ik lees over de Orthodoxe theologie. Deze tak van de kerk was alleen een paar duizend jaar eerder met het benadrukken van de drie-eenheid, de liefde van God, en redding als genezing en herstel in plaats van een juridische transactie. Gelukkig maar, want ik zou mezelf flink moeten wantrouwen als ik meende als eerste in de geschiedenis van de christenheid de waarheid te hebben gevonden.
Op de blog van Rachel Held Evans beantwoordde schrijfster Frederica Matthewes-Green onlangs meerdere vragen van lezers over de Orthodoxe kerk. Ze werd onder andere gevraagd om te beschrijven hoe mensen volgens de Orthodoxe kerk worden ‘gered’. Lees het onderstaande gedeelte dat ze gaf als antwoord op die vraag. Je zult zien dat deze visie heel anders is dan in westerse protestante of evangelische kerken wordt geleerd. Vooral de nadruk op het feit dat God liefde is en nooit die liefde voor de mensen heeft opgegeven, vind ik erg belangrijk. God vergaf ons al bij voorbaat uit zijn eigen natuur. Hij had daar geen genoegdoening voor nodig. Jezus’ dood en opstanding waren dus geen juridische transactie, maar Gods manier om de dood in ons en de wereld van binnenuit te verslaan en er leven uit voort te brengen. Zoals Jezus de dood overwon, zal uiteindelijk het Koninkrijk van God realiteit worden in het heelal, en zo zullen ook de dood en de gevolgen daarvan in ons niet het laatste woord hebben, maar zal er leven uit de dood voortkomen. We zullen veranderd worden, zodat we op God gaan lijken. Dat is ook wat ik van harte geloof.
“Instead of viewing salvation primarily as a matter of Christ paying his Father the debt for our sins (a view which doesn’t appear before the 11th century), Orthodox Christians hold the first-century view that sees the Father and Son united in a rescue operation, very much foreshadowed by the Exodus at the Red Sea. This time the enemy is not Pharaoh, but Death itself; “The reason the Son of God appeared was to destroy the works of the devil” (Hebrews), and free us from condemnation to eternal death. In the East, there never was a concern that the Father could not forgive us until the debt was paid. Instead, he forgives us freely, without payment, like the father in the parable of the Prodigal Son.
In this ancient view of salvation, Christ became human in order to go into the realm of death, where we were held captive. Once there he revealed his powers and broke down the gates of Hell.  The result is that death is now only a transition into eternal life.
Heaven and Hell (or Paradise and Hades) are not places; they are both experiences of the presence of God. In this life, God is veiled by the material world he created; in the next life, the veil is taken away and there is no separation. We will participate in God’s life, his “energies” in theological language, as distinct from his “essence” which is something beyond human capacity to know. His life or “energies” fill us, like the warmth and light of fire, the “energies” in turn of fire, which penetrate through a piece of iron in a furnace and make it hot and glowing. “Our God is a consuming fire,” and those who loved him in this life will find that fire to be warmth and light. Those who “loved darkness rather than light,” on the other hand, will find the inescapable light to be burning and misery.
These energies are God’s love. He really is love. Love is not an emotion but a living force, the life that upholds the universe. God does not have anger and does not punish, though it is right for us to recall in humility that that is what we deserve.  But those who hate and reject him will feel his love as pain. St. Isaac the Syrian (7th century) said that those who are scourged in hell are whipped with the cords of love. 
The experience of God, by which we assimilate his presence, begins in this life and continues into eternity. As St. Peter says, we are “partakers of the divine nature.” This is called theosis. “Theos” means God, and “-osis” means a process, so it is a process of being “God-ized.” The iron-in-furnace analogy fits well here. When Orthodox think of salvation, union with God is what they mean; and that Christ suffered and died in order to go into the realm of death to set us free, and enable us to choose and embrace it.


Over deze boodschap word ik enthousiast, terwijl ik vooral moe wordt van wat ik gewoonlijk op zondag hoor in de evangelische kerk. Daarom hoop ik binnen afzienbare tijd een keer een Orthodoxe kerkdienst te kunnen bezoeken. Zoals ik het nu zie zijn de Orthodoxe christenen als een ‘oudere broer’ die al een tijd langer op weg is in de richting die ik nu op wil gaan. Ik denk dat ik nog veel van hun ervaringen en wijsheid kan leren. Ik sluit zelfs niet uit dat ik me een keer zal aansluiten bij een Orthodoxe kerk. We zullen zien. Het leven als gelovige blijft ten slotte een reis.

P.S. De serie op mijn blog ‘Terug naar de basis’ beschrijft wat uitgebreider mijn zoektocht naar de kern van wat het inhoudt te geloven. In deel 5 staan voor de geinteresserden nog enkele citaten van Frank Schaeffer.

P.P.S. Nu we het toch over orthodoxie hebben: lees Orthodoxie van G.K. Chesterton voor een frisse, levenslustige manier van geloven.