Een interessante tak van de wetenschap is de cryptozoölogie, waarbij men probeert het bestaan te bewijzen van diersoorten die alleen van incidentele waarnemingen en volksverhalen bekend zijn. Darren Naish toont een foto die in Australië gemaakt is en een mysterieus wezen laat zien. Zijn conclusie? Deze foto is waarschijnlijk niet vervalst (wat vaak wel het geval lijkt te zijn) en toont een onbekend dier: een overlevende buidelwolf of -leeuw?
Op de een of andere manier vind ik dit soort illustraties altijd inspirerend: wat als de mens is verdwenen en de natuur neemt opnieuw de overhand. Net als met mos overgroeide ruines van middeleeuwse kastelen hebben deze beelden iets romantisch (N.B. de historische periode van de Romantiek bedoel ik natuurlijk).
Een zee-egel die hout eet (van de zogenoemde 'wood-falls' waarover ik eerder schreef.)
De reusachtige prehistorische 'terror birds' - vleesetende loopvogels - hadden een stevige snavel, die heel erg geschikt blijkt om prooi mee neer te steken.
Voor de romantici onder ons: geeky huwelijkskaarten.
Auch ... 'Boys will be girls' en 'Girls will be boys'.
Een wat andere blik op het commentaar bij de TV-serie Life. Wordt de natuur gekenmerkt door een bikkelharde strijd om te overleven, of is die visie een vorm van 'calvinistisch darwinisme'?
Meer fantasievolle buitenaardse wezens in de langere versie van Avatar.
Jos Strengholt vraagt zich af waarom bepaalde voorgangers beweren dat God altijd eerst mensen confronteert met de Wet en pas dan met het goede nieuws. Jezus en zijn discipelen beginnen namelijk gewoon met het goede nieuws. "Mensen die beseffen dat er iets mis is met hun leven en die de weg terug naar God willen vinden, hoeven niet eerst jarenlang onder zuchten en de zwaarte van de Wet gebukt te gaan. Jezus Christus biedt zichzelf aan als de Weg naar God, zonder omweg via de Wet. En als Jezus Christus in ons leven is gekomen, gaan we in zijn licht onze eigen duisternis goed zien."
Geinspireerd door een workshop op het Flevofestival schrijft blogger Eeuwigheid over de 'mindfullness'-rage. Volgens hem zit er een goede kant aan, maar is het niet hetzelfde als christelijke meditatie. "Uiteindelijk richt je je geest op het moment en dat geeft waarschijnlijk best rust, maar Jezus zegt dat een ieder die vermoeid en belast is bij Hem zelf mag komen zodat Hij rust zal geven. Het object van christelijke mediatie zal dus Christus moeten zijn. Oefeningen die zich richten op het nu in plaats van op Christus zijn daarmee niet direct occult, maar ik zou veel liever zien dat christenen hun leven verrijken met christelijke meditatie-oefeningen waar God zelf centraal staat." Dit is geen eenvoudige weg: "Bidden is een oefening. God laat Zich niet voor ons karretje spannen en wij hebben Hem niet bepaald in onze zak zitten. Gelukkig maar."
Posts tonen met het label gebed. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gebed. Alle posts tonen
zondag 22 augustus 2010
zondag 1 augustus 2010
Filmbespreking: Inception
Wat gebeurt er als je droomt? Waarom lijken dromen echt zolang je droomt, maar weet je wanneer je wakker bent dat je niet droomt? Waarom onthoud je de meeste dromen niet en waarom zijn andere zo overtuigend dat ze je jarenlang bijblijven? Waarom denk je dat een droom uren duurt terwijl het objectief maar om een paar minuten gaat? Waarom kun je soms bewust zijn dat je droomt en de droom beïnvloeden? Waarom kun je jezelf soms uit een enge droom laten wakker worden? Ben je jezelf als je droomt en ben je verantwoordelijk voor wat je droomt? Zomaar een paar vragen bij dit bijzondere fenomeen. Zijn dromen alleen maar een bijproduct van de slapende hersenen, en komen ze daarom ook voor bij honden, katten en andere zoogdieren? Of zijn dromen ongelimiteerde creativiteit en bron van nieuwe ideeën en moest volgens Asimov daarom de robot die droomde ter dood worden gebracht? Zijn menselijke dromen uniek of dromen robots van elektronische schapen? Zijn we als we dromen gevoeliger voor bovennatuurlijke invloeden, en spreekt God daarom vaak tot mensen in een droom? Hoe werkelijk is onze werkelijkheid, en waarom zegt de bijbel dat we moeten ‘ontwaken’?
Het schijnt dat er geen mensen zijn die niet dromen (hooguit mensen die zich niet herinneren dat ze dromen). Daarom spreekt een film als Inception bij veel mensen tot de verbeelding. Hij brengt namelijk aspecten in beeld van het dromen die we allemaal herkennen. Van de invloed van geluiden en sensaties uit de buitenwereld op de wereld van de droom (bijvoorbeeld als je naar het toilet moet), van het onbehagelijke gevoel dat wat je om je heen ziet niet echt is, van het feit dat je nooit het begin van een droom herinnert, tot de observatie dat je wakker wordt bij het gevoel te vallen, het voelt allemaal ‘echt’. In de wereld van Inception heeft het leger een manier ontwikkeld om de dromen van mensen te ‘hacken’ (om een computerterm te gebruiken). En natuurlijk wordt deze technologie al snel gebruikt voor niet helemaal legale toepassingen, namelijk om ideeën te stelen uit het onderbewuste van slapende zakenlieden. De dromendieven maken een droomwereld, waar ze hun doelwit in laten onderdompelen. Het slachtoffer vult de lege wereld met ‘projecties’ van zijn onderbewuste: mensen, dieren, personen die als het ware uitingen zijn van zijn persoonlijkheid. En als de droomwereld is voorzien van een kluis, plaatst de dromer daarin zijn geheim. Vervolgens is het aan de dromendieven om de kluis te kraken, zonder dat de ‘projecties’ van het doelwit hen in de gaten krijgen. Een van de betere dromendieven is Dom Cobb. De laatste tijd laat hij echter steken vallen. Zo mislukt bijvoorbeeld zijn laatste klus, een poging om informatie te winnen uit het onderbewuste van een Japanse zakenman. Hoewel zijn team probeert zijn sporen uit te wissen, weet de zakenman Cobb op te sporen. Hij heeft een voorstel voor hem, namelijk om dit keer niet een idee te stelen uit iemands onderbewuste, maar om een idee bij iemand in te brengen, geen ‘extraction’ dus, maar ‘inception’. In ruil daarvoor zou de Japanner ervoor kunnen zorgen dat Cobb terug kan naar de Verenigde Staten, en zijn zoon en dochter weer kan zien. De meeste van Cobbs collega’s denken dat ‘inception’ onmogelijk is. Maar Cobb heeft er al eerder ervaring mee opgedaan. Hij stelt dus een team samen en ontwerpt met hen een droom, binnen een droom, binnen een droom. Dan is het moment gekomen om het doelwit in slaap te brengen. Maar niet alleen blijkt deze erfgenaam van een energieconcern zijn onderbewuste te hebben getraind tegen inbraak, Cobb neemt ook iets mee naar binnen in de droomwereld, een herinnering die de hele missie in gevaar dreigt te brengen ...
Dit is makkelijk de beste film van deze zomer en waarschijnlijk van heel 2010. Eigenlijk alleen al vanwege het feit dat het geen vervolgfilm is, of een verfilming van een computerspel/stripboek/eerdere film. Eindelijk weer eens een film die een eigen verhaal vertelt. En niet zomaar een verhaal: een verhaal dat het beste haalt uit de regels die het zichzelf gesteld heeft, een verhaal dat zich afspeelt op meerdere niveau’s, maar tegelijk logisch samenhangt, een verhaal dat verrast door originele wendingen en opwindende vondsten, maar zonder dat je als kijker de draad kwijt raakt. De film is wat structuur betreft een misdaadfilm, het bekende verhaal van een crimineel die nog een laatste klus moet klaren (het genre van de Oceans 11-films bijvoorbeeld, of The Italian Job). In dit soort films is de gelikte uitvoering van de kraak de hoofdattractie, en niet het persoonlijke conflict van de hoofdpersoon, of de romantiek of de vraag naar de zin van het bestaan. Sommige recensenten beschrijven deze film dan ook als nogal kil, en de emoties van de hoofdpersonen als niet invoelbaar. Maar de film wil de kijker niet laten meevoelen met de hoofdpersoon, maar met de kraak. De gevoelens van de hoofdpersoon zijn belangrijk, maar vooral gezien de problemen die ze veroorzaken voor de te klaren klus. Het is, net als andere films in het genre, een film voor de hersenen, niet voor het hart. Maar ook op het gebied van emoties biedt hij voldoende om over na te denken. Ik meld hier ook het goede spel van Leonardo DiCaprio, die zijn conflict goed weet over te brengen, en van zijn mede-acteurs, de actiescenes die soms gebruik maken van droomlogica of lijken op een James Bond-film, de evocatieve scenes zoals een overhellende stad en instortende wolkenkrabbers, en het passend dubbelzinnige einde. Dit is een film om over na te praten en nog een keer te kijken.
Ik ga het in deze bespreking niet hebben over de morele vraag naar het binnendringen in andermans dromen, hoewel daar in deze film interessante aspecten aan zitten. Wat ik veel interessanter vindt, zijn de parallellen tussen deze film en de ‘genezing van beschadigde herinneringen’ uit de pastorale zorg. Het is mijn ervaring, en waarschijnlijk ook die van anderen, dat we soms met ons verstand weten dat iets waar is, maar dat we toch niet naar deze waarheid kunnen anderen. We weten dat mensen het goede met ons voor hebben, maar toch blijven we wantrouwig. We geloven op grond van de bijbel dat God onvoorwaardelijk van ons houdt, maar we blijven bang voor Hem en we blijven onszelf regels opleggen. Er is een kloof tussen ons hoofd en ons hart. Onze rationele overtuigingen bevinden zich aan de oppervlakte, in de wereld van kennis, woorden en logica, maar ons gedrag komt voort uit de diepte, uit de wereld van emoties, herinneringen, en pijn. Wat deze film laat zien is dat ideeën zich soms kunnen gedragen als parasieten, als virussen. We hebben in het verleden bijvoorbeeld iets onaangenaams ervaren: we werden verraden door onze klasgenoten toen anderen ons pestten, onze moeder werd boos op ons hoewel we het niet verdiend hadden, onze vader was afwezig of negeerde ons. Deze gebeurtenissen leidden ertoe dat we een beslissing namen. We besloten bijvoorbeeld dat we ons nooit meer kwetsbaar zouden opstellen, dat we perfect moesten zijn voor we geliefd konden zijn, dat we bang moeten zijn voor mensen in gezagsposities of dat we nooit werkelijk belangrijk zouden worden gevonden. Deze foutieve, leugenachtige ‘overeenkomst met onszelf’ nestelt zich in ons hart, en heeft van daaruit invloed op onze woorden, onze relaties, onze carrières enzovoorts, meestal zonder dat we het ons bewust zijn. Ze belemmeren ons dagelijks in ons functioneren. Daarom hebben we het nodig dat we deze ‘overeenkomst met onszelf’ verbreken, en dat het foutieve idee (dat we niet meer kwetsbaar kunnen zijn, dat we perfect moeten zijn, dat mensen in gezagsposities niet te vertrouwen zijn) wordt vervangen door de waarheid. We zijn namelijk het meest vrij, het meest onszelf, als we handelen op basis van de waarheid, in plaats van de leugen.
Maar de ideeën in ons hart zijn niet zo makkelijk te veranderen. Onze ratio blijft namelijk aan de oppervlakte en is nooit krachtig genoeg om boven de schreeuw van onze ervaringen uit te komen. Ook woorden van anderen kunnen ons niet overtuigen. Waarop zijn hun ideeën namelijk gebaseerd? In deze film wordt gesteld dat we het altijd weten als een idee van iemand anders vandaan komt, en dat een nieuw idee pas wortel schiet als we weten dat het uit onszelf voortkomt. Als iemand op mijn werk tegen me zegt dat ik meer in mijn mars heb dan ik denk en dat ik niet zo negatief over mezelf moet zijn, verandert dat niets in mij, omdat die woorden van buiten mij komen. Ik verander pas als ik zelf ten diepste overtuigd raak van het feit dat ik meer in mijn mars heb dan ik denk. Iemand kan nog zo vaak zeggen dat ik waardevol ben, ik ga het pas geloven als ik zelf weet dat ik waardevol ben. Maar dit komt dus niet voort uit een verandering van ons denken, of een toename van onze kennis, of uit de bemoedigende woorden van anderen. Zelfs positieve ervaringen zijn vaak niet voldoende om de pijn uit het verleden ongedaan te maken. Wat we nodig hebben is eigenlijk een verandering van die ervaring uit het verleden zelf, of ten minste een manier om daar op een andere manier naar te kijken. In de film bieden de droominbrekers hun doelwit zo’n andere blik op een pijnlijke ervaring in het verleden. Het biedt een mooi beeld van wat volgens mij God voor ons wil doen. Anders dan wij is God namelijk niet aan de tijd gebonden. Dat wil zeggen dat God niet alleen aanwezig was bij de ervaring in het verleden die ons beschadigde, zoals Hij nu bij ons aanwezig is, maar: dat Hij op dit moment net zo aanwezig is in het verleden als Hij nu bij ons aanwezig is. Voor God is het moment waarop wij de schadelijke overeenkomst met onszelf sloten geen verleden, maar heden. Voor ons is het moment gesloten, ontoegankelijk, verleden tijd, maar voor God is het open, toegankelijk. En als wij onszelf voor God openstellen, en ook ons hart (anders gezegd: onze beelden-wereld, de wereld van onze ervaringen en ideeën, onze droomwereld) voor hem openleggen, kan Hij ons een nieuw beeld geven op de pijnlijke, beschadigende herinnering. Hij kan ons dezelfde ervaring laten zien of herbeleven, maar dan vanuit Zijn perspectief. We kunnen zien dat Hij op dat moment WEL van ons hield, dat Hij pijn leed met onze pijn, dat Hij boos is op degenen die ons beschadigden en dat Hij juist WEL het goede met ons voorhad. Dat zijn troostende armen op dat moment om ons heen waren, ook al voelden we dat niet. We kunnen onze interpretatie vanuit ons menselijke gezichtspunt (die beperkt was en dus niet de volle waarheid in rekenschap nam) verruilen voor het gezichtspunt van God: de waarheid over de gebeurtenis, de dader en onszelf. We kunnen er zo voor kiezen God, de ander en onszelf te vergeven en lief te hebben. Zo zal ons denken daadwerkelijk veranderen. De nieuwe gedachte, bijvoorbeeld dat we waardevol zijn, wordt onze eigen gedachte, onze eigen waarheid. En zo zal ook ons leven nu niet meer worden gevoed door het schadelijke ideeënvirus, maar door de werkelijkheid.
Maar als we een ervaring hebben met God, als we naar onszelf kijken door zijn ogen, als we voelen dat Hij ons omarmt in onze eenzaamheid, als we van Hem horen dat hij van ons houdt, hoe weten we dat we niet onszelf voor de gek houden? Hoe weten we dat dit wel een basis is om positief over onszelf te denken? Hoe kunnen we erop vertrouwen dat we nu de waarheid kennen? Kort gezegd: dat kunnen we niet. Het punt is nu juist dat we ons hier buiten het gebied van de ratio hebben begeven. We kunnen ons blijven vastklampen aan de pijn uit het verleden, of we kunnen vertrouwen op God die ‘heden en gisteren dezelfde is, en tot in eeuwigheid’. We moeten een sprong nemen in geloof. Kiezen om het perspectief van God aan te nemen als het ware, en onze zekerheid in onze eigen interpretatie los te laten. Ook dit wordt in deze film op een prachtige wijze in beeld gebracht. Alleen al daarom is dit een film om vaker te zien.
Het schijnt dat er geen mensen zijn die niet dromen (hooguit mensen die zich niet herinneren dat ze dromen). Daarom spreekt een film als Inception bij veel mensen tot de verbeelding. Hij brengt namelijk aspecten in beeld van het dromen die we allemaal herkennen. Van de invloed van geluiden en sensaties uit de buitenwereld op de wereld van de droom (bijvoorbeeld als je naar het toilet moet), van het onbehagelijke gevoel dat wat je om je heen ziet niet echt is, van het feit dat je nooit het begin van een droom herinnert, tot de observatie dat je wakker wordt bij het gevoel te vallen, het voelt allemaal ‘echt’. In de wereld van Inception heeft het leger een manier ontwikkeld om de dromen van mensen te ‘hacken’ (om een computerterm te gebruiken). En natuurlijk wordt deze technologie al snel gebruikt voor niet helemaal legale toepassingen, namelijk om ideeën te stelen uit het onderbewuste van slapende zakenlieden. De dromendieven maken een droomwereld, waar ze hun doelwit in laten onderdompelen. Het slachtoffer vult de lege wereld met ‘projecties’ van zijn onderbewuste: mensen, dieren, personen die als het ware uitingen zijn van zijn persoonlijkheid. En als de droomwereld is voorzien van een kluis, plaatst de dromer daarin zijn geheim. Vervolgens is het aan de dromendieven om de kluis te kraken, zonder dat de ‘projecties’ van het doelwit hen in de gaten krijgen. Een van de betere dromendieven is Dom Cobb. De laatste tijd laat hij echter steken vallen. Zo mislukt bijvoorbeeld zijn laatste klus, een poging om informatie te winnen uit het onderbewuste van een Japanse zakenman. Hoewel zijn team probeert zijn sporen uit te wissen, weet de zakenman Cobb op te sporen. Hij heeft een voorstel voor hem, namelijk om dit keer niet een idee te stelen uit iemands onderbewuste, maar om een idee bij iemand in te brengen, geen ‘extraction’ dus, maar ‘inception’. In ruil daarvoor zou de Japanner ervoor kunnen zorgen dat Cobb terug kan naar de Verenigde Staten, en zijn zoon en dochter weer kan zien. De meeste van Cobbs collega’s denken dat ‘inception’ onmogelijk is. Maar Cobb heeft er al eerder ervaring mee opgedaan. Hij stelt dus een team samen en ontwerpt met hen een droom, binnen een droom, binnen een droom. Dan is het moment gekomen om het doelwit in slaap te brengen. Maar niet alleen blijkt deze erfgenaam van een energieconcern zijn onderbewuste te hebben getraind tegen inbraak, Cobb neemt ook iets mee naar binnen in de droomwereld, een herinnering die de hele missie in gevaar dreigt te brengen ...
Dit is makkelijk de beste film van deze zomer en waarschijnlijk van heel 2010. Eigenlijk alleen al vanwege het feit dat het geen vervolgfilm is, of een verfilming van een computerspel/stripboek/eerdere film. Eindelijk weer eens een film die een eigen verhaal vertelt. En niet zomaar een verhaal: een verhaal dat het beste haalt uit de regels die het zichzelf gesteld heeft, een verhaal dat zich afspeelt op meerdere niveau’s, maar tegelijk logisch samenhangt, een verhaal dat verrast door originele wendingen en opwindende vondsten, maar zonder dat je als kijker de draad kwijt raakt. De film is wat structuur betreft een misdaadfilm, het bekende verhaal van een crimineel die nog een laatste klus moet klaren (het genre van de Oceans 11-films bijvoorbeeld, of The Italian Job). In dit soort films is de gelikte uitvoering van de kraak de hoofdattractie, en niet het persoonlijke conflict van de hoofdpersoon, of de romantiek of de vraag naar de zin van het bestaan. Sommige recensenten beschrijven deze film dan ook als nogal kil, en de emoties van de hoofdpersonen als niet invoelbaar. Maar de film wil de kijker niet laten meevoelen met de hoofdpersoon, maar met de kraak. De gevoelens van de hoofdpersoon zijn belangrijk, maar vooral gezien de problemen die ze veroorzaken voor de te klaren klus. Het is, net als andere films in het genre, een film voor de hersenen, niet voor het hart. Maar ook op het gebied van emoties biedt hij voldoende om over na te denken. Ik meld hier ook het goede spel van Leonardo DiCaprio, die zijn conflict goed weet over te brengen, en van zijn mede-acteurs, de actiescenes die soms gebruik maken van droomlogica of lijken op een James Bond-film, de evocatieve scenes zoals een overhellende stad en instortende wolkenkrabbers, en het passend dubbelzinnige einde. Dit is een film om over na te praten en nog een keer te kijken.
Ik ga het in deze bespreking niet hebben over de morele vraag naar het binnendringen in andermans dromen, hoewel daar in deze film interessante aspecten aan zitten. Wat ik veel interessanter vindt, zijn de parallellen tussen deze film en de ‘genezing van beschadigde herinneringen’ uit de pastorale zorg. Het is mijn ervaring, en waarschijnlijk ook die van anderen, dat we soms met ons verstand weten dat iets waar is, maar dat we toch niet naar deze waarheid kunnen anderen. We weten dat mensen het goede met ons voor hebben, maar toch blijven we wantrouwig. We geloven op grond van de bijbel dat God onvoorwaardelijk van ons houdt, maar we blijven bang voor Hem en we blijven onszelf regels opleggen. Er is een kloof tussen ons hoofd en ons hart. Onze rationele overtuigingen bevinden zich aan de oppervlakte, in de wereld van kennis, woorden en logica, maar ons gedrag komt voort uit de diepte, uit de wereld van emoties, herinneringen, en pijn. Wat deze film laat zien is dat ideeën zich soms kunnen gedragen als parasieten, als virussen. We hebben in het verleden bijvoorbeeld iets onaangenaams ervaren: we werden verraden door onze klasgenoten toen anderen ons pestten, onze moeder werd boos op ons hoewel we het niet verdiend hadden, onze vader was afwezig of negeerde ons. Deze gebeurtenissen leidden ertoe dat we een beslissing namen. We besloten bijvoorbeeld dat we ons nooit meer kwetsbaar zouden opstellen, dat we perfect moesten zijn voor we geliefd konden zijn, dat we bang moeten zijn voor mensen in gezagsposities of dat we nooit werkelijk belangrijk zouden worden gevonden. Deze foutieve, leugenachtige ‘overeenkomst met onszelf’ nestelt zich in ons hart, en heeft van daaruit invloed op onze woorden, onze relaties, onze carrières enzovoorts, meestal zonder dat we het ons bewust zijn. Ze belemmeren ons dagelijks in ons functioneren. Daarom hebben we het nodig dat we deze ‘overeenkomst met onszelf’ verbreken, en dat het foutieve idee (dat we niet meer kwetsbaar kunnen zijn, dat we perfect moeten zijn, dat mensen in gezagsposities niet te vertrouwen zijn) wordt vervangen door de waarheid. We zijn namelijk het meest vrij, het meest onszelf, als we handelen op basis van de waarheid, in plaats van de leugen.
Maar de ideeën in ons hart zijn niet zo makkelijk te veranderen. Onze ratio blijft namelijk aan de oppervlakte en is nooit krachtig genoeg om boven de schreeuw van onze ervaringen uit te komen. Ook woorden van anderen kunnen ons niet overtuigen. Waarop zijn hun ideeën namelijk gebaseerd? In deze film wordt gesteld dat we het altijd weten als een idee van iemand anders vandaan komt, en dat een nieuw idee pas wortel schiet als we weten dat het uit onszelf voortkomt. Als iemand op mijn werk tegen me zegt dat ik meer in mijn mars heb dan ik denk en dat ik niet zo negatief over mezelf moet zijn, verandert dat niets in mij, omdat die woorden van buiten mij komen. Ik verander pas als ik zelf ten diepste overtuigd raak van het feit dat ik meer in mijn mars heb dan ik denk. Iemand kan nog zo vaak zeggen dat ik waardevol ben, ik ga het pas geloven als ik zelf weet dat ik waardevol ben. Maar dit komt dus niet voort uit een verandering van ons denken, of een toename van onze kennis, of uit de bemoedigende woorden van anderen. Zelfs positieve ervaringen zijn vaak niet voldoende om de pijn uit het verleden ongedaan te maken. Wat we nodig hebben is eigenlijk een verandering van die ervaring uit het verleden zelf, of ten minste een manier om daar op een andere manier naar te kijken. In de film bieden de droominbrekers hun doelwit zo’n andere blik op een pijnlijke ervaring in het verleden. Het biedt een mooi beeld van wat volgens mij God voor ons wil doen. Anders dan wij is God namelijk niet aan de tijd gebonden. Dat wil zeggen dat God niet alleen aanwezig was bij de ervaring in het verleden die ons beschadigde, zoals Hij nu bij ons aanwezig is, maar: dat Hij op dit moment net zo aanwezig is in het verleden als Hij nu bij ons aanwezig is. Voor God is het moment waarop wij de schadelijke overeenkomst met onszelf sloten geen verleden, maar heden. Voor ons is het moment gesloten, ontoegankelijk, verleden tijd, maar voor God is het open, toegankelijk. En als wij onszelf voor God openstellen, en ook ons hart (anders gezegd: onze beelden-wereld, de wereld van onze ervaringen en ideeën, onze droomwereld) voor hem openleggen, kan Hij ons een nieuw beeld geven op de pijnlijke, beschadigende herinnering. Hij kan ons dezelfde ervaring laten zien of herbeleven, maar dan vanuit Zijn perspectief. We kunnen zien dat Hij op dat moment WEL van ons hield, dat Hij pijn leed met onze pijn, dat Hij boos is op degenen die ons beschadigden en dat Hij juist WEL het goede met ons voorhad. Dat zijn troostende armen op dat moment om ons heen waren, ook al voelden we dat niet. We kunnen onze interpretatie vanuit ons menselijke gezichtspunt (die beperkt was en dus niet de volle waarheid in rekenschap nam) verruilen voor het gezichtspunt van God: de waarheid over de gebeurtenis, de dader en onszelf. We kunnen er zo voor kiezen God, de ander en onszelf te vergeven en lief te hebben. Zo zal ons denken daadwerkelijk veranderen. De nieuwe gedachte, bijvoorbeeld dat we waardevol zijn, wordt onze eigen gedachte, onze eigen waarheid. En zo zal ook ons leven nu niet meer worden gevoed door het schadelijke ideeënvirus, maar door de werkelijkheid.
Maar als we een ervaring hebben met God, als we naar onszelf kijken door zijn ogen, als we voelen dat Hij ons omarmt in onze eenzaamheid, als we van Hem horen dat hij van ons houdt, hoe weten we dat we niet onszelf voor de gek houden? Hoe weten we dat dit wel een basis is om positief over onszelf te denken? Hoe kunnen we erop vertrouwen dat we nu de waarheid kennen? Kort gezegd: dat kunnen we niet. Het punt is nu juist dat we ons hier buiten het gebied van de ratio hebben begeven. We kunnen ons blijven vastklampen aan de pijn uit het verleden, of we kunnen vertrouwen op God die ‘heden en gisteren dezelfde is, en tot in eeuwigheid’. We moeten een sprong nemen in geloof. Kiezen om het perspectief van God aan te nemen als het ware, en onze zekerheid in onze eigen interpretatie los te laten. Ook dit wordt in deze film op een prachtige wijze in beeld gebracht. Alleen al daarom is dit een film om vaker te zien.
Labels:
films,
gebed,
genezing,
verbeelding,
waarheid
woensdag 3 maart 2010
Bidden: van moeten naar willen
De afgelopen dagen deed mijn internet het thuis niet. Dus kon ik ook geen lange berichten schrijven, of de boeken bespreken die ik juist had uitgelezen. Nou had ik in het weekeinde expres al extra veel geblogd, omdat ik al bang was dat ik er deze week niet aan toe zou komen. En om de continuïteit er een beetje in te houden zal ik vandaag en morgen ook twee berichten plaatsen. Want komend weekeinde wordt weer behoorlijk druk. En ik wil mijn trouwe lezers natuurlijk wel behouden ...
Wat ik nu ga schrijven had ik eigenlijk zondag willen schrijven. Maar misschien is het maar goed ook dat ik het niet zondag heb geschreven, want nu heb ik er een paar dagen over kunnen nadenken en reageer ik niet meer zo sterk vanuit frustratie. Die neiging had ik wel een heel klein beetje namelijk.
De preek in de kerk afgelopen zondag ging namelijk over het gebed. Nu vond ik dat de spreker het heel goed deed. Hij sprak rustig, niet veroordelend, juist inspirerend. Met een aangrijpend persoonlijk verhaal er in. Ik geloof ook niet dat hij zijn boodschap op de een of andere manier dwingend of wettisch bedoelde. Toch sluipt dat er bij een onderwerp als 'gebed' er makkelijk in. Ikzelf voel me al snel veroordeeld, omdat ik te weinig bid, of voor de verkeerde dingen, of op de verkeerde manier.
Dit onderwerp ligt bij mij nogal gevoelig. Als je mijn persoonlijke verhaal kent, zul je het waarschijnlijk wel een beetje gaan begrijpen. Ergens in mijn tienerjaren pikte ik namelijk de boodschap op dat gebed voor een christen heel belangrijk was. Mensen legden de nadruk op het houden van stille tijd, en dat je dat elke dag moest houden. Bidden was een plicht. Dus (ik heb het vaker verteld, mensen die mij kennen kunnen gerust naar de volgende paragraaf verdergaan) nam ik mij voor om elke dag te bidden: een half uur aan het begin van de avond. Gevolgd door bijbelstudie. (Ik las in die tijd ook vijf hoofdstukken uit de bijbel elke dag, zodat ik elke negen maanden de bijbel uit had, en leerde een deel van die tijd bijbelteksten uit mijn hoofd. Heb ik nog profijt van). Tijdens dat gebed (op mijn knieën, want dat was volgens mijn opvoeding de enige echt juiste houding) volgde ik een vast schema, met de onderdelen waarvan ik had geleerd dat ze belangrijk waren: God aanbidden. Hem danken voor het werk van Jezus aan het kruis. Bidden voor mensen dichtbij. Bidden voor mensen veraf. Zorgen dat ik steeds de juiste dingen zeg. Ik voelde er eigenlijk weinig bij, had vaak niet het idee dat ik echt in contact met God stond, maar goed, ik deed het toch maar. Toen werd ik overspannen, en vervolgens heb ik drie jaar lang niet gebeden. Want het was een plicht geweest, en elke keer als ik op mijn knieën wilde zitten kwam het plicht- en schuldgevoel als een golf opzetten en viel ik terug in dat diepe gat.
Gelukkig is er in de jaren daarna wel wat veranderd. Meer dan drie jaar na mijn overspannenheid had ik een gesprek met iemand van mijn studentenvereniging, die me ervan overtuigde dat het goed was om in contact te staan met God. Ik weet niet waarom, maar op de een of andere manier besloot ik de volgende dag om gewoon met God te praten terwijl ik naar mijn werk liep. En al die eerste dag, toen ik tijdens het wandelen (twintig minuten naar het station in Leiden toen nog) in mijn gedachten tegen God begon te praten, gebeurde er iets dat ik niet eerder had meegemaakt. Ik had een ervaring van de aanwezigheid van God. Hij praatte terug. Ik werd doordrongen van zijn aanwezigheid, en in mijn gedachten kwam heel sterk het verhaal op van de verloren zoon, en belangrijker nog: de onvoorwaardelijke liefde van de Vader. Ik wist op dat moment met meer zekerheid dat ik ooit had geweten dat God van me hield en dat niets dat kon veranderen. Ook niet of ik wel bad en hoe vaak ik dat dan wel niet deed. Ik was vanaf dat moment een veranderd mens.
De jaren daarna heb ik veel met God gepraat tijdens het wandelen. Veel bij het lopen naar mijn werk, soms bij een wandeling in de lunchpauze. Een tijd (toen ik niet meer zo veel hoefde lopen door de week) tijdens wandelingen in het weekeinde. Vaak werd een goede gewoonte toch weer een kwestie van plicht. De laatste twee jaar heb ik geen vast ritme van gebed. Ik heb geen vaste tijden waarop ik op mijn knieën zak. Ik heb geen vaste wandelingen waarop ik met God praat. Ik heb geen afspraken met mezelf. Als ik met andere gelovigen praat, schaam ik me er soms wel voor. Ik heb kennelijk nog steeds snel het idee dat ik niet genoeg doe. Maar ik ken mijn zwakke plek. Voor mij wordt het heel snel iets dat ik moet. En dat is het nou juist niet.
En daar komen we op de preek van afgelopen zondag. De spreker gebruikte een beeld dat vaak wordt gebruikt voor het gebed. Namelijk: dat wij als we bidden binnenkomen in de hemel. Er is een onzichtbare werkelijkheid, zei de spreker, de wereld van God. En als wij bidden, gaan we daar naar binnen. Dan komen we voor Gods troon. Het klinkt in eerste instantie heel bijbels. En dat is het ook. De spreker citeerde Hebreeën 10:19: "Dankzij het bloed van Jezus kunnen we zonder schroom binnengaan in het heiligdom ... door het voorhangsel heen." Het idee dat wij hebben bij het gebed is gebaseerd op dat van de tempel uit het oude testament. De tempel was de plaats waar de gelovigen uit die tijd heen moesten gaan om God te ontmoeten. Maar God ontmoeten was niet makkelijk. Eerst moest je door de verschillende voorhoven. Daarbij vielen de vreemdelingen en de vrouwen al af. Dan in de tempel zelf moest je je wassen en allerlei reinigingsrituelen volbrengen voor je als priester het gebouw in mocht. En in het 'heilige der heiligen' -waar God aanwezig was- daar mocht alleen de hogepriester komen, een keer per jaar, en na het voltooien van nauwgezet beschreven handelingen. Nee, tot God naderen was geen makkie.
Een ander, verwant beeld dat we hebben bij bidden is dat van een troonzaal van een koning. Om bij een koning te komen, is ook niet makkelijk. Je moet aan allerlei regels voldoen. Je moet volgens een vast protocol buigen en spreken. Je blijft op afstand. Het is niet makkelijk de koning te spreken te krijgen en eigenlijk ben je opgelucht als je weer naar buiten mag en je weer mag gedragen zoals je bent. Dat je weer je hart mag luchten zonder op je woorden te letten.
Beide beelden gaan ervan uit dat bidden de activiteit is waarmee wij tot God naderen, waarmee wij de hemelse tempel of troonzaal binnengaan. Daarmee is het iets dat wij doen. Zelfs als het bijbelvers zegt dat Jezus de deur voor ons heeft geopend, het voorhangsel heeft gescheurd, de weg heeft gebaand, blijft het feit bestaan dat wij de trap moeten opklimmen, door het voorhof heen moeten lopen, de gouden troonzaal moeten binnengaan. Wij moeten ervoor zorgen dat we die onzichtbare werereld binnentreden. Iets anders gezegd: het idee blijft dat gebed een inspanning is die wij moeten verrichten om in de aanwezigheid van God te komen. Wij moeten de juiste handelingen uitvoeren voor Gods realiteit werkelijkheid voor ons wordt.
En op die manier blijft het een plicht, een inspanning.
Ik geloof echter niet dat het is hoe God wil dat wij denken over gebed. Ik geloof dat er een heel verkeerd idee over de werkelijkheid van God aan ten grondslag ligt. Ik denk namelijk niet dat er sprake is van een onzichtbare werkelijkheid die gescheiden is van onze zichtbare werkelijkheid, maar die we kunnen 'binnentreden' als we het ritueel van het bidden uitvoeren. Ik geloof niet dat God in een troonzaal zit, boven zijn schepping, wachtend tot er mensen op audiëntie komen. God is niet alleen aanwezig in de (figuurlijke) tempel (zoals de goden van de Grieken en Egyptenaren), waar wij hem (hoe open de weg ook is) moeten opzoeken.
Nee, Jezus heeft niet alleen het voorhangsel weggenomen van de tempel en de deur opengezet van de troonzaal. Hij heeft ons al in de aanwezigheid van God gebracht. Dat is een voldongen feit. Jezus zelf werd genoemd 'immanuel', dat is 'God met ons' (zie de kerstliedjes daarover). In de persoon van Jezus kwam de drie-enige God zelf zijn troonzaal uit, de hemelse werkelijkheid uit, om deel uit te maken van zijn schepping, om als het ware zijn handen vuil te laten worden. Hij leefde onder ons. Hij wachtte niet tot wij hem zouden opzoeken, tot wij op audientie zouden komen, of tot wij onze rituelen zouden hebben uitgevoerd. Hij nam zelf het initiatief om de relatie met ons aan te gaan. Niet wij hebben God uitgekozen. Hij heeft ons uitgekozen. De enige reden waarom wij God liefhebben, is omdat Hij ons heeft liefgehad. (Dit zijn verwijzingen naar bijbelverzen). Wij hoeven dus niet meer naar God op te klimmen. Hij daalde (en daalt nog steeds elke keer) naar ons af. Hij strekt zich naar ons uit, waar we ook zijn, wat we ook hebben gedaan, hoe we ons ook voelen. Hij is bij ons, omdat hij het wil. Hij is er.
En andersom geldt dat Jezus ons door zijn dood en opstanding al in de hemelse werkelijkheid heeft gebracht. Hij heeft ons meegenomen. Hij identificeerde zich met ons in onze zonde en dood, de gevolgen van onze scheiding van God, zodat wij met Hem geïdentificeerd zouden zijn in zijn opstanding, zijn leven, zijn bestaan in Gods wereld. De bijbel gebruikt er verschillende woorden voor. Wij zijn uit de duisternis overgebracht in het koninkrijk van de zoon van Gods liefde. We zijn zijn kinderen en erfgenamen. We zijn gemaakt tot een koninkrijk van priesters. Ons lichaam is met Christus verborgen in God. We zijn met Jezus gezeten aan de rechterhand van God. We zijn het lichaam van Christus. We zijn de tempel van de Heilige Geest. Ga zo maar door.
Dat wil zeggen: elk moment van de dag, hoe we ons ook voelen, waar we ook zijn, wat we ook hebben gedaan, niet alleen is God bij ons, wij zijn ook al bij God. We zijn al in zijn tegenwoordigheid, we zijn al in de hemelse gewesten, we zijn al in zijn troonzaal. We zijn al in de tempel. Dat is volgens mij wat de tekst uit Hebreeën eigenlijk wil zeggen. Er staat namelijk ook dat 'Jezus voor ons met zijn lichaam een weg nar een nieuw leven gebaand heeft, door het voorhangsel heen'. Nogmaals: een nieuw leven! Dat wil zeggen: een leven IN het heiligdom. We staan niet meer buiten, op het voorhof. We hoeven niet meer te naderen. We ZIJN al waar we zo graag willen zijn. Het is al realiteit.
Ik moest hier laatst aan denken vanwege een tekst die een vriendin van me op een verjaardagskaart had gezet. Psalm 52:10: 'Maar ik ben als een groene olijfboom in het huis van God, ik vertrouw op de liefde van God, voor eeuwig en altijd'. Het drong opeens tot me door dat dit wel een heel ander beeld is van het christelijke leven. Ik hoef niet God deel te maken van mijn leven, tijd voor hem vrij te maken, me in te spannen om hem een plekje te geven. God is niet de olijfboom in mijn huis. Nee, ik ben opgenomen in Hem. Ik heb een plek in zijn realiteit, in zijn huis. En dat maakt een groot verschil.
Ik kwam de gedachte voor het eerst tegen bij Bruxy Cavey in The End of Religion (goed boek overigens), dat de geestelijke oefeningen (bidden) er niet toe dienen om iets te bereiken of tot stand te brengen, maar om iets te ervaren wat al waar is. 'Onze verbinding met het goddelijke is al aanwezig voor wat het God aangaat', zegt hij. 'Het enige dat wij hoeven doen is haar te verwelkomen.' Dat geeft een heel andere draai aan het gebed. Als ik het zo zie, is het niet iets dat ik moet. Niet een activiteit die ik moet verrichten om bij God te komen. Niet een plicht. Nee, het is het accepteren van de realiteit van mijn relatie met God. Ik moet het niet, ik mag. Ik mag me openstellen voor dat wat ten diepste al waar is: ik ben al in de troonzaal, en God is al heel dicht bij mij, zijn aandacht is al geheel op mij gericht. Dus stel ik me voor God open, soms als ik naar de trein loop. Soms door de dag heen. Soms 's avonds op de bank, met mijn aantekenschrift en een potlood. Soms in gesprek met anderen. Er zijn veel manieren waarop ik die verbinding ervaar. Doe ik het zo vaak als ik eigenlijk zou willen? Nee. Heb ik nog steeds een ideaalbeeld dat ik niet haal? Ja. Maar zelfs dat geeft niet. Ik geloof dat mijn relatie met God op dit moment is wat hij op dit moment moet zijn. En wat ik nu in kleine slokjes proef van die overweldigende realiteit van zijn aanwezigheid (waar God voor heeft gezorgd en die ik niet kan veranderen), doet me ernaar verlangen meer en meer daarvan te drinken. Dat is de basis voor mijn gebed. Niet langer iets dat ik moet, maar iets dat ik wil.
P.S. Dit geldt niet alleen voor bidden, maar voor elke vorm van religieus gedrag: bijbellezen, evangeliseren en kerk-zijn. In plaats van iets te doen om een werkelijkheid te vormen of binnengaan, mogen we ons ervoor openstellen de realiteit waarin we geloven eenvoudig te ervaren ...
Wat ik nu ga schrijven had ik eigenlijk zondag willen schrijven. Maar misschien is het maar goed ook dat ik het niet zondag heb geschreven, want nu heb ik er een paar dagen over kunnen nadenken en reageer ik niet meer zo sterk vanuit frustratie. Die neiging had ik wel een heel klein beetje namelijk.
De preek in de kerk afgelopen zondag ging namelijk over het gebed. Nu vond ik dat de spreker het heel goed deed. Hij sprak rustig, niet veroordelend, juist inspirerend. Met een aangrijpend persoonlijk verhaal er in. Ik geloof ook niet dat hij zijn boodschap op de een of andere manier dwingend of wettisch bedoelde. Toch sluipt dat er bij een onderwerp als 'gebed' er makkelijk in. Ikzelf voel me al snel veroordeeld, omdat ik te weinig bid, of voor de verkeerde dingen, of op de verkeerde manier.
Dit onderwerp ligt bij mij nogal gevoelig. Als je mijn persoonlijke verhaal kent, zul je het waarschijnlijk wel een beetje gaan begrijpen. Ergens in mijn tienerjaren pikte ik namelijk de boodschap op dat gebed voor een christen heel belangrijk was. Mensen legden de nadruk op het houden van stille tijd, en dat je dat elke dag moest houden. Bidden was een plicht. Dus (ik heb het vaker verteld, mensen die mij kennen kunnen gerust naar de volgende paragraaf verdergaan) nam ik mij voor om elke dag te bidden: een half uur aan het begin van de avond. Gevolgd door bijbelstudie. (Ik las in die tijd ook vijf hoofdstukken uit de bijbel elke dag, zodat ik elke negen maanden de bijbel uit had, en leerde een deel van die tijd bijbelteksten uit mijn hoofd. Heb ik nog profijt van). Tijdens dat gebed (op mijn knieën, want dat was volgens mijn opvoeding de enige echt juiste houding) volgde ik een vast schema, met de onderdelen waarvan ik had geleerd dat ze belangrijk waren: God aanbidden. Hem danken voor het werk van Jezus aan het kruis. Bidden voor mensen dichtbij. Bidden voor mensen veraf. Zorgen dat ik steeds de juiste dingen zeg. Ik voelde er eigenlijk weinig bij, had vaak niet het idee dat ik echt in contact met God stond, maar goed, ik deed het toch maar. Toen werd ik overspannen, en vervolgens heb ik drie jaar lang niet gebeden. Want het was een plicht geweest, en elke keer als ik op mijn knieën wilde zitten kwam het plicht- en schuldgevoel als een golf opzetten en viel ik terug in dat diepe gat.
Gelukkig is er in de jaren daarna wel wat veranderd. Meer dan drie jaar na mijn overspannenheid had ik een gesprek met iemand van mijn studentenvereniging, die me ervan overtuigde dat het goed was om in contact te staan met God. Ik weet niet waarom, maar op de een of andere manier besloot ik de volgende dag om gewoon met God te praten terwijl ik naar mijn werk liep. En al die eerste dag, toen ik tijdens het wandelen (twintig minuten naar het station in Leiden toen nog) in mijn gedachten tegen God begon te praten, gebeurde er iets dat ik niet eerder had meegemaakt. Ik had een ervaring van de aanwezigheid van God. Hij praatte terug. Ik werd doordrongen van zijn aanwezigheid, en in mijn gedachten kwam heel sterk het verhaal op van de verloren zoon, en belangrijker nog: de onvoorwaardelijke liefde van de Vader. Ik wist op dat moment met meer zekerheid dat ik ooit had geweten dat God van me hield en dat niets dat kon veranderen. Ook niet of ik wel bad en hoe vaak ik dat dan wel niet deed. Ik was vanaf dat moment een veranderd mens.
De jaren daarna heb ik veel met God gepraat tijdens het wandelen. Veel bij het lopen naar mijn werk, soms bij een wandeling in de lunchpauze. Een tijd (toen ik niet meer zo veel hoefde lopen door de week) tijdens wandelingen in het weekeinde. Vaak werd een goede gewoonte toch weer een kwestie van plicht. De laatste twee jaar heb ik geen vast ritme van gebed. Ik heb geen vaste tijden waarop ik op mijn knieën zak. Ik heb geen vaste wandelingen waarop ik met God praat. Ik heb geen afspraken met mezelf. Als ik met andere gelovigen praat, schaam ik me er soms wel voor. Ik heb kennelijk nog steeds snel het idee dat ik niet genoeg doe. Maar ik ken mijn zwakke plek. Voor mij wordt het heel snel iets dat ik moet. En dat is het nou juist niet.
En daar komen we op de preek van afgelopen zondag. De spreker gebruikte een beeld dat vaak wordt gebruikt voor het gebed. Namelijk: dat wij als we bidden binnenkomen in de hemel. Er is een onzichtbare werkelijkheid, zei de spreker, de wereld van God. En als wij bidden, gaan we daar naar binnen. Dan komen we voor Gods troon. Het klinkt in eerste instantie heel bijbels. En dat is het ook. De spreker citeerde Hebreeën 10:19: "Dankzij het bloed van Jezus kunnen we zonder schroom binnengaan in het heiligdom ... door het voorhangsel heen." Het idee dat wij hebben bij het gebed is gebaseerd op dat van de tempel uit het oude testament. De tempel was de plaats waar de gelovigen uit die tijd heen moesten gaan om God te ontmoeten. Maar God ontmoeten was niet makkelijk. Eerst moest je door de verschillende voorhoven. Daarbij vielen de vreemdelingen en de vrouwen al af. Dan in de tempel zelf moest je je wassen en allerlei reinigingsrituelen volbrengen voor je als priester het gebouw in mocht. En in het 'heilige der heiligen' -waar God aanwezig was- daar mocht alleen de hogepriester komen, een keer per jaar, en na het voltooien van nauwgezet beschreven handelingen. Nee, tot God naderen was geen makkie.
Een ander, verwant beeld dat we hebben bij bidden is dat van een troonzaal van een koning. Om bij een koning te komen, is ook niet makkelijk. Je moet aan allerlei regels voldoen. Je moet volgens een vast protocol buigen en spreken. Je blijft op afstand. Het is niet makkelijk de koning te spreken te krijgen en eigenlijk ben je opgelucht als je weer naar buiten mag en je weer mag gedragen zoals je bent. Dat je weer je hart mag luchten zonder op je woorden te letten.
Beide beelden gaan ervan uit dat bidden de activiteit is waarmee wij tot God naderen, waarmee wij de hemelse tempel of troonzaal binnengaan. Daarmee is het iets dat wij doen. Zelfs als het bijbelvers zegt dat Jezus de deur voor ons heeft geopend, het voorhangsel heeft gescheurd, de weg heeft gebaand, blijft het feit bestaan dat wij de trap moeten opklimmen, door het voorhof heen moeten lopen, de gouden troonzaal moeten binnengaan. Wij moeten ervoor zorgen dat we die onzichtbare werereld binnentreden. Iets anders gezegd: het idee blijft dat gebed een inspanning is die wij moeten verrichten om in de aanwezigheid van God te komen. Wij moeten de juiste handelingen uitvoeren voor Gods realiteit werkelijkheid voor ons wordt.
En op die manier blijft het een plicht, een inspanning.
Ik geloof echter niet dat het is hoe God wil dat wij denken over gebed. Ik geloof dat er een heel verkeerd idee over de werkelijkheid van God aan ten grondslag ligt. Ik denk namelijk niet dat er sprake is van een onzichtbare werkelijkheid die gescheiden is van onze zichtbare werkelijkheid, maar die we kunnen 'binnentreden' als we het ritueel van het bidden uitvoeren. Ik geloof niet dat God in een troonzaal zit, boven zijn schepping, wachtend tot er mensen op audiëntie komen. God is niet alleen aanwezig in de (figuurlijke) tempel (zoals de goden van de Grieken en Egyptenaren), waar wij hem (hoe open de weg ook is) moeten opzoeken.
Nee, Jezus heeft niet alleen het voorhangsel weggenomen van de tempel en de deur opengezet van de troonzaal. Hij heeft ons al in de aanwezigheid van God gebracht. Dat is een voldongen feit. Jezus zelf werd genoemd 'immanuel', dat is 'God met ons' (zie de kerstliedjes daarover). In de persoon van Jezus kwam de drie-enige God zelf zijn troonzaal uit, de hemelse werkelijkheid uit, om deel uit te maken van zijn schepping, om als het ware zijn handen vuil te laten worden. Hij leefde onder ons. Hij wachtte niet tot wij hem zouden opzoeken, tot wij op audientie zouden komen, of tot wij onze rituelen zouden hebben uitgevoerd. Hij nam zelf het initiatief om de relatie met ons aan te gaan. Niet wij hebben God uitgekozen. Hij heeft ons uitgekozen. De enige reden waarom wij God liefhebben, is omdat Hij ons heeft liefgehad. (Dit zijn verwijzingen naar bijbelverzen). Wij hoeven dus niet meer naar God op te klimmen. Hij daalde (en daalt nog steeds elke keer) naar ons af. Hij strekt zich naar ons uit, waar we ook zijn, wat we ook hebben gedaan, hoe we ons ook voelen. Hij is bij ons, omdat hij het wil. Hij is er.
En andersom geldt dat Jezus ons door zijn dood en opstanding al in de hemelse werkelijkheid heeft gebracht. Hij heeft ons meegenomen. Hij identificeerde zich met ons in onze zonde en dood, de gevolgen van onze scheiding van God, zodat wij met Hem geïdentificeerd zouden zijn in zijn opstanding, zijn leven, zijn bestaan in Gods wereld. De bijbel gebruikt er verschillende woorden voor. Wij zijn uit de duisternis overgebracht in het koninkrijk van de zoon van Gods liefde. We zijn zijn kinderen en erfgenamen. We zijn gemaakt tot een koninkrijk van priesters. Ons lichaam is met Christus verborgen in God. We zijn met Jezus gezeten aan de rechterhand van God. We zijn het lichaam van Christus. We zijn de tempel van de Heilige Geest. Ga zo maar door.
Dat wil zeggen: elk moment van de dag, hoe we ons ook voelen, waar we ook zijn, wat we ook hebben gedaan, niet alleen is God bij ons, wij zijn ook al bij God. We zijn al in zijn tegenwoordigheid, we zijn al in de hemelse gewesten, we zijn al in zijn troonzaal. We zijn al in de tempel. Dat is volgens mij wat de tekst uit Hebreeën eigenlijk wil zeggen. Er staat namelijk ook dat 'Jezus voor ons met zijn lichaam een weg nar een nieuw leven gebaand heeft, door het voorhangsel heen'. Nogmaals: een nieuw leven! Dat wil zeggen: een leven IN het heiligdom. We staan niet meer buiten, op het voorhof. We hoeven niet meer te naderen. We ZIJN al waar we zo graag willen zijn. Het is al realiteit.
Ik moest hier laatst aan denken vanwege een tekst die een vriendin van me op een verjaardagskaart had gezet. Psalm 52:10: 'Maar ik ben als een groene olijfboom in het huis van God, ik vertrouw op de liefde van God, voor eeuwig en altijd'. Het drong opeens tot me door dat dit wel een heel ander beeld is van het christelijke leven. Ik hoef niet God deel te maken van mijn leven, tijd voor hem vrij te maken, me in te spannen om hem een plekje te geven. God is niet de olijfboom in mijn huis. Nee, ik ben opgenomen in Hem. Ik heb een plek in zijn realiteit, in zijn huis. En dat maakt een groot verschil.
Ik kwam de gedachte voor het eerst tegen bij Bruxy Cavey in The End of Religion (goed boek overigens), dat de geestelijke oefeningen (bidden) er niet toe dienen om iets te bereiken of tot stand te brengen, maar om iets te ervaren wat al waar is. 'Onze verbinding met het goddelijke is al aanwezig voor wat het God aangaat', zegt hij. 'Het enige dat wij hoeven doen is haar te verwelkomen.' Dat geeft een heel andere draai aan het gebed. Als ik het zo zie, is het niet iets dat ik moet. Niet een activiteit die ik moet verrichten om bij God te komen. Niet een plicht. Nee, het is het accepteren van de realiteit van mijn relatie met God. Ik moet het niet, ik mag. Ik mag me openstellen voor dat wat ten diepste al waar is: ik ben al in de troonzaal, en God is al heel dicht bij mij, zijn aandacht is al geheel op mij gericht. Dus stel ik me voor God open, soms als ik naar de trein loop. Soms door de dag heen. Soms 's avonds op de bank, met mijn aantekenschrift en een potlood. Soms in gesprek met anderen. Er zijn veel manieren waarop ik die verbinding ervaar. Doe ik het zo vaak als ik eigenlijk zou willen? Nee. Heb ik nog steeds een ideaalbeeld dat ik niet haal? Ja. Maar zelfs dat geeft niet. Ik geloof dat mijn relatie met God op dit moment is wat hij op dit moment moet zijn. En wat ik nu in kleine slokjes proef van die overweldigende realiteit van zijn aanwezigheid (waar God voor heeft gezorgd en die ik niet kan veranderen), doet me ernaar verlangen meer en meer daarvan te drinken. Dat is de basis voor mijn gebed. Niet langer iets dat ik moet, maar iets dat ik wil.
P.S. Dit geldt niet alleen voor bidden, maar voor elke vorm van religieus gedrag: bijbellezen, evangeliseren en kerk-zijn. In plaats van iets te doen om een werkelijkheid te vormen of binnengaan, mogen we ons ervoor openstellen de realiteit waarin we geloven eenvoudig te ervaren ...
Abonneren op:
Posts (Atom)


