zaterdag 10 december 2011

Korstmossen uit Wales

Begin september was ik met een groep vrienden in Wales te gast bij een echtpaar uit onze kerk. De komende weken hoop ik jullie een paar van de foto's te kunnen laten zien die ik daar geschoten heb. Ik begin met de korstmossen. In mijn bijdrage aan het Het Boek van de Natuur kun je lezen waarom ik door deze nederige groeisels zo gefascineerd ben. Vooral als je ze van dichtbij bekijkt, blijken ze eindeloos boeiend.





En als toegift nog natuurschoon dat geen korstmos is. Deze vlinder moest ik een tijd lang achterna zitten over een smal paadje een helling af, voor hij zo lang stil bleef zitten dat ik mijn camera op hem scherp kon stellen.

vrijdag 9 december 2011

Presteren is contraproductief 1: werken

Een tijdje geleden deed ik mee aan een cursus stressreductie op kantoor. Het zegt al iets over onze maatschappij dat er cursussen over dit onderwerp nodig zijn, en kennelijk zo populair zijn dat er heel wat mensen een boterham mee kunnen verdienen. Maar daarover later in dit bericht meer. Het interessante van deze cursus was de methode, die we gebruikten. Met behulp van een bepaalde techniek leerden we onze hartslag in een mooi ritme te krijgen. Daarvoor maten we onze hartslag met een infraroodsensor (met de duim of via de oorlel). Het hartritme werd mooi zichtbaar in een grafiek. Bij stress was die grafiek chaotisch, zonder stress liet het een mooie sinus-achtige lijn zien. We deden een heel aantal oefeningen met het meetapparaatje. En ja, hoor, door me te concentreren op een positief gevoel en op een bepaalde manier op mijn ademhaling te letten, kreeg ik een mooi ritme op het scherm. Maar ik merkte al snel dat ik niet tijdens de oefening naar het scherm moest kijken. Zodra ik namelijk ging proberen in het ritme te blijven, schoot ik eruit. Zodra ik mijn best ging doen een goede score te halen, schoot ik in het chaotische patroon. De cursusleidster zei het ook al: ‘Proberen te presteren is contraproductief!’

Toen ik dat hoorde moest ik even slikken. Ik weet al langer dat ik mezelf niet kan verbeteren, dat mijn wilskracht tekort schiet, dat ik zwak ben. Ik kan het eenvoudig niet. Mijn overspannenheid heeft me dat wel geleerd. Ik heb ook geaccepteerd dat ik afhankelijk ben van Gods genade om te worden zoals ik bedoeld ben (hoewel ik daar herhaaldelijk aan herinnerd moet worden. Daarom schrijf ik er zo graag over op mijn blog). Maar het probleem is kennelijk nog groter dan ik al dacht: willen presteren, bepaalde resultaten willen halen, is niet alleen niet effectief, het verhindert zelfs dat we bereiken wat belangrijk is. Het werkt ons tegen. Onze prestatiedrang is niet alleen een niet functionerend hulpmiddel, een ongeschikte methode, ze is een actieve vijand, die onze menselijkheid op de korrel neemt. En dat is een ongemakkelijke gewaarwording in een wereld waar alles draait om je prestaties.
Op het werk zijn we gevangen in een functiewaarderings-cyclus. We spreken doelen af die we moeten halen, en of we goed presteren bepaalt of we loonsverhoging krijgen. En als we meerdere malen tekortschieten dreigt ontslag. Maar lees ook eens de krant, of kijk TV. Onze waarde hangt af van wat we presteren, of we carriere maken, of we ons luxe kunnen veroorloven. We moeten alles op orde hebben, een eigen huis en een auto, we moeten ons op een bepaalde manier kleden, en er op een bepaalde manier uitzien. Ik las laatst zelfs dat mannen zich botox laten inspuiten, om er fris en uitgeslapen uit te zien! En wie worstelt met ziekte of problemen moet zijn of haar best doen om er weer uit te komen. Elke dag staat er wel iets in de krant over een nieuw dieet of een nieuw fitnessregime. Je zou je haast schuldig voelen omdat je er niet aan meedoet.
We worden van alle kanten bestookt met de boodschap dat we ons moeten inspannen om aan bepaalde maatstaven te voldoen. “The culture of control tends to characterize both the “secular” and religious sphere these days”, concludeert de Mockingbirdblog. “The rather depressing underlying assumption is that the purpose of life is not peace or contentment but performance.”

Mockingbird noemt niet voor niets naast de seculiere omgeving, ook de religieuze wereld. Want niet alleen de kranten en de TV bestoken ons met de boodschap dat we moeten presteren, ook de kerk kan er wat van. Ik sprak laatst met iemand die onlangs de evangelische kerk had verlaten. Hij was geweest op een conferentie over de huiskerkbeweging. Daar sprak Milt Rodriguez. Hij had het erover dat 80 procent van de preken in de evangelische kerken gaan over wat de toehoorders moeten doen of laten. Mijn gesprekspartner was daarop boos opgestaan en had de zaal verlaten. Hij was niet boos op de spreker, maar boos op de predikers in de kerk. Hij had zich namelijk op dat moment gerealiseerd dat inderdaad de meeste preken in de kerk waar hij naartoeging hem opriepen meer te doen, harder te werken, om minder te zondigen.
En ik vind zelf 80 procent een nog vrij lage inschatting. Laatst was ik in een dienst waar over de brief van Paulus aan de kolossenzen werd gepreekt. Een brief die gaat over de kracht van Christus in ons, onze hoop op goddelijke heerlijkheid, en die duidelijk maakt dat religie ons niet dichter bij God kan brengen. De prediker erkende dat ook: ‘Het gaat niet over religie’, beweerde hij. Maar vervolgens sprak hij niet over Christus, waar het in de Kolossenzenbrief over gaat, maar legde hij uit dat we op een bepaalde manier moesten leven, en geen slechte taal moesten gebruiken (‘zodat andere mensen daaraan kunnen zien dat we christenen zijn’) en dat we ons moeten inzetten voor de kerk (‘door naar de dienst te komen, door te geven, door een taak op ons te nemen.’). Ik zat zoals vaker weer eens op mijn stoel heen en weer te schuiven - de spreker had nu juist gezegd dat het in het geloof niet ging om religie, en hij had niet door dat hij zijn toehoorders een religie oplegde.

En het gaat niet alleen om taken of bepaald godsdienstig gedrag (bijbellezen, niet vloeken). De kerk verwacht van ons ook dat we ons leven op orde krijgen, dat we onze zonden overwinnen, dat we onze problemen achter ons laten. Toen ik een keer in de kerk vertelde dat ik was teruggevallen in een gewoonte waar ik dacht vrij van te zijn geworden, werd ik na afloop aangesproken door een kerklid. Die vroeg me of ik geloofde dat ik voor altijd vrij kon worden van die gewoonte. Ik antwoorde van niet - ik meende dat ik er wel minder last van zou kunnen hebben, maar dat ik niet kon beloven dat ik nooit meer kon terugvallen. “Ik geloof niet dat het in dit leven mogelijk is om volmaakt te zijn”, stelde ik. Maar de ander verwijtte me te weinig geloof. Hij vroeg of ik er wel voor had laten bidden. Volgens hem was volmaakte vrijheid nu al mogelijk. Het enige dat hij bij mij bereikte was dat ik tegen hem nooit meer eerlijk zou zijn over mijn worstelingen.
Hij was eigenlijk hetzelfde als de verpleger over wie ik hoorde van een vriend. Hij was in het ziekenhuis met iemand die in een rolstoel zit vanwege spierzwakte. Daardoor valt ze vaak en als ze zich heel erg inspant krijgt ze verlammingsverschijnselen. De verpleger had haar een paar minuten aangehoord en zei toen: “Ik geloof je niet.” Er was namelijk geen neurologische afwijking gevonden. Hij vond dat ze zich aanstelde, en dat ze nu heel erg haar best moest gaan doen. Ze moest zich gaan inspannen en zou zo verbetering vertonen. Maar zelfs al zouden aan haar symptomen geen fysieke afwijkingen ten grondslag liggen, dan zouden ze veroorzaakt zijn juist doordat deze jonge vrouw zo ver over haar grenzen was gegaan, en zich zo hard had ingespannen. Tegen iemand met depressie kun je ook niet zeggen dat hij zich maar beter moet gaan voelen. Maar nee, ze moest het maar hard genoeg willen en dan zou ze haar eigen probleem kunnen overwinnen.
Mockingbird haalt een schrijnend voorbeeld aan uit het boek Alcoholics Anonymous, waarin een deelnemer aan het programma praat met een bankdirecteur. Het gaat om een werknemer, die drie maanden afwezig is geweest om een oplossing te vinden voor zijn alcoholprobleem. Het bestuur van de bank wil hem no een kans geven. De herstellende alcoholist -die al drie jaar droog staat- vraagt de directeur hem met zijn medewerker te laten spreken. “Oh no,” the bank executive demurred, “this chap is either through with liquor, or he is minus a job. If he has your will power and guts, he will make the grade.” Als er iets een recept is voor een terugval is dat het wel! Deze alcoholist moet met zijn wilskracht zijn verslaving onder controle houden, of hij raakt zijn baan kwijt. Hij moet presteren. Dat leidt tot een gevoel van plicht, van druk, van angst. En dat zijn juist de gevoelens die hij probeerde te verdoven met zijn drank. Het is een bij voorbaat verloren strijd.
Volgens Mockingbird zijn de ‘vooruitgangschristenen’ net zo als deze bankdirecteur, de gelovigen die menen dat mensen zichzelf kunnen verbeteren, dat ze vooruitgang kunnen boeken als ze dat maar willen, en dat het aan henzelf te wijten is als ze terugvallen. “The progress Christian shares the heathen thinking about the mechanics of the human being. Give, get.  Pay, receive.  Work, pay.  Offer, exchange.  Tell the truth, avoid depression and addiction. The relentless pursuit of perfection. The process of perfecting ourselves.  You act, and Jesus reacts.  Progress Christendom abides by these rules. Progress may sneak some language into his lexicon about “relying on God” or “letting go,” but the listener should not be deceived into thinking that progress does not believe that a little prayer and elbow grease will solve the problem.”

Maar ik moet niet alleen naar de kerk wijzen. Als je naar iemand wijst, wijzen er direct drie vingers terug naar je zelf. Daar ben ik me erg goed van bewust. De drang te willen presteren bevindt zich vooral in mijzelf. Ik laat mijn gevoel van eigenwaarde, mijn liefde voor mezelf, afhangen van wat ik tot stand breng. Of ik genoeg schrijf, of ik genoeg bijbelstudie doe, of ik genoeg vrienden heb, of ik vrijgezel ben (of niet meer). Al was het alleen maar of mijn huis is opgeruimd en of de keuken is schoongemaakt. Het doen van het huishouden wordt een prestatie - en ik denk slecht over mezelf als ik het een weekje laat schieten. Dus probeer ik mezelf er weer toe te brengen de schoonmaakspullen ter hand te nemen - niet omdat ik het graag schoon wil hebben, maar omdat ik anders in mijn eigen ogen tekort schiet. Zo gaat het de hele week door, de hele maand, het hele jaar.
En de wortel van het probleem zit nog dieper dan dat. Ergens heb ik het idee dat mijn leven zou kunnen mislukken. Ik heb het idee gekregen dat ik in mijn leven bepaalde doelen moet halen, en dat God teleurgesteld zal zijn als ik daarin tekortschiet. Ik geloof dat mijn leven op een bepaalde manier moet verlopen, en dat het anders niet waardevol zou zijn. God heeft een plan voor mijn leven uitgestippeld, en als ik een voet links of rechts van die lijn zet, wordt zijn doel nooit bereikt. Ik ben voortdurend aan het evalueren of ik wel genoeg gedaan heb, of ik wel bouw met steen, en niet met stro of hout (om de beeldspraak van 1 Korintiers 3 te gebruiken). Ik moet van mezelf groeien, ik moet genoeg vrucht dragen, om voor God mee te tellen en door Hem beloond te worden.
Ik word er moe van, en ik ben niet de enige. Zo signaleren de schrijvers van Mockingbird een recente epidemie van slapeloosheid bij vrouwen. Bij een studie in 2007 werd gevonden dat bijna 3 op de 10 vrouwen in de Verenigde Staten meerdere keren per week slaapmedicatie gebruiken. Drie van de vier patienten bij slaapklinieken zijn vrouwen. De slapeloosheid van de zwangerschap gaat over in de slapeloosheid door het huilen van de pasgeboren baby, maar vaak gaat de slapeloosheid niet meer over. De reden hiervoor? De noodzaak om als werkende vrouw, moeder, huisvrouw en echtgenoot te presteren. “We feel like it’s our job to anticipate any variant on The Day, much less The Life”, zegt er een. “If it rains will I need to change my schedule so I can drop off my kid and he doesn’t need to ride his bike in a downpour? We try to ward off anything that can interfere with the Good Day.” We willen de hectiek van het leven met onze wilskracht aan onze controle onderwerpen. Maar daardoor verpesten we ons leven. Want sommige dingen kunnen we niet controleren. We kunnen onszelf niet dwingen te ontspannen. We kunnen niet tegen onszelf zeggen: “Ga nu slapen.” Hoe meer we proberen in slaap te vallen, hoe wakkerder we ons voelen. Ik weet het uit ervaring. We kunnen niet ophouden ons zorgen te maken over de dag die komt, of over ons leven, door te proberen niet meer te piekeren. Hoe harder we proberen de bezorgheid weg te drukken, hoe bezorgder we worden. Onze prestatiedrang leidt tot stress, en teveel stress leidt tot overspannenheid. Stress leidt tot hartklachten, eczeem, slaapproblemen, en uiteindelijk tot de dood.
Control is a killer”, concludeert Mockingbird. Willen presteren is contraproductief.

woensdag 7 december 2011

Filmbespreking: Nova Zembla

Ik heb een zwak voor films die zich afspelen in het verleden. De oplettende lezer zegt nu: ‘Maar jij was toch Science Fiction-liefhebber?’ Waarop ik antwoord: ‘Ja, en Fantasy-liefhebber, en liefhebber van de onderwaterwereld, andere planeten, grotten, et cetera’. Ik heb een brede interesse. Maar vooral een interesse in andere werelden, waar het leven voor andere uitdagingen wordt gesteld, werelden met een andere schoonheid. Dat kunnen werelden zijn die van ons gescheiden zijn door de ruimte, of door de tijd. En dan zijn werelden in het verleden net zo anders dan die in de toekomst. Ik heb niet voor niets geschiedenis gehouden als eindexamenvak op de middelbare school. Het is fascinerend te lezen over andere tijden, met andere technologieën, andere denkwijzen, andere gewoontes, of ernaar te kijken.
Wat maakt die andere werelden dan zo fascinerend? Daarover heb ik ook nagedacht. Ten eerste is het de verwondering. De vreemde wereld is boeiend, of het nu Alfa Centauri is in 2500 na Christus of Rome van 100 voor Christus. In mij schuilt een ontdekkingsreiziger, die graag de hoek om zou willen slaan en oog in oog staan met iets dat nog nooit iemand heeft gezien. Iets dat niemand ooit maar heeft kunnen voorstellen. Maar nu onze wereld zo onderhand wel bekend is, moet ik om dat verlangen te vervullen uitwijken naar de toekomst en de verkenning van andere werelden, of naar het verleden. Niet alleen hebben verbeeldingsvolle creatievelingen die andere cultuur op een zo overtuigende manier in beeld gebracht dat het lijkt alsof ik die met mijn eigen verbeelding kan verkennen, ook waren er toen nog witte plekken op de kaart. China leek net zo ver weg als Mars. (Niet voor niets wordt in de film Nova Zembla de opmerking gemaakt door Van Heemskerk dat mensen over een paar honderd jaar tussen de sterren zullen reizen - het betreft hetzelfde instinct tot verkenning, exploratie). Meeleven als de bemanning van een schip land aan de horizon ziet, en voetafdrukken achterlaat in sneeuw waar nog nooit een mens gelopen heeft. Dit spreekt tot iets in mijn hart. Het wekt verlangen bij me op naar een nieuwe wereld, een andere wereld, nog ongerept, waar we naar hartelust op verkenning kunnen gaan.
Ten tweede leidt de andere wereld, de andere omgeving ertoe dat duidelijker wordt wat de kern is van het menselijk bestaan, wat onze identiteit uitmaakt, wat onder alle omstandigheden hetzelfde blijft. We raken wel eens in de sleur van het gewone, elke dag opnieuw in de stampvolle trein, omringd door mensen die naar hun mobiele telefoon staren (hopelijk om mijn blog erop te lezen - ja, ik mag blijven dromen!), elke dag werken, eten en slapen - en we raken daardoor het contact kwijt met wat het betekent mens te zijn, wat het betekent te leven. De verhalen over andere werelden zijn als een emmer koud water, die ons weer even doen ontwaken. De mensen in Zuid-Amerika voor Columbus zijn namelijk net zo goed mensen als wij - en de mensen in Betelgeuze ver in de toekomst ook. Maar juist omdat er zoveel verschilt, zien we wat hetzelfde blijft: de overlevingsdrang, vriendschap, opoffering, liefde, rechtvaardigheid, schoonheid. We worden herinnerd aan wat in ons leven ook belangrijk is - want wij in de trein zijn dezelfde mensen, met dezelfde diepe drijfveren. Wat zou ik doen als ik in die andere omstandigheden was? Zou ik mezelf opofferen om iemand te helpen, zou ik het volhouden om in het donker kou te lijden tot het eindelijk lente wordt? Deze vragen stel ik me bij zowel SF-films als bij historische films. Dit is geen escapisme, het is een terugkeer naar wat werkelijk belangrijk is, niet een vlucht uit de werkelijkheid. Wat is belangrijker: de trein en de SMSende mensen, of liefde, avontuur en schoonheid? Ik kies voor de laatste drie.

Om beide redenen genoot ik van Nova Zembla, de nieuwe film van Reinout Oerlemans. Ik heb eigenlijk al een tijd geen Nederlandse films gezien (omdat die vooral in het nu afspelen, en (wellicht een vooroordeel) vaak plat zijn en wat grof - de voorstukjes in de bioscoop trekken me eigenlijk nooit aan), maar deze kon de concurrentie met Amerikaanse historische drama’s zeker aan. Het is de eerste Nederlandse 3-D film. Ik vond het een mooie diepte brengen aan sommige beelden, vooral van de natuur. De gezichten van de karakters waren niet vervormd, zoals het geval is bij sommige films waar het 3-D effect later aan wordt toegevoegd. Er waren slechts enkele momenten (met een poolvos) dat het niet overtuigend overkwamen. Nederland van de zestiende eeuw is mooi in beeld gebracht. Weinig shots van de buitenwereld (om heel Amsterdam in computereffecten na te maken zou wat te veel werk zijn geweest), maar het schip en de kerk zijn heel overtuigend. De kostuums waren mooi, het licht was sfeervol (veel licht van opzij en niet van boven - zo moet het ook zijn geweest zonder TL-verlichting). Goede acteurs, waarvan er maar een of twee wat overdreven acteerden. Een knappe Doutzen Kroes (al vroeg ik me af of er in de zestiende eeuw wel meisjes waren met zo’n gladde huid en gave tanden). Ten slotte een spannend verhaal. Je leeft mee met de karakters en dat maakt hun barre strijd om te overleven werkelijk meeslepend. Ik kan de film aanbevelen, vooral voor liefhebbers van het historische genre.

Het verhaal over de overwintering op Nova Zembla is een van de meest bekende verhalen uit de Nederlandse geschiedenis (ik meen er over gelezen te hebben in de Donald Duck, en in de Van Nul tot Nu). Ontdekkingsreiziger Barentsz en kapitein Van Heemskerck gaan op expeditie naar de Oost om daar handel te drijven. Ze kiezen niet de route langs het zuiden van Afrika, maar die langs het Noorden, langs de noordpool. Voor wie de wereldkaart nu kent, lijkt dat een hopeloze onderneming (hoewel het met het smelten van het poolijs steeds realistischer wordt), maar de topografische kennis was vier eeuwen geleden nog niet zo groot - na Nova Zembla zou het niet zo ver meer zijn, werd gedacht. Gerrit de Veer monstert aan op de expeditie, om er verslag van te kunnen doen. Hij heeft ook een persoonlijke drijfveer. Hij wil geld verdienen om zo indruk te kunnen maken op de vader van zijn vriendin Catherine. De dominee die toevallig ook de geldschieter is achter de expeditie van Barentsz. De ruwe bemanning van het schip reageert nogal vijandig op de aanwezigheid van de gevoelige schrijver, en de reis naar het Noorden verloopt niet zonder incidenten. Maar tegen de tijd dat Nova Zembla bereikt wordt heeft Gerrit zijn plek tussen de mannen verworven. Dan worden de reizigers echter door de winter ingehaald. Het schip vriest vast. De opvarenden bouwen ‘Het Behouden Huis’, en maken zich klaar om de lange koude winter uit te zitten. Er liggen echter onvermoede gevaren op de loer: de witte beren van buiten en geldzuchtige zeelieden van binnenuit ...

Ik genoot bij deze film zoals gezegd van de andere werelden die werden getoond - het Nederland van de zestiende eeuw, en de ruige schoonheid boven de poolcirkel. Ook was ik gefascineerd door de overlevingsdrang van deze ontdekkingsreizigers. De ontwikkeling van hoofdpersoon Gerrit was boeiend. Hij blijkt in de loop van het verhaal over onvermoede leiderschapskwaliteiten te beschikken. Maar hij wordt geen rauwdauwer of krachtpatser. Hij blijft schrijver. Maar hij gebruikt zijn gave als een kracht. Op een spannend moment, als zijn positie in de groep op het spel staat, gebruikt hij zijn woorden om van een vijand een vriend te maken. Hij vertelt namelijk hoe hij deze man in zijn boek zal beschrijven. En hij weet daarbij zowel eerlijk te zijn over wat er gebeurd is, maar tegelijk het karakter van de man te treffen zoals deze zichzelf graag ziet. Hij heeft er een vriend bij gekregen. Tijdens de moeilijke momenten van de reis gebruikt hij zijn gave om zijn reisgenoten te bemoedigen. Hij neemt ze in de verbeelding mee naar Amsterdam, en beschrijft de werkelijkheid waarnaar ze verlangen. Dat geeft ze de kracht om zich tegen de wanhoop te verzetten en te blijven overleven. En uiteindelijk gebruikt hij zijn woorden om de groep te motiveren het behouden huis te verlaten en de terugreis te beginnen. Voor mij als schrijver was dat behoorlijk inspirerend.
Bovendien is Gerrit werkelijk moedig. In een aangrijpende scene duikt hij het ijskoude water in om het leven te redden van een man die even daarvoor probeerde hem te verdrinken in een emmer bloed (en dat omdat Gerrit had geprobeerd iets terug te krijgen wat van hem ontvreemd was). Dit is werkelijke onzelfzuchtigheid. De filmbesprekingen op de website HollywoodJesus hebben me geleerd om in dit soort heldenverhalen te zoeken naar Jezusfiguren, karakters die een aspect van de redder laten zien. Wie mijn recente serie op mijn blog heeft gelezen, weet dat ik geloof dat onze verhalen iets weerspiegelen van het Grote Verhaal, vaak zonder dat de vertellers zich hiervan bewust zijn. Onze verhalen en het Verhaal van de Werkelijkheid zijn nauw met elkaar verbonden. Hier is het de nederige, geminachte Gerrit die een beeld geeft van Jezus. Er wordt tegen hem gezondigd, en degene die dat deed krijgt zijn verdiende straf, een straf die hem het leven kan kosten. Aan boord van het schip hebben daden nu eenmaal gevolgen, dat had de kapitein helder uitgelegd. Maar Gerrit laat het niet gebeuren. Hij weet dat zelfs een of twee minuten in dit water al tot een dodelijke onderkoeling kunnen leiden, maar dat houdt hem niet tegen. Hij daalt af in het water - het water dat in de bijbel symbool staat voor de dood (en dat in de film ook letterlijk kan betekenen). En als zijn aanvaller en hij beide boven zijn, neemt hij het initiatief om vriendschap te sluiten. Ik moest al tijdens het kijken van de film denken aan het bijbelse beeld van de doop, waarbij iemand afdaalt in het water, zoals Jezus afdaalde in de dood, en weer bovenkomt, zoals Jezus opstond uit de dood. De karakters die door het water heengaan zijn ook in deze film veranderd - zoals dat ook gebeurt met gelovigen die zich vereenzelvigen met de opofferingsgezindheid van Jezus, in het geloof dat God hen net als Hij uit de dood weer levend kan maken. Het zijn beelden als die uit deze film die de beeldspraak uit de bijbel voor ons tot leven kunnen brengen.

Ten slotte nog een paar woorden over de verwevenheid van christendom en economie die in deze film zichtbaar wordt. De film begint namelijk (nou ja, niet direct, maar na een intieme scene tussen Gerrit en Catherina) met een preek van de dominee die de expeditie financiert. Hij heeft het erover dat Nederland berooid is na de tachtigjarige oorlog met Spanje, maar dat de ontdekkingsreizen het land weer voorspoed kunnen brengen. Volgens hem is het God die de Nederlanders de zin in avontuur heeft gegeven, die hen hun handelsgeest heeft geschonken. Het is dus Gods bedoeling dat ze een voortvarende natie zullen zijn. Ik geloof dat deze sentimenten best wel eens historisch zouden kunnen zijn. De strijd van het protestantse Nederland met het katholieke Spanje werd niet alleen gezien als een politieke strijd, maar ook als een geestelijke strijd. De overwinning betekende dat Nederland kennelijk bij God in de gunst stond, en een goddelijke bestemming had. Men zag in die tijd Nederland ook wel als het nieuwe Israel - het land waaraan God zijn beloften had verbonden. Waarin een klein land groot kan zijn ... Het politieke en maatschappelijke terrein (handel, ontdekkingsreizen, uitbreiding van het territorium) werd zo het terrein van de kerk - deze zaken waren de wil van God en waren daarmee ook de geestelijke taak van het Nederlandse volk. Maar daarvoor moet de kerk water in de wijn doen wat betreft morele en spirituele kwaliteiten - in zee gaan met ruig zeemansvolk, dat bereid is te doden en te stelen - want om het hogere, geestelijke doel te bereiken is alles geoorloofd. Bovendien wordt de geestelijkheid overmoedig - aan de berekeningen van de dominee kan niet worden getwijfeld, vindt Barentsz, de dominee heeft immers God achter zich staan? Maar die hoogmoed komt voor de val - de valse berekeningen leiden ertoe dat het schip vast komt te zitten in het ijs en veroorzaken de ondergang van Barentsz. Het is de eerlijke Van Heemskerck, die geen water bij de wijn wil doen en zich niet wil laten intimideren door de kerk, die als held overeind blijft.
Is het dus verkeerd om politiek te bedrijven, of ontdekkingsreizen te maken, of te handelen? Nee. Natuurlijk niet. Maar het is wel verkeerd deze dingen te doen alsof het christelijke activiteiten waren, taken van de kerk. Dat zijn ze niet. Ze hebben wel een geestelijke, of morele component - in de manier waarop je politiek bedrijft, handelt of op ontdekkingsreis gaat. En zelfs in naam van de kerk en het geloof hebben heel wat Nederlanders zich in de geschiedenis op een onchristelijke en immorele manier gedragen, denk bijvoorbeeld aan onze betrokkenheid in de slavenhandel. Juist omdat de kerk belangen had in de politiek/handel/ontdekkingsreizen, bezat ze niet meer de kracht om een moreel standpunt in te nemen wat betreft de uitvoering ervan. Deze activiteiten horen bij het mens zijn - ze horen bij de menselijke verantwoordelijkheid, het menselijke koninkrijk, zo je wilt. Christenen kunnen ze uitoefenen - op een christelijke manier. En ze kunnen er zelfs in excelleren. Maar de taak van de kerk is om het goede nieuws te brengen, en niet anders. Goed nieuws dat betrekking heeft op handel, politiek en ontdekkingsreizen, maar niet uit die dingen bestaat. De dominee die in deze film in beeld wordt gebracht predikt de Nederlandse ontdekkingslust, maar niet het goede nieuws van Jezus. Dat werd in beeld gebracht door Gerrit, die zich opofferde om iemand te redden die hem kwaad had gedaan.

maandag 5 december 2011

Laag bij de grondse schoonheid

Om schoonheid waar te nemen moet je soms door je knieën durven zakken. En al helemaal in de herfst, als de bodem bedekt is met verkleurde bladeren, als het zonlicht speelt in gele grashalmen, en als nederige paddenstoelen hun hoeden opsteken op verborgen plaatsen.






zaterdag 3 december 2011

Terug naar de basis (appendix): Het grote plaatje

De afgelopen maanden bestond de ‘rode draad’ van mijn blog uit mijn serie ‘Terug naar de basis’. Daarin probeerde ik voor mezelf te verwoorden waarom ik nog steeds in Jezus blijf geloven, als ik leef in een wereld vol lijden en verdriet, waar de materialistische verklaringen van wetenschappers behoorlijk overtuigend zijn, en waar ik de aanwezigheid van God maar zelden voel.  Mijn conclusie was dat ik niet geloofde op basis van rationele onderbouwing van een theorie (hoewel het christelijk geloof niet anti-rationeel is) en niet op basis van bepaalde emotionele ervaringen van extase of transcendentie (hoewel veel gelovigen dat soort ervaringen beschreven hebben en als iets heel positiefs), maar dat ik geloof omdat ik van alle verhalen over de werkelijkheid, Gods verhaal het mooist vindt.
Anders gezegd: ik geloof omdat ik verlang naar een leven in dat verhaal, in die werkelijkheid. Ik citeerde in mijn laatste bericht Stefan Paas, die met Augustinus betoogde dat mensen geen denkende wezens zijn, maar liefhebbende wezens. Wat wij willen wordt niet bepaald door onze ratio in de eerste plaats, maar door ons verlangen, onze liefde. En wat we verlangen, wat we liefhebben, wordt bepaald door de waarde, de betekenis die we toekennen aan de wereld en de mensen om ons heen. Iets dat we betekenisloos vinden, iets dat niet waardevol voor ons is, willen we niet kennen of bezitten. De betekenis van onszelf, de mensen om ons heen, en het heelal is afhankelijk van de verhalen die we daarover vertellen.
Het goede nieuws dat Jezus kwam brengen, was dat van Gods verhaal. Namelijk dat God aan alle mensen, voorwerpen, het hele heelal, een onvervangbare, onwrikbare betekenis toekende. Hij is de Schepper, wat gelijk staat aan te zeggen: Hij is Koning. Alles wat is, ontleent zijn betekenis, zijn bestaan, zijn leven, aan het woord, het verhaal, van God. Dat wil zeggen: we bestaan, we leven, omdat God van ons houdt (want ‘houden van’ is ‘betekenis hechten aan’). Er is geen andere bron van leven, van betekenis. Alle andere wegen, alle andere verhalen, leiden alleen maar tot de dood, tot betekenisloosheid. Daarom is de aankondiging van het Koninkrijk van God ook zulk goed nieuws, voor alle mensen, voor de hele schepping.
Maar deze aankondiging stelt ons wel voor de keus: houden we vast aan onze eigen verhalen, onze eigen zingeving van ons leven, of geven we die op, sterven we aan onszelf, en laten we ons voortaan betekenis geven door Gods liefde? Ontvangen we van Hem het leven van de Eeuwigheid? Door dat te doen treden we in de voetsporen van Jezus, worden we met Hem vereenzelvigd. Hij sprak namelijk niet alleen over het koninkrijk, over het verhaal van God: Hij IS het Verhaal van God. In zijn leven (waarbij hij zijn betekenis alleen van God ontving), in zijn dood (waarin hij afzag van elke zelfrechtvaardiging, elke zelfbevestiging), in zijn opstanding (door de kracht van God en niet door eigen kracht) en zijn verhoging (God geeft hem de positie waarvoor Hij bedoeld was). Hij roept ons vervolgens op om op Hem te vertrouwen in alles, te sterven aan onze eigen centrale positie in ons verhaal, en ons door God nieuw leven te laten geven en zo onze plek in te nemen in Gods verhaal. Jezus’ verhaal (dat is: Gods verhaal, Gods koninkrijk), wordt ons verhaal, ons leven. En zo worden wij zoals God ons bedoeld heeft.
Een beter verhaal is er niet. Ik word er enthousiast over, ik ga ernaar verlangen. Ik geloof erin.

Dit is echter niet hoe in veel kerken over het geloof wordt gesproken. Het is ook niet hoe ik in de kerk waar ik opgroeide over God hoorde. Ik hoorde een heel ander verhaal. Ik hoorde dat ik een zondaar was, zonder dat ik daar zelf voor gekozen had. Ik hoorde dat God boos op mij was, en daarom eigenlijk niets anders kon of wilde dan mij voor eeuwig straffen. Ik hoorde dat Jezus tussenbeide was gekomen, en dat God Hem had gestraft en niet mij. Ik hoorde dat als ik dat maar geloofde, dat ik dan naar de hemel zou gaan. Ik hoorde dat ik in de tussentijd mijn best moest doen om goed te leven, want ik was dan wel gered van het oordeel, maar God was eigenlijk nog steeds boos op mijn zonde. Ik moest hem niet verder teleurstellen. Aan de ene kant was ik blij dat ik voor eeuwig gered was en naar de hemel ging, aan de andere kant was ik voortdurend bang om tekort te schieten en ‘te licht te worden bevonden’. Dit was het ‘evangelie’ werd mij gezegd.
Een groot deel van wat ik schrijf op mijn blog, is bedoeld om af te rekenen met dit verwrongen beeld van God en van zijn bedoeling. God is niet boos op mij, zelfs niet als ik niet ‘schuil achter het bloed van Jezus’. God is nu en te allen tijde Liefde. Maar de realiteit is dat wat ik ben gaan zien als een vals evangelie (wat Dallas Willard noemt: het evangelie van zondemanagement) in de kerk waar ik opgroeide wel werd onderbouwd door bijbelteksten. De bijbel gebruikt wel degelijk de beeldspraak van rechtspraak. Van God als rechter, van de duivel als aanklager, van Jezus als advocaat, en als degene die straf ondergaat in onze plaats. Ik sprak laatst met een vriend van vroeger. Die had een paar van mijn stukken gelezen op mijn blog. En hij merkte op: “Jij hebt niet zoveel met het idee van verzoening door plaatsvervanging he?” Hij vond dat een probleem, omdat het wel in de bijbel voorkomt. En misschien hebben meer lezers van mijn blog het idee dat ik me verzet tegen ideeen die duidelijk in de bijbel staan en dat ik een theologie wil opbouwen die op andere dingen is gebaseerd dan Gods woord. Ik hoop dat mijn liefde voor de bijbel ondertussen wel is gebleken uit mijn stukken (lees anders Indrukwekkende Vrijheid nog eens en verbaas je over de hoeveelheid bijbelteksten die ik uit puur enthousiasme aanhaal). Ik geloof in de bijbel. Ik geloof ook in bovengenoemde teksten die gaan over het offer van Jezus voor onze zonden. Ik geloof echter niet in de theorie van de verzoening die daarvan is afgeleid. Of beter: ik geloof niet dat het de enige theorie is die de feiten (de bijbelteksten) verklaart, en ook niet dat deze verzoeningstheorie het Verhaal van God omvat. Het is eerder andersom.

Om bij het eerste te beginnen: de in de evangelische wereld gehanteerde verzoeningsleer (de mens is zondig, God is rechter en moet de mens straffen, Jezus draagt de straf, en wie dat voor waar aanneemt gaat naar de hemel) is maar een interpretatie van de bijbelse gegevens. Deze theorie staat nergens letterlijk zo uitgespeld. Het betoog uit de eerste hoofdstukken van de Romeinenbrief bevat veel van de genoemde elementen, maar geeft nergens een zo heldere samenvatting dat deze leer er als absolute waarheid uit afgeleid kan worden. Sterker nog: de ‘verzoening door plaatsvervanging’ blijkt in de theologie een vrij recente theorie - opgesteld rond het jaar 1000 door Anselmus. Al die eeuwen daarvoor interpreteerden christenen de bijbelteksten op een heel andere wijze. De ‘Christus victor’-theorie van de verzoening - waarbij Jezus door zijn dood en opstanding de macht van zonde en dood overwon en ons van de overheersing daarvan bevrijdde - had toen de overhand. Er zijn nog wat meer ‘theorieen van de verzoening’ - die allemaal een kant belichten van het werk van Jezus. Om een ervan tot absoluut te verklaren, beperkt ons zicht op wat Jezus deed.
Bovendien is de theorie over onze redding te klein om te dienen als basis voor ons geloof en onze geloofsbeleving. Je leven baseren op deze leer leidt ertoe dat je een verstandelijke keuze maakt voor of tegen Jezus - en dan voor altijd gered bent. Maar het leidt niet tot een veranderd leven, het leidt niet tot mensen die van harte Jezus volgen en anderen liefhebben, het leidt ook niet (dat deed het in elk geval niet bij mij) tot liefde voor God (want die was boos op mij, als hij mij niet zag door Jezus heen), en ook niet tot enthousiasme over het evangelie (ik moest anderen vertellen dat ze moesten stoppen met het doen van wat ze graag wilden, maar allerlei dingen moesten doen die ze niet wilden. Geen goed nieuws.)
Deze theorie liet namelijk geen ruimte voor het goede nieuws van het koninkrijk van God (dat was in onze gemeente een vrij onbekend begrip. We waren zo wie zo geneigd om te denken dat wat Jezus zijn discipelen vertelde niet voor ons gold, omdat wij leefden na Jezus’ dood en opstanding), deze theorie liet geen ruimte voor de geschiedenis van Israel (alleen als bron van voorbeelden voor ‘typologische uitleg’, maar niet als deel van de heilsgeschiedenis zelf), maar ook niet werkelijk voor de opstanding van Jezus (alleen als ‘bevestiging’ van Jezus’ goddelijkheid, niet als noodzakelijk voor ons behoud. Alles was aan het kruis gebeurd. Daarom hoefden we het maar een keer per jaar over de opstanding te hebben en elke andere zondag over het kruis). De verzoeningsleer bood geen plek voor sociale gerechtigheid of zorg voor de schepping (deze wereld stond onder het oordeel en zou vergaan), en discipelschap werd gereduceerd tot bidden en bijbellezen. Er was geen ruimte voor de hele menselijke ervaring (schrijven en kunst waren bijzaken, hooguit afleiding) of voor echt gemeente zijn (het ging erom Jezus te aanbidden, niet om echt relaties met elkaar te hebben).
Maar als we het omdraaien, blijkt de leer over de redding wel te passen in het Grote Verhaal van God, zoals ik dat in de afgelopen blogberichten uiteenzette. We kunnen het Grote Verhaal van het koninkrijk, niet zien door de bril van de ‘verzoening door plaatsvervanging’, maar kunnen de ‘verzoening door plaatsvervanging’ wel zien door de bril van Gods scheppende liefde, Gods koninkrijk. Want als wij onszelf centraal stellen en niet God (de wortel van de zonde), snijden we ons af van de bron van het leven, en ervaren we daarvan de gevolgen. Dat is ons oordeel. ‘Het licht kwam in de wereld en de mensen hielden meer van de duisternis dan van het licht, want hun daden waren slecht’ (Johannes 3:19). En Jezus identificeerde zich inderdaad met de Godverlatenheid waar wij voor hadden gekozen, en al de gevolgen ervan. Hij nam dus onze zonde en de consequenties ervan op zich, precies zoals de verzoeningstheorie het wil, zodat wij die niet meer hoeven ervaren. Want Jezus werd uit de dood opgewekt, en ook daarin worden wij met Hem geidentificeerd. God accepteert ons als zijn kinderen en zijn leven gaat door ons heen stromen.

Jezus’ dood en opstanding hadden echter grotere gevolgen dan de kwijtschelding van de zonde van het individu alleen. Ze betekenden de overwinning van Gods scheppende liefde. Ze bewerkten leven uit de dood, een nieuwe (of vernieuwde) schepping. Die zich uitte in de levens van mensen, maar uiteindelijk leidt tot een vernieuwde hemel en aarde, waar gerechtigheid woont. Uiteindelijk zal Gods koningschap hersteld zijn, zal Gods verhaal de enige bron van betekenis zijn, en zal de liefde zoals die zichtbaar werd in Jezus het laatste woord hebben. Dat Jezus ons redde van onze zonden, is daar een onderdeel van, maar is niet de hoofdzaak. Zie bijvoorbeeld de oudste samenvatting van het goede nieuws dat de apostelen brachten, die Paulus geeft in 1 Korintiers 15: “Het evangelie ... dat uw redding is ... dat christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, en dat hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen ...” Zelfs het schema van de redding uit de Romeinenbrief staat in het kader van ‘het evangelie over Gods Zoon, een mens voortgekomen uit het nageslacht van David, aangewezen als Zoon van God en door de heilige Geest bekleed met macht toen hij, Jezus Christus onze Heer, opstond uit de dood.’ Ook in 2 Korintiers 5 plaatst Paulus Jezus’ verzoenende dood in het kader van Jezus’ opstanding en de vernieuwing van de hele schepping. ‘We zijn ervan overtuigd dat een mens voor alle mensen is gestorven, waardoor alle mensen zijn gestorven, en dat hij voor allen is gestorven, opdat de levenden niet langer voor zichzelf zouden leven, maar voor hem die voor de levenden is gestorven en is opgewekt ... daarom ook is iemand die een met Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen. Dit alles is het werk van God’ (v14-17). Het verhaal van Jezus' leven, dood en opstanding is het goede nieuws.
Ik lees op dit moment het boek The King Jesus Gospel van de Amerikaanse theoloog Scot McKnight. Hij legt uit dat veel christenen het goede nieuws beperken tot de boodschap over de redding. Maar dat het evagelie voor de eerste christenen veel breder was. Het was de boodschap dat in Jezus het verhaal van God tot zijn vervulling kwam - het verhaal dat in het Oude Testament begon, namelijk van Gods regering op Aarde. Jezus was de beloofde koning, door wie die regering werkelijkheid zou worden. McKnight citeert onder andere een van mijn favoriete schrijvers N.T. Wright: “The gospel is not a system of how people get saved. The announcement of the gospel results in people getting saved ... But ‘the gospel' itself, strictly speaking, is the narrative proclamation of King Jesus. Or, to put it yet more compactly: Jesus, the crucified and risen messiah is Lord.” Het evangelie is het verhaal over Jezus, zegt McKnight, aan de hand van 1 Korintiers 15. “The authentic apostolic gospel, the gospel Paul received and passed on and the one the Corinthians received, concerns these events in the life of Jesus: that Christ died, that Christ was buried, that Christ was raised and that Christ appeared. The gospel is the story of the crucial events in the life of Jesus Christ. Instead of ‘four spiritual laws’ which for many holds up our salvation culture, the earliest gospel concerned four events or chapters in the life of Jesus Christ.” Door het alleen maar te hebben over de redding van onze zonden ontstaat een ‘reddingscultuur’ in de kerk, waarbij het alleen maar gaat om het eenmalig maken van een keuze voor Jezus, en niet om een leven van discipelschap, een leven dat van navolging. “The plan of salvation is not the gospel”, benadrukt McKnight. “The plan of salvation emerges from the story of Israel/Bible and from the Story of Jesus, but the plan and the gospel are not the same big idea ... The ‘gospel’ cannot be reduced to the plan of salvation. Instead, the plan of salvation, flows out of and is founded upon the story of Israel and the Story of Jesus. The good news is that the more we submerge ‘salvation’ into the larger idea ‘gospel’, the more robust will become our understanding of salvation.” Christen zijn is namelijk, zoals ik in deze serie heb betoogd, niet het rationeel aannemen van een set geloofswaarheden. Het is het opnemen van het juk van Jezus, het sterven met Hem, dat wil zeggen: Hem volgen in zijn dood, in de hoop met hem uit de dood op te staan. Het is een leven dat niet om het eigen gelijk en geluk draait, maar om de wetenschap door God geliefd te zijn, en zelf de naaste en God op dezelfde manier lief te hebben. Dat is wat Jezus’ dood en opstanding mogelijk hebben gemaakt. Dat is het Grote Verhaal, dat is goed nieuws.

donderdag 1 december 2011

Grassen in de herfst

De laatste tijd heb ik zoveel foto's van mijn reis naar de Verenigde Staten geplaatst op mijn blog dat mensen zouden kunnen gaan geloven dat ik ondertussen niet meer fotografeer. Maar dat is niet het geval. Zo was ik in oktober in een park in de buurt van Amsterdam. Het was een zonnige middag, er groeiden allerlei soorten grassen en andere planten, en ik had mijn fototoestel bij me. Dat leverde onder andere de volgende plaatjes op.






Wie dit soort foto's van normale grassen en bloemen mooi vindt, en bij dat soort foto's ook wat van mijn gedachten over schoonheid, natuur, God en genade zou willen lezen, wil ik graag wijzen naar Het Boek van de Natuur, dat vorige week verschenen is. Dit boek bevat essays over de relatie tussen christenen en de natuur, en onder andere een fotoreportage van mijn hand. Nu te verkrijgen in de christelijke boekhandel! En op internet natuurlijk.

dinsdag 29 november 2011

Filmbespreking: Babette's Feast

Vorige week had ik een boeiend gesprek met een vriend. Die wees erop dat als christenen  met elkaar over de bijbel gaan praten, ze al snel verzanden in ‘welles-nietes’-gesprekken. De gemoederen lopen hoog op en iedereen wil zijn of haar gelijk halen. Dit is goed te zien op christelijke websites en blogs. De vraag van die vriend was, hoe ik de bijbel las. Want ik ben opgegroeid in een geloofsgemeenschap met een nogal stellige eigen bijbeluitleg. Daardoor kreeg ik een verwrongen beeld van wie God was en wat hij van me wilde, en mede daardoor werd ik overspannen. Toch -zei mijn vriend- was het in alles wat ik schreef duidelijk dat ik nog steeds gegrepen ben door de bijbel. Meer dan toen ik nog zoveel bijbelstudie deed, denk ik zelfs. Waardoor heb ik mijn liefde voor de bijbel weten te behouden? En hoe zou je als christenen op zo’n manier met elkaar in gesprek kunnen over de bijbel dat die echt de kans krijgt te spreken, zonder dat er loopgraven worden aangelegd en stellingen worden betrokken, zonder dat christenen andersdenkende gelovigen veroordelen? Ik moest aan deze vragen denken toen ik in het weekeinde de Deense film Babette's Feast keek.

De film, gebaseerd op een verhaal van Karen Blixen (onder de schuilnaam Isak Dinesen),vertelt over twee zussen die leven in een uithoek van Denemarken, ergens halverwege de negentiende eeuw: Martina, genoemd naar Martin Luther, en Philippa, genoemd naar Philip Melanchton. Zijn zijn de dochters van een protestantse dominee, die een eigen strenge religieuze groepering heeft opgericht. Na zijn dood nemen de zussen de leiding over de groep over. Ze leven heel godsdienstig. Hun eten is eenvoudig, ze leven zonder luxe, ze zorgen voor de armen. Geen van beide is ooit getrouwd, hoewel ze de knapste vrouwen van het dorp waren, omdat volgens hun vader aardse relaties niet belangrijk waren vergeleken met het hemelse goed. En geen van beide heeft haar zangtalent ontplooid en ontwikkeld, hoewel ze talentvol waren. Ze hebben zich volledig toegewijd aan de religieuze erfenis van hun vader.
Maar zelfs die droom lijkt uiteen te vallen. Aan de vooravond van de honderdjarige geboortedag van de dominee zijn er spanningen ontstaan in de religieuze groepering. Mensen beschuldigen elkaar, oude koeien worden uit de sloot gehaald, er wordt met de vuisten gezwaaid. Als er niet iets gebeurt, vrezen Martina en Philippa, spat het kleine kerkje uit elkaar.
Er gebeurt echter geen wonder, maar een in hun ogen nog grotere ramp vindt plaats. Hun huishoudster Babette, een vrouw die vijftien jaar geleden uit Frankrijk gevlucht was, heeft een prijs gewonnen in de loterij. Daarvan wil zij een echt Frans diner koken voor op de feestbijeenkomst. Een diner met wijn! De blik in de ogen van de zussen zegt genoeg: dit zijn vleselijke lusten, die de gelovigen afleiden van het dienen van Jezus. Het is de overdaad van een heksensabbat. Eensgezind besluiten de kerkleden dan ook om bij het eten te zwijgen en niets over de gerechten of het drinken te zeggen. Ze zullen er niet van genieten. “Het zal zijn alsof we geen smaakpapillen hebben.” En zo geschiedt. De sfeer aan tafel is kil. Religieuze dooddoeners zijn de enige woorden die klinken. De gasten eten alsof het een straf is.
De enige die de gaven van Babette op waarde weet te schatten is een generaal, die toevallig met zijn tante is meegekomen. Hij heeft maar een keer eerder zoiets goeds gegeten, in het Parijse restaurant, het Cafe Anglais, waar ooit een vrouwelijke chefkok stond. Als ze zien hoe de generaal ervan geniet, durven de anderen zich langzaam maar zeker ook open te stellen voor de maaltijd. En voor elkaar ...

Ik had voordat ik de film keek, al vaker gelezen over dit verhaal, en wel in het boek Genade, wat een Wonder van Philip Yancey. Op basis van zijn beschrijving had ik al een mentale voorstelling van hoe de film zou zijn. Maar die bleek niet overeen te komen met de waarheid. De film was minder grimmig en somber dan ik me hem had voorgesteld, en ook de religieuze sekte-achtige omgeving was minder onderdrukkend dan ik in gedachten had. Dat een deel van het verhaal gaat om het karakter van de generaal, en een Parijse zangdocent, had daar zeker invloed op. De film maakt veel gebruik van ‘voice over’. Dat geeft aan het verhaal nog wat meer het karakter van een fabel, een sprookje. Het is het plot dat het belangrijkst is. De karakters blijven afstandelijk, in elk geval in mijn eigen beleving. Het verhaal had daar wat mij betreft meer ruimte voor mogen nemen. Ik vond zelf ook sommige dialogen niet zo duidelijk, maar dat kan komen door de Nederlandse vertaling. De muziek is eenvoudig, maar wel aangrijpend. De vreugde van een kok in haar element is goed in beeld gebracht. En ik denk dat de film genoeg gelaagdheid bevat om nog een keer te kijken. Absoluut een aanrader, vooral voor filmkijkers die een beeld willen krijgen van hoe extravagant ware genade is.

Want dat is het thema van dit verhaal - de titel van het boek waarin de film werd aangehaald, suggereerde het al. “De genade kwam naar Norre Vosburg, zoals zij altijd komt: gratis, zonder voorwaarden”, zegt Philip Yancey. Babette zet haar hele fortuin in om een enkele overdadige maaltijd klaar te maken. Kosten noch moeite worden gespaard. Ze laat zelfs een zeeschildpad aanrukken. En het blijkt dat ze niets heeft overgehouden, niets om een eigen leven op te bouwen, niets om terug naar Parijs te gaan. Ze heeft alles gegeven. En daar heeft ze geen enkele spijt van. Haar werkgeefsters hadden er niet om gevraagd. Ze hadden zelfs aanvankelijk Babettes aanbod niet willen accepteren. Ze vonden dat zij zelf voor het eten zouden moeten betalen. Maar Babette bleef onvermurwbaar. Zelfs al had ze kunnen vermoeden dat deze eenvoudige mensen die leefden van ‘bierbrood’ haar gave niet op waarde konden schatten, zelfs al kon ze wel weten dat deze boeren niet het verschil tussen een wijn uit 1840 en een uit 1860 konden proeven (‘Het lijkt wel limonade’ - zegt er een in de film), toch zet ze zich volledig in: ze maakt in een simpele keuken een zinnenprikkelend diner, overstelpend goed, zoals dat geserveerd wordt in het Cafe Anglais. Een andere wereld treedt binnen in het simpele vissersdorp. Waarom ze zoiets doet? Het is een geschenk dat ze zelf heeft besloten te geven. ‘Throughout the world sounds one long cry from the heart of the artist: Give me the chance to do my very best.’.  Niet omdat iemand er om had gevraagd, niet omdat iemand er recht op kon laten gelden. Ook hoefde niemand er iets voor terug te doen, eraan mee te betalen of er zelfs maar dankbaar voor te zijn. Ze kon het niet meer terugnemen. Eenmaal gegeven, altijd gegeven. En het geschenk dat ze gaf was alles dat ze had.
Het is een beeld van Gods extravagante genade, genade die niet in verhouding staat tot wat wij hebben gedaan of hebben verdiend. Goedheid en schoonheid en liefde en betekenis die God over ons uitstort, gewoon omdat Hij dat wil. Zelfs al kunnen wij het niet bevatten, zelfs al waarderen we het nauwelijks, zelfs al beschikken we niet over de mentale capaciteiten om haar te ontvangen, God geeft ons niet zomaar genade maar ‘zelfs genade op genade’ (Johannes 1:16). Wat hij ons schenkt is buitensporig. Als een ver familielid dat een neefje dat twee wordt, een eigen huis met tuin en auto kado geeft, of een koning die een zwerver bij de poort het koninkrijk schenkt en een kroon opzet. Het is aanstootgevend. Zoveel genade, daar moet toch iets achter zitten? Daar moet Hij toch iets voor terug willen? Maar nee: geen addertjes onder het gras. Hij geeft ons alles wat Hij is, zonder iets achter te houden, omdat Hij nu eenmaal zo is.
De generaal heeft het door: “There comes a time when our eyes are opened and we come to realize that mercy is infinite. We need only await it with confidence and receive it with gratitude. Mercy imposes no conditions. And lo! Everything we have chosen has been granted to us. And everything we rejected has also been granted. Yes, we even get back what we rejected. For mercy and truth have met together, and righteousness and bliss shall kiss one another.”

En deze compleet uit verhouding staande genade kan zelfs christenen veranderen. Wat is het ironisch dat de twee zussen om wie het verhaal gaat, zijn genoemd naar twee hervormers. En wel naar een hervormer die de exorbitante genade van God predikte. Soli gratia, alleen maar genade, zei Luther. En die aan een vriend schreef dat deze als hij zo twijfelde over zijn zondigheid, ‘moedig moest zondigen, om de duivel beschaamd te laten staan’. Niet dat hij bewust kwaad moest doen, maar hij moest zich niet door zijn geweten teneer laten drukken. De genade van God was immers de overstelpende realiteit - daar kon de duivel niet tegenop. Luther kende de genade. Maar, zoals deze film laat zien, zijn volgelingen kenden niet de genade zelf, maar alleen de woorden over de genade. Ze zingen er wel over in hun liederen, en ze halen er teksten over aan uit de bijbel, maar ze beleven de genade niet. Ik moest denken aan de gemeente waar ik opgroeide. Waar zoveel bijbelkennis aanwezig was, waar mensen met gemak allerlei gedeeltes konden citeren, waar de broeders zich elke week samen bogen over het woord, maar waar geen genade was.
De groep die in deze film in beeld wordt gebracht, deed me er sterk aan denken. Ze zaten in hun donkere kleding elkaar maar aan te kijken, deden religieuze uitspraken, en vonden zich heel wat beter dan andere mensen. Ze minachtten het Aardse leven en aardse geneugten, want het ging hen om de hemel. Ze gingen niet alleen in het zwart gekleed, ze maakten elkaar zwart. Met scherpe woorden en pijnlijke beschuldigingen maakten ze elkaar klein. Het geloof werd een beklemmende omgeving, en in die beklemmende omgeving werden mensen beknot. Martina kreeg nooit een relatie, Philippa kreeg nooit zangles. Pijnlijk herkenbaar: mensen begraven hun eigenheid en talenten om de idealen van de groep te dienen.
Maar deze groep baseerde zich op dezelfde bijbel als waar Maarten Luther zich op baseerde toen hij predikte over de genade. De gemeente waar ik opgroeide baseerde zich op dezelfde bijbel - met overgave: deze kerk staat bekend om haar bijbelkennis - dezelfde bijbel waar iemand als Philip Yancey zich op baseert. Dezelfde bijbel die ik nog steeds aanhaal in mijn artikelen op mijn blog. Hoe kan het mogelijk zijn dat diezelfde basis leidt tot zo verschillende mensenlevens? Iemand vertelde me laatst dat zij een gesprek had gehad met collega’s over het christelijk geloof, en dat die collega’s horrorverhalen vertelden over hypocrisie en intolerantie, met het voorbeeld van een vrouw die op haar bruiloft in een zwarte bruidsjurk naar het altaar moest kruipen omdat ze zwanger was geworden voordat ze trouwde. Het is mensonterend! Maar deze gelovigen lezen dezelfde bijbel als ik. En ze zouden mij waarschijnlijk precies kunnen uitleggen aan de hand van citaten waarom wat zij zo’n vrouw aandoen, is wat God bedoelt. Zoals ik met de bijbel in mijn hand precies kon uitleggen waarom onze kerk gelijk had en andersdenkenden ‘het licht niet hadden’.
De oplossing kan niet komen uit de bijbel zelf, niet door die te bestuderen, niet door die aan te halen. De bijbel is slechts een communicatiemiddel, niet de boodschap zelf. Wat ons verandert is een ervaring van de overstelpende genade van God, die is verschenen ‘heilbrengend voor alle mensen’ (Titus 2:11). Het is niet genoeg om over genade te praten, het is niet genoeg er een bijbeluitleg over te kennen en het is ook niet genoeg om erover te zingen. Woorden zijn dood. Kennis maakt opgeblazen, alleen de liefde sticht. Maar de genade is, zoals de maaltijd in deze film, geen concept, maar realiteit. Het is iets tastbaars, iets goeds. Het komt binnen in dit leven. We ervaren het geschenk van Gods liefde in de schoonheid van de natuur, in de relatie met onze medemensen, in onze betekenisvolle bijdrage aan de wereld. In al die goedheid wordt Gods liefde concreet. En al die goedheid is maar een fractie van wat God ons wil geven.
Genade wordt voor ons realiteit, als we ons ervoor open stellen. De gemeenteleden in deze film sluiten zich af voor het geschenk van Babette, omdat ze hun eigen gelijk willen beschermen. Gelukkig is de generaal er, die er wel van weet te genieten. Die de maaltijd ontvangt als een verrassing en zich erdoor laat veranderen. En de twee zussen en hun mede gelovigen volgen uiteindelijk zijn voorbeeld. Ze beginnen daadwerkelijk te proeven. En hun gezichtsuitdrukking verandert. Ze gaan lachen. Mensen vergeven elkaar, de waarheid wordt uitgesproken, relaties worden hersteld. En iemand roept uiteindelijk tot de sterrenhemel: ‘Hallelujah’.

Mijn antwoord op de vraag van mijn vriend zou dus zijn dat bijbelstudie niet moet beginnen met de bijbel - hoe geestelijk dat ook lijkt. Zelfs als we zeggen dat we alleen de bijbel laten spreken, en de schrift recht snijden, ontsnappen we niet aan onze ik-gerichtheid. We passen de bijbel in in ons eigen kleine verhaal, we ontlenen onze betekenis aan onze bijbeluitleg, we beoordelen anderen naar de mate waarin ze het met ons eens of oneens zijn. Net als in de rest van ons leven moeten we ook voor onze bijbeluitleg onze plaats innemen in het verhaal van God. Dat verhaal dat draait om God die met zijn liefde leven schept uit het niets van de dood. Is er een betere definitie van genade? Het leven is het grootste geschenk, gegeven aan wie er niets voor kan terugdoen omdat die dood is. Wij geven toe dat we zwak zijn, dat we ongeneeslijk religieus zijn, dat we uit onszelf geneigd zijn te kiezen voor het oordeel en de wet boven de genade en het leven. We geven onze eigen zekerheid en trots op en vertrouwen op de levenbrengende goedheid van God. We openen onze handen om het geschenk van God te ontvangen. Dan schept God leven in de van zichzelf dode bijbelse woorden (woorden die ertoe kunnen leiden dat gelovigen anderen vernederen als ze voor hun huwelijk zwanger zijn). Dan ontmoeten we in de tekst deze liefdevolle, genadige God, die ons in Jezus alles heeft gegeven wat Hij is. Dan raken onze harten brandende in ons, zoals bij de Emmausgangers. En dan delen we uit wat we ontvangen hebben, niet uit religieuze plicht, maar zoals de generaal in de film, die niet anders kon dan zijn enthousiasme over het eten delen met zijn tafelgenoten. Dan wordt het bijbellezen een feest.