Posts tonen met het label hemel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hemel. Alle posts tonen

vrijdag 18 september 2015

Boekbespreking: The Zero Marginal Cost Society (3): de fractal van Gods koninkrijk

Wat we volgens Rifkin zien doorheen de ontwikkeling van de mensheid (van steentijdstammen tot derde industriële revolutie) is dat de inherente sociale natuur van de mens steeds meer zichtbaar wordt en steeds meer dat 'anders' is in zich sluit. En deze ontwikkeling richting de Homo empathicus wordt niet bereikt door enkele individuen, is niet afhankelijk van onze eigen inzet. Het lijkt een ontwikkeling te zijn die zichzelf voortbrengt: nieuwe innovaties in communicatie, vervoer en energie leiden tot een nieuw bewustzijn bij de mens, en dat gaat leiden tot nieuwe innovaties. Het is niet van elkaar te scheiden: er is ontwikkeling op alle terreinen en die dragen allemaal aan elkaar bij. Het betekent ook dat het niet te stoppen is. Het is niet voor niets dat juist in deze tijd de Chaostheorie in opmars is, want deze lijkt dit proces prima te beschrijven.

Chaostheorie beschrijft hoe uit een chaotisch systeem bij een heel kleine verstoring al heel complexe patronen kunnen ontstaan, schijnbaar spontaan, zoals fractals. Dit blijkt op veel terreinen te gelden: het weer bijvoorbeeld. Maar ook bij de aanleg van organen in het lichaam. De werkelijkheid lijkt een fractalstructuur te hebben. Martin Brasier past het principe in Darwin's Lost World toe op de evolutie. Het ontstaan van leven kan namelijk worden beschouwd als het effect van een chaotisch systeem dat zoekt naar een equilibrium. Hierbij ontstaat toenemende complexiteit (een fractal). Dit geldt voor de vorming van een cel (veel complexer kan een structuur niet zijn) uit het chaotische chemische systeem van de 'oersoep'. De opkomst van meercellig leven was op gelijke wijze het effect van het complexe systeem van eencellig leven dat in een crisistoestand terechtkwam en een nieuwe evenwicht zocht. Dat evenwicht is nu, na bijna 600 miljoen jaar, nog steeds niet bereikt en de opkomst van mensen en het ontstaan van bewustzijn zijn steeds complexere uitingen van het naar evenwicht zoekende systeem: steeds verdere vertakkingen van de fractal.
Welke richting deze ontwikkeling van chaotische systemen uitgaat wordt bepaald door een 'strange attractor' - zoals de route die een lawine volgt, wordt bepaald door de valleien in een berghelling. Onder de chaos van onze wereld schuilt dus een principe, de 'strange attractor' dat als vanzelf' het menselijke bewustzijn voortbrengt. En dit bewustzijn ontwikkelt zich, zoals we zagen, nog steeds, naar steeds meer samenwerking en empathie! Mensen kunnen dit met hun bewuste handelen misschien tijdelijk tegenhouden, maar ze kunnen het niet stoppen. Wij behoren namelijk tot het systeem zelf, en niet tot de 'strange attractor' onder het systeem!

Zo zien we dus dat zonder dat het een bewuste keuze is, de beschikbaarheid van nieuwe technologie nu al bij jongere generaties leidt tot een andere manier van leven. Waarbij delen vanzelfsprekend is, toegang tot wat nodig is een recht, en iedereen er bij moet kunnen horen. Mijn jonge nichtje groeit op in een heel andere wereld dan ik, zonder dat een enkel persoon heeft gekozen dat die wereld er moet komen. De komst van de nieuwe wereld is een gegeven, inherent aan de 'strange attractor' onder onze wereld.
Ik zie hier een connectie met de sacramentele manier van naar de wereld kijken (versus de transactionele manier) en de manier waarop Jezus spreekt over het koninkrijk van God: een realiteit die al aanwezig is, maar nog zichtbaar aan het worden is. Als gist dat deeg doortrekt, en het hele deeg verandert, of als zaad in de akker. Wat als de 'strange attractor' die de schepping naar een steeds hoger organisatieniveau brengt en mensen naar een steeds hoger niveau van empathie, niets anders is dan de aanwezigheid van God, dan zijn koninkijk? Wat als wij er niet voor verantwoordelijk zijn, maar zijn aanwezigheid in de chaos uiteindelijk de nieuwe wereld daaruit voort laat komen? Wat als alles wat wij om ons heen zien opbloeien aan samenwerking en aan liefde uitingen zijn van dit proces, de eerste tekenen van wat nog gaat komen? Wat als God ooit alles zal zijn en in allen, en dat er dan geen tempel meer zal zijn, en geen handel, maar dat het Lam het licht van de mens zal zijn? Wat als deze aanwezigheid van God onder alle dingen, die door de geschiedenis heen leven brengt uit de dood, en complexiteit uit chaos, volmaakt is zichtbaar geworden in de dood en opstanding van Jezus, en nu al gedeeltelijk zichtbaar wordt in ons eigen leven, elke keer als we ervoor kiezen betekenis te creëren of elkaar lief te hebben?

Natuurlijk zullen er christenen zijn die deze manier van naar de wereld kijken te positief vinden, die erop wijzen dat volgens de bijbel alles slechter zal worden, eindigend in een apocalyps, waarna alles in vuur zal vergaan. De op dit moment standaard toekomstverwachting van de evangelische kerk is voortgekomen uit de Vergadering van Gelovigen, een van de kerken die opkwam tegelijk met het ontstaan van het kapitalisme. En die dus door hetzelfde escalerende 'wij-zij'-denken, het schaarstedenken, wordt gekenmerkt. Ik schreef hierover in mijn essay over de laatste Hunger Games-film.
De realiteit is echter dat dit niet de enig mogelijke interpretatie is van de schriften. Het is ook mogelijk aan te nemen dat de woorden van Jezus in Mattheus 24 en de beschrijvingen uit Openbaring bedoeld waren voor de gelovigen in die tijd, die hun eigen apocalyptische ervaringen zouden hebben: de val van Jeruzalem, en de christenvervolgingen in het Romeinse rijk. Zij kregen de aanmoediging hoop te houden, te blijven strijden tegen het oude wereldsysteem en te hopen op de toekomst die zou komen. Dezelfde aansporingen kunnen wij goed gebruiken in onze strijd. Niet tegen vlees en bloed, maar tegen overheden en machten in de hemelse gewesten: de mensonterende geest achter het kapitalisme en het fundamentalisme. Tegelijk zeggen de christenen die op deze andere manier de bijbel uitleggen dat we in de tijd leven van de regering van Christus ('het millennium'), waarin het koninkrijk (zij het onder tegenstand) steeds duidelijker zichtbaar wordt. Het is niet tegen te houden. En als het volledig zichtbaar is, de nieuwe wereld is gearriveerd, zal de Koning zelf komen en zullen wij hem tegemoet gaan om hem binnen te halen.
Ook deze uitleg is geen moderne inventie, maar heeft goede papieren in de geschiedenis van de kerk. Zou het dan kunnen zijn dat de nieuwe initiatieven die we om ons heen zien verschijnen, de komst van een empathische cultuur, niet een rijk van de antichrist is waar we weer bang voor hoeven zijn, maar juist een uiting van de komst van de koning, een teken dat zijn terugkeer nabij is? En zou het kunnen dat we de komst van deze nieuwe wereld niet kunnen tegenhouden, maar dat de uitnodiging is om eraan bij te dragen? Ook het koninkrijk van God wordt realiteit met of zonder ons, maar Jezus nodigt ons uit om ervoor open te staan 'als een kind', en het in ons leven al zichtbaar te laten worden. Dan worden we een korreltje in de fractal, een steen in de tempel die nu wordt gebouwd.
Ik schreef al eerder op mijn blog over deze dingen onder de titel 'Het spel verlaten'. En nu pas, tijdens het schrijven van deze wel heel uitgebreide boekbespreking, realiseer ik me dat die serie erover ging dat ik afscheid nam van de oude structuren gebaseerd op angst en het onder controle houden van mensen. Dat spel wilde ik niet meer meespelen. Maar pas nu zie ik de contouren opdoemen van het alternatief, en wat een fantastisch visioen is het! Dit is het waard om voor te leven! Je moet eerst het oude systeem verlaten, voor je oog kunt krijgen voor het nieuwe! Over wat dit betekent voor de kerk, zullen we met elkaar nog moeten nadenken. Het zal waarschijnlijk, net als in de nieuwe economie, gaan over samenwerking, netwerken, delen en toegang hebben tot. Ik ben benieuwd wat er op dat gebied allemaal gaat ontstaan.

Rifkin geeft in zijn boek allerlei inspirerende voorbeelden van de 'collaborative commons', de nieuwe manieren van samenwerken en van delen die voor de komende generaties steeds vanzelfsprekender worden. Ikzelf zoek al naar foto's op Morguefile en naar inspirerende kunst op Deviantart. Mijn vrouw luistert muziek en kijkt video's op Youtube. Mensen boeken geen hotelkamers meer, maar logeren bij anderen via couchsurfing en AirBnB, en ze delen auto's met elkaar via Greenwheels. En elke dag staan er in de krantjes artikelen over de opkomst van robots, het belang van empathie, en nieuwe ideeen op het internet, zoals Kickstarterprojecten en andere vormen van crowdfunding. Rifkin schrijft over nieuwe vormen van landbouw, waarbij mensen zich aansluiten bij coorperaties en samen inkopen gaan doen. Ze investeren samen in een boerderij en krijgen er groente voor terug. Een ander mooi initiatief dat hij beschrijft is een systeem waarbij moeders kinderkleding uitwisselen. In plaats van om de paar maanden nieuwe kleren te kopen (heel verkwistend), doen ze de oude kleren in een zak die ze opsturen. En ze krijgen een zak met kleding in een grotere maat terug. Het systeem werkt zo dat mensen ervoor beloond worden als ze niet versleten kleding opsturen. Prachtig om te lezen!
Dit soort verhalen leiden ertoe dat ik voor het eerst in lange tijd hoop heb voor de toekomst. Eindelijk kan ik er naar vooruitzien echt tot bloei te komen, in plaats van slechts te overleven. En het boek onthulde ook dat in mij een verborgen radicaal schuilt. Want ik geloof werkelijk in de uitgangspunten achter deze nieuwe economie. We zijn bedoeld om met elkaar te delen van onze overvloed (zoals in de tuin van Eden). En ook zijn muziek, ideeen en verhalen geen producten die op de markt verkocht kunnen worden, maar moet ieder mens er toegang toe kunnen hebben. De menselijke geest mag niet door het kapitalisme worden omheind. Een muzikant, en ook een schrijver, wil ook dat mensen kunnen delen in zijn/haar muziek, verhalen, ideeën. Aan de andere kant zal een samenleving die leeft op basis van overvloed mensen willen vrijstellen om muziek, verhalen en ideeen te genereren. Daarvoor zullen ze de muzikanten, schrijvers en denkers willen ondersteunen, maar op andere manieren. Dit zie je al in de wereld van de 'open source software', waar men bijvoorbeeld instructieboeken koopt, zodat de programmeurs nog meer gratis software kunnen maken. Zo zal het uiteindelijk voor een schrijver ook gaan. Nu zitten we nog tussen systemen in, en dus zal voorlopig nog voor boeken van mij betaald moeten worden, maar ik ga ook zoeken naar andere manieren om zoveel mogelijk mensen goede verhalen te laten lezen. Deze blog is daar eigenlijk al een voorbeeld van, met gratis gedichten, filmbesprekingen en essays! Ik ben al deel van de nieuwe wereld, zonder dat ik er bewust voor heb gekozen. Precies zoals het is met het Koninkrijk van God.

Rifkin zelf houdt zich aan de principes in zijn boek: 'The Zero Marginal Cost Society' is gratis te lezen op PDF! 

donderdag 23 oktober 2014

Filmbespreking: What Dreams May Come

Toen een paar maanden geleden het nieuws bekend werd dat komiek en acteur Robin Williams zelfmoord had gepleegd, kwam dat als een grote klap. Ik was er meer van onder de indruk dan van de dood van Michael Jackson eerder, maar ik ben dan ook meer een film- dan een muziekliefhebber, en waardeerde Robin Williams erg vanwege zijn rollen in onder andere Alladin, Dead Poets Society, Good Will Hunting en ga zo maar door. Bij het kijken van What Dreams May Come moest ik weer denken aan zijn dood. Niet omdat zijn rol in deze film nu zo memorabel is. Hij speelt een sympathieke hoofdpersoon, en brengt zijn verbazing en vastberadenheid goed, maar het is geen rol waardoor hij zal blijven voortleven. De film zelf lijkt ook al in de vergetelheid te raken, en buiten enkele prachtige visuele effecten na (de geverfde tuin, de stad aan de overkant, de vlakte van de hel - allemaal ingegeven door romantische kunst) is dat mijns inziens niet onterecht. Een filmmaker als Christopher Nolan maakte met Inception al een veel bevreemdender beeld van een andere werkelijkheid, waardoor deze toch als zoet en oppervlakkig blijft hangen (zoals ook de romantische kunst waarop de beelden van het paradijs zijn gebaseerd uiteindelijk gekunsteld aanvoelen). Het geschetste beeld van de hemel acht ik ook theologisch zwak, alhoewel ik in de film wel mooie metaforen zag, maar daarover later meer. Nu terug naar de dood van Robin Williams. Daar moest ik aan denken, omdat deze film over zelfmoord gaat. En dat zijn karakter in de film zijn vrouw voorhoudt dat ze moet kiezen voor het leven. Het is ironisch dat Williams zelf in een zo duister gat terecht is gekomen, dat hij zelf die boodschappen niet meer kon horen en koos voor zelfdestructie in plaats van hoop. De film zelf toont ook hoe diep de wanhoop moet zijn voor iemand zo’n keuze maakt, en ik bedoel dus geen verwijt aan Williams. Zijn dood is een voortvloeisel uit onze menselijke toestand, waarbij we ons op onszelf teruggeworpen voelen en niet kunnen geloven dat we waardevol zijn, of geliefd. Maar dat betekent niet dat we niet waardevol zijn en dat we niet geliefd zijn.

Williams speelt Chris Nielsen, een arts die gelukkig getrouwd is met kunstenares Annie. Bij een auto-ongeluk komen hun beide kinderen om het leven. Die klap brengt Annie zo van slag dat ze in een psychiatrisch ziekenhuis moet worden opgenomen. Er dreigt een scheiding aan te komen, maar Annie kiest ervoor om de draad weer op te pakken. Vier jaar later sterft Chris echter in een auto-ongeluk. Aan gene zijde van de dood wordt hij opgewacht door Albert, een oude vriend, die hem vertelt dat hij in de hemel is. Een hemel die er precies uitziet als een schilderij dat zijn vrouw heeft gemaakt (en zelfs bestaat uit verf). Voor hij ervan heeft kunnen genieten, krijgt hij te horen dat Annie is gestorven. En omdat ze niet gelooft dat ze er mag zijn, is ze in de hel terechtgekomen. Chris krijgt te horen dat hij dat maar moet accepteren, omdat niemand ooit uit de hel is teruggebracht. Maar hij steigert. Accepteren dat de vrouw die hij zijn hele leven heeft liefgehad, met wie hij al een keer door een hel was gegaan, die zijn leven was, voor eeuwig pijn zou lijden? Dat is hij niet van plan. Dus begint hij samen met Albert aan een reis naar de diepte om haar te gaan zoeken. Ondertussen moet hij ook de waarheid over zijn kinderen onder ogen zien, want waarom heeft hij hen in de hemel eigenlijk nog niet ontmoet?

De eerste aanwijzing dat deze film niet alleen maar te lezen is als een oppervlakkige ‘wish fulfillment’ van een Westers ideaal van het leven na de dood, was voor mij de naam van de schrijver van het oorspronkelijke verhaal. Richard Matheson. Hij is bekend als schrijver van onder andere The Omega Man, The Shrinking Man en nog veel andere verhalen (ik heb een interessante bundel SF-verhalen van hem in de kast staan). Zijn verhalen zijn meestal niet conventioneel, en zijn altijd op meerdere niveaus te lezen. Ik zie geen reden waarom dat met dit verhaal niet het geval zou zijn. (En de elementen waar ik me aan ergerde (het reïncarnatieaspect) leken er zo aan de haren bij te zijn gesleept, dat ik ervan uitga dat die niet bij het oorspronkelijke verhaal hoorden).
En een eindje op weg in de film wordt het zelfs geëxpliciteerd. Chris vraagt zijn begeleider Albert waar God eigenlijk is. Hij heeft hem namelijk nog niet ontmoet. Albert antwoordt: ‘Daarboven. En hij roept naar ons dat hij van ons houdt, en vraagt zich af waarom wij hem niet kunnen horen.’ Het lijkt eerst bedoeld als makkelijke oplossing om God buiten beeld te houden, maar niet veel later roept Chris hetzelfde tot zijn vrouw: ‘Ik houd van je!’. Maar ze hoort hem niet, gooit terpentine over een schilderij heen en zakt wanhopig in elkaar. En Chris ook, want waarom lukt het hem niet zijn liefde te communiceren? De parallel tussen deze twee scenes, zo kort achter elkaar, wijst erop dat hier het thematische hart van de film ligt, wat Richard Matheson wilde aanstippen: wat kun je doen om iemand ervan te overtuigen dat je van hem of haar houdt, als de ander je niet kan horen? Moet je dat maar accepteren en je rug naar die ander toekeren?
Ik werk op de communicatieafdeling van een organisatie, en daar heb ik wel eens de stelregel gehoord: als er iets misgaat in de communicatie en de ander heeft je niet begrepen, dan is dat niet de verantwoordelijkheid van de ander, maar van jou als degene die communiceert. Dan moet je je communicatie aanpassen. En dat is wat Chris doet. Toen hij en zijn vrouw nog leefden, dreigde hij haar ook al kwijt te raken. Zij beschuldigde hem er toen van dat hij niet bij haar was gebleven in haar verdriet, maar dat hij was gevlucht in zijn werk. En hij gaf haar gelijk. Daarom draait hij zich nu niet van haar af, maar gaat haar achterna, tot in de diepte van de hel. Als hij haar daar uiteindelijk aantreft, lukt het hem niet haar te overreden. Zijn argumenten vallen op dove oren. Ze herkent hem zelf niet. Dus besluit hij bij haar te blijven, en haar lot te delen. Hij blijft naast haar zitten, alleen om van haar te houden, zelfs al blijft zij tegen hem schelden, blijft ze hem slaan, blijft ze hem pijn doen. Zelfs al zou hij zelf dan ook verloren zijn. Hij zal zich nooit meer van haar afkeren.
Dat is precies hoe God ervoor gekozen heeft zijn liefde te communiceren naar de mensen die niet konden horen hoe hij zijn liefde voor hen uitschreeuwde. Hij heeft hen opgezocht, is bij hen komen zitten, en accepteerde zelfs hoe zij zich op hem uitleefden. Hij vergaf hen alles, omdat ze niet wisten wat ze deden. Tot zijn dood aan toe. ‘Hij opende zijn armen wijd aan het kruis’, zegt een regel in de Anglicaanse liturgie, heel mooi. Natuurlijk is het niet toevallig dat de hoofdpersoon van deze film ‘Chris’ heet. ‘Christy’ noemt zijn vrouw hem zelfs. Duidelijker kan het niet. Jezus Christus is Immanuel, God met ons. En hij heeft laten zien nooit zich van ons af te keren, zelfs niet als wij hem doden. Daar was het hem om te doen, al vanaf het begin. Niet om ons te straffen.
Albert zegt het tegen Chris: ‘Het is geen oordeel, geen rechtspraak’. Het is een gevolg. De mensen die niet de liefde van God ervaren, hebben (met de woorden van C.S. Lewis) zelf de sleutel omgedraaid aan de binnenkant van het slot. De liefde van God is namelijk niet veranderd. Ze zijn op zichzelf gericht en kiezen er kennelijk niet voor open te staan voor de ander, door zelfzucht of wanhoop. Dat is de straf - het wordt in de film ook gezegd: hun leven op Aarde was al tot een hel geworden. Zelfs de uitsluiting van mensen in het paradijs in Genesis 3 is niet te lezen als straf. God voorkomt dat de mens, die zo graag als God wilde worden en zichzelf dus centraal stelde, eeuwig zou blijven leven. Want dan zou de mens eeuwig zo op zichzelf gericht zijn, gebukt onder schaamte en de breuk met de ander. Hetzelfde verhaal uit Genesis suggereert dat de mens religie kan aangrijpen als alternatief om goed over zichzelf te denken, maar dat het vervullen van religieuze plichten niet helpt om te ontsnappen uit de eenzaamheid van het als God willen zijn - zie het verhaal van Kain. In de film komt een omgekeerd kerkgebouw voor - een treffend beeld hoe wij dat wat bedoeld is om de liefde van God te leren kennen, vervormen tot iets wat alleen ons eigen ego dient. De enige ontsnapping uit deze spiraal waarin wij wij onszelf verliezen is door de dood. We gaan verloren omdat we zo aan onze wanhoop of juis ego willen vasthouden, en kunnen alleen gered worden als we onze hand durven openen. Als we liefde toelaten. Daarop volgt de opstanding (wat in de film ook wordt gesymboliseerd, met beelden van water en onderdompeling, die met de doop en dus de dood zijn te associëren).

Voor ons die opgegroeid zijn in de westerse theologie klinkt dit allemaal vreemd, onwerkelijk. Wij denken namelijk van jongs af aan dat God zich aan een wet moet houden, en een soort ‘smetvrees’ heeft, dus dat hij zich wel van ons af moet keren als wij tekortschieten. Hij kan niet meer van ons houden, als wij niet perfect zouden zijn. En we zien het werk van Jezus (die in ons beeld vaak een heel ander karakter heeft dan God zelf) als een plaatsvervangend offer. God leeft zijn afkeer (smetvrees of ‘wettelijke straf’) uit op een onschuldige tussenpersoon (zijn eigen kind nota bene), en doet dan alsof wij die persoon zijn. Door zo te doen alsof (wij ‘staan in de positie van Christus’, of ‘God ziet ons in Christus’) kan God ons toch in zijn aanwezigheid accepteren. Maar hij kan niet werkelijk van ons, onvolmaakte mensen, houden. O wee als wij niet beschermd waren door het bloed van Jezus, dan zou hij ons wel raken met eeuwige toorn. Het is dus aan ons om ons te bekeren en ons achter het offer van Jezus te scharen, willen we kunnen zeggen dat God van ons houdt (niet van ons, maar van ons ‘In Christus). En we moeten ons best doen daar niet van achter vandaan te komen.
Gisteravond, toen ik deze film bekeek, werd ik voor het eerst echt boos om dit beeld van God. Echt boos. Het is toch van de zotte dat een man ervoor kan kiezen zijn vrouw te blijven liefhebben, ook als ze psychisch ziek is en hem uitscheldt, of ouders alles doen om in contact te blijven met hun kinderen, maar dat God zijn schepselen zomaar zou laten vallen als ze een fout maken, pijn hebben, of zich van hem afkeren. Het kan toch niet zo zijn dat God zo wankelmoedig is? Dat hij zegt van mensen te houden, maar er niets voor over heeft ze die liefde te laten ervaren? Het zou toch bizar zijn als God ons alleen maar zou accepteren als we ‘on our best behaviour’ zijn, en het hem niets zou kunnen schelen als we onszelf ‘verloren’ laten gaan? Gods liefde zou dan toch puur voorwaardelijk zijn, en geen ‘liefde’ mogen heten? Dan zou God toch meer een nare werkgever zijn, of slechte tiran? Zo’n God zouden we toch niet moeten willen dienen? Ik denk dat we hier echt boos om mogen, nee, moeten worden, want dit Godsbeeld doet totaal geen recht aan wie God is, en is dus eigenlijk zelfs godslasterlijk.
Wie God is, is voor eens en altijd zichtbaar geworden in Jezus, die mens werd, zich identificeerde met zieken en zondaars, en zich zonder protesteren aan het kruis liet nagelen om bij ons te zijn in onze dood. God die zich niet van mensen afkeert, ook niet als zij zich wel van hem afkeren. Die zich bij hen voegt en hen toeroept dat Hij van hen houdt, ook als zij weigeren naar Hem te luisteren. Die hen zelfs opzoekt in de dood, want die vormt voor Hem geen beperking. Dit is een heel ander Godsbeeld, maar wel een met diepe wortels in de christelijke traditie. Namelijk de Oosterse traditie. Kijk maar eens naar deze video waarin een Oosters Orthodoxe priester het verschil uitlegde tussen het reddingsverhaal uit de Westerse en dat uit de Oosterse traditie.


Inderdaad, God is in deze film niet in beeld gebracht, en Jezus ook niet. Maar zij worden wel zichtbaar in Chris/Christy als hij nederdaalt ter helle, en zijn vrouw daar niet alleen laat, zoals hij ook zijn kinderen overtuigt van zijn liefde en zijn respect voor hen als individu. Een krachtig beeld, dat ik op dit punt in mijn geloofsreis goed kon gebruiken. Net als Annie in deze film vind ik het moeilijk echt te geloven dat ik geliefd ben, dat iemand van mij kan houden, zoals ik ben. Zelfs als mijn vrouw me vertelt dat ze me knap vindt, en lief, en begripsvol, en moedig, lijkt het alsof ze het over een ander heeft en niet over mij. Ik vind namelijk zelf dat ik meer moet doen en beter moet zijn, voor ik geaccepteerd kan worden. Daarom heb ik dit soort verhalen nodig, om me ervan te overtuigen dat God daar in elk geval niet zo over denkt. Hij zoekt me op, ook al ben ik kritisch op mezelf en ongelukkig in mijn zelfafwijzing. Hij accepteert mijn frustratie, niet maar even, maar zo lang als nodig is tot uiteindelijk zijn liefde tot me gaat doordringen.

En nee, als lezer van N.T. Wright (en als bijbellezer), moet ik natuurlijk zeggen dat ik het in deze film geschetste beeld van het leven na de dood niet overtuigend vind. De bijbelse argumenten voor het geloof in de opstanding en het leven op de nieuwe Aarde ga ik hier niet herhalen (zie daarvoor dit blogbericht), maar ik werd hier ook aan herinnerd door de scene in de film waarbij Chris voor het eerst in de hemel is. Zijn vriend Albert vertelt hem dan dat hij een universum voor zichzelf alleen heeft, dat hij met zijn gedachten kan besturen. Alles is zoals hij bedenkt dat het moet zijn. Er hangt een vogel in de lucht, die pas gaat vliegen als Chris daartoe opdracht geeft. En ik dacht: dat zou voor mij helemaal niet de hemel zijn. Een universum dat ik bij elkaar zou hebben bedacht, zou tam, saai en voorspelbaar zijn. Ik zou alles al van te voren weten, en als ik bewegende wolken zou willen zien zou ik daar zelf voor moeten zorgen. Ik denk dat het bij de ervaring van schoonheid onontbeerlijk is dat het object een onafhankelijk bestaan heeft buiten jezelf. Dat je wordt geconfronteerd met iets echts, iets waars, iets eigens. Iets waar je een relatie mee zou kunnen hebben. Want ook liefde wil een object buiten zichzelf (denk aan de film Inception waarin de hoofdpersoon uiteindelijk ook geen relatie aangaat met de ideale vrouw in zijn droom, want die heeft niet alle kleine imperfecties van de echte vrouw. Hij wil een echt persoon kunnen liefhebben). En dat is waarom onze hoop die is van een opstanding en een vernieuwing van de schepping, in al zijn concreetheid. Misschien dat in dit licht het ‘reïncarnatie-einde’ positief is uit te leggen: als een opstanding in een nieuwe wereld. Geen fantasierijk, maar een echte wereld, waar echte schoonheid en echte liefde mogelijk zijn en blijven. Ik geloof dat Robin Williams die wereld ook zal kennen, want zoals zijn karakter dat in de film deed, zal God zich bij hem voegen in zijn wanhoop, en hem net zo lang liefhebben tot hij die liefde kan ontvangen. Gods liefde is namelijk nog veel groter dan die van Chris.

vrijdag 21 februari 2014

Gedicht: sprookjesbal

Sprookjesbal

De weg was lang en steil
onder een duist're hemel.
Je voeten waren ruw,
je kleren vuil, je haar
verward, aaneen geklit,
toen je de poort bereikte
van het paleis. Je klopte,
bang te worden afgewezen
er niet te mogen zijn.
Was bijna omgekeerd.

Toen opende zich de deur,
ging je de drempel over
de warmte in. Je kleed
werd van je afgenomen.
Je werd vriendelijk onthaald,
zonder afkeer of verwijt,
meegevoerd naar spiegels
waar de dienaars stonden
al op je te wachten. Je liet
hen hun werk verrichten.

Hun handen veegden tranen
van je ogen, kleurden je
lippen rood, je wimpers zwart,
verfden je nagels. Je haar
werd zorgzaam opgestoken.
Ze hulden je in kant,
satijn, leer en brokaat,
hingen stenen aan je oren
bonden zilver om je hals,
bezet met diamanten.

In de reflectie zag je niet
langer wie je was, maar meer:
potentie werkelijkheid.
Hart bonzend schreed je door
naar binnen en naar buiten
in een balzaal groter dan
de wereld, de vervulling
van je diepste dromen.
Je zag hem naar je kijken,
glimlachend, zijn hand naar je uitgestrekt.

En toen begon de dans.

vrijdag 6 december 2013

Over de drempel (7 en slot): De openbaring van het koninkrijk

Over het eind van de geschiedenis wordt in de bijbel gezegd dat ‘God zal zijn alles en in allen’ (1 Korintiers 15:28). Ik begreep deze uitspraak vroeger niet. Of in elk geval kon ik niet begrijpen hoe het met deze woorden geschetste toekomstbeeld iets aanlokkelijks kon zijn. Het leek namelijk een wel heel statische toekomst. Alsof de geschiedenis op dat moment tot stilstand zou zijn gekomen. Alsof vanaf dat moment niemand meer een initiatief zou kunnen nemen, er geen nieuw kunstwerk geschapen zou kunnen worden, geen nieuwe relaties zouden kunnen worden aangegaan, alsof alle dingen en alle mensen in God zouden zijn opgenomen en voortaan geen enkel eigen bestaan meer zou kunnen leiden. Het leven dat ik nu leidde was kennelijk onbedoeld chaotisch, vruchtbaar, origineel, maar als een hemelse archivaris zou God dan de rommel opruimen. De Borg uit Star Trek riepen voor mij hetzelfde angstgevoel op.
In deze toekomst zou ik bovendien niet mezelf kunnen zijn. Mijn persoonlijkheid had geen waarde. Mijn verlangens deden er niet toe. Ik heb in de kerk waarin ik opgroeide letterlijk dingen gehoord als dat ik in de eeuwigheid me niets meer van mijn leven op Aarde zou herinneren (een breuk in persoonlijke identiteit. Maar waarom zou ik me dan nu over dat leven druk maken?). Ik vond zelf onze kerkdiensten niet altijd even inspirerend, en keek niet uit naar een eeuwigheid van aanbidding. ‘Maar God zal er wel voor zorgen dat je dan wel van aanbidding houdt’, zeiden goedb edoelende mensen. Hij zou me dus hersenspoelen, mijn verlangens veranderen als ‘Big Brother’ in Orwells grimmige 1984. Ik hoorde dingen als zou ik in de eeuwigheid mijn familie en vrienden niet meer belangrijk vinden, en zelfs dat er in de eeuwigheid geen mannen of vrouwen zouden zijn, maar dat we allemaal neutraal zouden zijn - alsof mijn identiteit als man totaal geen betekenis had. Geen wonder dat ik niet naar de hemel uitkeek. Ik was alleen nog banger voor de eeuwige bewuste marteling van de hel, zoals we daarover hoorden - als ik niet de juiste leerstellingen over God geloofde zou hij mij tot in eeuwigheid zelf helse pijnen laten doorstaan. Dit roept wel vreemde vragen op over het karakter van God. Als God zo is, waarom zouden we dan de eeuwigheid in zijn gezelschap willen doorbrengen? Zou een eeuwigheid in het gezelschap van een almachtige sadist niet de hel zijn?
Ik moest erg lachen om een ‘spoken word’-stuk van christenartiest Larry Norman op een van zijn CD’s. Het gaat over een prediker die zijn publiek waarschuwt tegen de hel. Een van zijn toehoorders onderbreekt hem, en vraagt: ‘Preacher, is it true what you say, that hell is full of drink, cards and loose women?’ En de prediker antwoordt dat het zo is. De man slaakt een zucht en zegt: ‘If hell is filled with drink, cards and loose women, oh, death, where is thy sting!’ Ha! Het is toch vreemd als ons beeld van de hel aantrekkelijker is dan ons beeld van de hemel, of het koninkrijk van God.
Zelfs in gemeentes waar niet zo streng over de hel gepredikt wordt, zijn weinig christenen die naar de toekomst van God verlangen. Mensen hopen zelfs dat de Heer nog uitblijft, omdat volgens hen dit leven te prefereren is boven het toekomende leven. ‘Ik wil eerst nog zus en zo hebben meegemaakt’ (meestal het huwelijk). We moeten het er nu van nemen, eten en drinken, want morgen gaan we naar de hemel. Eigenlijk geen ander beeld dan dat van mensen die niet in de opstanding geloven (vergelijk 1 Korintiers 15:32). Het meest positieve dat mensen over de hemel kunnen zeggen, is dat er dan geen pijn zou zijn. Daarom zijn het vooral mensen met pijn of moeite die in deze kerken naar de hemel uitkijken (ik kreeg zelfs te horen dat ik zo naar de toekomst verlangde, omdat ik nog vrijgezel was). Maar de hemel is in deze visie nog steeds niet beter dan het niet-bestaan. Een statisch eeuwig zijn is niet wat ons van nature aanspreekt. En dat is dan reden om ons eigen verlangen, de basis van onze identiteit, nog verder te wantrouwen, en te onderdrukken. Want ons verlangen naar meer, naar schoonheid, betekenis en intimiteit, brengt ons voor ons gevoel alleen maar in problemen. We reduceren onszelf alvast tot bevelen opvolgende robots, omdat dat in de eeuwigheid alles zal zijn wat van ons zal overblijven. Resistance is futile.

Ik denk dat ons beeld van onze toekomst tekortschiet, omdat ons beeld van God tekortschiet. We zien onze toekomst niet als goed, omdat we ten diepste niet geloven dat God goed is. Oh, we geloven dat hij goed is, in de zin dat hij niet slecht is, dat kwaad en slechtheid in hem ontbreekt. Maar we geloven niet dat hij actief goed is. Dat hij ons liefheeft, dat wil zeggen: dat hij het beste voor ons verlangt en zich ook inzet om dat aan ons te geven. Dat hij een relatie met ons zou kunnen hebben. We zien God als de onbewogen beweger. Als de macht die alle gebeurtenissen in gang zet, maar zelf nergens door bewogen wordt. Die zelf niet gevoelig is, die niet geraakt wordt. Een macht zonder leven, innerlijk of aan de buitenkant. Eigenlijk zien we God niet als persoon, want we geloven niet dat God verlangens heeft. En verlangens zijn wat ons een wil geeft, wat ons tot personen maakt. Wat maakt dat we kunnen liefhebben.
Dat is niet het bijbelse beeld van God. Dat is niet het beeld van de drie-enige God, die tegen zichzelf zegt ‘laat ons ...’, die een bewegende, dynamische relatie IS. Dat is niet het beeld van de schepper, die uit het niets alles tot aanzijn roept, van het geringste snuitkevertje tot het verste melkwegstelsel, die creatief is. Dat is niet de God die deze schepping elke dag nog steeds actief onderhoudt. Dat is niet het beeld van de God die met zijn schepselen in de tuin wilde wandelen in de avondkoelte, hen wilde leren kennen, en met hen wilde lachen. Dat is niet het beeld van de God die toen zijn schepselen zich van hem afkeerden en voor de dood kozen, zodat ze blind werden voor zijn aanwezigheid in de schepping, zelf deel werd van hun wereld door mens te worden. Niet een zielloze, bevelen opvolgende robot, maar een volledig levend, enthousiast, verlangend mens. Dat is niet het beeld van de God wiens innerlijk in hem bewogen wordt als hij aan zijn troetelkinderen denkt (Jeremia 32), of die als de vader van de zoon hem tegemoet rent en hem zijn jas omhangt. Dat is niet de god die de dood overwint, en de mensen nieuw leven geeft en een nieuwe schepping maakt, waar gerechtigheid woont. Dat is niet de God die de bron is van elk leven, elke beweging, die zoals Chesterton vermoedde, gekenmerkt wordt door vreugde, door het genot zichzelf te zijn. De God die door theologen wordt beschreven als de ‘perichoresis’, de dans.
De God die zich heeft geopenbaard in Jezus Christus handelt, verlangt, heeft lief. Zo is God. We kunnen hem misschien niet beschrijven als een menselijk persoon, maar niet omdat hij minder persoonlijk zou zijn dan wij, maar juist omdat hij bovenpersoonlijk is. Zijn levenslust, zijn passie, zijn verlangen, zijn zo groot dat ze voortdurend uit zijn binnenste overstromen tot ze in ons terechtkomen, en ons in beweging brengen. Zijn verlangen is de muziek die maakt dat wij willen dansen.
Als dit de God is die uiteindelijk alles en in allen zal zijn, als zijn innerlijke leven de dans is waar wij allen deel van zullen uitmaken, is dat geen schrikbeeld. Dan wordt dat iets om naar te verlangen. Want dan betekent het dat wij niet minder onszelf zullen worden, maar meer. Dat we niet minder zullen verlangen, maar meer. Dat we niet minder creatief zullen zijn, maar meer. En dat we niet minder liefde zullen ervaren, maar meer. Tolkien zegt dat door het lezen van een goed sprookjesverhaal onze diepste verlangens worden vervuld, maar dat ze tegelijk ook oneindig worden aangescherpt (in Over Sprookjesverhalen). Zo zal het in de eeuwigheid ook zijn. En dat betekent dat we ons nooit zullen vervelen, want we worden niet opgenomen in een eeuwig computersysteem, maar in een eeuwig leven. Zodra we God zien als werkelijk goed, en zijn verlangens als werkelijk levensbrengend, wordt de toekomst er een om naar uit te kijken. Ook hier is het belangrijk welk beeld we van God hebben.

De grote, levende, persoonlijke God, de dansende drie-eenheid, vindt ons belangrijk. Daarom wordt in de bijbel niet gezegd dat wij naar de hemel gaan. Nee: er staat dat het nieuwe Jeruzalem, de stad van God uit de hemel zal neerdalen. Naar ons toe zal komen. God zal onder de mensen wonen. Johannes gebruikt in Openbaring sacramentele beelden. Hij zegt dat de mensen geen tempel meer nodig hebben, want God zelf zal onder hen wonen. Ze zullen geen zon of maan meer nodig hebben, want het lam, Jezus, zelf zal hun licht zijn. Dit wil volgens mij zeggen dat de hele werkelijkheid zichtbaar zal zijn. Gods koninkrijk, nu nog verborgen onder de grond van de geschiedenis, is dan openbaar. We zullen dan kennen, zoals we nu zelf gekend zijn. We zullen de beelden niet meer nodig hebben. Die hadden we natuurlijk nooit nodig in een transactionele zin. De Kerk, doop, avondmaal, priesters en huwelijk brengen (zoals ik eerder in deze serie betoogde) niets tot stand dat niet al realiteit was. Ze laten iets zien dat nog niet zichtbaar is, maar al wel realiteit is. En dan zal het voor elk oog zichtbaar zijn, zoals de engelen die Elisa aan zijn knecht liet zien. De schaduwen zijn vervlogen in het licht van de zon. In Hebreeen 9:23 noemt de auteur de tabernakel en haar inrichtingen ‘afbeeldingen’ - dat zijn al onze sacramenten. “Maar wat geschapen is, wankelt en verdwijnt, zodat alleen blijft wat onwankelbaar is.” (Hebreeen 12:27). Daarom zullen we ze uit onze handen laten vallen en er nooit meer aan terugdenken, als we de werkelijkheid zien: de onvoorwaardelijke liefde van God, die leven brengt uit de dood, ons leven, uit onze dood, door Jezus onze Heer.
Maar in zekere zin zijn wij zelf ook sacramenten waarin iets van God zichtbaar wordt. Gods grote verhaal wordt zichtbaar in ons kleine verhaal. En ook wat ons betreft zal in die tijd de werkelijkheid de schaduw vervangen. “We weten nog niet wat we zullen zijn, maar we weten dat we Hem gelijk zullen zijn”, zegt Johannes (1 Johannes 3:2). En Paulus voegt toe dat de hele schepping wacht op het openbaar worden van de “vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt” (Romeinen 8:23). Ook dit betekent niet dat we minder onszelf zullen zijn dan nu, maar juist meer. Want in elk van ons wordt iets heel specifieks en unieks van God zichtbaar, en dat zal dan volledig tot bloei komen. We zullen als God zijn juist in zijn leven en verlangen, in zijn vrijheid en de indruk die hij maakt op zijn omgeving. In De Grote Scheiding van C.S. Lewis ontmoet de hoofdpersoon een van de hemelbewoners. ‘Ik kan me nu niet meer herinneren of ze naakt was of gekleed’, moet hij toegeven. ‘Als ze naakt was, dan was het ongetwijfeld de bijna zichtbare sluier van haar hoffelijkheid en vreugde, waardoor mijn verbeelding de illusie vasthield dat achter haar een lange, blinkende mantel over het blijde gras golfde. Als ze gekleed was, was de illusie van naaktheid vast en zeker het gevolg van de helderheid van haar innerlijk, die door de kleding heen scheen.’ De bijbel suggereert dat we uit de dood zullen opstaan in ons lichaam, maar tegelijk lijkt dat in de bijbelse beschrijvingen meer te zijn dan ons lichaam. Het lichaam is verheerlijkt, glorieus. Het is een lichaam dat geen schaduw meer is, maar werkelijkheid, zo werkelijk dat het net als Jezus in zijn opstandingslichaam door tijd en ruimte kan verplaatsen en tussen de atomen van een muur kan doordringen.
We zullen na onze opstanding bovendien helemaal tot onze bestemming komen. Onze verlangens (zelf al sacramenten waarin de verlangens van God zichtbaar worden) zullen worden vervuld. En dat zal voor iedereen anders zijn. Mijn diepe verlangens zijn namelijk anders dan die van jou. Maar al onze verlangens zijn bedoeld om door God volkomen vervuld te worden. Daarom zegt Lewis in The problem of pain: ‘God will look to every soul like it first love, because He IS its first love’. Ik aarzel om meer te schrijven over dit onderwerp, omdat ik de neiging heb alles van C.S. Lewis te willen aanhalen. Lees van hem het essay ‘The Weight of Glory’. Hij zal je overtuigen dat God ons verlangen niet te sterk vindt, maar eerder te zwak. Dat ons verlangen is wat ons bij Hem doet uitkomen. Hij maakt ook duidelijk dat er geen jaloezie zal zijn in de eeuwigheid. Zoals het er ook nu niet hoeft te zijn, als iemand helemaal zichzelf is. Ik kan bijvoorbeeld nu ervan genieten dat iemand graag wil rotsklimmen en daar helemaal voor gaat, juist omdat ik mezelf toestemming heb gegeven mezelf te zijn, en dus niet hetzelfde hoef te winnen.

Ik ben samen met mijn vrouw behoorlijk bezig met persoonlijkheidstypetheorie, voornamelijk aan de hand van de Myers Briggs Type Indicator. Die levert voor je persoonlijkheid een code op van vier letters. Ik kom uit testen als een INFJ - het zeldzaamste persoonlijkheidstype, volgens de websites. In de beschrijvingen van dit persoonlijkheidstype staat vaak dat het van nature spiritueel is, gericht op de groei van zichzelf en van anderen, en begripsvol voor anderen, maar streng naar zichzelf toe. (Wees gerust, deze paragraaf zal ook over toekomstverwachting gaan. Al is er over MBTI, persoonlijkheid en geloof een hele nieuwe serie artikelen te schrijven!). Nu had ik het er met mijn vrouw over dat de eigenschappen van een INFJ me als gelovige een voordeel zouden kunnen bieden. En ik vroeg me af of dat niet betekende dat ik nog meer mijn best moest doen. Ik dacht dat het betekende dat ik niet tevreden kon zijn met wat ik al voor de heer deed, als het bij mijn persoonlijkheidstype hoorde. Ondertussen vroeg mijn vrouw zich af waarom er niet meer INFJ’s waren in de wereld, omdat de wereld meer serieuze, gewetensvolle wereldverbeteraars kan gebruiken.
Ik besloot het een keer aan God te vragen terwijl ik over straat naar huis liep. En ik kreeg in mijn gedachten antwoorden. Antwoorden die ik ook heel mooi zou vinden als ze uit mijn eigen gedachten voortkwamen, maar voor zover ik wist waren het geen voor mij natuurlijke gedachten. En ze kwamen met de klank die ik met Gods stem heb leren associëren. Ik vroeg aan de Heer waarom er niet meer INFJ’s waren. Het antwoord dat ik kreeg was dat God er niet meer nodig had. Kennelijk was het voldoende voor zijn plan dat 1 procent van de populatie INFJ is en zijn er meer nodig van praktische, handelende persoonlijkheidstypes. Toen ik de Heer om meer vroeg, kreeg ik in gedachten dat het zelfs niet goed zou zijn als er meer waren. Per slot van rekening worden ook Hitler, Osama Bin Laden en Ayatollah Khomeini gezien als INFJ’s, ze kunnen mensen inspireren tot het goede, maar kennelijk ook tot het kwade. Ik vroeg de Heer of ik omdat ik INFJ was meer moest presteren. Maar ik kreeg in gedachten dat het enige wat ik hoefde doen was mezelf te zijn. Ik zou vanzelf anderen inspireren, inzichten en gedachten delen met belangstellenden, schrijven en spreken. En omdat 1 procent van de populatie INFJ is, ‘hoef’ ik in principe maar 99 mensen te bereiken (dat bedacht ik zelf). Het bracht me rust - ik hoef me niet te verkopen, ik hoef mezelf niet succesvol te maken, ik hoef niet op anderen te lijken. Ik mag mezelf zijn.
Tenslotte vroeg ik aan de Heer in mijn gedachten of het eerlijk was als ik in de eeuwigheid zou krijgen wat ik verlangde, als ik inderdaad krijg wat mijn verlangen is, namelijk steeds dieper in de betekenis van God te mogen afdalen. Maar ik kreeg in gedachten dat niemand jaloers op mij zou zijn. Want andere mensen willen niet hetzelfde als ik. In de eeuwigheid zal de een op zijn plek komen in het zingen en muziek maken met anderen, de ander in het verkennen van nieuwe werelden, de ander in het steed dieper doordringen in de diepten van God. En niemand zal jaloers op hen zijn, want ze zullen allemaal zichzelf zijn. Dit geldt voor alle persoonlijkheidstypen. God zal hen allen op hun eigen manier vervullen. Ook dat nam een laag van mijn schuldgevoel weg, en ik kon vrij ademhalen. God houdt van mij omdat hij God is en daarvoor kiest. Dat heeft hij laten zien in Jezus’ dood en opstanding. Ik mag dat accepteren en leven in die liefde, en mezelf accepteren als Gods geliefde kind. In die acceptatie mag ik mezelf zijn, doen wat mijn hand vind om te doen, en de mensen in mijn omgeving liefhebben. Meer niet. Zo goed is het goede nieuws!

vrijdag 23 maart 2012

Links: Titanic, Blood and Chrome, de hemel als tuin en kerkverlating

Volgende maand is het een eeuw geleden dat de Titanic zonk. Op deze prachtige hoge resolutie-afbeeldingen is het wrak in zijn volle (vergane) glorie te bewonderen.

Ik ben nogal fan van de TV-serie Battlestar Galactica. Het vierde seizoen heb ik bijna helemaal afgekeken. Hoewel het ondertussen wel duidelijk begint te worden hoe de geschiedenis van dit universum in elkaar steekt, wordt er toch een serie over gemaakt: Blood and Chrome. Ik ben wat cynisch over de verhaaltechnische mogelijkheden (welke verrassingen zijn er mogelijk?), maar ik moet toegeven: de trailer ziet er gaaf uit!

Er komt een nieuwe verfilming van klassieker 1984 - waarvan de boodschap de laatste jaren niet minder actueel is geworden.

Goed nieuws voor fantasyliefhebbers (zoals schrijver dezes): het kijken van fantasyfilms (en het lezen van fantasyboeken) zoals de Harry Potter-boeken stompt kinderen niet af, maar stimuleert juist hun creativiteit en verbeelding. Dit is nu wetenschappelijk aangetoond! Zoals een van de onderzoekers zegt: "Magical thinking enables children to create fantastic imaginary worlds, and in this way enhances children’s capacity to view the world and act upon it from multiple perspectives. The results suggested that books and videos about magic might serve to expand children’s imagination and help them to think more creatively."

De atheist in deze video heeft het goed begrepen: 'Non-violence was kind of Jesus his trademark." (Daarom dat ik ook geloof dat zwakheid de kern is van het Grote Verhaal).

Wim de Bruin vergelijkt het komende koninkrijk met een tuin - "Ik stel me zo voor dat het Nieuwe Jeruzalem een plek is waar tuinman de hoogste plek is die je op de maatschappelijke ladder kunt bereiken. Met je vingers in de grond, bezig met al met moois dat in de Schepping opgesloten ligt. Zonder je handen open te halen aan dorens en distels." Dit heeft grote gevolgen voor het leven nu: "Hoe meer ik uitzie naar de tuinstad waar onze tuin bevloeid wordt door het levende water dat onder de troon van God vandaan komt, met een levenskracht die zelfs van de dode zee een visrijk water weet te maken (Ezech. 47), hoe meer ik moeite krijg met activiteiten die de zee van nu visarm maken, plastic soep in de oceaan, uitgeputte gronden in de tropen voor ons veevoer, overbemeste gronden in Nederland... Er is geen betere motivatie om verantwoord te produceren en consumeren dan het uitzien naar de toekomst van God." Amen!

Rachel Held Evans somt eerlijk vijftien redenen op waarom ze uit de kerk is weggegaan. Niet helemaal dezelfde als de mijne, maar toch herkenbaar. Ze heeft ook vijftien redenen waarom ze weer naar de kerk (wellicht in een andere vorm) wil terugkeren. Vooral de laatste spreekt me aan.

Voormalig Amerikaans president Carter heeft interessante gedachten over de bijbel, waar ik me voor een groot deel in kan vinden. Zijn conclusie? Het gaat niet om het volgen van een dogma, maar om het doen wat Jezus deed: je identificeren met de zwakke en verbrokene. "The example that I set in my private life is to emulate what Christ did as he faced people who were despised like the lepers or the Samaritans. He reached out to them, he reached out to poor people, he reached out to people that were not Jews and treated them equally. The more despised and the more in need they were, the more he emphasized that we should go to and share with them our talent our ability, our wealth, our influence. Those are the things that guide my life and when I find a verse in the Bible that contradicts those things that I just described to you, I put into practice the things that I derive from my faith in Christ."

zaterdag 11 februari 2012

Liefde verandert mensen 3: Wat wel werkt ...

Aanstaande dinsdag is het weer Valentijnsdag. Het is een van de tradities op mijn blog dat ik dan een bericht aan het thema relaties wijd. Nou ja, tradities, ik heb het nog maar twee keer gedaan, maar iets is een traditie als je zegt dat het een traditie is, dus bij dezen is het dat. Dat betekent dat ik vandaag op de zaken vooruit loop door ook over relaties te schrijven.
Een van de redenen dat ik nogal lang vrijgezel ben geweest, was dat ik bang was dat ik een vrouw zou treffen die mij wilde veranderen. Vrouwen schijnen nogal eens relaties in te gaan met het idee dat ze een man ten goede kunnen beïnvloeden. Ze denken dat ze hem zorgzamer kunnen maken, dat ze hem van een kinderachtige of gevaarlijke hobby af kunnen krijgen, of dat ze hem zijn minder sociale vrienden kunnen laten opgeven. Ze hebben een bepaald ideaalbeeld van een man en ze denken dat met wat manipulatie op de juiste plekken en goede adviezen hun vriend daar wel aan zal gaan voldoen. (En lees voor vrouwen voor het gemak ook mannen - want niets menselijks is ons mannen ten slotte vreemd, maar misschien dat mannen eerder het uiterlijk van een vrouw willen veranderen). Maar als iemand de partner wil veranderen, komt dat de relatie niet ten goede. Ten eerste willen mensen niet veranderd worden. Mannen willen natuurlijk wel de voordelen van een relatie, dus wat de vrouw bereikt is dat haar partner doet alsof hij veranderd is. Hij zal aan haar zijn ‘aangepaste uiterlijk’ laten zien. Zijn hobby zal hij in het geheim blijven beoefenen (lang leve internet) en zijn vrienden zal hij onder voorwendselen blijven treffen.
En dit is voor beide partijen frustrerend. Voor de man is het frustrerend omdat hij een dubbelleven leidt. Hij ‘doet alsof’ als hij bij zijn vrouw is, maar voelt zich alleen echt gelukkig (want vrij en zichzelf) in zijn hobbykamer of -schuur, of bij zijn vrienden in de kroeg. Maar hoezeer is hij daar zichzelf? Want kan hij daar toegeven dat hij thuis onder de plak zit? Maar voor de vrouw is het ook frustrerend, omdat ze uiteindelijk niet meer een relatie heeft met de persoon op wie ze verliefd werd. Ze heeft eigenlijk een relatie met een leeg front, een spiegel die haar ideaalbeeld reflecteert, een ‘ja-knikker’. Niet met een echt persoon. Niet met de echte man, met echte verlangens, echte passie, echte ideeën.
John Eldredge schrijft in Wild at Heart hoe een vrouw bij hem kwam omdat ze ontevreden was over de relatie met haar man. Ze had hem ertoe gebracht om zijn motor te verkopen. Maar nu vond ze dat hij geen passie meer vertoonde, en saai was geworden. Eldredge’s antwoord: “Laat je man weer motorrijden.” Haar reactie: “Maar dat is gevaarlijk!” Tja, het is het een of het ander. Je kunt kiezen voor controle en veiligheid, of je kunt kiezen voor liefde en het risico dat daaraan verbonden is. Liefde zonder risico lijkt onmogelijk te zijn. Maar als deze vrouw het risico wil lopen om haar man kwijt te raken, heeft ze ook de kans dat hij echt bij haar is, en haar liefde ook echt beantwoordt. Dat hij (misschien voor het eerst) echt van haar gaat houden. En dat betekent dat hij op een verantwoordelijke manier zal omgaan met het motorrijden en niet zal spelen met zijn leven. Hij weet immers dat zij hem niet kwijt wil raken. Net zo zal een vrouw waarschijnlijk er mooi willen uitzien voor de man die haar accepteert hoe ze er ook uitziet, gewoon omdat hij van haar houdt. Mannen (en vrouwen) willen misschien niet veranderd worden (met manipulatie, regels, straf et cetera), ze zijn wel degelijk bereid om hun gedrag te veranderen, voor iemand die hen onvoorwaardelijk liefheeft. Hun eigen liefde is dan de reden om te veranderen, en niet het ‘moeten’ van de ander. Het is verandering van binnenuit, niet van buitenaf.

De bijbel suggereert dat God ons ook op die manier verandert. Lees bijvoorbeeld wat Paulus zegt direct nadat hij zijn frustratie uitsprak over zijn gebrek aan wilskracht: “De wet van de Geest die in Christus Jezus leven brengt, heeft u bevrijd van de wet van de zonde en de dood. Waartoe de wet niet in staat was, machteloos als hij was door de menselijke natuur, dat heeft God tot stand gebracht. Vanwege de zonde heeft hij zijn eigen Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd; zo heeft hij in dit bestaan met de zonde afgerekend, opdat in ons wordt volbracht wat de wet van ons eist. Ons leven wordt immers niet langer beheerst door onze eigen natuur, maar door de Geest” (Romeinen 8:2-4). De wet, die ons van buitenaf probeerde te veranderen, was als de vrouw uit het voorbeeld hierboven (of de man die zijn vriendin aan zijn ideaalbeeld wilde laten voldoen), door te proberen met dwang, straf en beloning ons tot ander gedrag te brengen. Maar omdat we mensen zijn, had de wet het tegenovergestelde effect: in het gunstigste geval bracht hij ons ertoe aan de buitenkant te doen alsof we rechtvaardig waren en alleen op onopvallende manieren ons eigen voordeel te zoeken, of anders wekte hij verzet op en zorgde dat we nog maar gingen verlangen naar wat slecht voor ons was (de wet brengt begeerte voort, Romeinen 7:8).
Maar God heeft tot stand gebracht wat voor de wet onmogelijk was. Hoe? Door de dood en opstanding van Jezus Christus. Ook na tweeduizend jaar staan die concrete gebeurtenissen nog centraal in het christelijk geloof - het enige geloof dat niet een leerstelling, filosofie of heilig boek centraal heeft staan, maar historie. Beide gebeurtenissen zijn de tastbare, onbetwijfelbare uitingen van Gods liefde voor ons. De dood van Jezus heeft namelijk afgerekend met de zonde in dit bestaan. Alle ‘heldenverhalen’ waar wij betekenis aan ontleenden en die ons ertoe brachten onszelf te verhogen en de ideologische ander te verachten, zijn in zijn dood ontmaskerd en met Hem tot een einde gebracht. We hoeven dus niet meer te vechten voor onze betekenis. We kunnen onze bezorgdheid over ons gedrag loslaten. Ons ‘heldenverhaal’ kan niet meer falen, dus schuld en schaamte zijn niet meer nodig. Dit loslaten is een sterven met Jezus: het vertrouwen op de eigen kracht begraven, en afhankelijk durven zijn van God voor je betekenis, je geluk, je leven. We delen daarmee in de gezindheid van Jezus, die ook afstand deed van zijn positie en zichzelf vernederde, ja tot in de dood (Filippenzen 2:5-8).
De opstanding van Jezus is de keerzijde hiervan. Wat God voor Jezus deed, omdat Hij van Jezus hield, doet hij ook voor ons, omdat Hij van ons houdt. Hij ademt zijn levensadem in ons. Dat wil zeggen: Hij vertelt ons wie we zijn, hij geeft ons een nieuwe naam. Ook dit is een uiting van Gods liefde. De liefde van God is namelijk niet alleen een vergevende liefde, maar ook een scheppende liefde. Hij accepteert niet alleen, maar bevestigt ook. Gods liefde voor ons creëert in ons betekenis, de betekenis waar we naar op zoek waren. We ontvangen een nieuwe identiteit, namelijk die van geliefden van God. Deze identiteit zal nooit veranderen. Hij is niet afhankelijk van wat wij doen, zijn of geloven (daarom dat het niet een nieuw ‘heldenverhaal’ is waar wij voor moeten vechten). De Geest van God in ons bevestigt voortdurend deze nieuwe identiteit in ons, hij verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn. (Romeinen 8:16). Ons leven wordt dus niet meer beheerst door het idee dat we als mensen op onszelf staan en afhankelijk zijn van onze eigen kracht - en daardoor overgeleverd aan externe motivatie (slaven, zoals Paulus zegt). Ons leven wordt beheerst door de rotsvaste overtuiging dat we voor eens en altijd Gods geliefde kinderen zijn.
En dat verandert onze motivatie.

Net als de vrouw (m/v) in het voorbeeld wil God niet dat we ons gaan gedragen volgens een ideaalbeeld dat Hij ons van buitenaf oplegt. Hij wil niet dat we minder onszelf worden, dat we onze identiteit verliezen. Hij wil dat we meer ONSZELF worden, de mensen zoals Hij ons bedoeld heeft. Onze echte identiteit was van onze schepping af al die van de geliefde van God. We hebben er zelf voor gekozen onze identiteit in andere verhalen te zoeken, maar daardoor werden we minder onszelf en stierven we. Jezus’ dood en opstanding bevestigt wie we voor God altijd al waren. Dat zullen we moeten gaan geloven. Het is een sprong in het diepe - te accepteren dat God mij heeft geaccepteerd. Dat hij van mij houdt zoals ik nu ben. (Hoewel hij me wel de gevolgen laat ervaren van mijn keuzes tegen mijn echte identiteit- de liefde verheugt zich niet over ongerechtigheid). Als ik dit geloof, ben ik vrij om alle ideaalbeelden los te laten, en mezelf niet langer te bekritiseren (dat doet God immers ook niet). En ik ben vervolgens vrij om keuzes te maken die passen bij wie ik altijd ben en zal zijn: zijn geliefde kind. En omdat ik rust in de wetenschap dat ik geliefd ben, zullen die keuzes steeds minder ongezonde afhankelijkheid reflecteren, maar steeds meer liefde (voor mezelf, voor God en voor anderen).
Hoe zo’n leven als Gods geliefde kind, een burger van zijn Koninkrijk eruitziet, wordt door Paulus in zijn brieven en door Jezus in zijn bergrede beschreven. De man die weet dat hij de geliefde van zijn vrouw is, zal niet onverantwoorde risico’s willen nemen met zijn motor. De vrouw die weet dat ze de geliefde van de man is, zal zich voor hem willen inspannen. Net zo kun je niet tot in het diepst van je ziel geloven dat God je onvoorwaardelijk liefheeft, en dan zelf je medemens haten. Je kunt niet aanvaarden dat God je als persoon boven alles waardevol vindt, en andere mensen als lustobject beschouwen. Je kunt niet verlangen om te gaan met de God die onvervalste werkelijkheid is, en zelf blijven liegen. Als je werkelijk iets bent gaan begrijpen van het koninkrijk van de liefdevolle God, wil je dat soort dingen niet meer. Dan krijg je er een afkeer van. Je zult er fouten in maken, je zult vaak genoeg tekortschieten, maar je verlangen is veranderd en dat is waar het om gaat. Van iemand die eerst met geen stok de deur was uit te krijgen om te gaan hardlopen, ben je als het ware veranderd in iemand die niet kan wachten om de schoenen aan te trekken en de straat op te gaan. Van iemand die niet aan de ijscozaak voorbij kon lopen zonder er binnen te stappen, ben je veranderd in iemand die geen trek meer heeft in wat voor zoetigheid dan ook. Van iemand die de radio uitzette zodra er muziek opkwam met een beat, ben je iemand geworden die ernaar verlangt te dansen. Je bent uit het rijk van de duisternis overgegaan naar het rijk van het licht. Het licht is nu je natuurlijke omgeving geworden, hetgene waar je in thuishoort. En daar ga je naar verlangen. 

En als je verlangen is veranderd, verandert je gedrag. De bijbel suggereert dat gedrag voortkomt “van binnenuit, uit het hart der mensen” (Markus 7:21). De toestand van je hart bepaalt de aard van je gedrag: “Doet soms een bron uit dezelfde ader zoet en bitter water opwellen? Kan soms, mijn broeders, een vijgeboom olijven of een wijnstok vijgen opleveren? Evenmin kan een zilte bron zoet water geven.” (Jakobus 3:11,12). Dit geldt voor slechte gedragingen, en voor goede. Het effect van verlangen op het menselijk gedrag kennen we uit ons dagelijks leven. Ik hou niet van schoonmaken in huis. Als ik dat moet doen, stel ik het zo lang mogelijk uit, en als ik een excuus heb om het over te slaan, doe ik dat. Hoe lang ik ook al op mezelf woon, ik ben schoonmaken nooit leuk gaan vinden. Soms probeer ik mezelf ertoe te dwingen met externe motivatiemiddelen zoals vaste schema’s, of beloningen, maar die tactieken hebben vaak niet lang effect. Maar met het schoonmaken van mijn aquariums is het heel anders: Dat stel ik niet uit, ik vind het vervelend om het over te slaan, ik maak er graag tijd voor vrij. Ik ervaar het niet als verplichting - ik doe het graag, omdat ik mijn hobby nu eenmaal zo leuk vind.
Net zo wordt het doen van de wil van God een vreugde voor wie werkelijk gelooft dat God de bron van alle vreugde is. De Amerikaanse filosoof Peter Kreeft beschrijft dit in zijn boek Everything you ever wanted to know about heaven: “The consequences of believing [that Christ is our joy and since we always have Him, therefor we always have joy] are inexpressibly revolutionary. This faith transforms the whole of our lives, especially the dimension of ethics, goodness, holiness. It becomes not just duty, but joy. Obeying God’s will is not the artificial, external, constricting, repressive straitjacket that it seems to those who do not do it; it is the path to joy ... Our work is not to gain salvation, to buy an entrance ticket to Heaven. No good works, care, or even earthly love can force God’s hand. The ticket is free. Our work is therefore also free, free of the burden of ‘making it’ to heaven, free of worry about not making it, free of performance anxiety before God. God is a loving Father and we are his toddlers; He delights in every teetering step and laughs when we fall out of wakness. Why other then? Why does a toddler want to learn to walk? To be like his father. God’s goodness is the supreme beauty and joy; the more we know it, the more we love it and want to be like that. We do not do good to get to Heaven; we do good because Heaven has already got to us. We do not work to make everything work together for good; we work because everything works together for good.”

Dit verandert hoe we de externe motivatiemiddelen zien. Als we echt zijn gaan verlangen naar ander gedrag, van binnenuit, dan passen we met vreugde elke methode toe die we kennen: schema’s, aansprakelijkheidspartners, discipline, methodieken. Dan achten we het enkel vreugde als God ons opvoedt. Wanneer wij verlangen naar Gods heiligheid omarmen we zijn tucht: “Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid.” (Hebreeen 12:11).
En doordat ons gedrag verandert, en we steeds meer gaan liefhebben (God boven alles en onze naaste als onszelf), niet omdat het moet, maar omdat het ons diepste verlangen is, gaan we het beeld van God vertonen. We krijgen deel aan de goddelijke natuur, aldus 2 Petrus 1:4. Wat is Gods natuur? God is liefde. Greg Boyd zei het in een preek die ik van hem luisterde: “Gods glory is the radiance of his love on display.” Als wij liefhebben, tonen we daarmee Gods glorie aan de wereld. En dit zullen we tot in de eeuwigheid doen: de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn geen beloning voor onze braafheid tijdens ons leven op Aarde. We worden niet in die nieuwe werkelijkheid opgenomen omdat we altijd zo goed en gehoorzaam zijn geweest, zodat we ons nu mogen ontspannen en genieten van al die dingen waar we ons zo lang van hebben onthouden. We krijgen geen wijn en maagden omdat we tegen onze zin hebben geploeterd voor de wet. Nee: in Gods eeuwigheid zullen we doen wat we ook nu al doen: werkelijk leven, werkelijk liefhebben, werkelijk delen in schoonheid, waarheid en intimiteit. Het is de voltooiing van ons leven als Gods kinderen, geen afsluiting ervan. Als we gaan liefhebben tijdens dit leven, laten we ons opnemen in de Goddelijke dans van liefde, en die gaat tot in alle eeuwigheid door. Alleen wie pertinent weigert te dansen, zal niet worden gedwongen er aan mee te doen. Voor de rest geldt dat God alles en in allen zal zijn, en dat aan de liefde en vreugde van Zijn werkelijkheid nooit meer een einde komt. Ze leefden nog lang en gelukkig ...

zondag 22 januari 2012

Het einde van de wil 3: het oordeel van de genade

Ik herinner me het plaatje uit een geschiedenisboek dat ik als kind las. Het ging over Egypte en wat de mensen daar geloofden over het leven na de dood. Er was een man doodgegaan. Zijn lichaam werd gebalsemd en hij werd in een kleine piramide begraven. Vervolgens stond de overleden persoon voor een grote weegschaal. Daar werd zijn hart gewogen tegen de godin Ma'at, de belichaming van waarheid en gerechtigheid (gesymboliseerd door een struisvogelveer). Hoeveel goede daden had hij verricht? Hoeveel kwaad had hij gedaan? Als hij te licht bleek te zijn, werd hij gevoed aan de verslinder, Ammit, een beest een deel krokodil, een deel nijlpaard en een deel leeuw was. Als hij zwaar genoeg was, mocht hij met Osiris mee naar het gelukkige leven aan de andere kant van de dood. Veel christenen hebben hetzelfde beeld voor ogen als de bijbel spreekt over het oordeel.
Het is een kenmerk van veel religies: het idee dat er na de dood over het leven van de mens wordt geoordeeld. Het idee dat wat mensen in dit leven hebben gedaan (of niet gedaan) wordt vergeleken met een bepaalde standaard, en dat op basis daarvan hun eeuwige lot wordt vastgesteld. Het beeld van een weegschaal is heel toepasselijk. Aan de ene kant liggen de goede werken, aan de andere kant de zonden: naar welke kant slaat de balans door? Er zijn twee mogelijkheden: hel of hemel - en wat je gedaan hebt tijdens je leven bepaalt waar je terechtkomt.
Ik heb me laten vertellen dat bijvoorbeeld moslims op zo’n manier denken over het oordeel. Maar ook veel moderne mensen geloven hierin, ook al zouden ze het niet letterlijk zo verwoorden. Maar als ze zeggen dat mensen die ‘goed hebben geleefd’ of ‘niemand kwaad hebben gedaan’ wel naar de hemel zullen gaan (en er tegelijk van uitgaan dat mensen als Hitler en anderen wel naar de hel moeten omdat ze zo slecht zijn), laten ze zien er volgens hen aan de eeuwigheid een bepaalde afweging voorafgaat. Zelf zullen ze natuurlijk altijd van zichzelf geloven dat ze tot de eerste categorie behoren (de mensen die wel ‘goed genoeg’ zullen zijn). Het laat ze goed over zichzelf denken. Ze hebben geen reden hun gedrag onder de loep te nemen, zich in te laten met God of met de kerk (het idee dat er ‘iets’ is, is wel genoeg), of compassie te hebben met mensen die het er nu eenmaal zelf naar hebben gemaakt dat de weegschaal voor hen anders doorslaat.
Maar het beeld van de weging op basis van iemands leven kan ook worden gebruikt om mensen slecht over zichzelf te laten denken. Denk aan de schilderingen over het laatste oordeel van iemand als Michelangelo. God die op zijn troon zit. Aan zijn rechter hand de hemelse dreven waar de heiligen, de martelaren en de geestelijken worden toegelaten. Aan zijn linkerhand helse taferelen waar de hordes zondaars, onbekeerde mensen, aan worden overgeleverd (waarbij de schilder zijn fantasie heeft uitgeleefd op de meest wrede martelmethodes). En waar je terecht komt laat de rechter koud: als je naar de hemel had willen gaan, had je tijdens je leven maar meer moeten doen, harder moeten werken, meer geven aan de kerk, strenger geloven. De kerk kan deze beelden gebruiken om mensen te manipuleren zodat ze doen wat de kerk wil dat ze doen. In feite wordt er ook zo weer ingespeeld op de angst voor de dood, die mensen in slavernij gebonden houdt.

De bijbel spreekt inderdaad over het oordeel. Als Paulus in Handelingen 17 het evangelie uitlegt, zegt hij dat Jezus is aangewezen om een rechtvaardig oordeel over de wereld te vellen, en dat God dat bewezen heeft door hem uit de dood op te wekken (v31). Het bijbelboek Openbaringen laat alle levenden en doden verschijnen voor de rechterstoel van God, waar de boeken worden geopend en het oordeel wordt uitgesproken. Jezus spreekt er zelf ook over in Mattheus 25, in de gelijkenis van de schapen en de bokken. Op de laatste dag zal Hij de schapen en de bokken scheiden. De schapen (kennelijk de goede mensen) zullen het eeuwige leven binnengaan, de bokken zullen tot de eeuwige duisternis worden veroordeeld (die was gemaakt voor de duivel en zijn engelen). Gospelzanger Keith Green heeft van dat bijbelgedeelte een aansprekend lied gemaakt. Met een vrolijk pianodeuntje (hij kon spelen!), een humoristische tekst (de verontschuldigingen van de ‘bokken’ met hun redenen waarom ze niet de armen hadden geholpen of de zieken hadden bezocht, waren hilarisch ‘Maybe the Lord is hungry now? One of the angels, get the lord a hamburger and a coke!’) en een verbolgen Jezus die woedend uitbarste: ‘Depart from me!’. En het eindigde met de conclusie: ‘Remember, the only difference between the sheep and the goats was what they did, and didn’t, do!’ Whoa! Dat maakte nogal indruk toen ik het voor het eerst hoorde op een christelijk zomerkamp. Ik voelde me direct schuldig, want ik wist dat ik niet genoeg deed. Ik was nooit naar een gevangenis gegaan, had nooit iemand kleren gegeven of eten aan iemand die arm was. En het beeld bleef me achtervolgen, want ik kon nooit zo goed zijn als die schapen, ik gedroeg me eerder als de bokken.
Gelukkig geloofde ik dat Jezus voor mijn zonden was gestorven en dat mijn zieleheil niet afhing van wat ik deed of niet deed (maar wat bedoelde Jezus dan met die gelijkenis?). Dat betekende niet dat ik me opeens zeker voelde. Ik kende namelijk ook bijbelgedeeltes zoals 1 Korintiers 3:10-15: “Laat ieder erop letten hoe hij bouwt ... Of er op dat fundament nu verder wordt gebouwd met goud, zilver en edelstenen of met hout, hooi en stro, van ieders werk zal duidelijk worden wat het waard is. Op de dag van het oordeel zal dat blijken, want dan zal het door vuur aan het licht worden gebracht. Het vuur zal laten zien wat ieders werk waard is. Wanneer iemands bouwwerk blijft staan, zal hij worden beloond. Wanneer het verbrandt, zal hij daarvoor de prijs betalen; hijzelf zal echter worden gered, maar door het vuur heen.” Ook al was mijn eeuwige bestemming veilig gesteld, mijn positie in de hemel hing kennelijk nog steeds af van wat ik deed. Zoals ik het zag kon ik twee dingen doen. Ik kon zelfzuchtig zijn en de dingen doen die ik graag wilde - dat zou hout, hooi en stro zijn. Of ik kon geestelijk zijn en doen wat Jezus van mij vroeg -bijbelstudie, bidden, evangeliseren, samenkomsten bezoeken, et cetera - en dat zou goud, zilver en edelstenen blijken te zijn. Als perfectionist mocht ik van mezelf natuurlijk niet onvolmaakt blijken te zijn, ik zou mezelf nooit vergeven als een deel van wat ik deed door het vuur verbrandde. Dus werkte ik me uit de naad - letterlijk: zoals ik al zei, ik werd er overspannen van.

Door mijn overspannenheid werd het mij pijnlijk duidelijk dat mijn wil tekortschoot. Dit wordt bevestigd door het recente onderzoek naar ‘ego depletion’. Wij kunnen niet door onze eigen vastbeslotenheid de weegschaal naar de ene of de andere kant laten doorslaan. We kunnen niet maar beslissen dat we voortaan met goud, zilver of edelstenen bouwen, en niet met hout, hooi en stro. Het oordeel aan het eind van de tijd zal geen ‘triomf van de wil’ zijn, we zullen onszelf niet kunnen feliciteren dat we in de hemel zijn toegelaten, of onszelf verwijten dat we naar de hel worden verwezen (‘Had ik maar beter mijn best gedaan’).
Zoals Jezus in zijn leven, in zijn wonderen en in zijn gelijkenissen de verwachtingen van de religieuzen van zijn tijd op hun kop zette, zo weigert hij het algemene menselijke idee van het oordeel te bevestigen. Voor hem geen ‘voor wat, hoort wat’. Jezus spreekt subversief over het oordeel. Hij zegt in Johannes 3 dat hij niet in de wereld is gekomen om te oordelen. Hij is gekomen om te laten zien dat God de wereld liefheeft. Mozes zette in de woestijn een koperen slang op een stok, een teken dat God leven gaf aan de door slangen gebeten mensen. Het was voor iedereen zichtbaar. Mensen hoefden er alleen maar naar te kijken om van hun vergiftiging genezen te worden. De enige manier om in het Israelitische legerkamp te sterven, was als je niet WILDE kijken naar de slang, als je bewust je ogen afwendde, als je weigerde afhankelijk te zijn van God voor je herstel. Net zo is Jezus gekomen om voor iedereen het zichtbare teken te zijn van Gods liefde. Je hoeft er niks voor te doen om het eeuwige leven te ontvangen, je hoeft alleen maar te accepteren dat God het zomaar geeft. De enige manier om dood te blijven is door je ogen gesloten te houden, door je bewust de andere kant op te keren, door te weigeren van God afhankelijk te zijn. Daarom kan Jezus zeggen: “Dit is het oordeel: het licht kwam in de wereld en de mensen hielden meer van de duisternis dan van het licht” (Johannes 3:19).
Het subversieve aan het oordeel zoals dat in de bijbel beschreven staat, is dus dat iedereen al is vrijgesproken - goeden en slechten. Het ego, de wilskracht van mensen heeft daar niets mee te maken. Sterker nog, het ego, de wilskracht van mensen is wat hen ertoe brengt buiten het feest te willen blijven, in de duisternis, met de gevallen engelen die ook niet van God afhankelijk wilden zijn. Zoals C.S. Lewis zegt: de deur van de hel zit aan de binnenkant op slot.

Dit is precies wat Jezus laat zien in zijn gelijkenis over de schapen en de bokken. Robert Farrar Capon (ja, inderdaad, hij weer. Maar wees gerust, voorlopig is dit de laatste keer dat ik hem aanhaal) geeft een adembenemende interpretatie van deze gelijkenis in het derde deel van Kingdom, Grace, Judgment. Het eerste wat hij stelt is dat de schapen en de bokken allebei al tot de kudde van de herder behoorden (Het was in die tijd namelijk niet ongebruikelijk dat mensen zowel schapen als geiten hielden!): “The Good shepherd lays down his life for the sheep. But he lays down his life for the goats as wel, because on the cross he draws ALL to himself. It is not that the sheep are his but the goats are not; the sheep are his sheep and the goats are his goats.” Van God uit is er dus al een relatie, waar het vervolgens om gaat is of mensen dat willen accepteren.
Vervolgens wijst hij erop dat de ‘schapen’ in deze gelijkenis niet naar de hemel gaan omdat ze zoveel goede werken hebben gedaan. Wat ze deden, deden ze namelijk helemaal niet als goede daden. Het was geen zelfopoffering van ze. Ze deden het niet om bij God in een goed blaadje te komen. Daarom zijn ze ook verbaasd over de woorden van Jezus: ‘Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien en te eten gegeven, of dorstig en u te drinken gegeven?’ Ze waren zich er niet van bewust dat ze iets goeds deden, ze voelden zich niet heilig omdat ze aardig waren voor anderen. Het was voor hen iets heel natuurlijks. Het kwam voort uit hun identiteit. Dit waren liefhebbende mensen, en dus konden ze niets anders dan andere mensen liefhebben. En hoe worden mensen liefhebbende mensen? Doordat ze weten dat ze geliefd zijn, doordat ze Gods liefde aanvaarden. De daden van de ‘schapen’ voor andere mensen waren een vrucht en geen werk - ze kwamen als natuurlijk voort uit het vertrouwen dat ze hadden in Gods liefde. Daardoor konden ze anderen liefhebben om wie die anderen waren en niet om zelf daardoor in de hemel te komen. En in het liefhebben van die anderen hadden ze Jezus lief, die hen eerst had liefgehad. Ze hadden een relatie met God, precies op de plek waar hij zich liet zien, in het zwakke en het kleine.
Maar de ‘geiten’ dan? Ook die waren door God al ingesloten in zijn liefde en zijn aanwezigheid. Maar zij wilden die niet als realiteit ervaren. Daarvoor zouden ze namelijk moeten toegeven dat ze met hun eigen wilskracht niets konden bijdragen aan hun redding. De ‘geiten’ uit de gelijkenis waren namelijk niet de hoeren, tollenaars en dronkaards (die aan het einde van hun wil waren gekomen), maar juist de schriftgeleerden en farizeeen, die dachten op eigen kracht de wil van God te kunnen doen. Ze waren maar wat trots op hun goede werken - en dachten dat God daar ook wel blij mee zou zijn. Maar juist daardoor wilden ze niet omgaan met de zwakken, de zieken, de kleinsten en de laatsten - misschien waren ze bereid hen een aalmoes te geven, maar ze wilden niet met hen geassocieerd worden. Ze wilden niet onder hen worden gerekend. En daarmee lieten ze zien niet bij God te willen horen. “The wicked too, will have experienced the same presence”, stelt Capon daarom. “The authorities of Jesus’ day, for example, were as involved in his redeeming death as anybody - Caiaphas, the Sanhedrin, even Judas, were all intimate with his saving appearance; but they will not have trusted. They will have been justified and they will have been brought home; but because of the blindness of their unbelief - they will have cut themselves off from the salvation they already had - from the favorable judgment that, but for the noise of their own works, they would otherwise have heard.”

Deze blik op het oordeel werpt ook een ander licht op het gedeelte uit 1 Korintiers 3 dat ik hierboven aanhaalde. Ik denk namelijk niet dat Paulus hier een pleidooi houdt om op onze eigen kracht te vertrouwen. Hij betoogt hier niet dat de Korintiers door hun eigen inspanning iets kunnen opleveren dat voor God waardevol is. In de hoofdstukken ervoor heeft hij namelijk juist uitgelegd dat het geheim van God is gelegen in zwakheid. Het is niet de kracht van de wereldheersers waardoor Gods plan werkelijkheid wordt, maar het vertrouwen van zwakke mensen in God. Hij zegt in dit gedeelte niet opeens het tegenovergestelde. Het gaat hem dus niet om wat we doen of hoeveel we doen. Wat van belang is, is het materiaal waarmee gebouwd wordt, de ‘kwaliteit’ van het werk, niet de ‘kwantiteit’. Ik denk daarom dat Paulus het hier heeft over de motivatie, het verlangen waaruit mensen zich inzetten. Je kunt nog zoveel geven aan de armen, je kunt nog zoveel bidden of bijbellezen en je kunt nog zoveel zendingsreizen maken - als je het doet om je eigen zelfbeeld op te krikken, om je eigenwaarde eraan te ontlenen, geldt wat Paulus zegt in Kolossenzen 2:23: “Het heeft geen enkele waarde en dient alleen maar tot eigen bevrediging.” (Zie ook 1 Korintiers 13:1-3). Je kunt profeteren en geesten uitdrijven in Jezus’ naam, en toch kan Jezus zeggen: ‘Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, wetsverkrachters!” (Mattheus 7:23).
Dit gedeelte gaat net als Mattheus 25 uit van een heel inclusieve basis. “Niemand kan een ander fundament leggen dan er al ligt – Jezus Christus zelf” (1 Korintiers 3:11). Op welke manier je ook bouwt - iedereen die bouwt, bouwt op dit fundament. En ook hier is het criterium wat wel en niet het oordeel doorstaat, niet iets dat de bouwer zelf doet, maar of de bouwer in vertrouwen het vrije aanbod van God in Jezus heeft geaccepteerd. Het criterium is namelijk of iemand God zelf laat bouwen. Paulus zegt het zelf een paar versen ervoor: “Alleen God is belangrijk, want hij doet groeien!” (vers 7). Dat de Korintiers zich bekeerd hadden was niet iets waar Paulus trots op kon zijn. “U bent een bouwwerk van God” (vers 9). Paulus vertrouwde namelijk op God en niet op zijn eigen wilskracht. Dat leidde ertoe dat hij om andere mensen ging geven en hen het goede nieuws wilde vertellen. En vervolgens bleek zijn leven vrucht te dragen. Vrucht die blijvend zou zijn, die het oordeel zou doorstaan. Het ging er niet om hoeveel hij deed, maar dat wat hij deed voortkwam uit zijn vertrouwen op God. Maar alles wat niet gedaan wordt uit geloof, hoe goed en geestelijk de activiteiten in kwestie ook lijken, is zonde.

Mijn harde werken van voor mijn overspannenheid, waarmee ik hoopte in de eeuwigheid tot het goud en zilver te worden gerekend, was dus eerder het hout en stro waarover Paulus schreef. Het was niet gebaseerd op vertrouwen, dus het miste zijn doel, hoe christelijk het ook leek. Het diende alleen mijn eigen ego, mijn zelfbeeld.
Nu heb ik al die pogingen om mezelf door mijn eigen wilskracht voor God acceptabel te maken opgegeven. Ik vertrouw erop dat God mij al heeft geaccepteerd. Niet omdat ik zo goed ben of zoveel voor God doe, maar omdat dit is wat Jezus heeft laten zien door zijn dood en opstanding. Mijn identiteit is daardoor veranderd. Ik zie mezelf nu als een geliefde van God en daar wil ik me meer en meer naar gedragen. Mijn vertrouwen heeft dus gevolgen in mijn leven - geen werken waar ik zelf trots op kan zijn, maar vruchten die God in mij laat groeien. Vruchten van goud, zilver en edelstenen, waar ik net als de schapen in de gelijkenis van Jezus verbaasd over zal staan. Het oordeel is daardoor niet meer iets om bang voor te zijn, geen middel om mezelf en andere mee te manipuleren, maar een blijde bevestiging van de eeuwige waarheid: dat God mij niet veroordeelt, maar mij altijd al heeft liefgehad.

donderdag 12 januari 2012

Levensveranderende boeken 5

Ik houd van boeken, ik zal het maar eerlijk toegeven. Ik ben dan ook niet met lezen gestopt na het schrijven van het laatste deel in de serie. En mijn denken (en dus mijn leven) is ook in de afgelopen vijf jaar weer veranderd door de boeken die ik heb gelezen. Het is daarom hoog tijd voor een nieuwe aflevering van deze serie.

Om te beginnen De Grote Doorbraak van Derek Morphew. De kerk waarin ik opgroeide had nogal stellige ideeen over de ‘eindtijd’ - deze periode van herstel en vervulling lag in de toekomst, als Jezus zou terugkomen. Dat beeld werd echter op zijn kop gezet door dit toegankelijke, enthousiasmerende boek. Het laat namelijk zien dat de vervulling van het plan van God niet in de toekomst ligt, maar in Jezus. De komst van Jezus betekende dat het koninkrijk was gekomen, dat de eindtijd was aangebroken. Sinds Jezus’ dood en opstanding leven we in de ‘laatste dagen’ - de tijd waarin Gods wil realiteit wordt in mensen en structuren. Maar tegelijk ligt het Koninkrijk in de toekomst - deze wereld blijft bestaan, terwijl de volgende wereld al is aangebroken, aldus Morphew. De consequentie van dit beeld is dat hoop en verwachting niet alleen maar op de toekomst gericht mogen zijn, waarbij dit leven een tranendal blijft en niet de moeite waard, maar dat het ook hoop en verwachting mag zijn voor ons dagelijkse leven hier en nu. We kunnen nu al -zij het niet volkomen- de blijdschap, vrede en genezing ervaren die horen bij Gods regering. (Ik bracht dit thema in bij de redactie van de Bode en het werd de rode draad voor De Opwindende Laatste Dagen (2007), waarin ik ook een hoofdstuk heb geschreven.)

Sinds ik Amazon.co.uk heb ontdekt, heb ik plotseling toegang gekregen tot een erg uitgebreide selectie van Engelstalige boeken. Het is maar goed dat ik mezelf op rantsoen heb gezet en maar een keer per maand een boek aanschaf, anders zou ik de laatste paar jaar een enorme creditcardschuld hebben opgebouwd. Een van de eerste boeken die ik via deze nieuwerwetse manier aanschafte was Scandalous Freedom van Steve Brown. Het is niet overdreven als ik zeg dat zonder dit boek mijn eigen boek over vrijheid waarschijnlijk niet zou zijn geschreven. Brown rekent namelijk op een vrij stellig af met alle hekjes die christenen en kerken vaak hebben gebouwd om de vrijheid die hoort bij het evangelie. We zeggen als gelovigen wel dat we vrij zijn, beweert hij, maar we leven niet als vrije mensen. Op een persoonlijke en humoristische manier gaat hij allerlei terreinen langs waarop we onvrijheid ervaren en laat hij zien hoe het goede nieuws van Gods genade ons op die gebieden in staat stelt onszelf te zijn. Ik vond het verfrissend. Ik ben sindsdien een trouw luisteraar geworden van zijn radioprogramma Steve Brown etc. op internet.

De Britse theoloog N.T. Wright begint ook in Nederland steeds meer bekendheid te krijgen. Ik las over hem op internet en was zo geïntrigeerd dat ik boeken van hem bestelde. Kenmerkend voor hem is een frisse, toegankelijke schrijfstijl, gekoppeld aan theologische diepgang en kennis van zaken. Hij gebruikt te weinig fantasievolle voorbeelden om hem te vergelijken met C.S. Lewis, maar ook zijn boeken verdienen het om herlezen te worden. Het meest werd ik geraakt door Surprised by Hope. Waar ik in mijn boek of op mijn blog schrijf over de toekomst, kan ik er meestal niet om heen dit boek aan te halen. Ik meende namelijk dat ik al een gezonder toekomstbeeld had gekregen, maar Wright liet zien dat ik nog steeds beïnvloed werd door buitenbijbelse gedachten over de hemel. Het idee van een ziel die het lichaam verlaat om voor altijd bij God te zijn in een niet-materiële omgeving bleek ook bij mij te hebben postgevat. Ook al geloofde ik in de opstanding, het maakte eigenlijk niet uit voor mijn mentale beeld van de toekomst. Maar in de bijbel is de opstanding nu juist het centrale gegeven. Ons lichaam wordt uit de dood opgewekt, en we zullen leven op een herstelde aarde, in een hersteld universum. We blijven volledig mens. Deze toekomstverwachting is veel mooier dan mijn eerdere idee. Dit geeft ook betekenis aan ons werk, onze hobby’s en onze inspanningen voor het milieu en onze medemens. Omdat God de materiële wereld zo belangrijk vindt, mogen wij die niet verwaarlozen. Dit is een boek dat ik in mijn leven meermalen zal lezen, al was het om niet terug te vallen in van oorsprong Platonische beelden van de toekomst.

Mijn Amerikaanse vriendinnen Beth en Lisa brachten in 2008 een bezoek aan Nederland. Ze waren erg enthousiast over The Shack, een boek van William Paul Young. Toen we langs een boekwinkel kwamen die het in voorraad bleek te hebben, kocht ik het direct. Ik las het in twee dagen uit. Dit is de enige roman in deze artikelenserie, maar ik beschouw het niet als roman, maar als een verbeelding van de gemeenschap van de drie-eenheid - de liefde tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest - en hoe wij veranderen als we ons daarin laten opnemen. Het boek stond nogal onder vuur in de Verenigde Staten, vooral omdat in dit boek de drie personen van de drie-eenheid niet in een hiërarchische relatie met elkaar staan, maar als gelijken met elkaar omgaan, en omdat dit wordt toegepast op het leven van christenen samen: de schrijver heeft niet veel op met systemen en instituten, die vaak gebaseerd zijn op vormen van machtsuitoefening. De eerste keer lezen was vooral een feest van herkenning, de tweede keer (in Doha, Qatar, nadat ik daar wegens de IJslandse vulkaan gestrand was) raakte me de centraliteit van de liefde van God - hij houdt van ons, 'he's extremely fond of us'. Ik heb in mijn boek Indrukwekkende Vrijheid geprobeerd voor heel wat thema’s uit The Shack een diepere onderbouwing te geven.
Ik las later ook het boek So you don’t want to go to church anymore? van een van de uitgevers van dit boek, Wayne Jacobson, en ging naar de podcasts van The God Journey luisteren. Ik vind hun uitgangspunt, namelijk dat we eenvoudig met God mogen wandelen, gewoon zijn geliefden mogen zijn, en dat Hij dan zijn koninkrijk door ons heen tot uiting brengt zonder dat wij dat moeten organiseren, verfrissend. Dit zette ook mijn zoektocht naar alternatieven voor de standaard evangelische kerk in gang.

Al enkele jaren ben ik een trouw lezer van de Internetmonkblog - ik genoot van de eerlijke overdenkingen van Michael Spencer, die pleitte voor een Jezusgerichte instelling. Hij verwees meerdere malen naar de boeken van Robert Farrar Capon, maar waarschuwde dat wie aanstoot nam aan The Shack deze boeken wel helemaal zou verwerpen. Dat intrigeerde mij en ik ging ze dus ook lezen. Kingdom, Grace, Judgment is een bundel van drie boeken van Capon over de gelijkenissen van Jezus. Het is daardoor vrij dik, maar in tegenstelling tot andere bijbelstudieboeken is dat hier alleen maar plezierig. Het betekent namelijk dat je als lezer langer mag genieten van de mooie, humoristische schrijfstijl van Capon - hij neemt zichzelf niet te serieus, en geeft ook eerlijk toe als hij de tekst verdraait om zijn conclusie te kunnen trekken. Sommige van zijn interpretaties zijn vergezocht, maar heel veel vind ik overtuigend. En hij ontmaskert inderdaad de Farizeeer van binnen, die toch vooral belangrijk vindt wat hij allemaal doet. Volgens Capon laten de gelijkenissen van Jezus zien dat het Koninkrijk van God overal aanwezig is, maar dat het nog niet geopenbaard is, en dat het uit zichzelf groeit, als mensen het maar niet in de weg staan. Hij laat zien dat God mensen redt omdat het zijn eigen keuze is, niet vanwege een daad of eigenschap van de mensen zelf. Het enige dat God doet is mensen opwekken uit de dood. Mensen die dood zijn kunnen niks doen om zichzelf levend te maken. En omdat iedereen dood gaat, wekt God iedereen op. Het koninkrijk is dus inclusief. Alleen wie blijft volhouden iets van zichzelf te maken, wie op eigen kracht wil blijven leven, wordt ervan buitengesloten. Ik word er enthousiast van. Ook van Between Noon and Three trouwens, een ander boek van Capon. Dit is werkelijk goed nieuws!

Tijdens mijn laatste reis naar de Verenigde Staten deden we Minneapolis aan om Lisa en haar gezin op te zoeken. Lisa had voor mij een verrassing. Ze had een afspraak voor me gemaakt met Greg Boyd, voorganger van Woodland Hills Church. Ik had al meerdere boeken van Boyd gelezen en luisterde al bijna twee jaar naar zijn preken via het internet! Het was bijzonder om een van mijn helden in levenden lijve te ontmoeten. Boyd staat vooral bekend vanwege zijn verdediging van het open theïsme (waar hij mijns inziens vrij goede argumenten voor heeft). Maar hij is bovendien heel enthousiast over Jezus en het koninkrijk van God, op een manier die niet religieus is. Een van zijn boeken die de meeste indruk op mij maakte, is Repenting of Religion. Hierin betoogt hij dat de oerzonde van de mens is dat wij oordelen. Het goede nieuws van het evangelie is dat God ons (en ieder ander) een ondeelbare oneindige betekenis toekent. Dat is liefde. Dit maakt dat we niet meer onszelf hoeven oordelen. Maar ook dat we anderen gaan zien als mensen die een oneindige waarde hebben. Als we dat doen worden we werkelijk vrji. Ik heb op deze blog al eens een recensie over dit boek geschreven. Het boek Seeing is believing van hem is ook erg goed: daarover heb ik ook een recensie geplaatst.

Een boek dat mij ook veel doet, maar dat ik nog niet heb uitgelezen, zijn de Unspoken Sermons (deel I, II, en III), van de Schotse auteur George MacDonald. Hij schreef romans en sprookjesverhalen (die een grote invloed hadden op Tolkien en Lewis), maar hij schreef ook theologische overdenkingen. Het taalgebruik is verouderd (eind negentiende eeuws), maar zijn boodschap is nog ijzersterk. Hij weet de liefde van God zo te beschrijven dat je als lezer je adem inhoudt. En zijn stelling is dat Gods liefde ons allemaal verandert. Allemaal - hij zegt dat uiteindelijk niemand aan de volhardende liefde van God kan ontsnappen. Maar tegelijk maakt Gods liefde ons heilig - wij zijn geroepen om lief te hebben zoals we door God worden liefgehad. Dit is een boek om in kleine stukjes tot je te nemen, maar absoluut een aanrader.

Ik vind zelf de katholieke filosoof en schrijver Peter Kreeft ook erg boeiend. Hij staat duidelijk in de traditie van C.S. Lewis en gebruikt net als hij ook veel creatieve vormen. Ik wordt door hem aan het denken gezet. Zijn boek Heaven The heart’s deepest longing bracht me tot het besef dat we als mensen drie kernverlangens hebben - naar schoonheid, naar relaties en naar waarheid - die overeenkomen met hoop, liefde en geloof. Deze wil ik binnenkort eens gaan herlezen.

Maar tegenwoordig veranderen mijn inzichten (en verandert dus mijn leven) vooral door de podcasts die ik luister en de blogs die ik volg. In een volgend bericht zal ik dus schrijven over levensveranderende blogs, in plaats van levensveranderende boeken.

vrijdag 23 december 2011

Levensveranderende boeken 2 (herpublicatie)

Vandaag het tweede deel van de serie over levensveranderende boeken, vijf jaar geleden gepubliceerd op mijn blog Tol Eressea. Ik begin dit tweede deel met een boekje van Willem Ouweneel (Ja, ik zei toch dat ik ooit fan van zijn boeken was?). Het Koninkrijk Gods en de Staat is maar een dun boekje, dat de invloed van christenen in de politiek verdedigt. Nu ben ik helemaal niet geïnteresseerd in politiek of in staatskunde of dergelijke onderwerpen, maar dit boekje introduceerde voor mij een belangrijk onderscheid, namelijk tussen structuur en gerichtheid. Ouweneel betoogde dat de structuren in onze samenleving zoals ze zijn geschapen of ingesteld goed zijn, maar dat ze verkeerd gericht kunnen zijn. Overal waar een structuur, of dat een gezin, kerk, school of staat is, is gericht op God, breekt het koninkrijk van God door. Als de structuur op de mens zelf is gericht, is het wat de bijbel 'de wereld' noemt. Dus niet de structuren zelf moeten worden afgewezen, zoals ik had opgepikt in mijn opvoeding (die tegen 'de wereld' was), maar we moeten de gerichtheid afwijzen. Hetzelfde kon ik toepassen op mijzelf, zoals ik door God ben geschapen. De structuren van mijn lichaam, wil, emoties en gedachten zijn goed, want naar het beeld van God geschapen. Het gaat erom of ze op God gericht zijn of niet.

Een van de relatief weinige romans die ik las in mijn 'bijbelstudieperiode' was Deadline van Randy Alcorn, een van de christelijke thrillers die in die periode populair was. Het verhaal was spannend, maar waar het mij nu om gaat was één van de verhaallijnen, waarbij een hoofdpersoon na zijn dood in de hemel terecht komt. Natuurlijk was de beschrijving van de eeuwige toestand in dit boek grotendeels speculatie, maar wel inspirerende speculatie. Alcorn beschreef de hemel als een plek van activiteit, niet als een verzameling wolken en mensen met harpen, maar een plek van voortgaande creativiteit, van ontmoetingen met andere gelovigen (C.S. Lewis!) en van betrokkenheid bij het werk van God. Hij verzon zelfs een bibliotheek in de hemel, waar alle literatuur bewaard werd die op de een of andere manier God verheerlijkte. Zo'n beeld sprak mij natuurlijk wel aan. Ik had de hemel altijd gezien als een soort eeuwige kerkdienst, maar dit gaf een beeld dat veel meer paste bij het menszijn. Het hielp mij om in de toekomst te geloven en te vertrouwen dat het goed zal zijn.

Nog voor mijn overspannenheid las ik het Handboek voor de christelijke levenskunstenaar van Christian Schwarz. Jammer genoeg heb ik het boek ooit uitgeleend en nooit teruggekregen van iemand van wie ik nu geen contactgegevens meer heb. Maar ik weet wel dat dit boek me uitdaagde het leven te zien als iets waarvan ik mocht genieten. Dat had ik nooit zo begrepen. Ik dacht altijd dat God wilde dat ik me tot het uiterste inspande, dat ik mezelf wegcijferde. Dingen waarvan ik genoot, die ik deed voor mijn plezier, waren eigenlijk al verdacht. Daarom dat ik geen spannende boeken meer las en ook niet meer schreef. Maar volgens Schwarz heeft God juist het goede met ons voort en is het leven met Hem juist een leven waarin we helemaal tot ontplooiing komen en kunnen genieten van zijn schepping. Heel inspirerend.

Toen kwam er een periode van overspannenheid, waarin ik twee jaar lang niet uit de bijbel las, en drie jaar lang niet kon bidden. Ook bijbelstudieboeken las ik die periode niet. Ze zieden me gewoon niets meer. Ik bleef natuurlijk wel nadenken, en ik ontwikkelde een ander wereldbeeld en een ander mensbeeld. Toen ik weer begon te bidden, probeerde ik op een persoonlijke manier met God te praten, terwijl ik naar mijn werk wandelde. Ik ervoer opeens veel meer de realiteit van God, en hoe Hij ook luisterde en antwoord wilde geven in mijn gedachten. Een boek dat mijn manier van praten met God bevestigde was Genieten van Gods nabijheid van Janet Johnson. Zij beschreef hoe ze was afgeknapt op het bidden volgens lijstjes en met een gebedsboek. Zo'n geordende manier van omgaan met God werkte voor haar niet. Ze bleef daarover gefrustreerd, tot ze zich realiseerde dat ze gewoon met God kon praten. Op elk moment van de dag kon ze zich bewust zijn dat God bij haar was en dat ze alles tegen hem kon zeggen. Zo werd God realiteit, niet alleen maar tijdens het halve uurtje bidden, maar gedurende de hele dag. Ik moet mezelf daar ook nog vaak aan herinneren.

Een andere schrijver die ik opnieuw ontdekte na mijn periode van overspannenheid was de amerikaanse journalist Philip Yancey. Ik had al eerder dingen van hem gelezen, maar ik kon er nooit veel mee. Zijn zoekende, vragende mentaliteit botste met mijn houding van rotsvaste zekerheid en vertrouwen in kennis van de bijbel. Maar nu begreep ik hem eindelijk. Hij beschrijft in zijn boeken zijn opvoeding in een strenge, wettische gemeente, hoe dat zijn denken en zijn relatie met God vormde en hoe hij later probeerde een gezonder beeld van God en van het christelijke leven te vormen. Op die reis werd hij gestimuleerd door een heel aantal christelijke schrijvers en ontmoetingen met leiders over de hele wereld. Zijn boek Genade, wat een wonder was voor mij een verademing. Hij beschrijft de totale radicaliteit van Gods genade, Gods aanvaarding ook voor mensen die wij als het uiterste uitschot zien. Hij laat zien hoe wij die genade in geen enkel opzicht verdiend hebben, en ook in ons leven nooit kunnen verdienen, maar hoe God ons toch bij zich wil hebben. Hij heeft daar zelf alles voor gedaan dat nodig was. En die genade, de wetenschap dat God ons werkelijk zonder enige voorwaarde omarmt, is een levensveranderde gewaarwording. Ik dit boek kort nadat ik deze tekst voor het eerst publiceerde voor de derde keer gelezen, en de invloed ervan is duidelijk te merken in mijn eigen boek Indrukwekkende Vrijheid.