Posts tonen met het label wil. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wil. Alle posts tonen

woensdag 22 februari 2012

Links: straalpistolen, waterplaneet, diepe springstaartjes, verbeelding, Hugo en vasten

Erg interessante buitenaardse wezens en mooi ontworpen straalpistolen in dit retrofuturistische animatiefilmpje! Vooral geschikt voor de anglofielen onder mijn lezers ;-).

Een spannende trailer voor Mass Effect 3, het spel dat ik volgende maand hoop te gaan spelen en waar ik wel weer een half jaar zoet mee zal zijn ... Het beste SF-verhaal van de laatste paar jaar!

Een van de leuke aspecten van Mass Effect is dat je heel veel verschillende planeten bezoekt om er naar grondstoffen te mijnen. Allemaal met andere beschrijvingen! Nu kan er een bijzondere klasse planeet aan worden toegevoegd: een planeet die voor het grootste deel uit water bestaat! Nu is dat op zich niet zo bijzonder, maar deze planeet bevindt zich dicht bij zijn ster en is dus erg warm! Volgens de wetenschappers heeft het water op deze planeet bizarre eigenschappen: het bevindt zich in de toestand van een 'super vloeistof' of 'warm ijs'.

Twee meter onder de extreem droge Atacamawoestijn in Zuid-Amerika vonden wetenschappers nieuwe micro-organismen die leven van water uit zoutkristallen. Bizar! En natuurlijk wordt gesuggereerd dat dergelijke omgevingen ook voorkomen op Mars en dat deze planeet dus leven kan herbergen!

Nog dieper leeft een nieuw soort springstaartje, het diepst levende landdier ooit ontdekt. Het is een soort die leeft in de diepste grot op Aarde, vlak bij de zwarte zee, 1980 meter onder het aardoppervlak. In plaats van met ogen neemt deze soort de omgeving waar met behulp van organen die chemische stoffen waarnemen.

"Our eschatology is inhibited by a lack of imagination." schrijft een blogger die ik nog niet kende, maar met wie ik het wel helemaal eens ben. "Perhaps in imagining the Story’s end the theologians and the exegetes must become painters and singers, sculptors and poets, taking language to its end and then some as we attempt to articulate a better and more biblical hope than what we’ve often settled for." Doet me denken aan wat ik las bij Peter Kreeft, dat niet twijfel de vijand is van geloof, maar saaiheid!

Over verbeelding schrijft ook een christelijke filmrecensent in zijn bespreking van Hugo, een geweldige film die ik deze week heb gezien. Wie mijn filmbesprekingen lang vindt, zal echter schrikken van deze ... maar ze is wel gelardeerd met prachtige citaten van onder andere C.S. Lewis. De bespreking bevat een mooie analyse van het verschil tussen fantasie en verbeelding: "There is a difference between fantasy, in the sense of simulated emotional highs crafted to satisfy the appetites of our desires, and imagination, which explores a created world in which joy and satisfaction are won by the adventures, work, trials, temptations, and effort of the characters. Imaginative films engage us by leading us through the pleasure of considering something that is other than ourselves. Fantasy films, in the sense of the word as Scruton uses it, disengage us by appealing to our appetites and desires and offering that which isn't real to temporarily sate them." En ik moest knikken bij dit citaat van Lewis: "An unliterary man may be defined as one who reads books once only ...  It is the quality of unexpectedness, not the fact that delights us. It is even better the second time. Knowing that the ‘surprise’ is coming we can now fully relish the fact that this path through the shrubbery doesn’t look as if it were suddenly going to bring us out on the edge of the cliff. So in literature. We do not enjoy a story fully at the first reading. Not till the curiosity, the sheer narrative lust, has been given its sop and laid asleep, are we at leisure to savour the real beauties. Till then, it is like wasting great wine on a ravenous natural thirst which merely wants cold wetness. The children understand this well when they ask for the same story over and over again." Dit is de reden dat ik zelf heel vaak boeken herlees, en sommige films al acht tot tien keer heb bekeken. Hugo is ook een film die ik vaker zal zien. Mijn eigen bespreking van de film volgt na het weekeinde.

Het is carnaval geweest, dus nu is het vastenseizoen aangebroken. Mark Galli schrijft in Christianity Today dat vasten hem niet geestelijker maakt (en verwijst daarbij naar de beperking van onze wilskracht): "Instead of the small thing helping me become faithful in the big thing, it just makes me focus more and more on the small thing. Fasting just reminds me how little I love God and how seldom I live according to his ways ...  What my Lenten successes have done more than anything else is inculcate pride and self-righteousness. Spiritually speaking, that's one step forward and two steps back." Maar juist die confrontatie met ons onvermogen maakt het vasten volgens Galli zinvol. Het gaat er niet om dat wij beter worden, maar dat we onze afhankelijkheid van genade weer beseffen. Het vasten eindigt namelijk op Paaszondag: "Easter doesn't become a day when I thank God that he has made me more disciplined, not like those non-liturgical folks who don't even observe Lent. Instead, it becomes an occasion to celebrate the fact that my self-respect does not hinge on my self-discipline, and that my very lack of discipline is the paradoxical sign of the gospel. Indeed, while we were gluttons and prayerless, while we didn't give a rip about the poor, Christ died for us. It's not for the spiritually fit and healthy that he came, but for the unfit and unhealthy." Heel mooi en hoopgevend!

Mockingbird schrijft ook weer over ons tekort aan wilskracht, en hoe dat wordt uitgebuit door reclamemakers en marketeers. Het blijkt namelijk dat wij gewoontedieren zijn. Als we al van gewoontes afkomen, is dat door ze te vervangen door andere gewoontes. "Habits aren’t destiny — they can be ignored, changed or replaced. But it’s also true that once the loop is established and a habit emerges, your brain stops fully participating in decision-making. So unless you deliberately fight a habit — unless you find new cues and rewards — the old pattern will unfold automatically." Eigenlijk het enige moment dat we daadwerkelijk veranderen is bij levensveranderende gebeurtenissen, zoals een verhuizing, echtscheiding, huwelijk of de geboorte van een kind. Verstoringen van onze omstandigheden veranderen ons, in plaats van andersom. Door marketeers wordt dit uitgebuit op een cynische manier, maar christenen kunnen er anders naar kijken. "A Christian might see it as further confirmation that we are the object of life’s ups and downs, rather than their subject, that perhaps it’s no coincidence that the Good News addresses those who can’t/don’t bring anything ‘to the table,’ and for whom Hope must take an external form if it’s to be of any lasting comfort." Verandering en redding komen van buitenaf, niet van binnenuit!

zondag 19 februari 2012

Macht en zwakheid 1: het falen van de macht

Ik vul niet alleen zelf een blog (met vrij lange bijdrages over het algemeen), ik volg er ook meerdere. Een ervan is de Internetmonkblog - na de dood van initiator Michael Spencer overgenomen door een team enthousiaste auteurs. Michael Spencer was een open, eerlijke schrijver, niet alleen kritisch naar de evangelische wereld, maar ook naar zichzelf. En bovendien keerde hij altijd terug naar het thema van de onvoorwaardelijke liefde van God, zoals die in Jezus werd geopenbaard. Ik zal hem voor altijd dankbaar blijven voor zijn eigen stukken over genade, maar ook voor zijn enthousiasme over de boeken van Robert Farrar Capon (waar trouwe lezers de afgelopen maanden heel wat citaten voorbij hebben zien komen). Zijn nadruk op deze onderwerpen en zijn weigering om het gezag van sprekers en schrijvers zomaar te accepteren, leidde tot nogal wat kritiek van vooral calvinistische bloggers en schrijvers.
Na zijn dood hield zijn blog gelukkig dezelfde nadruk op genade (wat de reden is dat ik er graag langssurf om mee te lezen). Maar ook de kritiek is gebleven. Zo was de blog de afgelopen week geheel gewijd aan genade (gebaseerd op het boek Three Free Sins van Steve Brown). Een verademing - tot je sommige van de commentaren onder de artikelen las (gelukkig lang niet alle!). Een heel aantal van de reageerders ageerden namelijk tegen de stelling dat genade ons absoluut vrij maakt. Dat is gevaarlijk, vonden ze. Als dat gepredikt werd zouden mensen alleen maar gaan zondigen. Er moest ook worden gesproken over de noodzaak om te veranderen en je leven te beteren.
Ik slaakte een diepe zucht. Ik geloof - net als deze respondenten - dat God ons heeft geschapen om Hem, onze medemensen, de schepping en onszelf lief te hebben, en dat er manieren van leven zijn waarmee we onszelf, onze wereld, en onze naasten de vrijheid ontnemen en beschadigen, en daarmee ook God verdriet doen. Over beide aspecten spreekt de bijbel, en ook christenen mogen en moeten elkaar daarop wijzen. Ik weet zeker dat alle schrijvers van de Internetmonkblog dit zouden beamen. Maar wat mij frustreerde, was dat deze schrijvers de noodzaak voelden de veranderde manier van leven aan anderen op te leggen. En niet alleen zelf dat te doen, maar ook andere sprekers wilden ze overtuigen om niet over de onvoorwaardelijke genade te spreken, maar te benadrukken dat het wel degelijk ging over levensheiliging en rechtvaardigheid. Niemand hield hen tegen om zich met woord en daad in te zetten voor een heilig leven. En op de Internetmonkblog is ook niemand te vinden die er maar op los leeft. Waarom dan toch zo fel? Waarom niet accepteren dat God mensen liefheeft en daar in vrijheid naar leven? Waarom zo’n nadruk op gedrag, inspanning en de aanname dat genade niet goedkoop kan zijn?  Als genade niet goedkoop was, kon niemand haar betalen!

Deze commentatoren verraadden een groot vertrouwen op de menselijke wilskracht - niet alleen wat betreft het veranderen van het eigen gedrag, maar ook wat betreft het veranderen van het gedrag van anderen. De leider in de gemeente, de prediker, is volgens hen verantwoordelijk voor het al dan niet morele gedrag van de gemeenteleden. Hij moet zijn gezag gebruiken om hen tot een juiste manier van leven te brengen. Eigenlijk is deze visie niet anders dan in de gemiddelde evangelische kerk wordt gepredikt. Denk aan de preken met oproepen om meer te bidden, meer uit de bijbel te lezen, meer te evangeliseren en meer naar de kerk te komen (want als er meer mensen naar de bidstonden komen, komt de kerk tot leven). Het idee is dat de predikers het gedrag van de toehoorders kunnen veranderen.
Ik heb het dan nog niet eens over het ‘bedekkings’-idee uit de meer charismatische kerken, dat kerkleiders werkelijk verantwoordelijk maakt voor hun gemeenteleden - wie onder de ‘bedekking’ van een kerkleider valt, wordt gezegend, wie niet onder een ‘bedekking’ hoort, mist Gods zegen. Dit leidt daar tot een hele structuur van leiders, die zich zelfs in een afspiegeling van de katholieke hiërarchie bisschoppen en aartsbisschoppen noemen. De hoogste autoriteit moet zonder aarzelen worden gevolgd - ‘touch not the Lord’s anointed’ - want hij is verantwoordelijk voor iedereen onder zich. Omdat hij macht heeft, heeft hij gelijk. Might makes right.
En als de leiders niet denken dat ze de mensen in hun kerk kunnen veranderen, geloven ze wel dat ze met hun kerk de wereld (en de mensen in de wereld) kunnen veranderen. Ze kunnen ‘Nederland winnen voor Jezus’, ze kunnen beslissingen van de overheid terugdraaien. Ze kunnen voorkomen dat de Harry-Potterboeken worden gelezen in de klaslokalen, of ze kunnen zorgen voor een opwekking in landen ver weg, met duizenden bekeringen en genezingen van blinden. En dat allemaal door hun inspiratie en hun durf om hun dromen te volgen. Alleen daarom al moeten mensen hen volgen, want zij krijgen in elk geval iets voor elkaar!
Het is niet dat ik deze manier van denken niet begrijp. Het is namelijk een heel menselijke gedachte. Daarom zien we structuren van autoriteit en leiderschap overal in de wereld terug, in organisaties, in bedrijven, in de politiek. En ja, in kerken! Maar juist het feit dat we het overal om ons heen zien in de wereld (en ook waar het toe leidt: oorlog, uitbuiting en onderdrukking) zou ons te denken mogen geven. Het is ook niet dat ik geloof dat alle leiders slechte bedoelingen hebben. Verre van dat! Maar, zoals in de film Jurassic Park III werd opgemerkt: “Some of the worst things imaginable have been done with the best intentions.” Je eigen overtuiging dat je goed of rechtvaardig bent, garandeert niet dat jouw gebruik van macht over anderen ook goede of rechtvaardige resultaten teweegbrengt. Eerder het tegenovergestelde. 

Dat ik eraan twijfel of we met behulp van onze wilskracht onszelf kunnen veranderen, zal de lezers van deze blog ondertussen duidelijk zijn. Maar ik geloof daarnaast dat wij met onze macht niet werkelijk andere mensen kunnen veranderen. We kunnen ze alleen maar hun vrijheid ontnemen, minder zichzelf maken, want onze macht over anderen is voor hen een externe motiverende factor. Elke gedragsverandering die door onze macht over anderen tot stand komt, is niet een verandering die uit het hart komt, een verandering waar de ander werkelijk naar verlangt, maar een verandering die de ander wordt opgelegd. En dat geldt voor de mensen in de kerk, en voor de mensen buiten de kerk. Geen wonder dat die zo afgeven op het opgeheven vingertje van christenen. Niemand vindt het prettig als een partij van buitenaf zijn eigen macht beperkt.
Als we macht uitoefenen, komt dat uiteindelijk nooit de ander ten goede, maar altijd onszelf. De filosoof Nietzche noemde het principe hierachter de ‘Will to power’ (der Wille zur Macht). Ik citeer van Wikipedia (ik geef toe dat ik slechts amateurfilosoof ben): “My idea is that every specific body strives to become master over all space and to extend its force (its will to power) and to thrust back all that resists its extension. But it continually encounters similar efforts on the part of other bodies and ends by coming to an arrangement ("union") with those of them that are sufficiently related to it: thus they then conspire together for power. And the process goes on ...the will of life is bent upon power, its total goal: creating greater units of power.
Hier zijn we ons natuurlijk lang niet altijd van bewust - onze ‘will to power’ gaat vaak verborgen achter religieuze termen, het werk dat we doen voor de Heer, het goed dat we doen voor anderen. We rechtvaardigen onszelf, wat we doen is immers altijd ‘goed’, in elk geval volgens onze definities. Ik denk dat Nietzche daarom aan een van zijn publicaties de titel ‘Beyond Good and Evil’ meegaf. Hij doorzag dat ons spreken over moraliteit vooral een goedpraten is van ons eigen ‘heldenverhaal’, het veiligstellen van onze eigen machtspositie of gevoel van eigenwaarde. “This includes both such apparently harmful acts as physical violence, lying, and domination, on one hand, and such apparently non-harmful acts as gift-giving, love and praise on the other— In Beyond Good And Evil, Nietzche claims that philosophers' "will to truth" is actually nothing more than a manifestation of their will to power; this will can be life-affirming or a manifestation of nihilism, but it is the will to power all the same.”
De Nazi’s namen Nietzches ideeën serieus. Hun verheerlijking van de wil - de ‘Triomf van de wil’ - wist een groot deel van Europa te winnen. Zelfs veel kerken en gelovigen schijnen Hitler niet als gevaar te hebben gezien en zelfs actief te hebben ondersteund. Misschien omdat zij net zo goed als hij ten enenmale werden gedreven door de ‘will to power’ en in zijn ideologie een kans zagen hun eigen machtspositie te versterken.

Hoewel Nietzsche volgens mij de menselijke natuur helder doorzag, was zijn conclusie dat onze drang naar macht, betekenis en invloed boven de moraal verheven was, niet correct. De verwijzing naar Nazi-Duitsland maakt dat wel duidelijk, vermoed ik. Macht is niet a-moreel, het is iets immoreels. Niet voor niets haalde ik zojuist een citaat aan uit een film geproduceerd door Steven Spielberg. Spielberg kiest heel vaak voor nazi’s als de ‘slechterikken’ in zijn films - soms op een kartooneske manier (zoals in de Indiana Jones-films), soms op een meer doordachte manier (zoals in Schindler’s List). Dit is niet (of niet alleen) omdat zijn verbeelding werd gevormd door oorlogsfilms. Ook niet omdat hij zelf van Joodse afkomst is. Het komt ook voort uit zijn filosofie.
Ik keek laatst een interessante serie video’s over de thema’s uit de films van Spielberg. Daarin werd het volgende gezegd: “In Spielberg’s movies, evil, such as it is, always comes back to the use or abuse of power. The relative good or evil of people in a Spielberg film can be discerned by looking at how they use whatever authority they have in a given situation – how they tap into, and apply, power.  This is how morality is measured. It is how good or evil is measured.” De tegenstanders in zijn films zijn geen psychopaten die plezier beleven aan het kwaad. Anders gezegd: het kwaad is voor hen geen doel in zichzelf. Wat hen tot ‘slechterikken’ maakt is dat ze zich hebben onderworpen aan het systeem van macht, de ‘will to power’.
In de film Jurassic Park zie je dat in de Tyrannosaurus rex - die niet zelf ‘slecht’ is, maar zijn natuur volgt. De T. rex wordt bij uitstek gedreven door de ‘will to power’. En toevallig is hij de machtigste in het dinosauruspark. Maar daarnaast bevat de film het karakter van John Hammond, de exploitant van het park. Hij lijkt een vriendelijke opa, zonder enig ‘kwaad’ in zijn systeem. Maar hij wil geld verdienen met een niet geevenaarde attractie, en zijn lust naar meer geld brengt hem ertoe risico’s te nemen die leiden tot de dood van tientallen individuen. Nog duidelijker is het bij het hoofd van de ‘pre crime’ in de film Minority Report, Lamar Burgess. Zijn organisatie heeft het misdaadcijfer laten dalen, en hij wil het systeem over het hele land uitrollen. Voor dat ‘goede doel’ (maar in feite voor zijn eigen machtspositie) is hij bereid individuen hun keuzevrijheid te ontnemen. Niet alleen de hoofdpersoon van de film, maar ook alle potentiele misdadigers die worden opgepakt voor ze iets hebben kunnen doen. “The antagonists in Spielberg's films are in with the power structure set out by society; even though they’re just individuals, in another sense they ARE authority.
Dit maakt autoriteit zelf in de Spielbergfilms tot de ware vijand. De uitoefening van macht over anderen is slecht. De gezichtsloze machtsstructuren zelf zijn de tegenstander (zoals de politieagenten in ET of Close Encounters of the Third Kind). “It is often society’s authority that is the true enemy in the Spielberg canon.  Many of Spielberg’s antagonists are but human extensions of it.” Een mooi voorbeeld is de film Munich, waar Spielberg op een meesterlijke manier de rollen omdraait. Hier is de vijand niet Nazi-duitsland, maar de staat van Israel. Het is namelijk niet zo dat Duitsland slecht is en Israel a priori goed. Het lijkt aanvankelijk misschien of de Israelische geheime dienst het recht aan haar kant heeft, maar haar gebruik van macht is net zo destructief als dat van hun tegenstanders. Of de macht wordt ‘goedgepraat’ maakt niet uit: door met hun autoriteit hun wil aan het individu op te leggen laten beide machten zien uit hetzelfde hout gesneden te zijn. “The true evil in Munich is that the state of Israel feels entitled to do anything it feels is necessary to avenge the murder of its athletes by Palestinian terrorists. It’s yet another example in Spielberg’s films of authority slowly clenching its iron fist around the individual. Nobody in Munich is evil – not the assassins, not their handlers, not the PLO targets they’re hunting. But they all are collectively responsible for evil acts.”

Ik denk veel over dit thema sinds het lezen van het fantasyboek A Game of Thrones. Ik heb er in mijn recensie ook over geschreven, maar ik kan aan de statistieken zien dat niet al mijn trouwe volgers deze hebben gelezen, waarschijnlijk omdat ze het boek niet kennen. Het punt uit mijn recensie wordt ook gemaakt door Jason Morehead, die schrijft: “The books’ heroes find their ethics compromised, either because they give into lust for power or because they’re forced to take extraordinary measures to survive. In either case, Martin’s point is clear: power corrupts, and it oftentimes corrupts the noblest the most easily.” Juist het idee dat je ‘goed’ bent, je eergevoel en eerlijkheid, verblinden je voor het gevaar van de macht zelf en maken dat je zonder het misschien te willen individuen onderdrukt en onschuldigen in gevaar brengt. Ik citeer in mijn recensie Richard Beck van Experimental Theology, die concludeert: “That which makes life worth living--our cultural hero system and the self-esteem it provides--is the very source of evil.”
Daarom denk ik dat het er in de het verhaal van God niet om gaat dat wij ‘goed’ zijn in plaats van ‘slecht’, maar dat wij ‘zwak’ durven zijn in plaats van ‘sterk’. Dat wij ons durven openstellen voor Gods genade, in plaats van te verlangen naar macht. Ook al is het de macht om ‘goed’ te doen. Hierin is de boodschap van Jezus werkelijk subversief. Wat het christelijke verhaal suggereert over leiderschap is dan ook anders dan wat de wereld suggereert, en dan wat in veel kerken in praktijk wordt gebracht.
Meer daarover in mijn volgende blogbericht (ik heb me weer eens door mijn enthousiasme laten meeslepen ...).

donderdag 16 februari 2012

Links: Del Toro, Europa, muziekvideo, kameleons, genadeweek op Internetmonk, schepping en evolutie

Een van mijn favoriete filmmakers, Guillermo Del Toro, met een rijke visuele verbeelding gekoppeld aan een goed gevoel voor het vertellen van verhalen, gaat een nieuwe versie maken van het mooie sprookje Beauty and the Beast. Dat wordt waarschijnlijk (met een beest dat ook echt een beest is, vermoed ik, afgaande op zijn eerdere werk).

Een science fiction-film over een team onderzoekers op weg naar Jupitermaan Europa om daar te zoeken naar mogelijk leven onder het ijs. Die moet ik kijken als hij uitkomt! Het idee van leven op Europa heeft mij altijd geboeid (sinds Arthur C. Clarkes 2010 The Year We Make Contact in elk geval).

Prachtige muziekvideo van OK Go. Deze moet je zien om te kunnen geloven. Heel erg creatief!

Hoewel baby's niet kunnen praten, begrijpen ze vanaf een leeftijd van zes maanden al wat je zegt!

De kleinste kameleon ter wereld - past op een luciferkop (jonge exemplaren in elk geval). Gaaf dat er nog steeds nieuwe diersoorten worden ontdekt!

Over kameleons gesproken: dit korte animatiefilmpje is leuk!

In een bericht dat kan dienen als aanvulling op mijn recente artikelen over wilskracht, citeert Jos Douma de wijze Anselm Grun over verandering. "In het begrip ‘veranderen’ stak vaak een overdreven optimisme, alsof men zomaar alles kon veranderen, maar dat in dat begrip zat tegelijkertijd ook vaak iets gewelddadigs Ik zou graag alles willen veranderen omdat wat bestaat niet goed is. Ik zou graag mezelf willen veranderen, van mij een andere mens willen maken, omdat ik zoals ik ben, niet goed ben." In plaats van 'veranderen' stelt Grun voor te spreken over 'omvormen'. "Omvormen betekent allereerst dat alles wat is goed is, maar dat er veel dingen zijn die ons wezen en onze waarheid verbergen. Omvorming bestaat er dan in dat wij ons oorspronkelijke beeld vanonder het kreupelhout van beelden weer opdelven en ons eigenlijke beeld uit het oneigenlijke laten groeien." Prachtig! Ik denk dat ik maar eens wat van Anselm Grun ga lezen. 

Schoonheid en wat dat voor ons betekent is iets dat mij veel bezighoudt. Ik heb er onder andere over geschreven in Het Boek van de Natuur (nog steeds warm aanbevolen). Een van de weinige blogs die er vaak over schrijft is The Rabbit Room. Ik vond daar een prachtig geschreven bericht waarin iemand vertelde hoe ze 'eigenaar' werd van een heuvel, door er een gedicht over te schrijven. Vooral als christenen mogen we ons de schoonheid van de natuur toe-eigenen met behulp van de verbeelding. "For the true apprehension of beauty, like faith itself, is an exercise in laying claim to what is already ours. There is a low door in the garden wall, and it opens on an inheritance: this is my Father’s world, and He has given it to me. All of the beauty in this astonishing universe of ours has already been lavished by a self-giving Creator. Wakefulness and effort give forth upon our birthright; seeing becomes receiving."

De Internetmonk-blog wijdt een week aan de genade, op basis van het nieuwe boek van Steve Brown (een van de inspiratoren van Indrukwekkende Vrijheid - ook nog steeds van harte aanbevolen) dat als titel draagt: Three Free Sins. Ik houd van de manier waarop Brown aanstelijke over de radicaliteit van de genade schrijft. Wauw! En op Internetmonk brengen ze dezelfde boodschap luid en duidelijk. Chaplain Mike bijvoorbeeld in zijn bericht Why Gays, Republicans, and Other Notorious Sinners Are Welcome at My Church. Dat leidde tot nogal wat discussie, wat ook weer suggereert dat je niet genoeg over de genade kunt spreken. In een prachtig stuk schrijft dezelfde auteur op basis van het boek van Brown dat het in het christelijk geloof niet erom gaat een beter mens te worden. Dat wordt je namelijk niet door je erop te richten. '“Almost everything of importance is found while we’re headed somewhere else.” That is, the goals we really want for our lives — love, joy, peace, meaning, significance, security, wisdom, maturity — will most likely be achieved when we don’t pursue them directly. They are by-products of important relationships and experiences in life.' Hij eindigt met de volgende oproep: "How about we call off this relentless “self-improvement” project and go take a walk with Jesus down the path of grace?" Hmmm ... dat is wel wat ik verlang. Er is ook een interview met Steve Brown. En een artikel over Maarten Luther, die ook het een en ander leerde over genade. En een prachtig geschreven stuk van een katholieke schrijfster, die toegeeft dat ze lijkt op de oudste broer uit de gelijkenis van Jezus. "Grace is unfair, yes, but not unjust.  Can I not do what I like with my own?” the Master asks us in the parable, and we have to answer “Yes”.  Unfortunately, we are all too likely to answer “Yes, but…”.  There’s always a “but”. But – won’t this let sinners off the hook?  But – won’t this be too easy?  But – how is this fair?  But – won’t people take advantage?  But – if it makes no difference what we do, then how can we tell people they have to believe to be saved?  But – but – but.  But nothing." Oh, en ze citeert G.K. Chesterton (altijd goed) en gebruikt voorbeelden uit Role playing games, waardoor ze op geekbonuspunten kan rekenen.

Een prachtig autobiografisch verhaal van iemand die opgroeide met interesse in de wetenschap, toen hij tot geloof kwam dacht zich aan het jonge aarde-creationisme te moeten binden, en zich later verzoende met een langere ontstaansgeschiedenis van het heelal en het leven - heel erg herkenbaar. Het had mijn verhaal wel kunnen zijn.  "Mijn mening is nu dat Genesis 1-11 wel degelijk over het begin van de wereld gaat maar daar in symbolische taal over spreekt. Wat toen gebeurd is, is niet op een manier beschreven die ‘zintuiglijk waarneembaar’ is, maar op een profetische manier. In beeldtaal dus. Een soort apocalyps van het verleden."

zaterdag 11 februari 2012

Liefde verandert mensen 3: Wat wel werkt ...

Aanstaande dinsdag is het weer Valentijnsdag. Het is een van de tradities op mijn blog dat ik dan een bericht aan het thema relaties wijd. Nou ja, tradities, ik heb het nog maar twee keer gedaan, maar iets is een traditie als je zegt dat het een traditie is, dus bij dezen is het dat. Dat betekent dat ik vandaag op de zaken vooruit loop door ook over relaties te schrijven.
Een van de redenen dat ik nogal lang vrijgezel ben geweest, was dat ik bang was dat ik een vrouw zou treffen die mij wilde veranderen. Vrouwen schijnen nogal eens relaties in te gaan met het idee dat ze een man ten goede kunnen beïnvloeden. Ze denken dat ze hem zorgzamer kunnen maken, dat ze hem van een kinderachtige of gevaarlijke hobby af kunnen krijgen, of dat ze hem zijn minder sociale vrienden kunnen laten opgeven. Ze hebben een bepaald ideaalbeeld van een man en ze denken dat met wat manipulatie op de juiste plekken en goede adviezen hun vriend daar wel aan zal gaan voldoen. (En lees voor vrouwen voor het gemak ook mannen - want niets menselijks is ons mannen ten slotte vreemd, maar misschien dat mannen eerder het uiterlijk van een vrouw willen veranderen). Maar als iemand de partner wil veranderen, komt dat de relatie niet ten goede. Ten eerste willen mensen niet veranderd worden. Mannen willen natuurlijk wel de voordelen van een relatie, dus wat de vrouw bereikt is dat haar partner doet alsof hij veranderd is. Hij zal aan haar zijn ‘aangepaste uiterlijk’ laten zien. Zijn hobby zal hij in het geheim blijven beoefenen (lang leve internet) en zijn vrienden zal hij onder voorwendselen blijven treffen.
En dit is voor beide partijen frustrerend. Voor de man is het frustrerend omdat hij een dubbelleven leidt. Hij ‘doet alsof’ als hij bij zijn vrouw is, maar voelt zich alleen echt gelukkig (want vrij en zichzelf) in zijn hobbykamer of -schuur, of bij zijn vrienden in de kroeg. Maar hoezeer is hij daar zichzelf? Want kan hij daar toegeven dat hij thuis onder de plak zit? Maar voor de vrouw is het ook frustrerend, omdat ze uiteindelijk niet meer een relatie heeft met de persoon op wie ze verliefd werd. Ze heeft eigenlijk een relatie met een leeg front, een spiegel die haar ideaalbeeld reflecteert, een ‘ja-knikker’. Niet met een echt persoon. Niet met de echte man, met echte verlangens, echte passie, echte ideeën.
John Eldredge schrijft in Wild at Heart hoe een vrouw bij hem kwam omdat ze ontevreden was over de relatie met haar man. Ze had hem ertoe gebracht om zijn motor te verkopen. Maar nu vond ze dat hij geen passie meer vertoonde, en saai was geworden. Eldredge’s antwoord: “Laat je man weer motorrijden.” Haar reactie: “Maar dat is gevaarlijk!” Tja, het is het een of het ander. Je kunt kiezen voor controle en veiligheid, of je kunt kiezen voor liefde en het risico dat daaraan verbonden is. Liefde zonder risico lijkt onmogelijk te zijn. Maar als deze vrouw het risico wil lopen om haar man kwijt te raken, heeft ze ook de kans dat hij echt bij haar is, en haar liefde ook echt beantwoordt. Dat hij (misschien voor het eerst) echt van haar gaat houden. En dat betekent dat hij op een verantwoordelijke manier zal omgaan met het motorrijden en niet zal spelen met zijn leven. Hij weet immers dat zij hem niet kwijt wil raken. Net zo zal een vrouw waarschijnlijk er mooi willen uitzien voor de man die haar accepteert hoe ze er ook uitziet, gewoon omdat hij van haar houdt. Mannen (en vrouwen) willen misschien niet veranderd worden (met manipulatie, regels, straf et cetera), ze zijn wel degelijk bereid om hun gedrag te veranderen, voor iemand die hen onvoorwaardelijk liefheeft. Hun eigen liefde is dan de reden om te veranderen, en niet het ‘moeten’ van de ander. Het is verandering van binnenuit, niet van buitenaf.

De bijbel suggereert dat God ons ook op die manier verandert. Lees bijvoorbeeld wat Paulus zegt direct nadat hij zijn frustratie uitsprak over zijn gebrek aan wilskracht: “De wet van de Geest die in Christus Jezus leven brengt, heeft u bevrijd van de wet van de zonde en de dood. Waartoe de wet niet in staat was, machteloos als hij was door de menselijke natuur, dat heeft God tot stand gebracht. Vanwege de zonde heeft hij zijn eigen Zoon als mens in dit zondige bestaan gestuurd; zo heeft hij in dit bestaan met de zonde afgerekend, opdat in ons wordt volbracht wat de wet van ons eist. Ons leven wordt immers niet langer beheerst door onze eigen natuur, maar door de Geest” (Romeinen 8:2-4). De wet, die ons van buitenaf probeerde te veranderen, was als de vrouw uit het voorbeeld hierboven (of de man die zijn vriendin aan zijn ideaalbeeld wilde laten voldoen), door te proberen met dwang, straf en beloning ons tot ander gedrag te brengen. Maar omdat we mensen zijn, had de wet het tegenovergestelde effect: in het gunstigste geval bracht hij ons ertoe aan de buitenkant te doen alsof we rechtvaardig waren en alleen op onopvallende manieren ons eigen voordeel te zoeken, of anders wekte hij verzet op en zorgde dat we nog maar gingen verlangen naar wat slecht voor ons was (de wet brengt begeerte voort, Romeinen 7:8).
Maar God heeft tot stand gebracht wat voor de wet onmogelijk was. Hoe? Door de dood en opstanding van Jezus Christus. Ook na tweeduizend jaar staan die concrete gebeurtenissen nog centraal in het christelijk geloof - het enige geloof dat niet een leerstelling, filosofie of heilig boek centraal heeft staan, maar historie. Beide gebeurtenissen zijn de tastbare, onbetwijfelbare uitingen van Gods liefde voor ons. De dood van Jezus heeft namelijk afgerekend met de zonde in dit bestaan. Alle ‘heldenverhalen’ waar wij betekenis aan ontleenden en die ons ertoe brachten onszelf te verhogen en de ideologische ander te verachten, zijn in zijn dood ontmaskerd en met Hem tot een einde gebracht. We hoeven dus niet meer te vechten voor onze betekenis. We kunnen onze bezorgdheid over ons gedrag loslaten. Ons ‘heldenverhaal’ kan niet meer falen, dus schuld en schaamte zijn niet meer nodig. Dit loslaten is een sterven met Jezus: het vertrouwen op de eigen kracht begraven, en afhankelijk durven zijn van God voor je betekenis, je geluk, je leven. We delen daarmee in de gezindheid van Jezus, die ook afstand deed van zijn positie en zichzelf vernederde, ja tot in de dood (Filippenzen 2:5-8).
De opstanding van Jezus is de keerzijde hiervan. Wat God voor Jezus deed, omdat Hij van Jezus hield, doet hij ook voor ons, omdat Hij van ons houdt. Hij ademt zijn levensadem in ons. Dat wil zeggen: Hij vertelt ons wie we zijn, hij geeft ons een nieuwe naam. Ook dit is een uiting van Gods liefde. De liefde van God is namelijk niet alleen een vergevende liefde, maar ook een scheppende liefde. Hij accepteert niet alleen, maar bevestigt ook. Gods liefde voor ons creëert in ons betekenis, de betekenis waar we naar op zoek waren. We ontvangen een nieuwe identiteit, namelijk die van geliefden van God. Deze identiteit zal nooit veranderen. Hij is niet afhankelijk van wat wij doen, zijn of geloven (daarom dat het niet een nieuw ‘heldenverhaal’ is waar wij voor moeten vechten). De Geest van God in ons bevestigt voortdurend deze nieuwe identiteit in ons, hij verzekert onze geest dat wij Gods kinderen zijn. (Romeinen 8:16). Ons leven wordt dus niet meer beheerst door het idee dat we als mensen op onszelf staan en afhankelijk zijn van onze eigen kracht - en daardoor overgeleverd aan externe motivatie (slaven, zoals Paulus zegt). Ons leven wordt beheerst door de rotsvaste overtuiging dat we voor eens en altijd Gods geliefde kinderen zijn.
En dat verandert onze motivatie.

Net als de vrouw (m/v) in het voorbeeld wil God niet dat we ons gaan gedragen volgens een ideaalbeeld dat Hij ons van buitenaf oplegt. Hij wil niet dat we minder onszelf worden, dat we onze identiteit verliezen. Hij wil dat we meer ONSZELF worden, de mensen zoals Hij ons bedoeld heeft. Onze echte identiteit was van onze schepping af al die van de geliefde van God. We hebben er zelf voor gekozen onze identiteit in andere verhalen te zoeken, maar daardoor werden we minder onszelf en stierven we. Jezus’ dood en opstanding bevestigt wie we voor God altijd al waren. Dat zullen we moeten gaan geloven. Het is een sprong in het diepe - te accepteren dat God mij heeft geaccepteerd. Dat hij van mij houdt zoals ik nu ben. (Hoewel hij me wel de gevolgen laat ervaren van mijn keuzes tegen mijn echte identiteit- de liefde verheugt zich niet over ongerechtigheid). Als ik dit geloof, ben ik vrij om alle ideaalbeelden los te laten, en mezelf niet langer te bekritiseren (dat doet God immers ook niet). En ik ben vervolgens vrij om keuzes te maken die passen bij wie ik altijd ben en zal zijn: zijn geliefde kind. En omdat ik rust in de wetenschap dat ik geliefd ben, zullen die keuzes steeds minder ongezonde afhankelijkheid reflecteren, maar steeds meer liefde (voor mezelf, voor God en voor anderen).
Hoe zo’n leven als Gods geliefde kind, een burger van zijn Koninkrijk eruitziet, wordt door Paulus in zijn brieven en door Jezus in zijn bergrede beschreven. De man die weet dat hij de geliefde van zijn vrouw is, zal niet onverantwoorde risico’s willen nemen met zijn motor. De vrouw die weet dat ze de geliefde van de man is, zal zich voor hem willen inspannen. Net zo kun je niet tot in het diepst van je ziel geloven dat God je onvoorwaardelijk liefheeft, en dan zelf je medemens haten. Je kunt niet aanvaarden dat God je als persoon boven alles waardevol vindt, en andere mensen als lustobject beschouwen. Je kunt niet verlangen om te gaan met de God die onvervalste werkelijkheid is, en zelf blijven liegen. Als je werkelijk iets bent gaan begrijpen van het koninkrijk van de liefdevolle God, wil je dat soort dingen niet meer. Dan krijg je er een afkeer van. Je zult er fouten in maken, je zult vaak genoeg tekortschieten, maar je verlangen is veranderd en dat is waar het om gaat. Van iemand die eerst met geen stok de deur was uit te krijgen om te gaan hardlopen, ben je als het ware veranderd in iemand die niet kan wachten om de schoenen aan te trekken en de straat op te gaan. Van iemand die niet aan de ijscozaak voorbij kon lopen zonder er binnen te stappen, ben je veranderd in iemand die geen trek meer heeft in wat voor zoetigheid dan ook. Van iemand die de radio uitzette zodra er muziek opkwam met een beat, ben je iemand geworden die ernaar verlangt te dansen. Je bent uit het rijk van de duisternis overgegaan naar het rijk van het licht. Het licht is nu je natuurlijke omgeving geworden, hetgene waar je in thuishoort. En daar ga je naar verlangen. 

En als je verlangen is veranderd, verandert je gedrag. De bijbel suggereert dat gedrag voortkomt “van binnenuit, uit het hart der mensen” (Markus 7:21). De toestand van je hart bepaalt de aard van je gedrag: “Doet soms een bron uit dezelfde ader zoet en bitter water opwellen? Kan soms, mijn broeders, een vijgeboom olijven of een wijnstok vijgen opleveren? Evenmin kan een zilte bron zoet water geven.” (Jakobus 3:11,12). Dit geldt voor slechte gedragingen, en voor goede. Het effect van verlangen op het menselijk gedrag kennen we uit ons dagelijks leven. Ik hou niet van schoonmaken in huis. Als ik dat moet doen, stel ik het zo lang mogelijk uit, en als ik een excuus heb om het over te slaan, doe ik dat. Hoe lang ik ook al op mezelf woon, ik ben schoonmaken nooit leuk gaan vinden. Soms probeer ik mezelf ertoe te dwingen met externe motivatiemiddelen zoals vaste schema’s, of beloningen, maar die tactieken hebben vaak niet lang effect. Maar met het schoonmaken van mijn aquariums is het heel anders: Dat stel ik niet uit, ik vind het vervelend om het over te slaan, ik maak er graag tijd voor vrij. Ik ervaar het niet als verplichting - ik doe het graag, omdat ik mijn hobby nu eenmaal zo leuk vind.
Net zo wordt het doen van de wil van God een vreugde voor wie werkelijk gelooft dat God de bron van alle vreugde is. De Amerikaanse filosoof Peter Kreeft beschrijft dit in zijn boek Everything you ever wanted to know about heaven: “The consequences of believing [that Christ is our joy and since we always have Him, therefor we always have joy] are inexpressibly revolutionary. This faith transforms the whole of our lives, especially the dimension of ethics, goodness, holiness. It becomes not just duty, but joy. Obeying God’s will is not the artificial, external, constricting, repressive straitjacket that it seems to those who do not do it; it is the path to joy ... Our work is not to gain salvation, to buy an entrance ticket to Heaven. No good works, care, or even earthly love can force God’s hand. The ticket is free. Our work is therefore also free, free of the burden of ‘making it’ to heaven, free of worry about not making it, free of performance anxiety before God. God is a loving Father and we are his toddlers; He delights in every teetering step and laughs when we fall out of wakness. Why other then? Why does a toddler want to learn to walk? To be like his father. God’s goodness is the supreme beauty and joy; the more we know it, the more we love it and want to be like that. We do not do good to get to Heaven; we do good because Heaven has already got to us. We do not work to make everything work together for good; we work because everything works together for good.”

Dit verandert hoe we de externe motivatiemiddelen zien. Als we echt zijn gaan verlangen naar ander gedrag, van binnenuit, dan passen we met vreugde elke methode toe die we kennen: schema’s, aansprakelijkheidspartners, discipline, methodieken. Dan achten we het enkel vreugde als God ons opvoedt. Wanneer wij verlangen naar Gods heiligheid omarmen we zijn tucht: “Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor geoefend zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid.” (Hebreeen 12:11).
En doordat ons gedrag verandert, en we steeds meer gaan liefhebben (God boven alles en onze naaste als onszelf), niet omdat het moet, maar omdat het ons diepste verlangen is, gaan we het beeld van God vertonen. We krijgen deel aan de goddelijke natuur, aldus 2 Petrus 1:4. Wat is Gods natuur? God is liefde. Greg Boyd zei het in een preek die ik van hem luisterde: “Gods glory is the radiance of his love on display.” Als wij liefhebben, tonen we daarmee Gods glorie aan de wereld. En dit zullen we tot in de eeuwigheid doen: de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn geen beloning voor onze braafheid tijdens ons leven op Aarde. We worden niet in die nieuwe werkelijkheid opgenomen omdat we altijd zo goed en gehoorzaam zijn geweest, zodat we ons nu mogen ontspannen en genieten van al die dingen waar we ons zo lang van hebben onthouden. We krijgen geen wijn en maagden omdat we tegen onze zin hebben geploeterd voor de wet. Nee: in Gods eeuwigheid zullen we doen wat we ook nu al doen: werkelijk leven, werkelijk liefhebben, werkelijk delen in schoonheid, waarheid en intimiteit. Het is de voltooiing van ons leven als Gods kinderen, geen afsluiting ervan. Als we gaan liefhebben tijdens dit leven, laten we ons opnemen in de Goddelijke dans van liefde, en die gaat tot in alle eeuwigheid door. Alleen wie pertinent weigert te dansen, zal niet worden gedwongen er aan mee te doen. Voor de rest geldt dat God alles en in allen zal zijn, en dat aan de liefde en vreugde van Zijn werkelijkheid nooit meer een einde komt. Ze leefden nog lang en gelukkig ...

zondag 5 februari 2012

Boekbespreking: A Game of Thrones

Er zijn soms boeken waar je al jaren lang over hoort. Schrijvers die je graag leest rekenen ze tot hun favorieten of noemen ze als inspiratiebron. Op lijstjes van lezers van hun meest geliefde fantasyboeken staan ze steevast bovenaan. Als het gaat om realistische, epische, complexe fantasieverhalen vallen deze titels. En toch kom je er niet aan toe ze te lezen. Voor een deel is dat omdat de verhalen door hun fans als heel duister worden voorgesteld.  De schrijver aarzelt bijvoorbeeld niet om sympathieke hoofdpersonen te laten omkomen. Karakters hebben seks met elkaar, al dan niet geheel vrijwillig. Er zijn geen echte goede mensen in het verhaal, ga zo maar door. Klinkt niet echt gezellig allemaal. Dus kies je als je in de winkel staat toch een boek dat een wat minder gruwelijke indruk maakt.
Het blijft echter wel knagen. Je zou het toch een keer moeten lezen, vooral omdat mensen die je respecteert er enthousiast over zijn, en er bovendien een TV-serie van is gemaakt die je ook een keer wilt zien. Daarom schaf je het boek aan als je het tegenkomt bij de Slegte (lang leve tweede hands boekwinkels - ik hoop dat die niet verloren gaan bij de opkomst van het e-book). En dan blijkt dat je je woorden moet inslikken. - je bent in een klap fan geworden.
De impressie die de woorden van anderen hadden gewekt bleek misleidend. Het boek is niet een orgie van seks en geweld in een grimmige omgeving. Het is een prachtig verteld verhaal in een realistisch aandoende middeleeuwse wereld (waar inderdaad seks en dood een rol spelen), vol fascinerende karakters, zowel heel goede (Eddard Stark) als heel slechte (Joffrey Lannister) en alles er tussenin. Dat is allemaal gekoppeld aan interessante hints van magie, een goed uitgewerkt complot en filosofische overdenkingen over godsdienst en macht. En had ik gezegd dat het goed geschreven is? Het duurde even voor ik echt in het verhaal kwam, vooral omdat de schrijver elk hoofdstuk iemand anders als gezichtspuntkarakter opvoert en je langzaam de hoofdrolspelers leert kennen, maar uiteindelijkwil je weten hoe het afloopt met personen als Jon, Brandon en Tarya. Ik heb het over A Game of Thrones van G.R.R. Martin, het eerste deel van A Song of Ice and Fire, en een aanrader voor iedereen die wil lezen over mythische gebeurtenissen en fantastische plekken, maar ook over mensen met realistische menselijke drijfveren. Dat levert niet altijd een optimistisch boek op, maar wel een heel goed boek.

Het verhaal speelt zich af op het continent Westeros. Zestien jaar geleden verdreef Robert Baratheon daar de wrede drakenkoning en roeide zijn nageslacht uit. Hij nam plaats op de ijzeren troon om te regeren over de zeven koninkrijken. Maar dat bleek niet zo eenvoudig - verschillende partijen in het rijk streven naar macht, niet in het minst de Lannisters. Als de rechterhand van de konink omkomt, reist hij af naar het Noorden, naar Winterfell, om de hulp in te roepen van zijn oude vriend en kameraad Eddard Stark. Die wil liever niet weg uit zijn kasteel, maar zijn grote eergevoel maakt dat hij niet anders kan. Samen met zijn twee dochters reist hij naar het zuiden. Zijn zoons en zijn vrouw blijven achter om in zijn plaats te regeren. Eddard Stark ontdekt al snel dat de dood van zijn voorganger niet natuurlijk was. Er wordt verraad voorbereid, en de samenzweerders zijn bereid tot het uiterste gaan om hun geheim te bewaken. Koning Robert weet echter van niets, en Stark durft hem nog niet in vertrouwen te nemen. Bovendien is Starks dochter beloofd aan de zoon van Robert, Joffrey, wiens moeder een van de hoofdverdachten is.
Tegelijkertijd zint in het land over de zee de laatste overlevende van de drakenkoningen op wraak. Door zijn zus uit te huwelijken aan de heerser van een ruitervolk, hoopt hij een leger op de been te kunnen krijgen om de Zeven Koninkrijken weer aan zich te onderwerpen. Ondertussen roert het ver in het Noorden, aan de andere kant van de enorme ijsmuur. De verkenners die dat gebied zijn ingezonden zijn nooit meer teruggekomen, en er gaan geruchten de ronde van bovennatuurlijke gebeurtenissen. Jon, de bastaardzoon van Eddard Stark, heeft zich aangemeld bij de zwartgeklede ridderorde die de muur bewaakt, en ontdekt al snel hoe groot de dreiging is. De seizoenen op Westeros zijn namelijk onregelmatig: ze kunnen jaren en jaren duren. Na een lange zomer, volgt vaak een lange winter. En de zomer duurt al bijna tien jaar ... Niet voor niets hebben de Starks een onheilspellende zinspreuk: “Winter is coming ...

De beste fantasyboeken zijn de verhalen die je aan het denken zetten over je eigen leven, die in de termen van Tolkien ‘toepasbaar’ zijn, en dat geldt voor A Game of Thrones. Wat het thema is blijkt al uit de titel. Een spel om de troon. De auteur heeft aangegeven geïnspireerd te zijn door de Wars of the Roses uit de Engelse middeleeuwen, waarin de huizen van York en Lancaster met elkaar streden om de troon. De machthebbers voeren strijd om te bepalen wie er mag regeren. Er wordt gemanipuleerd, gedreigd, gemoord, en gestreden. Het is als een schaakspel, waarbij partijen zorgvuldig hun strategie opzetten om uiteindelijk de tegenstander een vernietigende slag te kunnen toebrengen.
Als lezer heb je al snel door dat er een goede en een slechte groep is. De Lannisters en hun onderdanen zijn meedogenloos. Het zijn openlijke machtswellustelingen die zonder enige scrupules hun plannen voortzetten - ze gaan zelfs zo ver een jongetje van acht uit een raam te duwen om hun geheimen te bewaren. Tegenover hen staan de Starks. Als er iemand een held lijkt, is het Eddard Stark. Hij is loyaal, trouw en heeft vooral een heel sterk eergevoel. Hij wil doen wat goed is. Ik was bereid om met hem mee te leven. Maar wat blijkt? Eddard Starks ‘goede’ daden hebben net zulke gruwelijke consequenties als de ‘slechte’ daden van de Lannisters. Zijn eergevoel brengt hem ertoe keuzes te maken die familieleden van hem het leven kunnen kosten. En bovendien maakt het hem blind voor de plots van mensen met minder eergevoel dan hij. Door zijn drang om de waarheid de overwinning te laten behalen, zorgt hij dat er een oorlog uitbreekt. En oorlogen leiden tot plunderingen, en  veldslagen. Stark heeft dan wel een moraal, hij is en blijft een machthebber. En daarom kan hij niet zien wat zijn ‘goede’ keuzes betekenen voor de gewone mensen zonder macht of betekenis. Zoals iemand in het verhaal verzucht: “Why is it always the innocents who suffer the most, while you high lords play your game of thrones?

Ik schrijf nogal veel over wilskracht op mijn blog, en daar moest ik bij het lezen van dit boek regelmatig aan denken. De Lannisters willen de troon, de Starks willen het goede doen, maar beide vertrouwen op hun eigen kracht om hun doel te bereiken. En beide brengen daardoor kwaad in de wereld. Ook al ben je ervan overtuigd dat wat jij wilt bereiken goed en waardevol is, dat het juist is, als je het tot stand wilt brengen op eigen kracht, groeit alleen maar het rijk van de duisternis. Het is waar wat wel eens wordt gezegd: Macht corrumpeert, absolute macht corrumpeert absoluut. In dit verhaal willen de Starks hun visie op wat goed en eervol is aan hun wereld opleggen, maar dat is precies waar het fout gaat: ze willen het opleggen. En dat betekent automatisch dat ze onderdrukkend zullen zijn voor mensen die het niet precies eens zijn met hun beeld van wat goed en eervol is (zo voelt Eddard zich in de eerste pagina’s gedwongen een deserteur te onthoofden, want dat is wat de wet eist. Maar de lezer weet dat deze man reden heeft om uit angst te vluchten. Hij krijgt echter niet eens de kans zijn kant van het verhaal te vertellen). Denk ook aan een karakter in een ander fantasyverhaal, Gandalf, die de ene ring krijgt aangeboden. Hij weigert. “Understand, Frodo, I would use this ring from a desire to do good”, is zijn verklaring. “But through me it would wield a power too great and terrible to imagine.” Gandalf zou met behulp van de ring zijn beeld van wat goed is aan de wereld opleggen, maar zou daarmee net zo zeer een onderdrukker zijn als aartsslechterik Sauron.
De Starks ontlenen hun identiteit, hun zelfbeeld, aan hun morele karakter. Dit is hun ‘heldenverhaal’ waarmee ze symbolisch de dood hopen te overleven, dit is wat hen betekenis geeft in het aanzien van het betekenisloze einde van het leven. Hun morele goedheid komt dus (net als de morele slechtheid van de Lannisters) voort uit hun angst voor de dood en verspreidt daardoor zelf ook de dood. Richard Beck legt op zijn blog Experimental Theology scherp uit hoe dit in zijn werk gaat: “Our lives are experienced as "significant" because we create cultural hero systems. And yet, our hero system isn't the only one on offer. Every culture has its own values and goods, is its own hero system, that help define what a "meaningful" life looks like. This poses a problem. Our hero systems only "work" if we experience them as immune to death, as something eternal and timeless. In this, our hero systems are religious in nature. In fact, for most of us our hero system is our religion. So when hero systems and the gods supporting them come into contact we experience an existential threat. The existence of other ways of life, other values, and other gods threatens to relativize our own values and god. If there are many gods how can I be sure my god is the one true god? Pressed further, how can I be sure that all of these gods aren't just figments of our imaginations to help us cope with our death anxiety? Suddenly we feel the existential floor open up beneath us. The ideological Other, in posing an implicit critique of my hero system, threatens me to the core, attacks the very source of my self-esteem. So what do we do in the face of that threat? It's pretty simple. We demonize the Other. Rather than endure the existential discomfort it's easier to double-down on our worldview and to see the Others as malevolent agents. We aggress against the Other. In mild forms, we see the Other as confused or mistaken, a target for evangelism. More strongly, the Other is an enemy we have to forcibly eliminate. This, then, is the great tragedy of human existence: That which makes life worth living--our cultural hero system and the self-esteem it provides--is the very source of evil.

Als christenen zijn we geneigd in dezelfde val te lopen. We ontlenen onze eigenwaarde aan de waarheid van onze dogma’s, en verbranden vervolgens ketters op de brandstapel (terwijl we onszelf in elk geval heel recht in de leer weten). Of we ontlenen onze eigenwaarde aan onze moraal, en sluiten vervolgens homo’s, prostituees en andere zondaars uit van onze eredienst (want de homo is de ‘ander’ en dus bedreigend). Maar ondertussen leven wij in elk geval heilig. Maar het gaat in het christelijke geloof niet om de juiste leerstellingen. En het gaat ook niet om moreel gedrag. Laat me dat nog een keer stellen: het gaat er in het christelijk geloof niet om of je ‘goed’ leeft. Het verschil tussen de mensen die in Gods koninkrijk thuishoren en die daar niet in thuishoren, is niet dat tussen morele en immorele mensen.
Kijk naar de gelijkenis die Jezus vertelt over de Farizeeer en de tollenaar, die beiden in de tempel komen om te bidden. In de zondagsschool hebben we geleerd de Farizeeen te zien als schurken. We zien ze als huichelaars, die van binnen slecht zijn. Maar de realiteit is dat het de mensen waren met het hoogste morele niveau van Israel. Robert Farrar Capon schrijft over deze gelijkenis in Kingdom, Grace, Judgement (Sorry, ik kon het niet laten hem nog een keer te citeren. Dit is echt de laatste keer! (voorlopig)): “The pharisee is not only good, he is religious. And not just hypocritically religious, either. His outward righteousness is matched by an inward discipline. He fastst twice a week and he puts his money where his mouth is: ten percent off the top for God. If you know where to find a dozen or two such upstanding citizens, I know several parishes that will accept delivery of them, no questions asked and all Jesus’ parables to the contrary notwithstanding. But best of all, this pharisee thanks God for his happy state ... Jesus shows us the Pharisee in the very act of giving God the glory!
De Farizeeer was een goed mens. Toch werd hij niet gerechtvaardigd. Maar dat had niets te maken met zijn ‘goedheid’. Net zoals het feit dat de Tollenaar door God geaccepteerd werd er natuurlijk niets mee te maken dat hij een moreel twijfelachtig leven leidde. Redding, rechtvaardiging, heiliging, leven - het is allemaal een geschenk van God, gegeven omdat Hij daarvoor kiest, en niet om iets wat wij doen. Dat is wat genade betekent, dat is wat liefde doet. Maar je kunt deze dingen alleen ontvangen als je beseft dat je er geen recht op kunt laten gelden, als je ophoudt ze te willen bereiken met je eigen wilskracht. Je kunt de prijs alleen ontvangen als je weigert het spel te spelen. In de woorden van Capon: “Jesus is saying that as far as the Pharisee’s ability to win a game of justification with God is concerned, he is no better off than the publican. As a matter of fact, the Pharisee is worse off; because while they’re both losers, the publican at least has the sense to recognize the fact and trust God’s offer of a free drink. The point of the parable is that they are both dead, and their only hope is someone who can raise the dead.

De enige manier om het koninkrijk van God te ontvangen is er als een kind voor open te staan. Dat is niet wat we graag willen horen, vooral niet als onze wilskracht op gebieden in ons leven tot succes heeft geleid, als we macht hebben verkregen, of rijkdom, of respect voor onze moraliteit. Dat is waarom de bekende ‘rijke jongeling’ van Jezus wegging, en de Farizeeen (hoe goed en religieus ze ook waren) met de politieke machthebbers samenspanden om Jezus ter dood te brengen. Jezus was de ‘ander’ die het ‘heldenverhaal’ waaraan ze hun betekenis ontleenden aan het wankelen bracht. Dus moest hij sterven. Maar wie zich openstelden voor zijn boodschap, de mensen die bereid waren hem te volgen, waren degenen die naar wereldse maatstaven mislukt waren. De machtelozen en verschopten, de zieken en misvormden, de hoeren en de tollenaars. ‘The last, the least, the little and the lost’. Zij laten zich nergens op voorstaan, ze doen niet mee aan het ‘spel van de tronen’, zij accepteren wat ze ontvangen van God of van het leven.
Interessant genoeg komen dit soort karakters ook voor in A Game of Thrones. Zij zijn degenen die oog hebben voor andere mensen, die oprecht liefde kunnen tonen, die zich niet laten verblinden door de beloftes en schone schijn van de machthebbers, die de dreiging van de winter serieus nemen, en die zichzelf kunnen opofferen. Een bastaardzoon die door zijn moeder gehaat wordt, een verlamd jongetje dat nooit meer ridder zal worden, een dwerg die door iedereen als minderwaardig wordt beschouwd, een onteerde ridder op een ander continent, een dochter die niet voldoet aan de heersende schoonheidsmaatstaven en geen standaard prinsesje kan zijn, een dikke jongen die weet van zichzelf dat hij een lafaard is ... de mensen die buiten het spel staan. Als het verhaal een goede afloop kent (dat weet ik na het eerste deel natuurlijk nog niet), zal het komen als een uiting van genade via deze machtelozen, en niet als de uitwerking van de macht van de tronen.
Zo zal het uiteindelijk ook in deze schepping zijn. De eersten zullen de laatsten zijn en de laatsten de eersten (en niet de goeden de eersten, maar de zwakken). Ik ben erg benieuwd naar het tweede deel van deze serie.

vrijdag 3 februari 2012

Liefde verandert mensen 1: Wat niet werkt ...

Een van de belangrijke vragen die aan de grondslag liggen van religie is hoe mensen hun gedrag kunnen veranderen. Oh, gelovigen zullen zeggen dat het hen in de eerste instantie om God gaat, maar de praktijk is anders. In de praktijk gaat het bij het geloven om een andere manier van leven. De boodschap van de godsdiensten zoals we die horen is een morele: dit is wat mensen moeten doen om goed te zijn, dit is wat mensen moeten laten om acceptabel te zijn. Van het loslaten van de begeerte in het boedhisme, tot het houden aan allerlei taboes in animistische religies, van de tien geboden en de reinheidswetten in het jodendom, tot de vijf zuilen van de Islam. Godsdiensten prediken een ideaal. En het christelijk geloof is hiervan niet uitgezonderd. Het is bijna een gevleugeld gezegde, dat het christendom er vooral om bekend staat wat je allemaal niet meer mag als je tot geloof bent gekomen. En tegelijk moet er voortaan van alles. Bezoek maar een een gemiddelde evangelische kerkdienst. De preek zal vaker gaan over iets dat je meer zou moeten doen, of iets dat je minder zou moeten doen, over het morele en religieuze ideaalbeeld, dan over Gods genade en zijn liefde, zoals die in Jezus is geopenbaard.
Maar ik schrijf dit blogbericht niet om daar nog weer een keer op in te gaan. Waar ik dit keer op wil wijzen is de verkeerde aanname die aan deze morele boodschap ten grondslag ligt. Die aanname is in feite een heel moderne aanname, namelijk die van de maakbaarheid van de mens. Het is een heel ‘positief’ mensbeeld (‘positief’ tussen aanhalingstekens, omdat het geen correct mensbeeld is) - namelijk dat mensen controle hebben over hun gedrag, dat al hun keuzes vrij zijn, en dat als ze maar zouden willen, ze tot alles in staat zijn. Mijn moeder zei het vroeger wel eens, als een van ons zei: “Ik kan het niet”: “Ik wil niet, daarom kan ik niet.” Het is de gedachte achter de Amerikaanse droom: dat elke krantenjongen als hij het maar echt wilde, kon uitgroeien tot miljonair. De mens kan doen wat hij wil. Hij kan voldoen aan elke verwachting van hemzelf, anderen en de maatschappij. Evangelische christenen geloven dat ook: mensen kunnen een godsvruchtig leven leiden, als ze het maar willen. Ze kunnen zichzelf ertoe zetten om te bidden, bijbellezen, naar de dienst komen, geld geven, evangeliseren. Ze kunnen verleidingen weerstaan (vooral die op seksueel gebied). En dat allemaal terwijl ze ook nog eens voldoen aan alle verwachtingen van de maatschappij van tegenwoordig - want onze samenleving heeft haar eigen idealen: geen overgewicht, goede baan, leuke kinderen, geen haar onder je oksels en ga zo maar door. Gelovigen kunnen (net als moderne mensen) hun eigen gedrag managen - wat gebracht wordt is een boodschap van ‘zondemanagement’.

Het mensbeeld dat aan deze prediking ten grondslag ligt blijkt echter niet te kloppen volgens wetenschappers. Een goed leven leiden en het weerstaan van verleidingen, is niet een kwestie van ‘gewoon de keuze maken het koekje te laten staan’, ‘gewoon de computer niet aanzetten’, ‘gewoon elke week twee keer naar de sportschool’. Het is dus ook niet een kwestie van ‘gewoon elke dag je bijbel lezen’, ‘gewoon vaker evangeliseren’, of ‘gewoon niet naar verkeerde beelden kijken’. De mens blijkt niet zoveel controle te hebben over het eigen gedrag als mensen denken. Kijk maar eens naar het recente onderzoek naar verlangens, waarover ik las in een Bericht op Sciencedaily. Daarbij werden 205 volwassenen voorzien van apparaatjes waarop ze dagelijks moesten aangeven waarnaar ze verlangden. In totaal werden 7.827 momenten van verlangen gemeld. Wat bleek? Het onderzoek bevestigde de eerdere studies naar ‘ego-depletion’- het uitgeput raken van de wilskracht- waar ik ook al eens naar verwezen heb. Want hoe vaker mensen een verleiding hadden weerstaan, en hoe korter dat geleden was, hoe minder succes ze hadden bij het weerstaan van een volgende verleiding, ongeacht op welk gebied. Dus als iemand de verleiding om op Facebook te kijken had weerstaan, vond hij het daarna moeilijker om niet een swirl te eten op het station. Gedurende de dag neemt onze wilskracht af, en dus zullen onze pogingen om onszelf onder controle te houden vaker falen (Wat kan verklaren waarom zoveel mensen ‘s avonds laat naar porno kijken, of gaan snacken).
'Ego depletion' zorgt er niet alleen voor dat je verleidingen niet kunt weerstaan, maar ook dat je goede intenties niet kunt uitvoeren. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat van alle nieuwe leden van sportscholen een op de acht zich in januari opgeeft, en in veel fitnesscentra is het in de eerste weken van het jaar 30 tot 50 procent drukker vergeleken met de rest van het jaar. Iedereen weet dat beweging gezond is, en neemt zich dus voor te gaan sporten. Maar de meeste van deze nieuwe enthousiastelingen zien in April geen sportschool meer van binnen - tegen juni houdt nog maar minder dan 40 procent zich aan zijn of haar goede voornemens- het is ze niet gelukt vol te houden. Ikzelf begin er maar niet eens aan. Maar veel andere mensen zijn optimistischer over hun wilskracht. Ze denken onterecht dat zij het zullen volhouden als ze er eenmaal voor hebben gekozen. In een wetenschappelijk onderzoek kregen nieuwe leden van een sportschool de keuze tussen twee mogelijkheden: 10 dollar per bezoek aan het fitnesscentrum, of 70 dollar voor een maandabonnement. De meesten kozen het maandabonnement, om vervolgens maar vier keer per maand te gaan sporten. Daardoor betaalden ze 70 procent meer per sessie dan wanneer ze voor de eerste optie hadden gekozen. Ze dachten van te voren dat ze vaker in de sportzaal zouden staan te zweten. Een van de oorzaken is ‘hyperbolic discounting’ - het eenvoudige gegeven dat we als mensen meer aandacht geven aan geluk op de korte termijn dan gevolgen op de lange termijn. Als mensen de keuze krijgen tussen een kleine beloning binnen een dag, en een grotere beloning binnen een jaar, kiezen ze vaker de eerste. Dat verklaart waarom mensen het sporten altijd tot morgen blijven uitstellen - voor vandaag vinden we dat uurtje uitrusten op de bank veel aantrekkelijker. Maar ook de ‘ego-depletion’ - het opraken van onze wilskracht speelt een rol. Gaan sporten betekent niet alleen dat je er tijd voor moet vrijmaken. Je moet er ook wilskracht aan besteden, en voor mensen die van bewegen geen gewoonte hebben gemaakt, kost het behoorlijk wat van die beperkte voorraad.
Wat het nog moeilijker maakt om verleiding te weerstaan (of een goed voornemen vol te houden) is dat ons lichaam ons niet waarschuwt voor het opraken van onze voorraad wilskracht. Er is geen eenduidig of helder gevoel dat als alarmsignaal kan dienen dat je je wilskracht moet bijvullen. Het is zelfs andersom: als onze wilskracht uitgeput raakt, beleven we alles veel intenser (inclusief onze verlangens). Een laag niveau van wilskracht lijkt de volumeknop van onze ervaringen omhoog te draaien. Zo blijkt uit het eerste onderzoek dat mensen van wie de wilskracht is uitgeput omdat ze bijvoorbeeld geen koekjes mochten eten, meer geëmotioneerd raakten bij het kijken van een gevoelige film, en dat ze koud water als pijnlijker ervoeren tijdens een onderdompelingstest. Hun verlangens om een cadeautje open te maken, of koekjes te blijven eten was ook toegenomen. Dus hoe lager onze wilskracht, hoe sterker we de verlangens voelen! Hoe meer we de verleiding proberen te weerstaan, hoe groter de kans dat we daar uiteindelijk in falen. Als we snoepen (of in evangelisch christelijke termen: zondigen) is dat dus geen moreel falen, maar is onze energie gewoon op - we zijn te moe om tegen onze verlangens in te gaan, goed of slecht.

Dit komt overeen met wat Paulus zegt in Romeinen 7 - een gedeelte dat zijn tijd ver vooruit is, omdat de apostel precies beschrijft wat de hierboven genoemde onderzoekers nu te weten zijn gekomen. In Romeinen 6 heeft hij uitgelegd waarom christenen niet moeten zondigen. Dat leidt namelijk tot de dood. In plaats daarvan moeten ze rechtvaardigheid nastreven, want dat leidt tot leven. So far, so good. We weten allemaal het ideaalbeeld. Het christelijke ideaalbeeld (goed gedrag, niet zondigen) en het ideaalbeeld van de moderne samenleving (huisje, boompje, beestje, gezond eten, sporten et cetera). We weten ook waarom we er aan moeten voldoen. We hebben voldoende gehoord hoe slecht zonde voor ons is, en we begrijpen ook waarom bijbellezen goed voor ons zou zijn en waarom we voor de armen zouden moeten zorgen zoals Jezus ons opdraagt. Net zoals we weten waarom lichaamsbeweging gezond is, waarom overgewicht ongezond is, waarom roken zo slecht is en acht uur slaap per dag goed.
Het probleem zit hem echt niet in onze kennis - zoals Paulus zegt: “De wet is heilig en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed” (Romeinen 7:12). Voor het gemak negeer ik maar even het feit dat veel van deze opgelegde idealen totaal niet realistisch zijn. Niet de idealen uit de maatschappij - zie de ophef over de beeldbewerking van foto’s in tijdschriften, en de weigering om interviews met oude, dikke of lelijke mensen te plaatsen, zie de opmars van plastische chirurgie. Er moet bovendien zoveel dat het nooit in de beschikbare tijd zou passen! En ook niet de idealen uit de evangelische kerk: in zijn boek Classic Christianity noemt Bob George  het ideaal dat wordt gepresenteerd de ‘phantom christian’ - niemand kan alles dat van een gelovige gevraagd wordt: taken in de kerk, meerdere uren bidden per dag, zich inzetten voor goede doelen et cetera et cetera. Het past gewoon niet in 24 uur.
Het punt is dat we niet in staat zijn om in overeenstemming met onze kennis te handelen. Zo moet in de Verenigde Staten in fastfoodrestaurant bij gerechten het aantal calorieën vermeld staan. Het idee is dat mensen dan minder gaan eten. Dit blijkt niet het geval te zijn. Sterker nog, als mensen iets gezonds eten, krijgen ze uiteindelijk meer calorieën binnen, omdat ze denken dat ze dan ook wel dat ijsje of die frisdrank kunnen nemen. Dit is ook wat Paulus concludeert: “Ik wil het goede wel, maar het goede doen kan ik niet. Wat ik verlang te doen, het goede, laat ik na; wat ik wil vermijden, het kwade, dat doe ik ... innerlijk stem ik vol vreugde in met de wet van God, maar in alles wat ik doe zie ik die andere wet. Hij voert strijd tegen de wet waarmee ik met mijn verstand instem en maakt van mij een gevangene van de wet van de zonde, die in mij leeft” (Romeinen 7:19-23). Let wel: Paulus spreekt in de tegenwoordige tijd. Hij is christen, en hij wil ook heel graag doen wat goed is, en laten wat slecht is. Hij kan het alleen niet. Zijn wilskracht schiet tekort, hij lijdt aan ‘ego depletion’.

Dat mensen zichzelf niet kunnen veranderen, dat ze slechte gewoontes niet kunnen opgeven, en dat ze niet zelf kunnen doen wat goed voor ze is, is een impopulaire gedachte. Onze wereld hangt nog steeds aan het ‘progressiedenken’, dat ooit werd ingegeven door een interpretatie van de evolutietheorie (overigens foutief: er is in de evolutie geen sprake van progressie - de huidige bacterieen zijn net zo goed het resultaat van al die miljarden jaren ontwikkeling als wij). Als moderne mensen denken dat we onszelf kunnen verbeteren. Volgens de Mockingbirdblog was dit de reden dat Sigmund Freud verguisd werd: hij beweerde dat de mens beheerst werd door negatieve impulsen. “Freud’s ideas are rejected today because they imply that the human animal is ineradicably flawed ...Freud’s unforgivable sin was in locating the source of human disorder within human beings themselves. The painful conflicts in which humans have been entangled throughout their history and pre-history do not come only from oppression, poverty, inequality or lack of education. They originate in permanent flaws of the human animal.
Maar ook moderne evangelische christenen hebben weerstand tegen dit idee - dat merkte ik toen ik nog op bijbelkring zat en het over dit soort onderwerpen had (wat ik terugkreeg was altijd dat het aan mij lag en ik zelf op een andere manier naar preken moest luisteren) en in de reacties op mijn blogberichten over dit thema. Evangelische christenen geloven in een ‘theology of glory’ - een theologie van succes, van groei, van verbetering. Maar deze theologie wordt niet alleen tegengesproken door de wetenschap, maar ook door de bijbel, onder andere in Romeinen. De hervormers zaten veel dichter bij de waarheid - vooral iemand als Luther, die spreekt over de ‘gebondenheid van de wil’ - precies wat Paulus beschrijft, en wat het onderzoek over ‘ego depletion’ aantoont. Hij was voorstander van een ‘theology of the cross’ - een theologie van het toegeven van zwakheid, van falen, van armoede en lijden. En van afhankelijkheid van God voor rechtvaardiging en heiligmaking. Dit is een theologie die een aanstoot is voor de wereldse mensen van de moderne maatschappij, en voor de religieuze mensen van de kerkelijke systemen. En misschien daarom juist goed nieuws (vergelijk 1 Korintiers 1:22,23). Ik hoop dat evangelische christenen hun uitgangspunten eens onder de loep gaan nemen - want de tactiek die ze nu gebruiken om het gedrag van mensen te veranderen is gedoemd te falen.

Zowel de moderne mens, als de evangelische kerk, realiseert zich namelijk dat we uit onszelf niet gaan voldoen aan het ons voor ogen gestelde ideaalbeeld. Maar omdat ze geloven dat we dat wel moeten kunnen, zoeken ze technieken om dat doel te bereiken. Zo weten we dat sporten gezond is, maar we doen het niet. Dus onderzoekt men hoe je ervoor kunt zorgen dat mensen blijven sporten. Uit een studie uit 2009 blijkt bijvoorbeeld dat mensen vaker blijven sporten als ze daarvoor beloond worden met geld. Als je een keer gaat sporten, merk je niet direct dat je je daardoor fitter voelt of dat je slanker wordt. Maar als je na het sporten geld krijgt, heb je direct resultaat. Beloning hield mij ook op de been toen ik terwijl ik op de middelbare school zat mezelf probeerde te motiveren om hard te lopen - mijn stripboekencollectie groeide in die jaren snel! Aan de andere kant: wie gaat jou betalen voor het sporten? Meestal moet je er zelf behoorlijk wat voor neerleggen! De andere manier om mensen te motiveren is door ze te straffen. Zo hebben een paar studenten van Harvard een programma gestart onder de naam ‘Gym Pact’. Als je de fitness overslaat heb je een contract met jezelf overtreden, is hun redenatie, dus moet je straf krijgen voor je nalatigheid. Dus het ‘Gym Pact’ programma haalt minstens 5 dollar van je credit card als je niet je doel haalt in de week. Dit blijkt mensen te kunnen motiveren te blijven sporten.
Beloning en straf zijn beide externe motivatietechnieken. Christenen gebruiken ze ook. Als je goed leeft, is God blij met je, en wordt je erkend door de kerk. Als je slecht leeft, moet je je schuldig voelen. Schuldgevoel is een krachtig motivatiemiddel en wordt daarom nogal eens opgewekt in religies. Ik weet dat ik het vaak gebruikte. En ook dat ik me maar wat trots voelde als ik uit de bijbel las of drie keer per week naar de kerk ging (beloning).
Ik denk echter dat externe motivatiemiddelen gedoemd zijn te falen. Ze blijven immers een beroep doen op je eigen wilskracht om een doel te halen. En dus raakt de wilskracht nog steeds uitgeput. Je bent dus wel aan het sporten, omdat er anders geld van je rekening wordt afgeschreven, maar ben je dan nog wel in staat om gezond te eten (als daar niet ook een straf op staat)? Of om een boze opmerking tegen een gezinslid in te slikken, of om de verleiding om te sjoemelen met het invullen van een formulier te weerstaan? Dit geldt ook voor de evangelische motivatiemiddelen. Ik werd niet voor niets overspannen - het geloof dat God van mij hield als ik goed leefde en mijn schuldgevoel als ik faalde, bleken me niet te beschermen tegen algehele uitputting. De batterij raakte leeg.
Nu wordt er in de artikelen over wilskracht gesteld dat we onze wilskracht kunnen trainen als een spier. En sommige evangelische christenen wijzen op de geestelijke disciplines. Maar het punt is: zelfs het gaan beginnen met het trainen van je wilskracht, doet een beroep op je wilskracht! Het je gaan houden aan disciplines doet een beroep op je discipline! Is dat niet ironisch? Wie weinig wilskracht heeft, zal nooit meer gaan ontwikkelen, ook al wil hij dat wel. Hij zal het trainen ervan niet volhouden (zoals hij ook het sporten niet volhoudt, ondanks zijn goede intenties). Paulus omschrijft deze crisis dramatisch: “Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheerst wordt door de dood?” (Romeinen 7:24).
Ik geloof dat het tijd is voor een nieuwe theologie in de evangelische kerk. Een theologie die niet draait om een moraal, maar om een persoon: God! Een theologie die niet gebaseerd is op externe motivatie, straf en beloning, maar op liefde.

dinsdag 31 januari 2012

Links: snowboarden op Titan, animatie over boeken, wilskracht en genade

Kun je snowboarden van de duinen van Titan (die niet uit zand maar uit plastic blijken te bestaan?)

Omdat ze eten van een invasieve plant zijn de inheemse blauwtongskinken van oostelijk Australie resistent tegen het gif van een invasieve reuzepad.

Ik hou van originele muziekvideo's. De band Wilco heeft er een gemaakt in samenwerking met Popeye.

Ik hou ook van animatiefilmpjes. Zoals deze die voor de oscar genomineerd is: The Fantastic Flying Books of Thomal Lessmore. Hij gaat over boeken, wat hem direct een van mijn favoriete korte films ooit maakt ...

Goed nieuws voor de liefhebbers van superheldenfilms (daar behoor ik toe): Matthew Vaughn, de regisseur van X-men: First Class, heeft zijn contract getekend voor het vervolg.

Weer een aardig artikel over de begrenzing van onze wilskracht legt uit waarom fitnesscentra winst kunnen maken van mensen die niet komen sporten: "Given the choice between small/soon rewards versus larger/later benefits, we'll take the former. Hyperbolic discounting helps to explain why Congress can't pass deficit reduction, why drug addicts stay addicts, why debtors don't pay off their bills, and why you keep telling yourself that the right day for exercise is always "tomorrow." The other problem with sustaining the motivation to work out is that ... well, motivation is exhausting! According to the theory of decision fatigue, the simple act of making any decision depletes us of a limited store of willpower. Exercise isn't just an investment of time, it's also a choice -- and a difficult, even exhausting choice for people whose daily habits don't involve running and lifting." Alleen jezelf betalen of straffen voor het nalaten van het sporten lijkt te helpen. Helaas denken nog steeds veel christenen dat we op onze wilskracht kunnen vertrouwen om onszelf te veranderen. In een wat ouder artikel op Mockingbird wordt de theologie van Joel Osteen onder de loep genomen: "The human condition, described in the Bible, is that “no one seeks God”—rather, we are bound to seek our selves, our own good. To tell bound people, people enslaved to compulsive self-destructive behavior, to just change their thinking is dead-on-arrival. In the Bible, God is seen as a Savior—someone who rescues people when they are at their worst, not when they are thinking positive thoughts."
Dit wordt verder uitgewerkt in een prachtige overdenking: "In our constant quest for happiness, for peace, the answer is to be found not in the quest for control, but in the release of it. True peace only comes about when we receive the good news that in spite of our petty powerlessnesses and intractable addictions, however big or small they may be, we are loved and accepted; that we do not, in fact, control our own destiny, but rather our fate has been bought and our future is secured by the Cross of Christ. As we walk through life, constantly frustrated by our inability to be and do what we want, the answer is not self-mastery, but rather the love of the Master. We are not, and will never be, what we ought to be, yet God, through Jesus, says to us, over and over again, “I love you, I love you, I love you.”

Ook The Christian Monist schrijft in een deel van zijn vervolgserie over de menselijke zoektocht naar betekenis. We hebben een bodemloze put in ons hart, en onze pogingen die te vullen leiden tot manipulatie en controle (oftewel: zonde):  "From that pit in your souls where you feel worthless, you have this insatiable desire to manipulate others to make yourselves feel more worthy. When you manipulate others, you push up your own emotional position from part of the worthless herd, to a master level, the one who controls others ... virtually all sin is the result of humans trying to fill that bottomless pit." Het goede nieuws is echter dat God ons liefheeft en daarmee alle betekenis heeft gegeven die we zouden kunnen wensen. Dit is waardoor ons gedrag verandert, niet door regels en verplichtingen. "If you really, really understand the Gospel and that the bottomless pit has found a bottom . . . and a lid . . . and a complete filling, the need for sin goes away. If your really grasped the fact that we are extremely forgiven, that we have an absurd value and that we now please God with unquenchable pleasure . . . the need for sin becomes extraneous."

Ons succes, onze betekenis, het blijkt allemaal niet van onze wilskracht af te hangen. Ik las dit mooie artikel over de liefde van God. "God loves you. Period. Isn't that only half the story? No, it's the whole, entire, complete story.  There is nothing else in God's attitude toward you but love.  His love does not come alongside anything else that might dilute or alter or temper it, or overrule it or modify it in any way.  Or even "balance" it or form some sort of polarity with it.   There is no tension, so to speak, betwen God's love and anything else.  There is no dark side whatsoever in God's attitude toward you.  It's pure love, infinite love, unconditional love." Maar hoe zit het dan met de hel? "Hell does not mean God sends someone to any separate place.  Hell does not mean God tortures us, or has the devil do it for Him.  Hell is something each person does to himself.  As the saying goes, the gates of hell are locked on the inside. It's our reaction to God's love that becomes our hell.  There can be all sorts of reasons God's very Love becomes hell for us. But God Himself harbors nothing for us but eternal, undiluted, steadfast, unchanging, infinite Love.  Period."

Wat is het gevolg van het op zo'n manier leven in afhankelijkheid van God? Als we beseffen dat wij zwakke mensen zijn en Hij de enige is die onze verlangens kan vervullen? The Rabbit Room suggereert het antwoord: "Instinctual gratitude and unprovoked gladness. And unprovoked isn’t quite right the right word. It will only seem such. For as we grow, won’t our hearts be awakened to the wonders everywhere to be seen, so that everyday we live and breathe and have God’s unmerited favor we are overwhelmed with thankfulness? We will always be provoked."

zondag 22 januari 2012

Het einde van de wil 3: het oordeel van de genade

Ik herinner me het plaatje uit een geschiedenisboek dat ik als kind las. Het ging over Egypte en wat de mensen daar geloofden over het leven na de dood. Er was een man doodgegaan. Zijn lichaam werd gebalsemd en hij werd in een kleine piramide begraven. Vervolgens stond de overleden persoon voor een grote weegschaal. Daar werd zijn hart gewogen tegen de godin Ma'at, de belichaming van waarheid en gerechtigheid (gesymboliseerd door een struisvogelveer). Hoeveel goede daden had hij verricht? Hoeveel kwaad had hij gedaan? Als hij te licht bleek te zijn, werd hij gevoed aan de verslinder, Ammit, een beest een deel krokodil, een deel nijlpaard en een deel leeuw was. Als hij zwaar genoeg was, mocht hij met Osiris mee naar het gelukkige leven aan de andere kant van de dood. Veel christenen hebben hetzelfde beeld voor ogen als de bijbel spreekt over het oordeel.
Het is een kenmerk van veel religies: het idee dat er na de dood over het leven van de mens wordt geoordeeld. Het idee dat wat mensen in dit leven hebben gedaan (of niet gedaan) wordt vergeleken met een bepaalde standaard, en dat op basis daarvan hun eeuwige lot wordt vastgesteld. Het beeld van een weegschaal is heel toepasselijk. Aan de ene kant liggen de goede werken, aan de andere kant de zonden: naar welke kant slaat de balans door? Er zijn twee mogelijkheden: hel of hemel - en wat je gedaan hebt tijdens je leven bepaalt waar je terechtkomt.
Ik heb me laten vertellen dat bijvoorbeeld moslims op zo’n manier denken over het oordeel. Maar ook veel moderne mensen geloven hierin, ook al zouden ze het niet letterlijk zo verwoorden. Maar als ze zeggen dat mensen die ‘goed hebben geleefd’ of ‘niemand kwaad hebben gedaan’ wel naar de hemel zullen gaan (en er tegelijk van uitgaan dat mensen als Hitler en anderen wel naar de hel moeten omdat ze zo slecht zijn), laten ze zien er volgens hen aan de eeuwigheid een bepaalde afweging voorafgaat. Zelf zullen ze natuurlijk altijd van zichzelf geloven dat ze tot de eerste categorie behoren (de mensen die wel ‘goed genoeg’ zullen zijn). Het laat ze goed over zichzelf denken. Ze hebben geen reden hun gedrag onder de loep te nemen, zich in te laten met God of met de kerk (het idee dat er ‘iets’ is, is wel genoeg), of compassie te hebben met mensen die het er nu eenmaal zelf naar hebben gemaakt dat de weegschaal voor hen anders doorslaat.
Maar het beeld van de weging op basis van iemands leven kan ook worden gebruikt om mensen slecht over zichzelf te laten denken. Denk aan de schilderingen over het laatste oordeel van iemand als Michelangelo. God die op zijn troon zit. Aan zijn rechter hand de hemelse dreven waar de heiligen, de martelaren en de geestelijken worden toegelaten. Aan zijn linkerhand helse taferelen waar de hordes zondaars, onbekeerde mensen, aan worden overgeleverd (waarbij de schilder zijn fantasie heeft uitgeleefd op de meest wrede martelmethodes). En waar je terecht komt laat de rechter koud: als je naar de hemel had willen gaan, had je tijdens je leven maar meer moeten doen, harder moeten werken, meer geven aan de kerk, strenger geloven. De kerk kan deze beelden gebruiken om mensen te manipuleren zodat ze doen wat de kerk wil dat ze doen. In feite wordt er ook zo weer ingespeeld op de angst voor de dood, die mensen in slavernij gebonden houdt.

De bijbel spreekt inderdaad over het oordeel. Als Paulus in Handelingen 17 het evangelie uitlegt, zegt hij dat Jezus is aangewezen om een rechtvaardig oordeel over de wereld te vellen, en dat God dat bewezen heeft door hem uit de dood op te wekken (v31). Het bijbelboek Openbaringen laat alle levenden en doden verschijnen voor de rechterstoel van God, waar de boeken worden geopend en het oordeel wordt uitgesproken. Jezus spreekt er zelf ook over in Mattheus 25, in de gelijkenis van de schapen en de bokken. Op de laatste dag zal Hij de schapen en de bokken scheiden. De schapen (kennelijk de goede mensen) zullen het eeuwige leven binnengaan, de bokken zullen tot de eeuwige duisternis worden veroordeeld (die was gemaakt voor de duivel en zijn engelen). Gospelzanger Keith Green heeft van dat bijbelgedeelte een aansprekend lied gemaakt. Met een vrolijk pianodeuntje (hij kon spelen!), een humoristische tekst (de verontschuldigingen van de ‘bokken’ met hun redenen waarom ze niet de armen hadden geholpen of de zieken hadden bezocht, waren hilarisch ‘Maybe the Lord is hungry now? One of the angels, get the lord a hamburger and a coke!’) en een verbolgen Jezus die woedend uitbarste: ‘Depart from me!’. En het eindigde met de conclusie: ‘Remember, the only difference between the sheep and the goats was what they did, and didn’t, do!’ Whoa! Dat maakte nogal indruk toen ik het voor het eerst hoorde op een christelijk zomerkamp. Ik voelde me direct schuldig, want ik wist dat ik niet genoeg deed. Ik was nooit naar een gevangenis gegaan, had nooit iemand kleren gegeven of eten aan iemand die arm was. En het beeld bleef me achtervolgen, want ik kon nooit zo goed zijn als die schapen, ik gedroeg me eerder als de bokken.
Gelukkig geloofde ik dat Jezus voor mijn zonden was gestorven en dat mijn zieleheil niet afhing van wat ik deed of niet deed (maar wat bedoelde Jezus dan met die gelijkenis?). Dat betekende niet dat ik me opeens zeker voelde. Ik kende namelijk ook bijbelgedeeltes zoals 1 Korintiers 3:10-15: “Laat ieder erop letten hoe hij bouwt ... Of er op dat fundament nu verder wordt gebouwd met goud, zilver en edelstenen of met hout, hooi en stro, van ieders werk zal duidelijk worden wat het waard is. Op de dag van het oordeel zal dat blijken, want dan zal het door vuur aan het licht worden gebracht. Het vuur zal laten zien wat ieders werk waard is. Wanneer iemands bouwwerk blijft staan, zal hij worden beloond. Wanneer het verbrandt, zal hij daarvoor de prijs betalen; hijzelf zal echter worden gered, maar door het vuur heen.” Ook al was mijn eeuwige bestemming veilig gesteld, mijn positie in de hemel hing kennelijk nog steeds af van wat ik deed. Zoals ik het zag kon ik twee dingen doen. Ik kon zelfzuchtig zijn en de dingen doen die ik graag wilde - dat zou hout, hooi en stro zijn. Of ik kon geestelijk zijn en doen wat Jezus van mij vroeg -bijbelstudie, bidden, evangeliseren, samenkomsten bezoeken, et cetera - en dat zou goud, zilver en edelstenen blijken te zijn. Als perfectionist mocht ik van mezelf natuurlijk niet onvolmaakt blijken te zijn, ik zou mezelf nooit vergeven als een deel van wat ik deed door het vuur verbrandde. Dus werkte ik me uit de naad - letterlijk: zoals ik al zei, ik werd er overspannen van.

Door mijn overspannenheid werd het mij pijnlijk duidelijk dat mijn wil tekortschoot. Dit wordt bevestigd door het recente onderzoek naar ‘ego depletion’. Wij kunnen niet door onze eigen vastbeslotenheid de weegschaal naar de ene of de andere kant laten doorslaan. We kunnen niet maar beslissen dat we voortaan met goud, zilver of edelstenen bouwen, en niet met hout, hooi en stro. Het oordeel aan het eind van de tijd zal geen ‘triomf van de wil’ zijn, we zullen onszelf niet kunnen feliciteren dat we in de hemel zijn toegelaten, of onszelf verwijten dat we naar de hel worden verwezen (‘Had ik maar beter mijn best gedaan’).
Zoals Jezus in zijn leven, in zijn wonderen en in zijn gelijkenissen de verwachtingen van de religieuzen van zijn tijd op hun kop zette, zo weigert hij het algemene menselijke idee van het oordeel te bevestigen. Voor hem geen ‘voor wat, hoort wat’. Jezus spreekt subversief over het oordeel. Hij zegt in Johannes 3 dat hij niet in de wereld is gekomen om te oordelen. Hij is gekomen om te laten zien dat God de wereld liefheeft. Mozes zette in de woestijn een koperen slang op een stok, een teken dat God leven gaf aan de door slangen gebeten mensen. Het was voor iedereen zichtbaar. Mensen hoefden er alleen maar naar te kijken om van hun vergiftiging genezen te worden. De enige manier om in het Israelitische legerkamp te sterven, was als je niet WILDE kijken naar de slang, als je bewust je ogen afwendde, als je weigerde afhankelijk te zijn van God voor je herstel. Net zo is Jezus gekomen om voor iedereen het zichtbare teken te zijn van Gods liefde. Je hoeft er niks voor te doen om het eeuwige leven te ontvangen, je hoeft alleen maar te accepteren dat God het zomaar geeft. De enige manier om dood te blijven is door je ogen gesloten te houden, door je bewust de andere kant op te keren, door te weigeren van God afhankelijk te zijn. Daarom kan Jezus zeggen: “Dit is het oordeel: het licht kwam in de wereld en de mensen hielden meer van de duisternis dan van het licht” (Johannes 3:19).
Het subversieve aan het oordeel zoals dat in de bijbel beschreven staat, is dus dat iedereen al is vrijgesproken - goeden en slechten. Het ego, de wilskracht van mensen heeft daar niets mee te maken. Sterker nog, het ego, de wilskracht van mensen is wat hen ertoe brengt buiten het feest te willen blijven, in de duisternis, met de gevallen engelen die ook niet van God afhankelijk wilden zijn. Zoals C.S. Lewis zegt: de deur van de hel zit aan de binnenkant op slot.

Dit is precies wat Jezus laat zien in zijn gelijkenis over de schapen en de bokken. Robert Farrar Capon (ja, inderdaad, hij weer. Maar wees gerust, voorlopig is dit de laatste keer dat ik hem aanhaal) geeft een adembenemende interpretatie van deze gelijkenis in het derde deel van Kingdom, Grace, Judgment. Het eerste wat hij stelt is dat de schapen en de bokken allebei al tot de kudde van de herder behoorden (Het was in die tijd namelijk niet ongebruikelijk dat mensen zowel schapen als geiten hielden!): “The Good shepherd lays down his life for the sheep. But he lays down his life for the goats as wel, because on the cross he draws ALL to himself. It is not that the sheep are his but the goats are not; the sheep are his sheep and the goats are his goats.” Van God uit is er dus al een relatie, waar het vervolgens om gaat is of mensen dat willen accepteren.
Vervolgens wijst hij erop dat de ‘schapen’ in deze gelijkenis niet naar de hemel gaan omdat ze zoveel goede werken hebben gedaan. Wat ze deden, deden ze namelijk helemaal niet als goede daden. Het was geen zelfopoffering van ze. Ze deden het niet om bij God in een goed blaadje te komen. Daarom zijn ze ook verbaasd over de woorden van Jezus: ‘Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien en te eten gegeven, of dorstig en u te drinken gegeven?’ Ze waren zich er niet van bewust dat ze iets goeds deden, ze voelden zich niet heilig omdat ze aardig waren voor anderen. Het was voor hen iets heel natuurlijks. Het kwam voort uit hun identiteit. Dit waren liefhebbende mensen, en dus konden ze niets anders dan andere mensen liefhebben. En hoe worden mensen liefhebbende mensen? Doordat ze weten dat ze geliefd zijn, doordat ze Gods liefde aanvaarden. De daden van de ‘schapen’ voor andere mensen waren een vrucht en geen werk - ze kwamen als natuurlijk voort uit het vertrouwen dat ze hadden in Gods liefde. Daardoor konden ze anderen liefhebben om wie die anderen waren en niet om zelf daardoor in de hemel te komen. En in het liefhebben van die anderen hadden ze Jezus lief, die hen eerst had liefgehad. Ze hadden een relatie met God, precies op de plek waar hij zich liet zien, in het zwakke en het kleine.
Maar de ‘geiten’ dan? Ook die waren door God al ingesloten in zijn liefde en zijn aanwezigheid. Maar zij wilden die niet als realiteit ervaren. Daarvoor zouden ze namelijk moeten toegeven dat ze met hun eigen wilskracht niets konden bijdragen aan hun redding. De ‘geiten’ uit de gelijkenis waren namelijk niet de hoeren, tollenaars en dronkaards (die aan het einde van hun wil waren gekomen), maar juist de schriftgeleerden en farizeeen, die dachten op eigen kracht de wil van God te kunnen doen. Ze waren maar wat trots op hun goede werken - en dachten dat God daar ook wel blij mee zou zijn. Maar juist daardoor wilden ze niet omgaan met de zwakken, de zieken, de kleinsten en de laatsten - misschien waren ze bereid hen een aalmoes te geven, maar ze wilden niet met hen geassocieerd worden. Ze wilden niet onder hen worden gerekend. En daarmee lieten ze zien niet bij God te willen horen. “The wicked too, will have experienced the same presence”, stelt Capon daarom. “The authorities of Jesus’ day, for example, were as involved in his redeeming death as anybody - Caiaphas, the Sanhedrin, even Judas, were all intimate with his saving appearance; but they will not have trusted. They will have been justified and they will have been brought home; but because of the blindness of their unbelief - they will have cut themselves off from the salvation they already had - from the favorable judgment that, but for the noise of their own works, they would otherwise have heard.”

Deze blik op het oordeel werpt ook een ander licht op het gedeelte uit 1 Korintiers 3 dat ik hierboven aanhaalde. Ik denk namelijk niet dat Paulus hier een pleidooi houdt om op onze eigen kracht te vertrouwen. Hij betoogt hier niet dat de Korintiers door hun eigen inspanning iets kunnen opleveren dat voor God waardevol is. In de hoofdstukken ervoor heeft hij namelijk juist uitgelegd dat het geheim van God is gelegen in zwakheid. Het is niet de kracht van de wereldheersers waardoor Gods plan werkelijkheid wordt, maar het vertrouwen van zwakke mensen in God. Hij zegt in dit gedeelte niet opeens het tegenovergestelde. Het gaat hem dus niet om wat we doen of hoeveel we doen. Wat van belang is, is het materiaal waarmee gebouwd wordt, de ‘kwaliteit’ van het werk, niet de ‘kwantiteit’. Ik denk daarom dat Paulus het hier heeft over de motivatie, het verlangen waaruit mensen zich inzetten. Je kunt nog zoveel geven aan de armen, je kunt nog zoveel bidden of bijbellezen en je kunt nog zoveel zendingsreizen maken - als je het doet om je eigen zelfbeeld op te krikken, om je eigenwaarde eraan te ontlenen, geldt wat Paulus zegt in Kolossenzen 2:23: “Het heeft geen enkele waarde en dient alleen maar tot eigen bevrediging.” (Zie ook 1 Korintiers 13:1-3). Je kunt profeteren en geesten uitdrijven in Jezus’ naam, en toch kan Jezus zeggen: ‘Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, wetsverkrachters!” (Mattheus 7:23).
Dit gedeelte gaat net als Mattheus 25 uit van een heel inclusieve basis. “Niemand kan een ander fundament leggen dan er al ligt – Jezus Christus zelf” (1 Korintiers 3:11). Op welke manier je ook bouwt - iedereen die bouwt, bouwt op dit fundament. En ook hier is het criterium wat wel en niet het oordeel doorstaat, niet iets dat de bouwer zelf doet, maar of de bouwer in vertrouwen het vrije aanbod van God in Jezus heeft geaccepteerd. Het criterium is namelijk of iemand God zelf laat bouwen. Paulus zegt het zelf een paar versen ervoor: “Alleen God is belangrijk, want hij doet groeien!” (vers 7). Dat de Korintiers zich bekeerd hadden was niet iets waar Paulus trots op kon zijn. “U bent een bouwwerk van God” (vers 9). Paulus vertrouwde namelijk op God en niet op zijn eigen wilskracht. Dat leidde ertoe dat hij om andere mensen ging geven en hen het goede nieuws wilde vertellen. En vervolgens bleek zijn leven vrucht te dragen. Vrucht die blijvend zou zijn, die het oordeel zou doorstaan. Het ging er niet om hoeveel hij deed, maar dat wat hij deed voortkwam uit zijn vertrouwen op God. Maar alles wat niet gedaan wordt uit geloof, hoe goed en geestelijk de activiteiten in kwestie ook lijken, is zonde.

Mijn harde werken van voor mijn overspannenheid, waarmee ik hoopte in de eeuwigheid tot het goud en zilver te worden gerekend, was dus eerder het hout en stro waarover Paulus schreef. Het was niet gebaseerd op vertrouwen, dus het miste zijn doel, hoe christelijk het ook leek. Het diende alleen mijn eigen ego, mijn zelfbeeld.
Nu heb ik al die pogingen om mezelf door mijn eigen wilskracht voor God acceptabel te maken opgegeven. Ik vertrouw erop dat God mij al heeft geaccepteerd. Niet omdat ik zo goed ben of zoveel voor God doe, maar omdat dit is wat Jezus heeft laten zien door zijn dood en opstanding. Mijn identiteit is daardoor veranderd. Ik zie mezelf nu als een geliefde van God en daar wil ik me meer en meer naar gedragen. Mijn vertrouwen heeft dus gevolgen in mijn leven - geen werken waar ik zelf trots op kan zijn, maar vruchten die God in mij laat groeien. Vruchten van goud, zilver en edelstenen, waar ik net als de schapen in de gelijkenis van Jezus verbaasd over zal staan. Het oordeel is daardoor niet meer iets om bang voor te zijn, geen middel om mezelf en andere mee te manipuleren, maar een blijde bevestiging van de eeuwige waarheid: dat God mij niet veroordeelt, maar mij altijd al heeft liefgehad.