Posts tonen met het label betekenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label betekenis. Alle posts tonen

woensdag 10 augustus 2016

Gedicht: De Inklings

De Inklings

Ik kijk om, pijn in mijn nek:
een glimp van hemelsblauw met
oranje is snel verdwenen
achter ons, er volgt een bocht
en dan zijn we niet meer waar
onze helden schreden, maar
tussen de grijze stenen, 
naar het station. Elke stap
van de reis onafwendbaar,
voor ons bepaald. Om ons heen
drukke mensen met koffers,
telefoons, het leven dat
ik ken. Maar niet hetzelfde,
mijn hart kent nu de waarheid:
net buiten zicht dansen de
elfen en ik mag ze aan de
zoekers tonen. Net als zij.

donderdag 31 maart 2016

Gedicht: Tweesprong

Tweesprong

Het was een grote keuze,
dacht ik, links of rechts te gaan. 
Het ene pad leek makkelijk
maar liep dood; het andere
-smal, rotsachtig- was de weg
naar huis. Maar het scherpe grind
stak mijn voeten, de netels
brandden onbeschermde huid
en mijn reisgenoten lachten,
duwden me neer. Ik bleef het
proberen, tot ik bezweek
en wel opzij moest gaan. Ik stond
op stevige grond, ik zag
om mij dezelfde bergen,
voelde dezelfde wind en
de zon was nog even fel.
Ook dit pad is steil, klimmen
kost nog steeds veel moeite.
Maar ik word niet opgejaagd,
word niet beschimpt als ik val
of achterblijf. En voor mij
zie ik geen afgrond gapen,
maar slechts het vertrouwde licht 
dat aan de start me was beloofd.

vrijdag 4 december 2015

Gedicht: Halverwege

Halverwege

Ik heb tot de helft gespeeld,
zelfs nog na de rust. Ik deed
mijn best te overwinnen,
scoorde een keer en hield 
een doelschop tegen. Maar nu 
ben ik moe. Mijn knie doet pijn 
van een trap: een teamgenoot
haalde me neer. En toen ik
miste, werd er gescholden. 
Toch hield ik vol, mijn kaken
op elkaar. Tot nu. Het is
nog gelijkspel. Mijn passie
heeft geen verschil gemaakt
en het duurt nog lang voordat
de fluittoon klinkt. Ik kan niet
verder rennen. Ik zet me
schrap voor wat komen gaat.
Niets. Het blijkt een spel te zijn
zonder verliezers. Plezier
was het doel en achteraf
een feest, de tegenstanders
zijn ook uitgenodigd. Nu
mag ik kiezen: zit ik neer
of doe ik wat ik nog kan?

woensdag 2 december 2015

Gedicht: Windstil

Windstil

De lucht is zwart, ononderbroken
hangen wolken boven mij. De zee
toont niets dan duister als een spiegel
glad. Geen wind om mij voort te stuwen.
Ik voer uit toen het nog licht was en
ik wist waarheen ik moest gaan.
Nu lig ik stil. Ik heb mijn kompas
verloren, zie aan de horizon
geen land. Hoe kan ik ooit komen
waar ik word verwacht? Zonder opdracht
zit ik aan de riemen. Kapitein
van mijn eigen leven. Voortaan vrij
elke kant uit te reizen, zoekend
mijn bestemming, niet meer opgejaagd.
En achter mij fluistert u zachtjes:
'Het is goed.'

zondag 22 november 2015

Voorpublicatie: De loser die wint ...


Kort nadat de tweede film uit de Matrix-serie in de bioscoop draaide, had ik een discussie met een van mijn vrienden. We hadden het over een filosofisch idee dat aan deze sciencefictionfilm ten grondslag lag, namelijk de brain in a vat-theorie: wat als de wereld die we om ons heen zien niet ‘echt’ is, wat als we niet werkelijk op een stoel zitten in het koffiezaakje, en we niet werkelijk het warme licht van de zon op onze huid voelen? Wat als in plaats daarvan een wetenschapper onze hersenen in een vat heeft gehangen, en ze voedt met gesimuleerde informatie? Wat als onze oogzenuwen worden geprikkeld zodat we een illusie zien van de buitenwereld, en hetzelfde gebeurt met onze reuk, smaak, gehoor en tastzin? Zouden we dit kunnen ontdekken? En zou de onzekerheid over het al dan niet echt zijn van de wereld een verschil maken voor de manier waarop we leven? Ikzelf meende toen dat ik mijn geloof zou moeten afzweren als de wereld niet echt zou blijken te zijn. Mijn vriend dacht er anders over. Ongeacht of de wereld echt blijkt te zijn of niet, je zou nog steeds achter je keuzes staan. Je kiest voor je overtuigingen omdat ze jou het meest aanspreken, niet omdat de wereld buiten je jou daartoe dwingt.
Ik denk vaak terug aan deze discussie. Ze raakte namelijk aan de vraag waarom ik in God geloof. Geloof ik omdat ik met mijn verstand overtuigd ben van een waarheid buiten mij? Geloof ik dat ik mezelf en anderen moet liefhebben omdat de wereld buiten mij bepaalde gevoelens in mij opwekt? Als ik iets niet wil, is het mezelf voor de gek houden, geloven enkel omdat ik bang ben om gestraft te worden, of om mezelf beter te kunnen voelen dan anderen. Ik wil ook niet blijven vasthouden aan het geloof van mijn ouders omdat mijn hersenen in mijn vroege jeugd nu eenmaal zo geprogrammeerd zijn. Ik zoek een geloof dat niet aan het wankelen kan worden gebracht door een discussie over The Matrix Revolutions.
Het blijft echter een dilemma. Want omdat we onderdeel zijn van onze wereld, kunnen we niet waarnemen wat zich buiten onze wereld bevindt. Omdat we een personage zijn in het verhaal, kunnen we niet ontdekken in welk verhaal we eigenlijk leven. Toch moeten we een keuze maken voor een filosofie of levensverhaal. De vraag is dus wat het beste verhaal is om in te leven. We zoeken een verhaal dat recht doet aan zowel ons alledaagse bestaan als aan de glorie van het heelal, dat ons omringt. Een verhaal dat een kind al kan begrijpen, maar waar filosofen niet over uitgedacht raken. Een verhaal dat ons doet uitkijken naar verandering, en ons tegelijk een reden geeft om in actie te komen.
De afgelopen jaren ben ik me gaan realiseren dat het verhaal van Jezus voor mij aan al die voorwaarden voldoet. Schrijvers zoals G.K. Chesterton, C.S. Lewis en J.R.R. Tolkien leerden me dat het christelijke getuigenis de overtuigingskracht heeft van een mythe, van een meeslepende film. En dit is een verhaal dat in Jezus zelf tastbare, concrete werkelijkheid is geworden! Vervolgens lieten auteurs als Greg Boyd, Robert Farrar Capon en John Eldredge me zien waar het verhaal van Jezus ten diepste over gaat: onze zwakheid die leidt tot de dood en Gods onvoorwaardelijke liefde, die ons uit die dood doet opstaan. Het is de grote omkering: de rechtvaardiging van de zondaar, de overwinning van de verliezer. De machthebbers worden ontwapend en de zwakke wordt verhoogd. Het is goed nieuws!
Het is goed nieuws voor de mensen die niet in God geloven, maar in zichzelf teleurgesteld zijn geraakt. Die buiten de maatschappij vallen, of niet meer kunnen meekomen. Die hard werken, maar er niet gelukkig van worden. Maar het is ook goed nieuws voor christenen die in de kerk, of door hun levenservaringen, een heel ander beeld van God hebben gekregen. Die leven in een verhaal van controle, manipulatie en angst. Die weten dat ze tekortschieten, maar dat niet durven toegeven. Die zich almaar blijven inspannen om Gods acceptatie te verdienen. Voor hen allemaal is het mogelijk te leven in de grootste liefdesgeschiedenis die de wereld kent. Daarvoor hoef je niet intellectueel overtuigd te zijn. Je hoeft het niet te voelen. Je hoeft het niet eens te geloven. Je hoeft je er alleen maar voor open te stellen. Je wordt er onderdeel van, als je ernaar verlangt.
Ik sprak onlangs opnieuw met mijn vriend, en ik heb hem gezegd dat hij toch gelijk had. Dat ik niet honderd procent zeker kan weten of de wereld om mij heen echt is, verhindert me niet in God te geloven en uit die overtuiging te leven. Zelfs al bestaat de kans dat na de dood niets van wat ik waarneem echt blijkt te zijn, dan blijf ik toch achter mijn keuzes staan. Ik ben er nu eenmaal van overtuigd dat deel gaan uitmaken van Gods Verhaal de beste manier is om te leven.

1. De zwakken tegen de sterken

Ik herinner me nog goed een les maatschappijleer in het vijfde jaar van het atheneum. Twee van mijn klasgenoten waren blijven zitten. Tegenwoordig kijk ik niet meer zo op tegen mensen die maar een paar jaar ouder zijn dan ik, maar op die leeftijd was iemand van achttien voor mijn gevoel al erg volwassen. De jongens in kwestie maakten bovendien vaak interessante, filosofisch aandoende opmerkingen. Zo ook deze keer. Een van hen begon te betogen dat het einde van onze beschaving eraan kwam. Volgens hem hadden onze voorzieningen, onze hoogstaande technologie en onze welvaartsstaat hun langste tijd gehad. ‘Spoedig’, verklaarde hij niet zonder een zeker genoegen, ‘zullen we allemaal weer moeten vechten voor ons voortbestaan.’ Het recht van de sterkste zou opnieuw gelden. Mijn maag kromp ineen. Ik was er op dat moment stellig van overtuigd dat ik en de andere studiebollen in de klas in zo’n geval het onderspit zouden delven.
Nog een herinnering: op de basisschool hadden we gymles. En gym begon er altijd mee dat we een paar keer de zaal rond moesten rennen. En daarbij was ik altijd de langzaamste. De rest liep steeds verder voor me uit, en al snel liep iedereen aan de andere kant van de zaal. Het gebeurde zelfs dat ik door mijn klasgenoten voor een tweede keer werd ingehaald. Als er teams werden gekozen, werd ik altijd als laatste gekozen, samen met een vriend van mij die ook niet zo sportief was. En ik hoorde zelfs kinderen klagen als ze ons in het team hadden gekregen; zo konden ze niet winnen.
Ik las ergens in die periode een sciencefictionverhaal over een toekomst waarin de aarde overbevolkt was geraakt. Niet iedereen kon daarom in leven blijven. Als je als kind een zekere leeftijd bereikte, moest je testen ondergaan om je toekomst te bepalen. Een van die testen was een hardloopwedstrijd. Wie niet snel genoeg liep, werd gedood… Het joeg me behoorlijk angst aan: alleen de snelste zou overleven.
Mijn angstbeeld keerde terug toen ik overspannen raakte. Tegen het einde van mijn studie ging ik steeds slechter slapen. Ik werd wel zeven of acht keer per nacht wakker. Als de wekker ging, voelde ik me nog vermoeider dan toen ik naar bed ging. Ik probeerde van alles: ik dronk warme melk, deed ontspanningsoefeningen – niets hielp. Mijn energieniveau daalde, ik werd steeds gevoeliger, barstte soms bijna in tranen uit. Uiteindelijk legde een docente de vinger op mijn zere plek: ik moest heel veel van mezelf. Ik had een schema gemaakt van Bijbelstudieboeken die ik moest doorwerken, hield me aan vaste tijden van gebed met vaste onderwerpen, las dagelijks trouw vijf hoofdstukken uit de Bijbel, bezocht alle kerkdiensten en ook nog eens alle bijeenkomsten van de studentenvereniging. Maar dat alles deed ik niet met plezier.
Met de dingen die me wel plezier gaven (het lezen en schrijven van spannende verhalen), was ik een paar jaar eerder gestopt. Ze droegen niet bij aan mijn leven als christen. ‘Denk je dat je een hele dag mag besteden aan het lezen van een niet-christelijk verhaal?’ vroeg een vriend me in een e-mail. ‘Zo ja, hoe is dat dan te rijmen met teksten als ‘We moeten onze tijd uitkopen’ (Efeziërs 6)?’ Ik nam dat soort boodschappen serieus en probeerde uit alle macht te voldoen aan het ideaalbeeld dat ik in de kerk had meegekregen.
Gelukkig is er sinds die burn-out veel in mijn leven veranderd. Ik ben gestopt met al die zelfopgelegde activiteiten en ben weer gaan schrijven. Een paar van mijn verhalen zijn zelfs gepubliceerd. Ik kon weer genieten van mijn aquariums, maakte samen met vrienden leuke reizen, en vond werk dat bij mij paste. Maar soms word ik eraan herinnerd dat de patronen die leidden tot overspannenheid nog steeds in mij aanwezig zijn. Nog steeds word ik weleens overweldigd door verwachtingen waar ik aan zou moeten voldoen, op mijn werk, in de kerk of in de maatschappij. Ik kan heel veel, maar ik kan niet alles dat van mij wordt gevraagd.

Lees verder in De loser die wint ... als God je verhaal vertelt (verschijnt binnenkort)

zaterdag 10 oktober 2015

'De loser die wint ...' - The Making Of ... (2): Zwak geloven

Ondertussen ben ik hard aan het werk de laatste proeven van 'Hoe je zwakheid leven brengt' door te nemen. Nu wordt het wel heel werkelijk. Als ik dadelijk deze versie heb teruggestuurd, is de tekst helemaal af. Dan kan het worden opgemaakt, en gedrukt. En dan kan iedereen het lezen. Dat is natuurlijk waarom ik het boek geschreven heb, maar het is ook spannend. Ik weet namelijk bij voorbaat al dat niet iedereen het zal kunnen waarderen. Op facebook volg ik bijvoorbeeld iemand die eerlijk verslag doet van de vragen die hij de laatste tijd bij zijn geloof is gaan stellen - maar in de commentaren onder zijn berichten krijgt hij de wind van voren: hij zou zijn plek in een christelijke organisatie moeten neerleggen, hij zou verantwoording moeten afleggen aan christenen die 'twijfelen aan zijn twijfel', hij zou geen sterk geloof hebben.

Nu weet ik al jaren van mezelf dat ik geen sterk geloof heb. In elk geval niet volgens de definitie die ik daar toen ik opgroeide in een fundamentalistische kerk voor zou hebben gegeven. Voordat ik overspannen werd en die kerk verliet, dacht ik dat geloven gelijk stond aan 'zeker zijn', en 'alles kunnen uitleggen' en 'niet twijfelen'. Ik moest ervan overtuigd zijn dat een aantal uitspraken over de werkelijkheid (opgesteld op basis van een bepaalde uitleg van een verzameling oude geschriften) absoluut, volkomen de werkelijkheid beschreven en dat alternatieve interpretaties en uitspraken over de werkelijkheid niet klopten. Deze zekerheid was niet alleen een acceptatie van kennis, zoals ik zeker was dat een en een twee is, maar een psychologische toestand: een toestand van absolute zekerheid. Die weinig te maken had met wat ik met mijn ogen kon zien, de gegevens die ik kon verzamelen, of de conclusies die mijn verstand daaruit kon trokken. Het was een a priori vaststelling dat ik niks anders in overweging kon nemen als waarheid. Zoals een fundamentalistisch christen ooit op Goedgelovig schreef: "Ik weet 100 procent zeker dat ik nooit zal twijfelen aan Gods bestaan.” Zelf vind ik het nu heel ongezond dit soort voorspellingen te doen. Maar ik herken het principe. Ik dacht ook dat ik nooit zou twijfelen aan het jonge aarde creationisme, of aan het pretribulationistische premillennialisme, of aan Gods bestaan. Niet omdat ik daar echt van overtuigd was (ik kan terugkijkend zeggen dat ik eigenlijk altijd het evolutionistische model overtuigender heb gevonden, en het standaard eindtijdmodel wel erg ingewikkeld, en dat ik ook lang niet altijd Gods aanwezigheid ervoer) maar omdat ik nu eenmaal zo zeker moest zijn.
Ook toen ik de kerk waar ik was opgegroeid allang had verlaten, probeerde ik het 'kaartenhuis van zeker weten' nog overeind te houden. Ik klemde me vast aan religieuze ervaringen, of aan filosofische overwegingen. In die periode sprak ik met een goede vriend over The Matrix Revolutions, die toen in de bios draaide. Hij betoogde dat ook al kunnen we niet zeker weten dat de werkelijkheid een illusie is, het toch zinvol kan zijn om te geloven. Je gelooft immers niet omdat je zeker bent dat het echt zo is, maar omdat je het wilt geloven. Toen was ik nog heel geschokt door die gedachte. Maar ondertussen ben ik me gaan realiseren dat ik maar heel weinig echt zeker kan weten. En dat mijn geloof in God dus weinig met 'zekerheid' als psychologisch fenomeen te maken heeft. Sterker nog: ik ben eigenlijk 'nauwelijks nog gelovig'. Zo beschreef ik het op mijn blog.

Maar de vraag is of dat zo erg is. Is het niet eerder bevrijdend? Onze zekerheid - het proces waarmee we onze eigenwaarde laten afhangen van de onwankelbaarheid van onze psychologische toestand van overtuigd zijn - maakt dat we andersdenkenden als vijand behandelen, mensen die anders of niet geloven alleen beschouwen als evangelisatiedoelwitten en niet als medemensen, en de wereld, anderen en onszelf strak in het kader dwingen dat nodig is voor ons gelijk, zelfs als zij of wij daar eigenlijk niet in passen. Dit beschadigt ons ook. Ons geloof is zo niets anders dan een 'heldenverhaal', waarmee we onszelf proberen te beschermen tegen de dood en tegen betekenisloosheid. Een heldenverhaal waarin wij zelf centraal staan en waaraan nooit getornd mag worden. En waar anderen het slachtoffer van worden. Want als je van mij vraagt net zo zeker te zijn als jij, en mijn vragen bagatelliseert, onderwerp je mij aan jouw 'zingevingsverhaal'.
Hier tegenover staat het 'zwak geloven'. Een term die ik voor het eerst tegenkwam bij Ronald van den Oever. Hij schreef: "De kern van het zwakke denken is dat we geen claims meer hebben om krachtige metafysica vast te houden ... Jezus is gekomen om alle bolwerken (machthebbers) van hun kracht te ontdoen. Onze weg is achter Hem aan, de weg van de naastenliefde (charitas) en naastenliefde verzwakt alle macht en bant al het geweld uit." Hij noemt dit zelfs een soort blijde boodschap.
Over de term 'zwak geloven' heb ik lang nagedacht. Uiteindelijk ging ik zelfs op mijn blog een flinke serie schrijven met als titel 'Terug naar de basis'. Daarin schreef ik dat ik ervoor koos in God te geloven en te leven op de manier die daarbij hoort, niet omdat ik er rationeel of emotioneel van overtuigd ben, maar omdat ik het verhaal van God dat zichtbaar is geworden in Jezus het mooiste, beste, meest betekenisvolle verhaal ter wereld vind. Ik verlang naar dit visioen van de werkelijkheid. En dus zal ik blijven geloven, ongeacht of ik het kan bewijzen of niet. Ik moet vaak denken aan de woorden van de ‘marshwiggle’ Puddleglum uit The Silver Chair van C.S. Lewis: “Suppose we have only dreamed, or made up, all those things-trees and grass and sun and moon and stars and Aslan himself. Suppose we have. Then all I can say is that, in that case, the made-up things seem a good deal more important than the real ones. That's why I'm going to stand by the play world. I'm on Aslan's side even if there isn't any Aslan to lead it. I'm going to live as like a Narnian as I can even if there isn't any Narnia.”

En waarom vind ik dit verhaal zo mooi dat ik erin wil leven? Omdat het een verhaal is over zwakheid. Als in de beste sprookjes gaat het niet over de machthebber of de sterke held, maar over de jongste zoon, de zwakke broeder, degene die het onderspit delft. En die toch  uit de dood wordt opgewekt. De ontmenselijkende machthebbers van deze wereld worden ontmaskerd als valse verhalen volgend. De lijdende, worstelende verschoppeling blijkt niet vergeten te zijn, en zelfs de dood heeft niet het laatste woord. Dat vind ik gaaf, want ik realiseer me dat ikzelf ook vaak zwak ben. Ik kan geen 100 procent zekerheid in stand houden, ik kan niet beloven nooit aan verleiding toe te geven, ik worstel met slaapproblemen en stressklachten die ik niet zomaar kan overwinnen, en ik kan mijn lichaamsgewicht niet zomaar terugdringen.
Het mooie is dat een van de punten waarin ik mezelf altijd als 'zwak' had ervaren, tijdens het schrijven van bovengenoemde serie blogberichten, toch een succesverhaal werd. Ik kreeg namelijk verkering met Bianca. En later werd ze zelfs mijn vrouw. Maar zij illustreert ook juist weer het punt: ik heb niet mijn best gedaan haar te imponeren. Ik heb zelfs even verkering gehad met een ander. En toch bleef ze van mij houden, gewoon zoals ik ben. Ik hoef voor haar me niet anders voor te doen dan ik ben, hoef niet dingen in huis te repareren die ik niet kan (of wil), hoef niet mijn aquariums de deur uit te doen of mijn stripboeken. En ook als ik klaag over hoofdpijn, of voor de zoveelste keer twijfel over de kerk of over mijn schrijfkwaliteiten, ziet ze me niet als een 'loser', of suggereert ze dat ik aan mezelf moet werken. Ze zegt dan dat ze van me houdt. Punt. En het hoeft waarschijnlijk niet te worden gezegd, maar: ik hou ook van haar. Zoals ze is. Elk moment met haar is een feestje, een prachtige dans van twee mensen die zichzelf aan de ander willen geven. Zoals het ook met God is.

Er waren een aantal lezers die mijn blog aandachtig volgden, en die ook behoorlijk onder de indruk waren van de serie 'Terug naar de basis'. Hans Zellenrath schreef in een reactie: 'Je bent een echte schrijver die moet schrijven, een innerlijke noodzaak. Prachtig weergegeven. Deze bijdragen op je blogs zouden een mooi en interessant boek zijn. Eerlijk en in zwakheid sterk. Dat je jezelf niet spaart maar ons toont in afhankelijkheid, zwakheid maar ook in grandeur en geloof in Hem die alles omvat.' Ook Daniel de Wolf bleek heel enthousiast over mijn ideeën en stimuleerde me er een boek van te maken. En in het voorjaar van 2012 heb ik dat dus ook gedaan, maar daarover later meer!

(wordt vervolgd)

maandag 6 juli 2015

Gedicht: Waarom-vraag

Waarom-vraag 

Het schijnt niet gewoon te zijn
jezelf de vraag te stellen 
waarom je door zou leven.
De meeste mensen lijken
wel tevreden, genieten
van hun prestaties, voelen
zich van binnen vol. Maar ik
moet elke dag bewijzen
dat ik iets toevoeg, dat de
strijd om te overleven
zinvol is. Ook als ik geen
hoop zie aan de horizon,
want wat mooi is, dat verdwijnt
voor eeuwig en mijn passie
is tegen onverschilligheid
niet bestand. Ik sta alleen
in een steeds grijzer land
en probeer uit alle macht
het te kleuren, wil ogen
van anderen open krijgen.
Ik word moe, maar ik moet wel
blijven zwoegen. Toch ben ik
hier nog. Ik vind een antwoord
op mijn vraag in het gewone:
een glimlach, paardenbloemen,
gesprekken bij de koffie,
een glimp maar het volstaat.
Voor vandaag, want morgen is
een nieuwe dag en die heeft
aan zijn eigen kwaad genoeg.

zondag 21 juni 2015

Het spel verlaten (4): Letterlijk is niet waar

Een van mijn broers was de laatste tijd erg gegrepen door het boek van Eugene Peterson over Openbaring: Laatste Woorden. Waar hij het laatste bijbelboek lang had gezien als verontrustend en angstaanjagend, begon hij er nu de boodschap van hoop in te zien, die de symboliek volgens Peterson in zich draagt. Volgens Peterson gebruikt Johannes namelijk beelden uit het Oude Testament om de overwinning van God over de wereldmachten en zijn reddende handelen voor de gelovigen uit te beelden. Mijn broer raakte er niet over uit gepraat, en wilde er ook bij hem in de kerk aandacht aan besteden. Natuurlijk moest eerst een van de broeders er met hem over praten, de ‘expert op het gebied van Openbaring in de gemeente’. Die wilde echter niet luisteren. Openbaring moest volgens hem worden uitgelegd als voorspelling van de toekomst, als ‘spoorboekje’ van de sociale, politieke en ecologische gebeurtenissen in de komende jaren. Waarom? Omdat het genre van het boek dat noodzakelijk maakt? Nee, want Openbaring is apocalyptische literatuur, een genre dat werd gebruikt om in symboliek de huidige situatie van een onderdrukt volk te duiden. Omdat deze uitleg mensen dichter bij God brengt en hun geloof ondersteunt? Nee, want bij mijn broer, bij mij en bij vele anderen leidt deze uitleg alleen tot veel gepuzzel en intellectuele discussies (op zijn best) en tot bezorgdheid en angst (veel vaker). De uitleg was zo letterlijk omdat er in Openbaring ergens letterlijk staat dat het gaat om profetie - en dus moet het hele boek in de eerste plaats als toekomstvoorspelling worden uitgelegd.
Toen mijn broer dit vertelde, kon ik het niet nalaten een diepe zucht te slaken. Had deze broeder niet geleerd hoe hij een verhaal moest lezen? Als hij de Donald Duck doorbladerde, geloofde hij dan ook dat er ergens een echte pratende eend moest zijn? Maar (huiver) dit is niet eens zo vergezocht. Want toen de christelijke roman The Shack (De uitnodiging) verscheen, waarin een man die met verdriet worstelt de drie personen van de drie-eenheid ontmoet, waren er mensen die in de bergen van Oregon naar de bewuste schuur gingen zoeken. En op internetfora zeide ze dat ze de boodschap van The Shack  niet konden aanemen als het verhaal niet echt gebeurd was, als de hoofdpersoon niet werkelijk God de vader ontmoet had. Het was voor hen kennelijk niet mogelijk te accepteren dat de schrijver wel degelijk dingen had geleerd in zijn wandel met god en die nu in de vorm van een verhaal had opgeschreven. Net zo zijn er christenen die de Harry Potter-boeken letterlijk lezen en geloven dat kinderen heksen of tovenaars zullen worden als ze de boeken en films tot zich nemen. En jaren daarvoor verschenen er zelfs in gerenommeerde bladen als de Visie (van de EO) artikelen als zou The Lion King van Disney gevaarlijk zijn omdat er New Age-gedachten in zouden schuilen.

Het lijkt erop alsof deze christenen niet in staat zijn om een verhaal te lezen als een verhaal, en niet kunnen accepteren dat de boodschap van een verhaal, wat een verhaal met iemand doet, niet via een letterlijke lezing gegrepen kan worden, maar zich op een ander niveau afspeelt. Kinderen willen helemaal geen tovenaars worden, ze willen moedig en heldhaftig zijn als Harry, of goede vrienden als Ron, of leergierig als Hermione. Ze lezen de boeken niet als een handboek ‘hoe wordt ik heks’. Zelfs mensen die zich bezighouden met Wicca geven aan dat de Harry Potter-serie niks met hekserij van doen heeft. Maar toch houden deze christenen angstvallig aan hun letterlijke interpretatie vast. Ze zijn bang iets kwijt te raken als ze bijvoorbeeld Genesis of Openbaring niet langer als letterlijke geschiedschrijving of toekomstvoorspelling lezen. En dat terwijl deze teksten als geschiedschrijving of toekomstvoorspelling niet eens mensen spiritueel veranderen of dichter bij God brengen. Het gaat om feiten waaraan moet worden vastgehouden. En ik bedacht me dat hier een connectie lag met de transactionele manier van in het leven staan.
Ten eerste denken deze mensen namelijk zwart/wit, alles-of-niets, letterlijk, omdat het daarmee makkelijker is de precieze voorwaarden te kennen waar we aan moeten voldoen om Gods goedkeuring te winnen. Zo lang mag iemands haar zijn, en zo veel zou iemand in de collecte moeten doen. En bovendien zijn zo de eisen waar ze de moraal en gerechtigheid van andere mensen mee kunnen afmeten lekker duidelijk. Geen ambivalentie: iemand die van mensen van hetzelfde geslacht houdt is een Sodomiet, iemand die graag boeken leest vlucht uit de realiteit. Maar bovendien verwachten ze iets terug voor de letterlijkheid en het zwart/wit-denken zelf. Het is voor hen een prestatie (daarom dat mensen die de bijbel niet langer letterlijk lezen als ‘minder goede christenen’ worden gezien, of als zwakker in het geloof) die hen Gods waardering moet opleveren. Ze zien zichzelf als beter of moreel zuiverder omdat ze nog wel kunnen geloven dat de Aarde in zes dagen geschapen is. En argumenten daartegen raken hen daarom niet alleen in hun denkbeelden, maar in hun identiteit, hun idee van iemand die genoeg doet of gelooft om Gods liefde waard te zijn.
Maar in werkelijkheid verarmt deze manier van denken ze enorm. En niet alleen omdat ze zichzelf afsnijden van een groot deel van de menselijke cultuur. Ook hun spirituele leven raakt verarmd. De inhoud ervan verdwijnt namelijk. Het wordt gereduceerd tot woorden, het zwart en wit van letters op papier. Woorden die alleen belangrijk zijn in hun letterlijkheid, maar niet om hun betekenis, niet om waar ze naar verwijzen. Sterker nog: waar woorden naar verwijzen telt helemaal niet meer. Ik heb vaak genoeg mensen horen zeggen: ‘Ja, er staat dat God liefde is. Maar Gods liefde is heel anders dan menselijke liefde. God kan liefde zijn en tegelijk mensen in de hel martelen.’ Het woord liefde heeft geen inhoud meer. En dus gaan deze mensen van alles alleen de oppervlakte zien. Van God (alleen als rechter), en andere mensen (die ze oordelen) en zichzelf (als zondaars of heiligen).
Echte heiligheid, goedheid en liefde, van schoonheid, rechtvaardigheid en verlangen kennen ze niet meer van binnenuit, en kunnen ze dus ook niet meer uitleven. Lees bijvoorbeeld wat katholieke blogger Steven Greydanus schrijft over het belang van kerkinrichting: “A spartan, IKEA-style worship space conveys no sense of history or tradition, of grandeur, drama or passion. It is practical, deracinated, bloodless, antiseptic. There is nothing to electrify the imagination, nothing to stir or unsettle the emotions. If you painted it white, it would look like the Church of Apple.” In de kerk waarin ik opgroeide, werd ook gezegd dat hoe de kerk er uitzag er niet toe deed. Kale kerkbanken, TL-verlichting. Het deed er niet toe. We hingen geen kruis in de kerk en geen afbeeldingen van Jezus. We zongen zelfs niet met muziekinstrumenten, want dat leidde alleen maar af. Maar ook het uitsluiten van schoonheid verandert het hart van mensen. “What about those raised in spartan IKEA-style churches, with blandly soothing music and genially anemic homilies? Will they produce artists inspired to create great art? More importantly, will their people be inspired to lead heroic, virtuous lives? And, if so, will it be because of those IKEA-style spartan spaces, or in spite of them?”

Ikzelf ben steeds meer geneigd te zeggen dat de vraag of iets ‘letterlijk’ waar is er helemaal niet toe doet. Niet dat het niet belangrijk is of Jezus uit de dood is opgestaan. Dat geloof ik zeker en vormt de kern van mijn geloof. Maar ik was er niet bij, en het is in de tijd ongelofelijk ver van mij verwijderd. Ik kan het op geen enkele manier bewijzen. Ik moet om het aan te nemen een geloofssprong maken. En dat doe ik omdat het verhaal op een andere manier voor mij belangrijk is dan vanwege haar letterlijkheid. Voor mij bevestigt het verhaal van Jezus’ opstanding dat het leven van de individuele mens, in deze wereld, in zichzelf waardevol en betekenisvol is. Zozeer dat God datgene wat dood is uit de dood opwekt. Dat geldt voor mij en voor de hele wereld als zodanig. En Jezus was van die opwekking de eerste vrucht, de voorbode. Dit is de kern van mijn overtuiging en daarom geloof ik in de opstanding van Jezus. Maar mijn geloof is dus niet gebaseerd op de letterlijkheid van het verhaal. Of een verhaal waar gebeurd is, is ook niet waar een verhaal om gaat. C.S. Lewis zegt in ‘God in the dock’ dat de lezer door verhalen in staat is “iets als werkelijkheid te ervaren wat anders slechts als een abstractie kan worden begrepen.” Dit gold ook voor het evangelie, zegt hij in The Pilgrims Regress: “Het moet worden begrepen door de verbeelding, niet door het intellect.”  Alistair MacGrath onderstreept: “The fundamental appeal of the Christian faith is imaginative, and is grasped through an apprehension of the panorama of reality that it offers.”
Het goede nieuws gaat over echte zaken, als waarheid (niet feitelijkheid, maar werkelijkheid), schoonheid, liefde - wat ons mensen maakt - en die zijn niet via het intellect of de rede te benaderen. Het feit dat The Lord of the Rings niet echt gebeurd is, maakt dus het diepe verlangen dat bij mij wordt opgewekt als ik het kijk, niet minder waardevol. De rilling die mij over de rug loopt als Gandalf in de films de elfenlanden beschrijft -“The grey rain curtain of this world rolls back and all turns to silver glass. And then you see it. White shores, and beyond, a far green country under a swift sunrise” - is niet betekenisloos. De diepe ontroering die ik voel bij sommige muziek, de hoop op herstel en genezing bij het kijken van een Pixar-film, het zijn allemaal echte zaken, echt belangrijk. Sterker nog, ook al is de aanleiding van deze verlangens een verhaal waarvan ik weet dat het niet echt gebeurd is, ze maken wel dat ik nog steeds in God geloof. Als ik in mijn hart gegrepen word door schoonheid en betekenis, voel ik dat namelijk als een diepe aanraking, en ik weet op de een of andere manier zeker dat schoonheid, waarheid, en liefde echt moeten zijn. Dat ze de basis moeten vormen van de werkelijkheid. Dat de betekenis van mijn leven hierin te vinden is. En dat er dus ook een betekenisgever moet zijn: God, de bron van alle waarheid, schoonheid en intimiteit. En op dezelfde plek in mijn hart ervaar ik soms iets van Gods aanwezigheid. Niet vaak, maar soms voel ik hem. En soms hoor ik hem zelfs. En dan vertelt hij dat hij van me houdt, en dat ik niets kan doen waardoor ik die liefde zou kunnen kwijtraken. Hij zegt me dat ik door hem wordt gedragen en dat zijn liefde werkelijk onvoorwaardelijk is. Dit is hoe God zich aan mij openbaart. En dat is voor mij de toetssteen.
Ik herken deze stem namelijk in wat andere mystieke schrijvers zeggen. In de woorden van Julian of Norwich bijvoorbeeld: “All shall be well, and all shall be well and all manner of thing shall be well” en “God loved us before he made us; and his love has never diminished and never shall.” Niet alleen in het christelijke geloof, maar ook daarbuiten, komt de mystiek uit op deze laag: een werkelijkheid die er al is, en die op geen enkele manier van ons afhankelijk is. Een werkelijkheid die hooguit nog niet op alle momenten zichtbaar is. Kortom, een sacramentele werkelijkheid.

Ik vond ook hiervan een illustratie in Tron Legacy! De jonge vrouw Quorra leeft in de computerwereld. Ze is een van de ISO’s. Kevin Flynn heeft haar verteld over de echte wereld, waar hij vandaan komt, en daar is ze naar gaan verlangen. Ze verlangt bijvoorbeeld naar het zien van de zonsopgang. In de wereld in de computer is namelijk geen zon. De hemel is altijd donker en het kleurenpalet is ook vrij eentonig. Ze vraagt Sam om een zonsopgang te beschrijven. Hij kan het niet, want ze kan zich geen voorstelling maken bij de woorden die hij gebruikt. In de verte schijnt een licht door de wolken. “Zo heb ik me altijd een zonsopgang voorgesteld”, zegt Quorra. In dat licht (dat wordt voortgebracht door de poort tussen de computerwereld en onze wereld, dat dus als sacrament fungeert) ziet Sam ook iets terug van de zon, maar tegelijk is het veel minder kleurrijk en statischer dan de zonsopgang, die hij alleen kan omschrijven als “warm, radiant and beautiful.” Als Quorra zou gaan denken dat het licht in de wolken een ‘letterlijk’ beeld is van de zonsopgang, zou ze er een veel te klein beeld van hebben, en de zonsopgang te kort doen. Ze zou wellicht ophouden met zoeken. Maar het verlangen dat het licht in de wolken in haar oproept, naar iets dat groter en echter is, is wel echt. Het doet haar zoeken naar datgene dat het verlangen in haar hart kan vullen: de echte zonsopgang. Die niet letterlijk beschreven kan worden, alleen maar kan worden ervaren. 
De belangrijkste plek waar de werkelijkheid van onder alle dingen zichtbaar wordt is Jezus ('de uitstraling van Gods heerlijkheid', volgens Hebreeen). Een andere is de bijbel (als sacrament een poort tussen werelden?). Maar we kunnen de werkelijkheid niet zien als we de bijbel lezen als een spoorboekje, of als een wetenschappelijke verhandeling. Niet als we erover discussiëren op zoek naar de ‘juiste interpretatie’. Dan zijn we namelijk transactioneel bezig, dan maken we er een prestatie van. We moeten geen moment de vergissing begaan om te denken dat de bijbel de waarheid zelf is. De waarheid zelf is dieper dan de werkelijkheid, te groot om in woorden gevangen te worden. Maar de bijbel kan er iets van zichtbaar maken. Als we de bijbel zichzelf laten zijn en oog hebben voor het verhaal dat erin wordt verteld, kan hij ons op dezelfde plek en in dezelfde verlangens raken als The Lord of the Rings. Dan kunnen we God ontmoeten. Het enige wat we hoeven doen, is wat we doen als we een film kijken, of een boek lezen, of muziek luisteren. Wat we doen als we naar een vriend luisteren, of naar God. We stellen ons ervoor open. En laten we hier geen geestelijke prestatie van maken, of vergelijken hoe vaak we de bijbel van kaft tot kaft hebben doorgelezen. De werkelijkheid waar de bijbel een sacrament van is, wordt niet veranderd en blijft altijd bestaan, of we de bijbel nu lezen of niet. We zijn geliefd en ongelofelijk waardevol. Of we de bijbel wel of niet letterlijk nemen, verandert daar geen zier aan.

Wordt vervolgd …

zaterdag 13 juni 2015

Gedicht: Kunst

Kunst

Mijn handen moeten bouwen
blokkentorens, geel en rood.
De chaos op het tapijt
getransformeerd. Patronen
waar eerst het toeval heerste.
Ik moet met kleurpotloden
bladen vullen als antwoord
op hun ongestelde vraag
om leven. Ik moet de tuin 
bewerken. Haar omvormen 
tot het elfenland, mythisch domein.
Verbeelding maakt een speeltoestel 
tot een kasteel. Ik zie schoonheid
verlegen wachten achter 
de façade. Niet gezien 
tot ikzelf haar openbaar,
anders verloren. Dit is
voor altijd mijn lot, mijn vloek:
te weten dat wat ik niet schep
nooit zal bestaan en dat ik
niet heel zal zijn tot alles is.

zondag 31 mei 2015

Filmbespreking: Twee toekomstperspectieven (2): Mad Max Fury Road

Dit is een wat onconventionele filmbespreking, aangezien ze zowel de film uit de titel behandelt, als de film die in deel 1 werd ge-analyseerd, project T. Niet alleen is het dus handig om dat artikel te lezen voordat je aan deze bent, ook heb je dit artikel nodig om al mijn ideeën over de eerste film mee te krijgen. Maar ik vond de films te goed op elkaar reageren om ze niet te combineren. Vooral vanwege de filmposters voor ‘ToxiCosmos 3’, die herhaaldelijk terugkeren in project T, en die bedoeld lijken als parodie op de Mad Max-films. Waarvan er nu dus ook een in de bioscoop draait: Mad Max Fury Road.
En deze is eigenlijk net zo zeer vernieuwend voor het genre als Project T. Niet vanwege het verhaal op zich, dat erg lijkt op dat van eerdere Mad Max-films en dergelijke verhalen. In deze film wordt deze overeenkomst echter een kracht, aangezien het een mythisch aspect geeft aan de gebeurtenissen. Wat vooral vernieuwend is, is dat een regisseur van 70, en een cameraman van 72, laten zien dat een film niet hoeft mee te doen met de mode of de trends van onze tijd, maar dat kwaliteit zich altijd onderscheidt. Dat het niet computereffecten, flitsende montage of ironie is dat een film een succes maakt, maar de kracht van het verhaal, overzichtelijke actie waarin echt iets op het spel staat en personen met wie je kunt meeleven. Er is een volledige analyse te schrijven hoe deze film laat zien dat we als mensen uiteindelijk willen engageren met echte werelden en dat computereffecten ons toch te veel op afstand houden. We zijn wezens van de tastbare werkelijkheid en niet van de abstracte wereld van de ideeën. En bovendien is de film gewoon geweldig gemaakt, vol fantastische ideeën, zoals de ronkende gitarist die de auto’s begeleidt. De filmmaker gelooft in zijn wereld, en dat spat er van af. Dat ook begeleidt door on-ironische epische muziek, en de combinatie is een glorieus filmspektakel dat mij in elk geval er weer aan herinnerde waarom ik films zo gaaf vind. En met name post-apocalyptische films.

Want de film speelt zich af na een serie van wereldomvattende rampen. Daarbij zijn de olievoorraden verdwenen, is het water opgeraakt, en zijn vrouwen onvruchtbaar geworden. In een uitgestrekt woestijnlandschap houden groepen mensen zich nog in leven, onder andere in de Citadel. Immortan Joe deelt daar de lakens (of beter: het water) uit. Hij is degene die de kraan kan opendraaien en controleert dus het leven van de mensen onder hem. Hij beheerst bovendien hun toekomst, want hij presenteert zich als een godheid, die zijn trouwe onderdanen een plek op de eeuwige snelwegen kan garanderen. Hij vindt het dan ook niet meer dan logisch dat hij over het leven van vijf vrouwen kan heersen, die hem gezonde nakomelingen moeten schenken. Zij denken er echter anders over, en spannen samen met Imperator Furiosa - die zelf ook een appeltje te schillen heeft met Immortan Joe. Als ze proberen te ontsnappen, komt er een achtervolging op gang. Een van de volgwagens voert een gemuilkorfde man met zich mee als levend infuus voor de chauffeur. Deze man is Max, en hij is op z’n zachtst gezegd niet blij met hoe hij wordt behandeld. Als zijn bewakers hun aandacht laten verslappen, grijpt hij zijn kans …

Ik houd van zowel rampenfilms als post-apocalyptische films. Ze lijken misschien op elkaar, maar er zit een belangrijk verschil tussen. Rampenfilms spelen zich af terwijl de wereld (of het schip, of de wolkenkrabber) vergaat. De hoofdpersonen hebben maar een doel, namelijk proberen te overleven. En als kijker stel ik mezelf de vraag: zou ik in deze omstandigheden overleven? Zou ik zo snel kunnen reageren als de hoofdpersonen, beschik ik over dezelfde vaardigheden, en zou ik iemand anders kunnen laten omkomen als ik zo mijn leven zou kunnen beschermen? De crisis die wij allemaal bijna dagelijks ervaren (hoe overleven we de dagelijkse ‘rat race’ en de uitdagingen waar we thuis of in de kerk voor staan) wordt in zo’n film op scherp gezet, en dat heeft een cathartisch effect. Toen ik erover nadacht, realiseerde ik me dat Project T eigenlijk een rampenfilm is, een waarin onze wereld bezig is te vergaan (er worden beelden getoond van overstromingen, atoomontploffingen, verlaten steden). De vraag die de hoofdpersoon zich stelt is hoe het valt te repareren. Hoe kan de mensheid overleven? Het is in essentie een mechanische vraag, die een mechanisch antwoord krijgt: als we er met voldoende optimisme hard aan werken krijgen we de wereld wel weer draaiend.
Dat is echter wat anders dan een post-apocalyptische film. Daarin zijn de overlevers al gescheiden van de verliezers. Iedereen die we zien heeft de beproeving doorstaan, heeft zichzelf dus bewezen. De crisis is voorbij, of anders gezegd: de crisis is de nieuwe werkelijkheid geworden. En de vraag is dus niet: hoe overleef ik, maar: hoe word ik van een overlevende weer een mens?

Hier begint het verhaal van Mad Max, die zichzelf in de opening van de film beschrijft als ‘A man reduced to a single instinct: to survive’. De mindset van de karakters uit Project T is zijn hele wereld geworden. Hij is zijn menselijkheid kwijtgeraakt om te kunnen blijven bestaan. Zelfs zijn naam lijkt van hem te zijn weggesleten. Anderen zijn bereid hun medemensen hun menselijkheid te ontnemen. Immortan Joe behandelt vrouwen als fokkoeien en als melkmachines, en Max zelf dient als levend infuus. Hiervoor wordt technologie gebruikt. Maar ook religie wordt toegepast om mensen te reduceren tot minder dan personen (zeg maar: als een techniek). Dit geldt voor de ‘war boys’ die een chromen hemel voorgespiegeld krijgen en vervolgens bereid zijn zich op te offeren als kanonnenvoer. En voor de populatie onderaan de citadel, die af en toe water over zich krijgen uitgestort. Maar Immortan Joe waarschuwt hen dat ze niet verslaafd moeten raken aan water, anders zouden ze de afwezigheid ervan niet kunnen verdragen. Het is een eerste levensbehoefte! Geen verslaving! Zo werken instituten. Fascinerend is dat Immortan Joe hier lijkt op de optimistische technologen van Project T: hij heeft installaties om groenten en fruit te kweken, techniek om water op te pompen, auto’s … Als van techniek en innovatie de oplossing wordt verwacht, is dit waar het toe kan leiden.
Furiosa, de vijf vrouwen en Max vluchten naar ‘het groene land’ en ‘het volk van de vele moeders’ - opnieuw een andere wereld waar de oplossing moet liggen. Een ander instituut dat het eerste moet vervangen. Maar -dit las ik in een erg goede recensie van de Washington Post- de hoop ligt niet in een instituut. De droom blijkt te vervliegen. Van deze ideale samenleving is niks over dan een groepje (opnieuw) overlevers. ‘As with many of its pop cultural cousins “Mad Max” is thoroughly postmodern. Oppression, we believe, is not countered and defeated by a stronger alternative religion. There’s no better regime.’

We zijn ons naïeve jaren ’60 optimisme kwijtgeraakt, en mijns inziens terecht. Hoop komt niet van nog meer organisatie, nog meer inspanning, nog meer ‘schouders eronder en doorzetten’. Maar waarvan dan wel? ‘We find meaning in small, humanizing interactions between individuals,’, schrijft The Washington Post, ‘not within institutional structures. That might look like Max choosing to take care of others, or it might look like former sex slaves and regime hacks discovering their humanity in small acts of kindness.’ In plaats van een ander instituut op te zoeken of zelf op te richten, een alternatief dat waarschijnlijk in dezelfde valkuilen zou vallen als de Citadel, besluit de groep terug te keren. Terug te gaan naar de plek die ze probeerden te ontvluchten. Met als doel om op die plek aanwezig te zijn. Niet om van anderen te nemen, maar om te geven. Furiosa, Max en de overlevenden van het ‘volk van de vele moeders’ kiezen ervoor waarde toe te kennen aan zaden die de rampen hebben overleefd, aan jonge vrouwen die zich niet langer als vee wilden laten behandelen, aan een ‘war boy’ die zijn wereld heeft zien instorten. Ze besluiten die ook als waardevol te behandelen, ook als het hun hun eigen bloed, hun eigen leven zou kosten. Aan het eind van de film kiest Max er daarom voor zijn bloed te geven aan een ander die op sterven ligt. Niet gedwongen, maar uit eigen beweging. En deze keuze geeft hem zijn identiteit terug. Dan noemt hij zijn volledige naam. Hij is weer een mens.
Vergelijk dit maar eens met de climax van Project T. In die film heeft Frank Walkers karakter veel parallellen met Mad Max: ook hij is een gedesillusioneerde man die zichzelf heeft gebarricadeerd en zelfs intermenselijk contact heeft opgeofferd om zijn eigen overleving veilig te stellen. Ook bij hem ligt een nare ervaring uit het verleden daarbij aan de wortel. En ook hij moet in de loop van het verhaal zich weer met de echte wereld en echte mensen gaan bezighouden. Maar Frank offert aan het einde niet zichzelf op. Het is het robotmeisje Athena dat zich opoffert, en dat hij vervolgens in een installatie laat vallen om die op te blazen. Nogal een verschil, en het illustreert waarom volgens mij Project T minder hoopvol is dan Mad Max. Want Frank heeft met iemand anders’ leven betaalt om de wereld en zichzelf te laten overleven. En ook al overleeft de wereld, de vraag is of hij daardoor menselijker is geworden.

Ik moest bij het peinzen over deze twee films denken aan het essay ‘Learning in War Time’ van C.S. Lewis. Hij schreef dit in de tweede wereldoorlog. Studenten aan de universiteit waren onrustig aan het worden. Ze meenden dat de enige betekenisvolle activiteit, was naar het front te gaan en daar te strijden. Literatuur bestuderen, aan techniek werken, wetenschap bewerken, dat zagen ze als vlucht van de werkelijkheid. Hoe konden ze het veroorloven daarmee bezig te zijn, als aan de overzijde van het kanaal mensen op leven en dood vochten? ‘How can you be so frivolous and selfish as to think of anything but the War?’ - hij trekt het zelfs breder: hoe kun je met kunst en wetenschap bezig zijn, als er mensen om je heen naar de hel gaan? Maar hij wijst erop dat de bijbel zegt: ‘Of u nu eet of drinkt, doet alles ter ere van God’. En dan zegt hij dat dit betekent dat ‘Christianity does not simply replace our natural life and substitute a new one: it is rather a new organisation that exploits, to its own supernatural ends, these natural materials.’ Het is een vernieuwing van het hart, niet van de vorm. De techniek en bronnen van de citadel in dienst van opoffering in plaats van exploitatie. Het doel is niet het overleven, maar het waarde toekennen aan andere mensen, aan de wereld om ons heen, om die te zien door de ogen van God en ze lief te hebben zoals God ze liefheeft. Dus zegt Lewis: ‘We can therefore pursue knowledge as such, and beauty as such, in the sure confidence that by so doing we are either advancing to the vision of God ourselves or indirecty helping others to do so. Humility no less than the appetite, encourages us to concentrate simply on the knowledge or the beauty, not too much concerning ourselves with their ultimate relevance to the vision of God.’ Ons doel is niet te overleven, want of we overleven of niet hebben we niet zelf in de hand. Het is om mens te zijn en lief te hebben. En te vertrouwen op God. Want wij zijn het niet die onszelf verlossen door de witte of de zwarte hond te eten te geven. Het is God die de witte hond doet overwinnen en ons en onze wereld zo’n waarde toekent dat hij ze uit de dood doet opstaan.
In het einde van Project T komen mensen in beeld die met kunst bezig zijn, met onderzoek, het het beschermen van diersoorten. Mensen die andere mensen, dieren, kunst, techniek, zien als waardevol. Zij krijgen een speldje waardoor ze naar de andere wereld worden gebracht. Maar dat was helemaal niet nodig geweest! Want omdat ze de wereld zagen als waardevol, en zich daarvoor inzetten, deden ze al alles wat nodig was. Ze waren niet afhankelijk van de organisatie van ‘Plus Ultra’. Sterker nog: nu werden ze weggenomen uit hun omgeving waar ze zich zo voor inspanden, voor het versterken van een andere organisatie. Weliswaar om uiteindelijk de wereld te redden, maar wat de film niet genoeg duidelijk maakt, is dat dat al was wat ze aan het doen waren! Ze gaven al van zichzelf, hun eigen bloed, om wat waardevol is te beschermen. Meer wordt niet van ons gevraagd.

Ik ga dus door met het schrijven van allebei de soorten verhalen: utopisch en dystopisch. Utopische verhalen waarin blijkt dat een perfecte organisatie en utopie soms kan zorgen dat mensen uit het oog verliezen wat werkelijk waardevol is, en zo minder zichzelf zijn. Dystopische verhalen waarin blijkt dat zolang mensen oog houden voor wat werkelijk waardevol is, zelfs de meest onmenselijke omstandigheden hen hun menselijkheid niet kunnen afnemen. We hebben beide boodschappen heel hard nodig.

zondag 7 september 2014

Gedicht: Reünie

Reünie

We schuiven aan, eerst nog onwennig.
Welke naam hoort er bij welk gezicht?
Was jij niet die? Waar zat je toen?
Dan verschijnt het drinken. Vrolijkheid.
De opluchting de ander nog te zien
in lichte ogen, onaangetast,
en weten dat ook jij ondanks de jaren
bent wie je toen was en wordt herkend.
Snel volgen de verhalen, brengen licht
in stoffige herinneringen.
Het was geen paradijs, gewoon
leven zonder opsmuk. Menselijk,
maar goed, zoals de wijn, de vis.
En sommigen hebben pijn gehad
zonder dat jij het wist. Een stilte valt.
Tot een grap van toen ook hen doet lachen.
Anderen lijden nu, of doen gewoon hun werk,
lachen vrij om dromen ooit gekoesterd
van succes, tevreden met te zijn
van dag tot dag want het is zo fragiel.
IJs smelt op witte schalen, we raken
in elkaars geheim verstrikt. Tijd vliegt.
De knoop moet weer uiteengerafeld,
uit het licht stap je opnieuw de wereld in,
voldaan van meer dan voedsel. Je ziel
heeft zich gelaafd aan werkelijkheid.

zondag 29 juni 2014

Filmbespreking: The Double

Al een paar jaar houd ik me graag bezig met de persoonlijkheidstypetheorie, met name die gebaseerd op Jung, de Myers-Briggs Type Indicator (MBTI). Anderen geven de voorkeur aan de ‘big five’, omdat er meer wetenschappelijke ondersteuning voor zou gaan, weer anderen vinden MBTI de ‘astrologie voor hoog opgeleiden’. Natuurlijk is ieder mens verschillend en schiet elk netwerk dat je over de menige probeert te leggen tekort. Niemand is volledig een bepaald persoonlijkheidstype, en een persoonlijkheidstype kan niet iemands hele identiteit beschrijven. Een individu is niet zijn ‘persoonlijkheidstype’. Maar een persoonlijkheidstypetheorie en de beschrijvingen die erbij horen, kunnen wel dienen als metafoor om te praten over jezelf, hoe je informatie verwerkt en keuzes maakt, en op welke manieren je verschilt van je omgeving (of mensen in je omgeving van jou). Mij heeft de MBTI in elk geval geholpen bij mijn zelfacceptatie (ik ben niet de enige die Introvert is, Intuitief, Gevoelskeuzes maakt (Feeling) en processen graag afsluit (Judging)). Dit systeem hielp me ook bij het begrijpen dat anderen niet hetzelfde op situaties reageren als ik (bijvoorbeeld omdat ze Extrovert zijn, graag Concreet bezig zijn (Sensing), rationeel blijven (Thinking), en graag open eindes open houden (Perceiving)).
Deze filmbespreking heeft niet tot doel je over te halen ook MBTI te gaan toepassen. Al was het alleen maar omdat Dostoyevsky in de negentiende eeuw natuurlijk niet had gehoord van de MBTI, en deze film is op een van zijn novelles gebaseerd. Maar een aspect van de MBTI hielp me wel de film beter te begrijpen. En dat is het fenomeen van de ‘verborgen persoonlijkheid’ of de 'schaduw', die tevoorschijn komt onder stress. De MBTI postuleert namelijk een rangorde van ‘functies’ die we bij voorkeur gebruiken. Ikzelf gebruik bijvoorbeeld graag als eerste Introverted Intuition - mijn intuitie, die naar binnen is gericht, en bezig is met het vormen van een netwerk van associaties. Op de tweede plek komt de Extroverted Feeling,  mijn waarden die ik afmeet aan de omgeving, dus hoe reageren anderen op wat ik zeg, hoe voelen anderen zich in een situatie? Dan volgt Introverted Thinking - die zich bezig houdt met ordening en logische argumenten - de derde functie, dus die is minder belangrijk voor me. De vierde functie is zelfs bijna geheel onbewust: de Extroverted Sensing - mijn gerichtheid op het waarnemen van mijn omgeving, het bezig zijn met concrete resultaten.
Wat gebeurt er nu ten tijde van stress? Dan word ik verleid om mijn vierde functie tot mijn primaire functie te maken. Ik word verleid om me te laten leiden door Extroverted Sensing, het behalen van resultaten, mijn eigenwaarde te laten afhangen van mijn prestaties en me te vergelijken met de concrete verworvenheden van anderen. En dan het denken, dan mijn waarden en als laatste mijn intuïtie. Dit is de functievolgorde van de ESTP - het totale tegenovergestelde van de INFJ die ik ben in normalen doen. Het duidelijkst werd deze ‘verborgen persoonlijkheid’ voor mij in de periode voor mijn overspannenheid, toen ik dacht dat ik elke dag een bepaald aantal hoofdstukken uit de bijbel moest lezen en anderen moest overtroeven met mijn Bijbelkennis. Ik dacht dat ik mijn plek moest verwerven als Bijbelleraar en dat mijn waarde afhing van het concrete resultaat van het schrijven van boeken en artikelen. Ik was zelfs bereid kritiek te hebben op anderen en ze af te wijzen als dat mij verder zou helpen. En ik luisterde niet naar mijn intuïtie, die op de achtergrond fluisterde dat het niet kon kloppen wat ik geloofde, maar vormde steeds complexere theorieën om mijn eigen gelijk te kunnen houden.
Even terzijde: ik weet van iemand die zich identificeert met het ENFP-type (extravert, levenslustig, spontaan, vol ideeën), dat die zich in periodes van stress liet verleiden tot een leven als ISTJ (stil, teruggetrokken, zich aan de regeltjes houdend, braaf). En een ESTP die zich vertoont als INFJ en allerlei vergezochte theorieën spuit, en zichzelf slimmer vindt dan Einstein. Let wel: het gaat om ‘valse vormen’ van deze persoonlijkheidstypen. Er is niks mis met een ESTP, maar wel iets met een INFJ die zich als ESTP gedraagt. Ik werd er doodmoe van, ongelukkig en uiteindelijk overspannen. Maar ik wist niet wat ik anders kon, dit was namelijk de enige manier die ik kende om met de situatie om te gaan waarin ik me bevond. Ik zag geen uitweg.

Dat was waarom ik zo geraakt werd door de film The Double, die heel scherp in beeld brengt hoe de ‘verborgen persoonlijkheid’ of 'schaduw' zich manifesteert, hoe we door daaraan toe te geven uiteindelijk verder weg van huis raken, en wat de weg uit deze gebondenheid is - een weg die ik ook heb doorgemaakt. Een weg van dood en opstanding, in plaats van harder werken. De hoofdpersoon van deze film is Simon James, een bescheiden jonge man met een saaie, beperkende kantoorbaan, die verliefde is op het meisje bij de kopieerafdeling, maar haar niet mee uit durft te vragen. Op een dag komt er een nieuwe werknemer op het kantoor, ene James Simon, die er precies uitziet als Simon. Maar niet verlegen is. Hij maakt zich geliefd bij de directeur (die eerst niet eens wist dat Simon voor hem werkte) en begint zelfs te daten met het meisje op wie Simon een oogje had. Simons leven wordt door deze James overgenomen, tot hij zelf eigenlijk maar beter niet kan bestaan. Het lijkt alsof hij onherroepelijk de kant op wordt gedreven van zelfmoord.

Deze korte omschrijving maakt al wel duidelijk: dit is stevige kost. Op sommige websites wordt de film geschaard onder ‘komedie’, maar dat is echt niet de juiste kwalificatie. Wat deze film wel is, is een geslaagde verfilming van Dostoyevsky. Ik heb de oorspronkelijke novelle niet gelezen, maar wel Crime and Punishment - en de sfeer van deze film was precies die van dat boek: dezelfde combinatie van een uitvergrootte grimmige omgeving, die de innerlijke wereld van de hoofdpersoon weerkaatste, het licht koortsachtige gevoel dat van elke pagina afdroop, en de wrange humoristische situaties en terzijdes, die het gevoel van onbehagen niet opheffen maar juist versterken. Ik heb bij het lezen van Dostoyevsky nooit het idee dat het Rusland dat hij beschrijft overeenkomt met hoe Rusland werkelijk was - maar wel dat het iets uitdrukt over hoe hij Rusland ervaart. De man was voor het vuurpeloton weggeroepen met genade op het laatste moment - geen wonder dat hij het leven door een wat absurdistische bril beziet. De wereld in deze film is een grimmige uitvergroting, vol schaduwen en spiegelbeelden (thematisch terecht), met daarin goed acterende hoofdpersonen (inclusief Wallace Shawn, bekend uit The Princess Bride). Bizarre Japanse popmuziek (wat weer toevoegt aan de eigenheid van de gefilmde wereld), en Kafkaiaanse bureaucratie (maar ook Dostoyevsky was niet zo van de bureaucratie). Ik kwam in elk geval enthousiast pratend en filosoferend de bioscoopzaal uit, wat voor mij altijd een goed teken is! Ik kan de film van harte aanbevelen, maar wees wel voorbereid op een aangrijpende filmervaring.

De film begint als Simon in de metro wordt aangesproken door iemand van wie we het gezicht niet zien. Hij zegt: ‘Je zit op mijn plek’, maar er is verder niemand. Toch maakt Simon plaats. We zien zijn gezicht half in de schaduw zodat alleen zijn ene oog zichtbaar is. Hij beweegt zijn hand voor zijn gezicht langs, en we zien alleen zijn andere oog. En met dat oog ziet hij zijn collega Hannah, het meisje op wie hij al een tijdje een oogje heeft. Eigenlijk maakt deze eerste scene de verbinding duidelijk met de ‘verborgen persoonlijkheid’ zoals ik die ken uit de MBTI - dit is een persoon met twee kanten. Dat wordt overigens ook al gesuggereerd door de Bijbelse connotaties van zijn naam. Simon was de eerste discipel die Jezus erkende in zijn identiteit als de messias, maar tegelijk was hij degene die Jezus verloochende. Hij stapte de boot uit op grond van geloof, maar zonk in de zee toen hij om zich heen keek.
Simon zelf lijkt heel veel op een INFJ. Maar hij leeft in een wereld die voor gevoelige, intuïtieve mensen geen veilige plaats is, een wereld die hun sterke kanten niet waardeert en hen tot status van onzichtbaren degradeert. Zijn eigen moeder lijkt hem te minachten. En hierdoor is Simon ook negatief over zichzelf gaan denken. Hij kijkt van buiten naar zichzelf, en dan ziet hij niets van waarde, alsof hij alleen maar ruimte in beslag neemt. Hij bereikt niet wat hij wil, en laat geen indruk achter in de wereld. Wat is dan nog de betekenis van zijn leven? Dat soort existentiële vragen ken ik wel - ik vroeg me dat soort dingen ook vaak af. Simon kijkt op TV naar een soort sciencefictionserie. Daar ziet hij het verhaal van een held, die met een lasergeweer en een oneliner voor zijn eigen zaak opkomt en de overhand behaalt. Dit is het verhaal van de cultuur, het verhaal van de durfal. De brutale die de halve wereld heeft. Degene die zich houdt aan de ‘Seven habits of succesful people’. De winnaar, die voldoet aan alle ongeschreven idealen. Over de idealen van de wereld en de methoden om die te bereiken, kunnen we elke dag leven in de treinkrantjes, en horen in de reclames op de TV. En Simon wordt erdoor verleid. Als hijzelf zoals hij is geen waarde heeft, en niet wordt gewaardeerd, dan is het zaak om iemand anders te zijn. Iemand als James. Iemand die slijmt bij de baas, gewaagde grappen vertelt, en een promotie krijgt. Iemand die met zijn vuist op tafel slaat in het café en krijgt waar hij om vraagt. Iemand die zich houdt aan ‘the game’ als een volleerd ‘pick up artist’ en vrouwen voor zich kan winnen bij de vleet, door op hun onzekerheid in te spelen. Een parodie van een ESTP dus. (En de Bijbelse connectie? De broer van Jezus, Jacobus, geloofde niet dat Jezus de messias of de zoon van God was).
Simon en James gaan samenwerken, maar het is geen samenwerking die voor Simon gunstig uitpakt. James wordt steeds meer oncontroleerbaar, en laat een spoor van vernieling achter in Simons leven. Tot Hannah van hem walgt en zijn baas hem ontslaat. Dit is wat er gebeurt als je toegeeft aan de verleiding. De verleiding krijgt de overhand over je leven. En als je dat krijgt wat je wilde, maar op de verkeerde manier, kun je er niet van genieten. De appel waarvan Eva at in het paradijs smaakte niet zo zoet als hij op het oog had geleken. En de belofte van kennis van goed en kwaad pakte ook anders uit dan verwacht. James is namelijk niet Simon, en zolang Simon toch als James probeert te leven, verliest hij zichzelf. Ik zei het al, ik heb het ook meegemaakt. Ik was succesvol in mijn studie, maar ook op christelijk gebied: ik sprak in de kerk, schreef in tijdschriften, en werd als wandelende concordantie gewaardeerd om mijn Bijbelkennis. De ‘valse persoonlijkheid’ was een succes! Maar deze ‘succesvolle Johan’ was ik niet. Ik ben een lezer en schrijver van fantasyverhalen, aquariumliefhebber en allround 'geek'. Dat aspect van mezelf raakte ik echter kwijt. Ik had mezelf verboden films te kijken, en ik schreef niet langer meer. En vervolgens raakte ik overspannen. Hetzelfde gebeurde toen ik eindelijk niet langer vrijgezel wilde blijven. Ik las op internet over daten en over ‘the game’, de manier waarop je als man meisjes voor je zou moeten winnen. Dezelfde tips geeft James in de film aan Simon: maak vrouwen onzeker, niet direct terugbellen, laat ze liever een paar dagen wachten ... Ik heb zelfs even geprobeerd om me eraan te houden, maar het voelde als nep. Het voelde niet echt. Stel dat iemand verliefd op mij zou worden als ik 'deed alsof', dan hield ze nog steeds niet van mij, zoals ik ben. Ik werd er dus alleen maar ongelukkiger van. Als dit was wat nodig was om een vrouw te vinden, kon ik beter accepteren vrijgezel te blijven. Anders zou ik mezelf kwijt raken. Maar dan moet je toegeven dat er dingen belangrijker zijn dan succes volgens de maatstaven van de wereld (religieus of in de liefde). Dan moet je bereid zijn daaraan te sterven.

In deze film wordt dit uiteindelijk prachtig in beeld gebracht. Op een gegeven moment staat Simon op het punt helemaal te verdwijnen, terwijl James de mensen om hem heen dramatisch beschadigt. En op dat dieptepunt maakt Simon de keuze om te accepteren wie hij is. Om de waarheid onder ogen te zien. Deze scene vindt plaats onder een neon kruis. Er is een graf. James is metaforisch begraven, en staat vervolgens weer op. De symboliek kan niet duidelijker zijn. Dit is het evangelie in een notendop. Dood en opstanding! Maar wat is er gestorven? Niet James. Nog niet. Het is Simon die is gestorven. Hij was al bijna niet meer bestaand. Maar ook dat heeft hij opgegeven. Hij heeft opgegeven te willen worden gezien. Hij heeft opgegeven succesvol te zijn volgens de maatstaven van de wereld. Hij wil geen liefdesrelatie als hij daarvoor ‘the game’ moet spelen. Dan maar ‘dood’ zijn volgens de andere mensen: saai, betekenisloos, niet inspirerend. Lees wat Robert Farrar Capon zegt in zijn meesterlijke boek Kingdom, Grace, Judgment: “Ik wil je vragen je rechterhand naar voren te houden, met de palm naar boven. je voor te stellen dat iemand er het ene na het andere prachtige geschenk in plaatst. Het mag alles zijn waar je van houdt - M&M’s, weekeindjes in Centerparks, het winnende lot uit de loterij, verliefd worden, volmaakte kinderen opvoeden, wijsheid, talent, een mooi gezicht en ook nog eens nederigheid - alles. Maar let nu op. Er zijn twee manieren waarop je hand op deze mooie dingen kan reageren. Hij kan erop reageren als een levende hand, en proberen het ene mooie geschenk dat zich er op een bepaald moment in bevindt vast te grijpen en het vast te blijven houden - en zich zo afsluiten van alle andere mogelijke geschenken. Of hij kan reageren als een dode hand. In dat geval zal hij gewoon stil blijven liggen, voortdurend open voor alle goede gaven die als in een dans komen of vertrekken.”
Dit is wat Simon doet. Hij klemt zijn hand niet langer om het ideaal van een succesvol leven, maar laat zijn greep erop sterven. Hij ‘leeft’ niet langer voor dat ideaal. Zo moest ik opgeven een ‘geestelijk christen’ te zijn, ik moest het verlangen opgeven te voldoen aan het ideaalbeeld van de kerk. Ik moest sterven aan mijn religieuze drijfveer. En ik moest sterven aan mijn verlangen succesvol te zijn in de liefde- ik bleef liever mezelf (inclusief verlegenheid en ernst) en vrijgezel dan een ‘player’ te worden. Maar vervolgens komt de opstanding: ik vond mijn plezier in het lezen van verhalen terug en begon weer te schrijven. En ik vond een vrouw die mij waardeert om mijn geeky karakter en om mijn ernst, en niet verwacht dat ik aan een cultureel ideaalbeeld van masculiniteit voldoe. En zo volgt ook voor Simon de opstanding. Die begint ermee dat hij James ter dood brengt: nu hij aan zijn ideaalbeeld is gestorven, kan ook de ‘verborgen persoonlijkheid’ bij het grof vuil. Hij wordt eerlijk, naar zijn werkgever en naar de vrouw van wie hij houdt - ook als hij dan opeens obsessief lijkt, of pathetisch. Eerlijk worden doet pijn. Maar Simon was al dood - dus kon hij ook eerlijk zijn: hij had de vervulling van zijn verlangens opgegeven, dus kon hij ook de manier om die vervulling tot stand te brengen opgeven. En in die eerlijkheid kon hij eindelijk beginnen te leven als een nieuwe mens. De houten pop wordt een echte jongen. Een individu, ‘redelijk uniek’. Hij kon eindelijk als mens omgaan met anderen, ook als die hem niet zouden zien staan. Hij kon toegeven dat hij van Hannah hield, zonder dat hij zich anders wilde voordoen dan hij was. Hij leefde, ook al was hij dood.
Veel krachtiger kun je de boodschap van het evangelie niet verwoord krijgen. Dit is goed nieuws, ook al is het een duistere film. Maar Jezus zei ook niet dat zijn boodschap er een was van cherubijnen en bloemetjes, van lammetjes en vrolijkheid. Het was er een van sterven aan jezelf en opnieuw geboren worden. Van de leegte van het graf en het bloed van het kraambed. Gritty, hard, en eerlijk. Maar juist daardoor uiteindelijk menselijk, oprecht en waardevol.

donderdag 8 augustus 2013

Mijn favoriete boeken (2): 15 tot 6

Verder met mijn top 25 van boeken, fictie en non-fictie, een natuurlijk volledig persoonlijke lijst gebaseerd op mijn eigen smaak en voorkeur. Dat maakt het net als bij de top 25 van films die ik vorige week plaatste erg interessant om te kijken of er rode lijnen zijn aan te wijzen in de boeken die mij sterk aanspreken of waarnaar ik vaak terug grijp (of hoop terug te grijpen). En ik begin die rode draden wel te ontwaren. Zo gaan veel van deze boeken over de overweldigende schoonheid en avontuurlijkheid van onze wereld (of van andere werelden - en dus over de onze, want Chesterton zou zeggen dat we lezen dat bladeren in sprookjes zwart zijn, zodat we ons erover te verwonderen dat ze in onze wereld groen zijn) en de betekenis van ons verlangen daarnaar. En daar tussendoor is een waarschuwende draad verweven, die wijst op de menselijke natuur die in de woorden van Lewis, eerder te weinig verlangt dan te veel, en in een modderpoel blijft zitten zandtaarten bakken terwijl hem een reis naar het strand is aangeboden.

15    The Complete Sherlock Holmes (Arthur Conan Doyle)
De verhalen over de meesterdetective (technisch gezien niet de eerste, maar wel de meest iconische) heb ik als kind meerdere malen verslonden. Maar anders dan bijvoorbeeld de boeken van Agatha Christie verliezen ze niet hun fascinatie als je weet hoe ze aflopen. Dat lijkt soms eerder een bijkomstigheid. De kracht ligt in de beeldende schrijfstijl, die ook meer dan honderd jaar na dato heerlijk weg leest en een soms beklemmend beeld van het victoriaanse Engeland oproept. Verder zijn er de goed verzonnen mysteries, met een zweem van het bovennatuurlijke en mystieke, waar altijd een rationele verklaring voor is (interessant, omdat Conan Doyle zelf wel in elfjes en waarzeggerij geloofde). En vooral de karakters, de sympathieke, bewogen dokter Watson, en de scherpzinnige, opmerkzame Sherlock Holmes, die lijkt te leven voor zijn werk, steeds op zoek is naar afleiding, maar als Watson in gevaar is, niet zonder zijn vriend blijkt te kunnen. Zijn voorbeelden van deductie zijn niet altijd even logisch, maar als je ze leest wel geloofwaardig, en hij bevat mooie innerlijke tegenstellingen.
Wie de verhalen heeft gelezen denkt Holmes echt te kennen. Vandaar dat er ook na de dood van Conan Doyle nog zo veel verhalen over de meesterdetective zijn geschreven, maar geen daarvan heeft hetzelfde niveau weten te bereiken. De verhalen van Conan Doyle over professor Challenger zijn ook geweldig. Opnieuw een intrigerend karakter, die een weg baant door een bijzondere wereld, in beeldende stijl opgeschreven. Ze zullen op mijn favorietenlijstje blijven staan.

14     Earthsea (Ursula LeGuin)
Op deze lijst ontbreken de boeken over Harry Potter, hoewel ik die erg leuk vond om te lezen en ook ga herlezen. Maar J.K. Rowling was niet de eerste die schreef over een school voor magie. En zij schreef beter, met een beter uitgedacht systeem van magie, in een fantastische wereld, met een donker karakter als hoofdpersoon, en een bedreiging niet van buitenaf maar van binnenuit de hoofdpersoon. De strijd van Ged met zijn schaduw, en de manier waarop hij zich (als was het de strijd tussen Scott Pilgrim en ‘Nega-Scott’) met zichzelf moet verzoenen waren voor mij in elk geval heel herkenbaar. Het is ook nog eens een behoorlijk dun boek, dat verscheen voordat fantasy in de jaren tachtig van de vorige eeuw opeens populair werd en lange series van boeken van duizend pagina’s de norm werden. Dit boek werd niet geschreven om op die populariteit mee te liften, maar omdat de auteur daadwerkelijk iets te zeggen had dat alleen op deze manier kon worden weergegeven. De vervolgdelen zijn ook erg goed, behandelen elk een ander thema, soms opvallend en verfrissend feministisch, en hebben een duidelijke metafysische laag. Goed om rustig te lezen en over na te denken.

13    Byzantium (Stephen Lawhead)
Schrijft Stephen Lawhead christelijke fantasy?, wilde een lezer weten. Op zijn website antwoordde Lawhead: ‘Ik ben christen. Ik ben schrijver. Soms schrijf ik fantasy.’ Die uitspraak is me altijd uitgebleven en die ben ik ook zelf gaan toepassen. Ik schrijf geen ‘christelijke fantasy’, maar ik schrijf zo goed als ik kan, en in wat ik schrijf zullen de thema’s die me bezig houden vanzelf een plek krijgen. Byzantium kreeg ik aangeraden van iemand op de studentenvereniging waar ik lid van was. Ik weet nog steeds als de dag van gisteren hoe ik op een maandag het boek in een dag uitlas. Ik las tijdens het ontbijt, tijdens de lunch, tijdens het avondeten, tot laat in de avond. Het liet me niet los en maakte me fan van Lawhead.
Dit boek heb ik sindsdien nog twee keer gelezen. Het is het verhaal van een Ierse monnik die met zijn collega’s rond het jaar 800 op weg gaat naar Byzantium om aan de keizer een kunstig versierd manuscript (‘The book of kells’) aan te bieden. Hun schip word onderweg echter aangevallen door Noorse rovers en Aidan wordt gevangengenomen. Hij is daar eigenlijk blij mee, want hij heeft in een droom gezien dat hij in Byzantium aan zijn eind zal komen. Dan blijkt dat de Vikingen een plundertocht naar Byzantium organiseren en hij mee zal moeten als vertaler. Geconfronteerd met zijn lot begint hij aan zijn geloof te twijfelen. Lawhead weet andere culturen levendig te beschrijven en laat je met zijn hoofdpersoon meeleven. Zijn schrijfstijl is behoorlijk fysiek (maaltijden doen me likkebaarden, maar zijn martelscenes ...), en hij geeft een enorme spanning mee aan het verhaal. Thema’s die met het christelijk geloof te maken hebben zijn behoorlijk organisch door het verhaal geweven, vooral beïnvloed door Keltische spiritualiteit. Ik kijk nog steeds uit naar nieuwe boeken van Lawhead. Zijn ‘Celtic Crusades’-serie is erg goed, zijn SF-verhalen zijn wat minder, vind ik zelf.

12    Crime and Punishment (Fyodor Dostoyevsky)
Na jaren een literair dieet te hebben genuttigd dat vooral bestond uit SF en fantasy en theologische boeken, ben ik door de goede invloed van mijn verloofde op het spoor gebracht van de boeken uit de negentiende eeuw. Ik was al langer gefascineerd door Dostoyevsky en heb nu al meerdere boeken van hem verslonden. Deze vind ik tot nu toe de beste (vooral omdat The Brothers Karamazov duidelijk aanstuurde op een vervolg, dat nooit is geschreven). Het is niet altijd makkelijk te lezen, maar wel op een grimmige manier boeiend.
De lezer krijgt hetzelfde koortsachtige gevoel als de hoofdpersoon, een student in Sint Petersburg, die wil bewijzen dat hij een groots man is als Napoleon. Zo iemand laat zich niet leiden door dezelfde morele waarden als gewone mensen, denkt hij, en dus pleegt hij een moord. Maar hij is geen Napoleon, en krijgt gewetenswroeging. Terwijl de vertegenwoordigers van de wet hem steeds dichter op het spoor komen, krijgt hij contact met een meisje dat nog iets goeds in hem ziet, en gelooft dat hij kan veranderen. Hijzelf denkt echter dat geen verlossing meer mogelijk is. Dostoyevsky ontsnapte zelf op het nippertje aan het vuurpeleton en wist sindsdien aangrijpend te schrijven over thema’s als genade en verlossing, zonder zich te vergissen in de menselijke neiging zichzelf voor de gek te houden. Ook in dit boek geeft hij uiteindelijk een prachtig beeld van de onvoorwaardelijke liefde van God, uit de mond van een onverbeterlijke dronkaard. Het is een boek dat ik nog vaker zal lezen en tot me door zal laten dringen, net als The Idiot en The Brothers Karamazov. Ook de boeken van Tolstoy staan nog op mijn ‘leeslijstje’.

11    The Divine Conspiracy (Dallas Willard)
Theologische werken lees ik eigenlijk niet vaak meerdere malen, vooral omdat ze niet vaak ‘literair’ zijn geschreven. Als je het idee eenmaal hebt eigen gemaakt dat de schrijver wil overbrengen, kunnen ze in de kast blijven staan. The Divine Conspiracy heb ik echter twee keer doorgenomen, en zal ik vaker ter hand nemen. Het is namelijk een rijk werk, filosofisch goed onderbouwd, doorspekt met voorbeelden die tot de verbeelding spreken en verfrissend direct in de kritiek op geaccepteerde ‘evangelische’ verwoordingen van het christelijk geloof, die ondanks de naam van de beweging weinig met het goede nieuws van doen hebben.
Volgens Willard zijn we vergeten dat Jezus een leraar was, die zijn hoorders een nieuwe wereld voorspiegelde waar ze naar zouden verlangen. Deze wereld is de beste wereld die mogelijk is. De Bergrede is geen wettisch document dat ons als een zwaard van Damocles boven het hoofd hangt, maar een uitnodigende beschrijving van het leven dat voor ons bedoeld is. En het goede nieuws is dat we door Jezus zijn binnengebracht in dit koninkrijk en kunnen gaan leven op de manier die daarbij hoort. Daar zorgt Jezus zelf voor, in ons en door ons heen. Dit heeft niets te maken met ‘zondemanagement’, maar met verlangen. Centraal daarbij staat het geloof dat God en zijn bedoelingen met ons werkelijk goed zijn - iets wat christenen wel eens lijken te vergeten. Dit zou niet zo ‘mind blowing’ moeten zijn, maar is het wel. Wat als we dit nu eens als uitgangspunt zouden nemen voor al ons denken? Zouden we dan niet enthousiast worden van Jezus en het leven dat hij beschrijft? Dat effect heeft dit boek in elk geval wel op mij.

10    Lord Foul’s Bane (Stephen Donaldson)
Dit was een van de eerste fantasyboeken die populair werd in het kielzog van de werken van Tolkien (de andere was The Sword of Shannarah, een zwak aftreksel van Tolkiens verhaal, zonder duidelijke eigen thema’s, eigenlijk niet meer dan flauwe fan-fictie), maar liet tegelijk zien welke andere mogelijkheden het genre bood dan de standaard queeste en strijd tussen goed en kwaad. Helaas leidde het niet tot de diversiteit van fantasyverhalen die mogelijk was geweest en bleven veel auteurs meer Terry Brooks navolgen.
 De vernieuwing van Stephen Donaldson was te kiezen voor een hoofdpersoon die niet gelooft in de andere wereld waarin hij is terecht gekomen. Het land is prachtig, vol bijna tastbare schoonheid en goedheid, vol moedige, sterke karakters (Mohram en Foamfollower staan me bij), maar Thomas Covenant blijft volhouden dat hij droomt. Doet hij dat niet, dan zal hij zijn rigide discipline laten varen, en dat is het enige dat hem in de echte wereld in leven houdt. Hij leidt namelijk aan lepra. Maar een nog veel groter probleem waar hij mee worstelt is zijn zelf-afwijzing. En die wordt weerspiegeld in de macht van Lord Foul die het land bedreigt. Covenant wordt aangezien voor de reïncarnatie van Lord Kevin Halfhand, maar hij wil die verantwoordelijkheid niet op zich nemen. En daarmee lijkt hij net als Kevin uit te sturen op de verwoesting van de wereld. Een aangrijpende, emotionele schrijfstijl die je zelfs met een op het eerste gezicht onsympathieke hoofdpersoon doet meeleven, vol heldhaftige momenten en een plot dat uiteindelijk draait om zelfacceptatie. Dit is een boek waar ik steeds opnieuw naar zal terugkeren. De latere boeken in deze serie worden wat complex en minder makkelijk te volgen, maar weten wel steeds mijn hart te beroeren. Donaldson maakt het zijn personages niet makkelijk, maar hij voelt wel voor ze.

9    Lord of the Flies (William Golding)
Ik las dit boek voor het eerst op de middelbare school voor mijn Engelse lijst, en het is een van de weinige boeken van die lijst die ik later nog een keer heb gelezen, met veel plezier (hoewel ‘plezier’ niet echt het juiste woord is). Ik was al fan van ‘overlevingsverhalen’ in de trend van Robinson Crusoe, over mensen die op onbewoonde eilanden een nieuw bestaan opbouwen. En Golding volgt het patroon van deze verhalen door te laten zien hoe de jongens die met het vliegtuig op hun eiland zijn neergestort proberen in leven te blijven.
Maar waar andere Crusoenades uitgaan van een positief mensbeeld (als we maar de kans kregen overnieuw te beginnen, zouden we het vast beter doen), weet Golding dat we ook op een onbewoond eiland niet aan onszelf kunnen ontsnappen. Juist niet, want wat ons nu beschaaft houdt is de beschaving. Als die wegvalt blijven krachten over die we niet onder controle hebben. Dezelfde drijfveren die in de volwassen wereld leiden tot vooroordelen, onderdrukking, oorlog en uiteindelijk vernietiging van de leefomgeving, doen dat op dit eiland ook. Het schijnbare ‘happy end’ waarbij Ralph gevonden wordt door een officier van een oorlogsschip is dus niet zo gelukkig als het lijkt. En zoals de kinderen op het eiland niet luisterden naar de profetieën van Simon en de wijsheid van Piggy, luisteren de mensen nu ook niet naar wetenschappers die waarschuwen voor klimaatverandering en tekort aan grondstoffen, of religieuze leiders die oproepen tot tolerantie en vergeving. De verlossing kan niet van binnenuit komen, is wat Golding wil zeggen. Waar die boodschap dan wel vandaan komt, zegt hij niet, maar daar zijn dan weer glimpjes van op te vangen in andere boeken op deze lijst.

8    Surprised by Hope (N.T. Wright)
Soms denk je het ene te geloven, maar komen je daadwerkelijke overtuigingen nog overeen met iets heel anders. Zo was het met mij wat betreft mijn toekomstverwachting. Ik dacht dat ik geloofde in de opstanding en dat ik voldoende waarde hechtte aan het lichamelijke, het materiële aspect van het mens-zijn. Maar dit boek van Tom Wright verloste me van mijn illusie. In de praktijk hield ik toch vast aan beelden van een hemel ver weg van de Aarde en een bestaan als lichaamsloze ziel in een immateriële werkelijkheid. Dat is niet de toekomst die Jezus predikte en die zijn volgelingen verwachtten.
Ze verwachtten de toekomst waar de profeten al over predikten, namelijk het herstel van alle dingen, een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont, en de opstanding van het lichaam. Deze verwachting werd bevestigd door de opstanding van Jezus, die nadat hij het graf verliet nog steeds mens was en lichamelijk (het graf was leeg), maar tegelijk meer (hij kon door een muur heen lopen). Dit is een vooruitblik op de verlossing van zowel de Aarde als van ons als individuen. We willen niet ontkleed worden, zegt Paulus als, maar overkleed. We zullen ook in de toekomst volledig mens zijn, op een wereld die werkelijk mooi is, goed, en vol echte relaties. Deze wereld, maar dan zoals God die altijd al bedoeld heeft. En nu mogen we met dat visioen voor ogen zelf al kleine voorafschaduwingen van die wereld zichtbaar maken in ons leven, individueel en als christelijke gemeenschappen. Tom Wright heeft een prettige schrijfstijl, hij blaast niet hoog van de toren, maar weet juist door zijn bescheidenheid onder je huid te kruipen en je anders naar je levensbeschouwing te laten kijken. Erg aangeraden en een boek dat ik regelmatig herlees.

7    Fahrenheit 451 (Ray Bradbury)
Sciencefiction heeft vaak een waarschuwende rol. Schrijvers trekken ontwikkelen uit de technologie (of ook de filosofie) door, soms tot in het absurde en laten de gevolgen zien. Techniek en wetenschap zijn namelijk niet waardevrij. Ik had het er laatst over met een vriend dat het bedrijven zijn die de richting van onze maatschappij bepalen. Waren er echt zoveel mensen die om Twitter vroegen? Om Smartphones? Om Google Glass? Of ontstond de vraag daarnaar omdat het werd aangeboden? Werd de vraag gecreëerd omdat bedrijven winst wilden maken? Ik heb zelf een iPhone, maar ben me ook bewust van de nadelen. Bijvoorbeeld het feit dat ik door al het twitteren en facebooken me al moeilijker lange tijd op complexe teksten kan concentreren. Ik weet eigenlijk dat ik nooit meer in een dag een boek van 900 pagina’s zal lezen, zoals ik dat deed met Byzantium. Hebben we als maatschappij voor die ontwikkeling gekozen, omdat we die het beste pad voor de mensheid vonden, of is die ons opgedrongen?
Ray Bradbury had een vooruitziende blik, want in dit boekje beschrijft hij een wereld waar mensen voortdurend zijn omgeven door televisieschermen vol inhoudsloos vermaak. Daardoor kunnen ze makkelijk onder controle worden gehouden. Boeken zijn verboden en worden verbrand door ‘brandweermannen’. Een van hen begint echter te lezen, en ontdekt een nieuwe wereld, van echt contact met mensen in plaats van een vlucht in ‘soundbites’. Een toekomstbeeld dat me op een goede manier angst bezorgde en nooit actueler dan nu. Ik hoop dan ook dat een tegenbeweging op gang komt, waarbij de digitale wereld wordt gebruikt om werkelijk contact te versterken, waar diepgang niet langer verloren gaat, maar de ‘Shallows’ (om te refereren aan een boek over de gevolgen van het internet voor ons concentratievermogen) juist worden uitgediept om plaats te maken voor stromen levensbrengend water.
Andere interessante dystopieen zijn natuurlijk 1984, en Brave New World.

6    Duncton Quest (William Horwood)
Boeken die bij mij de tranen in de ogen doen springen, zijn er niet zo veel. Maar dit boek, de tweede in de serie ‘The Duncton Chronicles’, bezorgde me een brok in de keel en maakte mijn ogen vochtig. En daarmee verdient het een plek hoog in mijn persoonlijke boeken top 25. Opnieuw een boek van een emotionele schrijver, die voelt voor zijn karakters, maar niet aarzelt ze moeilijke dingen te laten meemaken. Hoewel het om mollen gaat, een humanistisch werk dat de breedte van het menselijke bestaan bevat. Intrigerend genoeg was de auteur tijdens het schrijven van het eerste boek christen, maar was hij teleurgesteld in de kerk (helaas herkenbaar) en kwam hij uiteindelijk uit bij het boeddhisme (dit is vooral in de tweede Duncton-trilogie merkbaar, en leidt tot een onpersoonlijk makende onthechting, die in mijn ogen minder positief is).
In het onderhavige boek is zijn onvrede met de kerk al merkbaar als een groep mollen met een strenge leer de godsdienst van de ‘Boeken van de Stilte’ wil onderdrukken. Een groep mollen rond de moedige Tryfan wil ze tot staan brengen. Daartoe gaan ze op zoek naar de geprofeteerde ‘Stone mole’. Ze vormen een gemeenschap gekenmerkt door onvoorwaardelijke liefde en opoffering. Zo’n gemeenschap leidt tot genezing en uiteindelijk tot verlossing. Zelfs van de meest kwaadaardige onder de mollen. Dit boek is een kruising van The Lord of the Rings en Waterschapsheuvel, maar dan vreemd genoeg menselijker dan beide. Ik heb ze al vaker herlezen en zal dat tijdens mijn leven blijven doen. Mayweed (het karakter om wie ik mijn tranen liet) zal altijd een plek in mijn hart houden. Als er voor hem een plek is waar hij geaccepteerd wordt, kan ook ik daarop blijven hopen.

maandag 31 december 2012

Filmbespreking: The Life of Pi

Het komt niet vaak voor dat ik een film zie waar zoveel vissen in voorkomen. Vissen die ook nog eens biologisch correct zijn weergegeven en zich als zodanig gedragen (in de aftiteling zag ik dat er biologen aan de film hebben meegewerkt). Als aquariaan en amateurichthyoloog (vissendeskundige) keek ik mijn ogen uit. Van de dorade en de tropische vissen die een vlot en roeiboot als schuilplaats gebruikten in de verder kale en levenloze uitgestrektheid van de Grote Oceaan, en de oceanische witpunthaaien (die een nijpaard oppeuzelen) tot het jachtgedrag van tonijnen. Vliegende vissen spelen een behoorlijk grote rol in het verhaal, en er is zelfs een scene waarin een reuzenpijlinktvis in gevecht gaat met een potvis. In een droom weliswaar, maar toch, zo veel films zijn er niet die dit evenement van bijna mythische proporties in beeld brengen. Alleen al vanwege de (inkt)vissen is deze film wat mij betreft dus een aanrader.

Maar het verhaal gaat niet in eerste plaats over vissen. Wel voor een groot deel over andere dieren. Hoofdpersoon is namelijk Piscine ‘Pi’ Patel - de zoon van een Indiase dierentuinexploitant. Een schrijver heeft gehoord dat hij een bijzonder verhaal te vertellen heeft. Een verhaal dat de toehoorder in God kan doen geloven. Volgens Pi doet een goede maaltijd hetzelfde. Hij stelt de schrijver met zijn oordeel te wachten tot hij zijn verhaal gedaan heeft. Het blijkt namelijk dat zijn vader een nieuw leven wilde opbouwen in Canada en daarom met zijn gezin en de dieren uit de dierentuin op reis ging naar Amerika.   Het schip komt echter onderweg terecht in een heftige storm en vergaat. Pi bereikt een reddingsboot. Hij is echter niet alleen. Ook een paar van de dierentuindieren zijn uit hun kooien ontsnapt en hebben de boot gevonden. Een zebra met een gebroken poot, een orang oetan en een hyena. Op zo’n kleine oppervlakte is dat geen goede combinatie. Als de hyena de andere dieren heeft gedood en op Pi afkomt, blijkt er nog een verstekeling te zijn. De tijger Richard Parker, voor wie Pi’s vader hem indringend heeft gewaarschuwd. Een roofdier. Geen speelkameraad. Pi trekt zich terug op een drijvend vlot, maar het water en de scheepsbeschuit bevinden zich in de reddingsboot. Als hij wil overleven, zal hij een manier moeten vinden om met de tijger om te gaan ...

De film van regisseur Ang Lee is heel erg mooi. Indrukwekkende beelden volgen elkaar op. Van de dierentuindieren over de titels in het begin, tot de scheepsramp, tot de spiegelgladde oceaan, waarin een oranje wolkenlucht wordt weerspiegeld, tot de betoverende effecten van zeevonk, tot een tropische storm aan de horizon, compleet met regenboog. De film maakt hierbij sterk gebruik van de 3D-technologie. Deze trend in de bioscoop pakt niet altijd goed uit, vooral niet als de derde dimensie pas na het filmen wordt toegevoegd, en ik heb er ook wel eens hoofdpijn aan overgehouden, maar deze film maakt echt goed gebruik van de mogelijkheden van de relatief nieuwe techniek (met name een scene met vliegende vissen die de kijker midden in de actie plaatst). Ook heel mooi is de tijger, Richard Parker, voor een deel samengesteld uit beelden van echte tijgers, voor een deel uit niet van echt te onderscheiden computeranimatie. Wat vooral beklijft is dat het geen knuffelbaar fantasiedier is geworden, maar een roofdier is gebleven. Als de tijger op Pi komt afzwemmen voel je daarom ook werkelijk angst. Een aantal van Pi’s maatregelen om te overleven op de oceaan zijn goed gevonden, maar ik vond het avonturenaspect van de film niet volledig meeslepend, misschien door de magisch realistische beelden. Voor mij lag de nadruk meer op de theologische vraag die aan het begin was opgeworpen. En mijn reactie op de film was ook meer intellectueel dan emotioneel. Wat dat betreft zal het interessant zijn het oorspronkelijke boek een keer te lezen (dat heb ik namelijk nog niet gedaan, ook al had ik het heel lang in mijn kast staan).

In filmtijdschrift Empire las ik bij een artikel over deze film een interview met de oorspronkelijke auteur van het boek. Volgens hem was het uitzonderlijk dat zijn boek werd verfilmd, want volgens hem worden er nauwelijks films gemaakt die vragen met betrekking tot religie serieus nemen. Ja, er zijn films waarin religieuze mensen de onderdrukkende en manipulerende slechteriken zijn, en er zijn films waarin gelovige lieden door gebed elke tegenstand overwinnen, maar er zijn inderdaad weinig films die proberen de vraag te beantwoorden wat het eigenlijk betekent te geloven. En dat terwijl mensen ten diepste religieuze wezens zijn. Zoals ik Cloud Atlas aanraadde vanwege de moed van de filmmakers zo’n complex verhaal te vertellen, raad ik The Life of Pi aan vanwege de moed van de filmmakers een theologische discussie aan te zwengelen. De film biedt aanleiding voor goede en diepe gesprekken na afloop onder het genot van een biertje.
Aan de andere kant hoeven er ook helemaal geen films gemaakt te worden over geloof of religie als afzonderlijke onderwerpen, want volgens mij zijn films in zichzelf al religieus. Het horen of zien van een verhaal, waar we het verhaal van ons eigen leven aan kunnen spiegelen, en dat suggereert dat wat wij meemaken net zo goed betekenis heeft als de belevenissen van de personen in het verhaal, is een religieuze ervaring. Mensen verlangen naar betekenis en die betekenis vinden we in verhalen. In mythe. Godsdiensten doen hetzelfde: ze vertellen een verhaal dat zelfs veel groter is dan wat in een film verteld kan worden. En ook al betoog ik in navolging van mijn grote held J.R.R. Tolkien dat in het verhaal van Jezus mythe werkelijkheid werd (de verteller kwam zijn eigen verhaal binnen), dan nog blijft het christelijk geloof in eerste instantie een verhaal, en niet een theologie. Het geloof doet ook hetzelfde als een goede film doet: het geeft een interpretatiekader waarmee we ons leven als betekenisvol kunnen zien (en als we in de opstanding van Jezus geloven, geloven we dat het deze betekenis ook daadwerkelijk heeft).
Het bezoek aan de bioscoop is dus in essentie te vergelijken met een bezoek aan de kerk (en dan leuker) en het is niet voor niets dat mensen net zo fanatiek kunnen discussiëren over films als over theologie. En dit verklaart waarom ik op mijn blog zulke lange theologische essays kan baseren op ook de meest ‘niet christelijke’ films. In Engeland blijken mensen zich bij bevolkingsonderzoeken wat betreft hun religie zelfs te laten registreren als ‘Jedi’ - op basis van de Star Wars-films. De Star Wars-films waren weer in grote lijnen gebaseerd op het gedachtegoed van Joseph Campbell, die in The Hero with a Thousand Faces betoogde dat heldenverhalen en religieuze mythen een overeenkomende structuur hebben. Deze mythe zegt iets waars over het menselijke leven en daarom reageren we zo enthousiast, zowel op religies als op verhalen. Campbell heeft daarom gezegd: ‘All religions are true, but none are literal’. Je zou kunnen zeggen dat dit idee van Campbell wordt uitgewerkt in The Life of Pi.

De film speelt namelijk met de overeenkomsten tussen de godsdiensten. Pi is namelijk zowel Hindoe als Christen als Moslim. Hij gelooft in God. Maar, zegt hij: we geloven omdat we aan God worden voorgesteld. Pi zelf werd eerst aan God voorgesteld in de vorm van Vishnu. Zijn moeder vertelde hem namelijk verhalen over de Hindoeïstische goden. Verhalen waar hij ademloos naar luisterde. Hij las zelfs stripboeken over de goden. Een beeld uit het stripverhaal spreekt tot zijn verbeelding (het komt als het ware in 3D tot leven). Maar later in zijn leven ontmoet hij een christelijke priester die hem een ander verhaal vertelt, dat over Jezus. De film citeert Johannes 3:16 ‘Zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren zoon heeft gezonden opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.’ Aanvankelijke begrijpt Pi niet waarom God om zijn liefde te laten zien zijn eigen zoon moet laten sterven (hij houdt mijns inziens vast aan het idee van Karma, namelijk dat schuldigen hun eigen straf moeten dragen en niet vrijgesproken moeten worden), maar hij gaat de Zoon van God steeds meer waarderen. Jezus wordt zijn vriend. Door middel van het christendom werd Pi voorgesteld aan de liefde van God. Ten slotte ontmoet hij ook nog moslims, die hem een bepaald ontzag en ritme bijbrengen.
Is de manier waarop Pi zijn geloof beleeft bezwaarlijk? Ik denk het niet. Want ik geloof dat er uiteindelijk maar een enkele werkelijkheid is. Er is maar een God. Dus als iemand een werkelijke ontmoeting heeft met het absolute, met de grondslag van het universum, met het goddelijke, zoals Pi dat beleefde in het Hindoeïsme, heeft hij een ontmoeting met de enige God. Ikzelf pleeg te zeggen dat elk goed verteld verhaal uiteindelijk elementen bevat van het Ware Verhaal, het Verhaal van de Werkelijkheid. Elke goede film, elk goed boek, wijst terug naar het Verhaal dat ten grondslag ligt aan de werkelijkheid. Daarom hoef ik als christen ook niet alleen maar christelijke films te kijken, maar kan ik Christus tegenkomen in elke film die ik kijk, ook de ‘niet christelijke’. Dat geldt voor religie ook.
Als christenen moeten we daarom niet de religieuze ervaringen van andersgelovigen wegwuiven of relativeren. En vooral niet mensen dwingen hun eigen cultuur en culturele uitingsvormen achter te laten. Ik las van de zomer bijvoorbeeld op de blog van Rachel Held Evans een interessant interview met een christen van Indiaanse afkomst (niet Indiaas), die betoogde dat christenen uit de oorspronkelijke Amerikaanse volken wel aan hun cultuur konden blijven vasthouden. Hij betoogde namelijk dat zijn volksgenoten zonder het te weten dezelfde God hadden aanbeden en dat Christus de vervulling of voltooiing was van de religieuze verlangens van de mensen. Paulus beweert eigenlijk hetzelfde als hij tot de Grieken spreekt op de Areopagus naar aanleiding van hun altaar voor de onbekende God. Hij komt hen vertellen van de God die zij ‘zonder het te weten’ hebben aanbeden en verwijst daarbij naar hun eigen dichters, alsof die met gezag hadden gesproken over de geestelijke werkelijkheid. Paulus verwijst hier (net als J.R.R. Tolkien) naar de opstanding om aan te geven dat in Jezus het Grote Verhaal werkelijk en tastbaar is geworden, maar hij laat staan dat ook in de Griekse verhalen al iets doorschemerde van wat onder de werkelijkheid lag.

Wie het verhaal van Pi goed beluistert, ziet daarin ook iets terug van datzelfde grote verhaal (en van het heldenverhaal van Campbell). Het is een verhaal van zwakheid. Van overgave. Heel mooi is een scene in een storm, als Pi tegen God roept: ‘Ik heb me aan u overgegeven? Wat wilt u nog meer van me?’ Maar het feit dat hij dat uitroept, suggereert dat zijn overgave niet compleet is. Hij verlangt nog steeds iets van God. Hij heeft zijn zelfbeschikking nog steeds niet losgelaten. Pas daarna, als de storm voorbij is (interessant genoeg is er een regenboog zichtbaar - een teken van hoop!) volgt de echte overgave. Pi staakt namelijk zijn verzet tegen God. Degene met wie ik de film zag, zag in dit verband zelfs dat hij een kruispositie aanneemt. En prompt daarna vindt Pi hulp op zijn pad. Hij krijgt hoop om door te gaan. Volgens hem heeft God hem geholpen. (Wat deze hulp precies is en wat het betekent, kan ik hier niet uitleggen. Ook over de symbolische betekenis van de tijger in het verhaal en Pi’s omgang met zijn eigen destructieve kant zal ik het hier niet hebben. Daar is een compleet nieuw essay over te schrijven!).
Aan het eind van de film wordt de vraag opgeworpen of het verhaal dat Pi vertelt wel echt is gebeurd. Er is ook een alternatief verhaal. Een nogal schokkend verhaal. Maar het alternatieve verhaal ontneemt het eerste verhaal niet zijn bestaansrecht. Want ook al is het verhaal over Richard Parker niet letterlijk waar, het bevat wel een waarheid over wat er met Pi gebeurd is, die moeilijk was weer te geven op een letterlijke manier. Het verhaal was waar, maar niet letterlijk. Sommige recensenten op internet suggereren dat de conclusie van de film is dat de wereldreligies niet waar zijn en dat het bestaan van God maar een ‘verhaaltje’ is waarmee we ons afsluiten voor de realiteit een schokkend en leeg universum, een verhaaltje dat ons de illusie van zingeving schenkt - en niets meer. Ze denken dat de film in essentie cynisch is. Ik denk echter dat ze geen gelijk hebben. Het is namelijk niet zo dat het ene verhaal dat Pi vertelt cynischer is dan het andere.
Zoals Pi zelf zegt: in beide verhalen vergaat het schip, is Pi de enige overlevende en heeft hij veel geleden. Het eerste verhaal was geen rooskleurig sprookje. Maar wat Pi in dat verhaal vertelt, is welke lessen hij heeft geleerd over God, over zichzelf, over overgave en over verlossing. Hij heeft in zijn avonturen een ervaring gehad met God. Het punt is dat hij deze lessen heeft geleerd - ook al was het alternatieve verhaal de letterlijke waarheid. Hij heeft God ontmoet op zee, ook al waren er geen zebra, orang oetan of tijger in zijn boot. Maar hoe breng je zo’n ervaring over? Hoe spreek je over een ontmoeting met de Grondslag van het Universum? Door er een verhaal over te vertellen. Wat de ervaringen van Pi waren, is met een feitelijk verslag weer te geven. Wat ze betekenden, kan alleen worden weergegeven in de vorm van een verhaal. In de vorm van een mythe. De feiten kunnen de betekenis niet overbrengen. Dus zelfs al was het verhaal niet letterlijk waar, het was nog steeds waar op een manier waarop de ‘feiten’ niet waar waren.
De film suggereert dat de kijker tussen de twee verhalen moet kiezen. Ik weet niet hoe dit in het boek is weergegeven, maar volgens mij is dit een valse keuze. De film geeft op dit punt niet alle opties, zoals dat vaak niet gebeurt in discussies over religie en wetenschap. Er wordt gedaan alsof dit gescheiden werelden zijn. Alsof het verhaal dat de wetenschap over de werkelijkheid vertelt, het verhaal dat religie vertelt automatisch uitsluit. Maar volgens mij kan de luisteraar in het geval van Pi zeggen dat beide verhalen waar zijn, of dat hij beide verhalen gelooft. Ook op het gebied van religie en wetenschap. Ja: ik geloof dat het verhaal van de wetenschap waar is. Maar niet dat daarmee alles dus toevallig en zinloos is. Het bestaan van God is echter niet wetenschappelijk te bewijzen. Het verhaal van de bijbel bevat zelfs wonderen die voor de gemiddelde materialist aanstootgevend zullen zijn (zoals het eerste verhaal van Pi ook onwaarschijnlijkheden bevat - maar het zijn de vooroordelen over de werkelijkheid waarom we het wonder niet willen aannemen. Een wonder is immers een wonder omdat het niet wetenschappelijk te voorspellen valt). Ook de opstanding van Jezus is wel aannemelijk te maken (er zijn volgens mij sterke redenen om te geloven dat het graf leeg was, en dat Jezus’ volgelingen hem hebben waargenomen), maar niet te bewijzen. Ik kan het niet accepteren zoals ik een wetenschappelijke theorie of een leerstelling accepteer. Het verhaal van Jezus vraagt van mij een keuze op een ander niveau. Ik bevind me inderdaad op de positie van de schrijver die naar Pi luistert, en voor de keuze staat: welk verhaal vind ik het mooist? En zo is het met God, zegt Pi. Het verhaal van Jezus stelt mij ook voor een keuze: in welk verhaal wil ik leven?
Ik zelf wil leven in het verhaal waarin Jezus de dood heeft overwonnen, waardoor elk persoon en elke gebeurtenis betekenis ontvangt, en waarin liefde het laatste woord zal hebben. Het Verhaal van de Werkelijkheid is namelijk het mooiste verhaal dat er is.