Posts tonen met het label keuzes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label keuzes. Alle posts tonen

donderdag 31 maart 2016

Gedicht: Tweesprong

Tweesprong

Het was een grote keuze,
dacht ik, links of rechts te gaan. 
Het ene pad leek makkelijk
maar liep dood; het andere
-smal, rotsachtig- was de weg
naar huis. Maar het scherpe grind
stak mijn voeten, de netels
brandden onbeschermde huid
en mijn reisgenoten lachten,
duwden me neer. Ik bleef het
proberen, tot ik bezweek
en wel opzij moest gaan. Ik stond
op stevige grond, ik zag
om mij dezelfde bergen,
voelde dezelfde wind en
de zon was nog even fel.
Ook dit pad is steil, klimmen
kost nog steeds veel moeite.
Maar ik word niet opgejaagd,
word niet beschimpt als ik val
of achterblijf. En voor mij
zie ik geen afgrond gapen,
maar slechts het vertrouwde licht 
dat aan de start me was beloofd.

zondag 27 juli 2014

Gedicht: Een droom (2)

Een droom (2)

Een dorp bovenin de pas,
grijze sneeuw onder muren,
de lucht kil ondanks de zon.
Een familietrip, ik zie
mijn broers, vader, mijn moeder,
alles strak georganiseerd.
Toch blijf ik bang, ik mag niet
doen wat ik zelf wil. Falen.

Een fiets. De weg in slingers,
steil, tot onderin het dal.
Ik ben hiervoor gewaarschuwd.
Wat als ik val? Botten breek?
Ik ben zwak, zegt ze, dus kies
voor veiligheid en neem
geen onnodig risico.
Toch lokt het asfalt. Vrijheid.

Ik heb dit nog nooit gedaan,
klim op een wankel zadel.
Zet af. Wind in mijn haren.
Het gaat snel. Remmen piepen.
Hart in de keel, maar ik blijf
overeind. Laat mijn familie
ver achter mij. Ik kan meer
dan ik verwachtte. Leven.

donderdag 7 november 2013

Gedicht: Onderweg

Onderweg

Recht strekt de weg zich uit
voor mij. Ik kan het eind niet zien.
Ken alleen de geruchten
van oude reizigers, zelf zoekend
naar een ideaal. Ze tastten
voor zich in de lucht. Hun droom
door vrienden afgedaan
als mooie woorden. Maar ik weet
dat ik niet zonder kan.
De sleutel die mijn harde
hart kan breken, levend maken,
glinsterend als goud:
hij moet er zijn, ligt
achter de horizon verborgen.
Dus zet ik de eerste schreden;
volg westwaarts het pad. Loop
als door het lot gedreven
over witte steen naar huis.

Nu daalt de zon. Oranje
wenkt de einder mij.
Mijn pas versnelt. Het duister
tracht mij in te halen.
Draalde ik? Niet meer.
Mijn vingers in mijn oren
kijk ik vooruit. Links en rechts
prijst men and’re wegen
naar eindes die ik met het oog
kan zien. Glimmende ramen
in het moeras. Veilig. Comfort
om mij in te verliezen.
In een klein huis in slaap gesust
zonder nog te ontwaken.
Dus zing ik zo hard ik kan,
negeer mijn zere voeten. Ren
waarheen de weg mij leidt
En hoop ooit aan te komen.

vrijdag 9 september 2011

De stand van zaken

Deze kan zo achterop mijn volgende boek ...
Daar ben ik dan met het beloofde bericht over de laatste ontwikkelingen in mijn leven, die ervoor zorgen dat ik niet in staat ben elke dag of zelfs elke week een bericht op mijn blog te plaatsen. De reden daarvoor is namelijk niet dat ik geen onderwerpen meer zou weten, of geen films meer heb om over te schrijven. Steeds weer denk ik ergens over na, denk bij mezelf "Dat zou een goed onderwerp voor een blogbericht zijn!" en realiseer me vervolgens dat ik geen tijd heb om het te schrijven. Maar wat in het vat zit, verzuurt niet. En hopelijk zien jullie via de Twitterberichten aan de zijkant genoeg verwijzingen voorbijkomen naar artikelen en informatie om je niet te hoeven vervelen. De reden voor mijn verminderde publicatiefrequentie is een simpele kwestie van tijd. Om een blogbericht te schrijven heb ik een paar uur nodig, liefst onafgebroken, en die tijd is niet meer zo eenvoudig te vinden. En ook daar zijn meerdere verklaringen voor.

De eerste is dat ik geen makkelijk voorjaar had dit jaar. Nee, ik ga niet zeuren dat mijn leven zwaar is - ik wil juist een positieve levensinstelling cultiveren. Maar vanaf eind februari sliep ik slecht. Ik was moe, ging weer meer eten (en kwam dus aan) en had moeite met functioneren op werk en thuis. Mijn vakantie was ontspannend, maar na mijn vakantie viel ik opnieuw in een gat. Eerst sliep ik slecht door de jetlag, vervolgens door een oogontsteking en daarna door kiespijn na een kaakchirurgbezoek. En ik kwam terecht in de bekende vicieuze cirkel. Die werd pas doorbroken toen ik besloot mijn agenda dramatisch veel leger te maken. Ik plande de meeste avonden door de week in als 'vrij', en zette in mijn agenda ook kruizen door de grootste gedeeltes van de weekeindes. Ik besloot om vaker 'nee' te zeggen, en te accepteren dat ik niet al mijn vrienden en kennissen elke week of elke maand kan zien. Ook andere verplichtingen die ik mezelf had opgelegd liet ik varen (helaas voor jullie was het vele bloggen een van die zelfopgelegde 'verplichtingen' die ik niet meer kon nakomen). Verder besloot ik om vaker te kiezen voor de dingen die ik echt belangrijk vind: lezen en schrijven. Ik wilde weer 's avonds op de bank kunnen zitten met een goed boek, en weer aan verhalen werken. Dat bracht een stuk energie, en de rust ontspanning, en met zowel mijn slaap en mijn humeur ging het vanaf dat moment een stuk beter.

Ten tweede is er sinds kort een verandering in mijn leven opgetreden op relationeel gebied. Nu is daar natuurlijk ook iemand anders bij betrokken, dus over dat deel van mijn leven ga ik hier niet uitweiden (zowel over werk als over relaties moet je het op internet maar niet hebben, heeft iemand mij ooit geadviseerd). De betreffende verandering maakt mijzelf in elk geval erg gelukkig, geeft energie (maar ook wel onzekerheid), en zorgt dat die lege agenda toch weer voller wordt. Leuk natuurlijk, maar er moet ook iets voor wijken, en mijn blog was een van de dingen die opeens minder belangrijk voor me was geworden. Tja, ik hou natuurlijk van mijn lieve lezers, maar mijn relatie met jullie is slechts virtueel. Niet dat ik jullie zal vergeten, maar in de concurrentie met een echte relatie delven jullie het onderspit.

Ten derde heb ik besloten weer vaker naar de kerk te gaan. Ik schreef er al over in twee eerdere berichten. Het bevalt me tot nu toe goed, ook al ga ik niet elke zondag (ik heb nog steeds een vrij volle agenda, ondanks mijn pogingen hem leeg te houden). Ik merk dat ik er met een andere houding heen ga, en dat helpt. Het lukt me nu ook om me niet steeds aan te trekken wat de spreker zegt, als het niet op mij van toepassing is. En ik heb ook meerdere goede preken gehoord - die me werkelijk bemoedigden. Dat weerhoudt me er niet speciaal van om te schrijven, maar goed, het kost wel weer tijd. Aan de andere kant zijn misschien de relaties met mensen in de kerk en bij de koffie na de kerk betekenisvoller dan mijn relatie met de lezers van mijn blog. Was het niet een van de lessen uit de film Shadowlands dat je het leven niet werkelijk leren kennen door erover te lezen (hoewel we lezen om te weten dat we niet alleen zijn)?

Ten vierde heb ik besloten dat ik meer werk wil maken van mijn grotere schrijfprojecten, zoals de verhalenbundel waar ik al bijna twee jaar aan werk. Ik voltooide een paar weken geleden het zevende verhaal van de negen. De overige twee verhalen wil ik dit jaar nog afronden. Daarna kan ik gaan herschrijven en schaven, en het avontuur aangaan een uitgever te zoeken. Verder wil ik nog steeds een nieuw non fictie boek gaan schrijven, en speel ik met meer ideeën. Ik merk echter dat ik om zulke schrijfprojecten aan te pakken genoeg tijd moet apart zetten, en ook daarbij is de blog een van de eerste dingen die moet wijken. Maar dat betekent hopelijk wel dat jullie binnen een afzienbare tijd weer woorden van mij gedrukt op papier te lezen kunnen krijgen (sneller dan jullie misschien denken, zie het volgende punt).

Ten vijfde (en dit is niet echt een reden voor mijn weinige bloggen, maar ja, ik heb van dit bericht een opsomming gemaakt en die structuur wil ik ook graag aanhouden) werk ik mee aan een boek onder redactie van Reinier Sonneveld (met wie ik eerder heb samengewerkt aan Wirwar, Huh? en Hete Hangijzers). Het gaat om een boek met de titel 'Het Boek van de Natuur'. Het bevat essays van meerdere schrijvers over de natuur, en hoe we daar als christenen mee om kunnen gaan. En nee, ik ben niet gevraagd een van deze essays te schrijven. De essays worden namelijk afgewisseld met fotoreportages, en ik ben een van de fotografen die meewerkt. Ik heb een tiental foto's geleverd, vergezeld van korte overdenkingen over natuur, schoonheid en de Schepper. Ik ben erg enthousiast over het onderwerp (zoals iedere lezer van deze blog wel zal begrijpen), en ik ben enthousiast over het boek. Het verschijnt waarschijnlijk dit najaar (zie je wel? sneller dan gedacht!) en ik houd jullie vanzelfsprekend op de hoogte.

Dat was het wel zo ongeveer. Ik hoop volgend weekeinde tijd te hebben voor het schrijven van een wat meer inhoudelijk bericht - waarschijnlijk over de veranderde houding ten opzichte van kerk en geloof die ik bij mezelf bespeur. De reis gaat (ook al schrijf ik er niet zo vaak meer over) immers gewoon door!

N.B. de foto hierboven is gemaakt door Henk (of Wendy), bij wie ik en enkele vrienden een paar dagen verbleven afgelopen weekeinde, in Wales.

woensdag 29 september 2010

Stripbespreking: Een deken van sneeuw

Ik zal er maar eerlijk voor uitkomen. Ik ben wat ze op internet noemen: een 'geek' (wat de meeste mensen betitelen als 'nerd', maar dan zonder de kennis van computers en zonder bril bij elkaar gehouden met plakband). Iemand met interesses anders dan de in onze maatschappij gebruikelijke, die daarover vooral communiceert via het internet. Daarom was ik afgelopen zaterdag ook op de Stripdagen in Houten, samen met een van mijn jongere broers. Heerlijk rondlopen tussen stands met de meest uiteenlopende stripboeken, van luxe uitgaves tot goedkope tweedehands, en kijken naar de fans die zich hadden verkleed als stormtroopers uit de Star Wars-films.
Ik kwam aan het eind van de dag thuis met wat aanvullingen op mijn verzameling sciencefictionstrips. Maar mijn belangrijkste aanschaf was de grafische roman Een deken van sneeuw (Eng. Blankets) van Craig Thompson. Een getekend autobiografisch verhaal van meer dan 580 pagina's, in stemmig zwart-wit, over een jonge kunstenaar die zich ontworstelt aan een fundamentalistisch christelijke opvoeding, en zijn eerste liefde. Worden daarover ook strips gemaakt?, vroeg iemand op Twitter. Inderdaad. En het blijft de volle 580 pagina's boeien. Het verhaal schokt je, raakt je, en zet je aan het nadenken. Wie nog het vooroordeel koestert dat het stripverhaal een onvolwassen kunstvorm is, zal door dit boek van het tegendeel overtuigd worden. Ik kan het zonder enige reserve aanbevelen. En met name voor mensen die net als de hoofdpersoon (en ikzelf) de gevolgen van een streng religieuze opvoeding proberen te verwerken, en twijfelen wat ze ervan moeten overhouden, en voor degenen die met hen willen meevoelen. Ik meen dat het geen enkele lezer onberoerd zal laten. Het is, meen ik, in dat opzicht te vergelijken met de boeken van Chaim Potok, met name Mijn naam is Asher Lev, maar met een voor mij nog sterkere 'impact', door de kracht van de (schijnbaar eenvoudige) tekeningen.

Craig Thompson groeit op in een Amerikaans plattelandstadje in de Verenigde Staten. Zijn ouders gaan naar een evangelische kerk, en als trouwe oudste zoon neemt Craig het geloof erg serieus. Het lijkt er zelfs op dat hij in de wieg is gelegd voor de opleiding tot predikant. Aan de andere kant heeft Craig een creatief talent: hij houdt van tekenen. Dat is echter volgens zou ouders en zijn predikant van geen enkele waarde. Ondertussen is Craig door zijn dromerige, serieuze inslag het pispaaltje op school. Hij ergert zich ook aan zijn drie jaar jongere broer, met wie hij het bed moet delen en die hem steeds wakker houdt.
In de winter gaat Craig elk jaar met de jeugd van de kerk naar een christelijk kamp. Ook daar voelt hij zich een buitenbeentje. Tot hij in zijn examenjaar de knappe en rebelse Raina ontmoet, en op haar verliefd wordt.  Ze is zijn muze, zijn bron van inspiratie, maar misschien ook een veilige haven, een nieuwe deken die hem afschermt van de boze buitenwereld. Hij logeert twee weken bij haar in Minesota, en ontdekt dat ook haar thuissituatie verre van ideaal is. Zo staan haar ouders op het punt te scheiden.

Het trof me hoe goed Thompson bepaalde ervaringen van het opgroeien wist te treffen. De fantasiewereld die hij deelt met zijn broer. De teleurstelling dat de jongens op het christelijke kamp net zulke pesters zijn als die op school. De verwarring over de lessen op de zondagsschool over een hemel waar hij eigenlijk helemaal niet naartoe wil. De gevoelige relatie met zijn ouders: "Ze kunnen me niet meer bestraffen, maar toch voel ik me nog steeds kwetsbaar bij ze." Het bracht bij mij allerlei herinneringen boven, en het was goed herkenning te vinden.

Maar zoals goede kunst dat mijns inziens behoort te doen, zette dit boek ook aan tot reflectie. Een van de belangrijkste thema's in dit boek is schaamte en hoe dat door religieuze instituten wordt gebruikt om individuen in het gareel te houden. Craig leert dat hij zich voor twee dingen moet schamen: zijn verlangen om te tekenen en zijn verlangen naar seksualiteit. Van een zondagschooljuffrouw krijgt hij te horen dat we in de hemel alleen maar zullen zingen. 'Hoe kun je God nou loven door te tekenen?' wil ze weten. De jonge Craig zegt dat hij de Schepping kan tekenen, bomen enzo. "Maar die heeft God toch al getekend?", is het antwoord. Maar tekenen is wat hij het liefste doet. Uiteindelijk loopt de frustratie zo hoog op dat hij al zijn tekeningen verbrandt, zodat hij zich kan wijden aan bijbelstudie en 'geestelijke activiteiten'. Ook zijn seksualiteit wordt beschaamd. Als zijn ouders ontdekken dat hij een blote vrouw heeft getekend, vertellen ze hem dat Jezus nu wel heel erg verdrietig is. En hij ziet voor zijn geestesoog hoe Jezus zich van hem afkeert. Als hij merkt dat hij zich aangtrokken voelt tot Raina komen al die schaamtegevoelens weer opzetten.
Thompson suggereert dat artistieke expressie en seksualiteit iets gemeen hebben. Ik refereerde al aan de tekening. Er is ook een passage waarbij Craig masturbeert, op een vel papier, dat hij vol schaamte verfrommelt en weggooit (direct na de passage waarbij zijn tekentalent wordt afgewezen). En later waarschuwen vrome kerkgangers hem ervoor dat hij niet naar de kunstacademie moet gaan. Want omdat hij daar mensen 'zonder kleren aan' moet tekenen, zou hij verslaafd raken aan pornografie en misschien zelfs homoseksueel kunnen worden.
Laat ik even openhartig mogen worden en vertellen dat dit ook de dingen waren waarvoor ik me leerde schamen in mijn jeugd in de kerk. Ik leerde dat mijn passie voor lezen en schrijven van minder betekenis was dan bidden, bijbellezen en kerkbezoek. Op zijn best was het een 'hobby voor ernaast', op zijn slechtst een verslaving, maar het was niet iets waar ik God mee kon behagen. Net als Craig koos ik ervoor om dan maar helemaal te stoppen met het schrijven van verhalen. Daarnaast werd mij geleerd dat ieder die een vrouw aankeek 'om haar te begeren' in zijn hart al overspel had gepleegd. Ik deed dus mijn best elke vorm van seksueel verlangen zo hard mogelijk te onderdrukken en schaamde me elke keer als ik me door iemand van het andere geslacht aangetrokken voelde. Ik was een slecht persoon, was mijn conclusie, want ik wilde schrijven en ik wilde seks. Dus ik strafte mezelf en deed extra hard mijn best om te voldoen aan het ideaalbeeld van de kerk. Ik werd het braafste jongetje van de klas.
Maar kijk om je heen in de wereld: overal en in alle tijden zijn het deze twee menselijke eigenschappen: kunstzinnigheid en seksualiteit, die in strenge samenlevingen worden onderdrukt. Dat geldt voor religieuze gemeenschappen, maar ook voor totalitaire regimes als die in de Sovjetunie of Noord-Korea. Het is een interessant fenomeen dat in landen als Iran, of onder orthodoxe Joden, of in strenge reformatorische kerken, of in totalitaire samenlevingen, kunstenaars zich niet meer mogen uiten, en seksuele aantrekking zoveel mogelijk moet worden voorkomen.

Een deken van sneeuw maakte me bewust van dit verband. En suggereerde ook het waarom. De kern zit volgens mij in het woord 'expressie'. Een kunstenaar ervaart dat hij zich 'moet' uiten, hij moet dat wat in hem verborgen is, de beelden, de woorden, de gedachten, tot expressie brengen en met de buitenwereld delen. Net zo is het met de seksualiteit: het is een drang om jouw eigen unieke binnenste te delen met iemand buiten je. Het is een expressie van je 'ik'. Beide zijn individuele uitingen.
Ik heb jaren gedacht dat de verwrongen houding van conservatieve religie ten opzichte van seksualiteit (en dus ook kunst) voortkwam uit een platonische minachting van het aardse en het lichamelijke. Dat heeft ermee te maken, maar de werkelijke pijn ligt dieper. Het gaat om een minachting en afwijzing van de individuele identiteit. Het collectief met de aan iedereen opgelegde dogma's, wetten en eisen, gaat boven het individu met zijn verlangen om zich te uiten en zijn eigen stempel te drukken op de werkelijkheid. Thompson beschrijft en tekent een aanbiddingsdienst tijdens het kerkkamp, waarbij de leider iedereen oproept om mee te zingen. Ook al kan hij of zij helemaal niet zingen. In die massa van mensen die allemaal hetzelfde zeggen en doen, voelt Craig zich wegzinken. Hij wil niet hetzelfde zijn, denken en doen als ieder ander. Hij wil vrij zijn om zichzelf te uiten. Maar dat bedreigt de identiteit van de groep, die tegen elke prijs moet worden beschermd. De collectieve identiteit kan alleen blijven bestaan als de expressie van het individu wordt tegengegaan. (Daarom ook dat dit soort groepen vaak in een bepaalde tijdsperiode blijft hangen: er is geen innovatie, geen vernieuwing, en ze zingen (om bij de kerk te blijven waar ik opgroeide) liederen van anderhalve eeuw geleden.)
Iedereen die zich inzet voor zijn kerk, die vecht voor de overleving van het instituut, zou zich hier rekenschap van moeten geven. Want wat is meer waard: het gebouw? de vorm? de leer of de rituelen? of de individuele persoon, die naar Gods beeld is geschapen en wie God met zijn hele hart en onvoorwaardelijk liefheeft?

(Waarschuwing: ik heb het in het volgende gedeelte over het einde van het verhaal!)
Craig besluit uiteindelijk het christelijke geloof vaarwel te zeggen. "Ik geloof nog steeds in God", zegt hij tegen zijn broer, "Maar de rest van het christendom, met zijn bijbel, zijn kerken, zijn dogma's ... het creëert alleen maar grenzen tussen mensen en culturen. Het ontkent de schoonheid van het mens zijn en het negeert alle leegtes die het individu zelf moet invullen." Zoals de deken van sneeuw smelt, valt de deken van de schaamte van Craig af. In de grote stad is hij vrij om alle boeken te lezen die hij wil, te tekenen wat hij wil, en de vrouwen lief te hebben die hij wil. Maar zelfs daar, suggereert Thompson, is Craig niet vrij van de menigte. Ook de mensen in de stad vormen een massa, waarbij Craig in het niet valt. De individuele expressie gaat ten onder in de herrie van miljarden.
Ik geloof dat het verhaal uiteindelijk een sprank hoop geeft, als Craig na jaren zijn bijbel weer tevoorschijn haalt en leest uit Lucas 17, waar Jezus zegt: 'Het koninkrijk van God is onder jullie (of: in jullie).' Het koninkrijk van God is niet een macht of collectiviteit die aanwijsbaar is buiten ons. Je kunt niet zeggen: daar is het, of dit is het. Het is niet de macht van de groep van de kerk of enig ander instituut. Nee, het koninkrijk van God is een werkelijkheid in ons. Het is niet wat ons van buitenaf wordt opgelegd, niet een verband waar het individu zich aan moet onderwerpen om het in stand te houden. Het is een realiteit in ons hart, leven van binnenuit, dat van binnen naar buiten, door ons heen tot expressie komt. Niet wij worden gevormd door de wereld, nee, het leven komt in ons tot expressie en vormt zo de wereld. Door de invloed die wij uitoefenen, onze individuele expressie, wordt het koninkrijk van God zichtbaar. Onze individualiteit, onze eigenheid, gaat dus juist niet ten onder in Gods werkelijkheid, maar wordt geheiligd. We worden meer onszelf, en niet minder. We hoeven ons niet meer te schamen, want er is geen veroordeling meer voor wie in Christus Jezus zijn. En de gemeenschap van individuen die genieten van elkaars eigenheid, het beeld van God in elk van hen, die anders gezegd elkaar liefhebben, dat is het koninkrijk van God.
Nee, ik heb mijn jeugd in een fundamentalistische kerk en een streng gezin nog niet volledig verwerkt ben ik bang. Ik worstel nog met schaamte en barrières op beide van deze gebieden. Maar ik weet wel dat ik verlang te delen in de vrijheid en luister die de kinderen van God geschonken wordt. Net als Craig Thompson ervaar ik het soms als een bedreiging als de beschermende deken van de massa, waar je wordt vertelt wat waar is en wat niet, van me af valt. Maar tegelijk ontdek ik iets van de werkelijkheid van de persoonlijke God, die blij is met mij als individu en ervan geniet als ik mijzelf uit, als ik mijn sporen achterlaat in de wereld.

dinsdag 7 september 2010

Hoop doet leven 3: Verrast door hoop

Om aan te geven hoe mensen tot keuzes komen, gebruikte ik in mijn eerste bericht van deze serie al het voorbeeld van een wipwap, of een balans. Op de ene arm drukt de angst, de neiging tot zelfbescherming, de risicomijding; op de andere arm drukt het verlangen, het enthousiasme voor schoonheid, intimiteit en waarheid, ons geloof in een betere wereld. De invloed die het sterkste is, wint. Wat wij uiteindelijk kiezen, of we passief blijven of actie ondernemen, heeft niet te maken met onze wilskracht, maar met de grootte van onze angst en die van ons verlangen. Als het geloof iets te maken heeft met onze keuzes, met onze vrijheid, zal het dus op deze punten aangrijpen. Het zal of onze angst wegnemen, of ons verlangen vergroten.
Het geloofsverhaal zoals veel christenen dat vertellen heeft echter vaak een tegenovergesteld effect: de waarde van deze wereld, en haar schoonheid, intimiteit en waarheid, wordt gebagatelliseerd, en tegelijk krijgen we te horen dat wij worden afgerekend op onze keuzes, en dat als wij niet het juiste doen, Gods bedoeling in ons leven niet werkelijkheid wordt.

Ik hoorde het zelf in verschillende versies in de kerk waar ik opgroeide. Na mijn dood, of als Jezus terugkeerde, zou ik voor altijd vertrekken naar de hemel. Daar zou ik me alleen nog maar bezig houden met het aanbidden van God. De dingen waar ik hier op Aarde van genoot, mijn liefde voor de natuur, mijn verlangen naar avontuur, mijn passie voor verhalen, zouden dan geen betekenis meer hebben. “Het is ons in deze Aardse woestijn soms min”, zongen we in de Geestelijke liederen. Het Aardse en het lichamelijke waren wat ons betrof gedoemd te verdwijnen. Daarom moesten we ons er nu ook maar al niet te veel aan hechten. We konden in plaats daarvan beter de ‘geestelijke’ dingen doen, zoals bidden, bijbellezen en evangeliseren. Wat mij uniek maakte, mijn individualiteit, had geen eeuwigheidswaarde. We twijfelden er zelfs aan of we onze familie en vrienden nog wel zouden herkennen in de hemel, zelfs of we nog wel man of vrouw zouden zijn. Natuurlijk geloofden we wel in een opstanding uit de dood, maar dat was eigenlijk een formaliteit. Aan ons spirituele bestaan in een niet materiële hemel zou de opstanding niets veranderen.
Tegelijk werden we er steeds aan herinnerd dat hoewel onze eigen verlangens en wensen weinig waarde hadden, God een plan had met onze levens op Aarde. Er moesten immers zoveel mogelijk mensen behouden worden. Wij moesten zorgen dat we dat plan voor ons leven ontdekten en ons daaraan hielden. Deden we dat niet, dan zou God niet tot zijn bedoeling komen. Dan zouden er mensen naar de hel gaan, die anders gered zouden zijn.  Een bluegrassgroep uit onze kring van gemeentes zong hoe mensen ons zouden aanspreken als we voor de troon stonden: “Je wist dat ik verloren was, toen je in de bijbel las. Waarom heb je nooit verteld van de Heer?” We zouden ons rekenschap moeten geven van ons falen. Ja, natuurlijk geloofden we dat we uit genade behouden waren, door het geloof. Maar we zouden in bijbelse termen, gered worden als door vuur heen. We zouden ons nog steeds moeten schamen. We konden nog steeds falen, we waren nog steeds bang voor straf.
Deze toekomstverwachting heeft de uitwerking die je ervan verwacht: de arm van de balans met het verlangen wordt opgetild, de arm met de angst wordt verzwaard, en dus raken we passief, verlamd. We durven niet meer onze eigen keuzes te nemen, en ons hart te volgen, maar kunnen ons alleen nog onderwerpen aan de voorschriften en idealen van onze geloofsgemeenschap. Het is geen wonder dat de kerk wordt gezien als een instituut dat mensen hun vrijheid ontneemt, en het christelijke geloof als een keurslijf dat mensen verandert in robots of slaven.

Dit is bijzonder tragisch, omdat dit verhaal totaal in strijd is met de toekomstverwachting zoals die wordt beschreven in de bijbel. Zowel in het oude, als in het nieuwe testament, wordt de gelovigen niet voorgehouden dat ze bestemd zijn voor een bestaan als zielen zonder lichaam, in een niet materiële hemel. Er wordt niet beweerd dat het lichamelijke achter moet worden gelaten en dat het materiële geen waarde heeft. De bijbel suggereert ook niet dat de toekomst op de een of andere manier van de keuzes van de gelovigen afhangt, of dat door een verkeerde keuze aan onze kant Gods plannen geen werkelijkheid zouden worden. De toekomstverwachting zoals die overduidelijk in de bijbel wordt uiteengezet, is die van de opstanding van de individuele mens en het herstel van de geschapen werkelijkheid, die het gevolg zijn van de dood en opstanding van Jezus zelf. En dat is een belofte van God, die alleen van Hem afhankelijk is, en die wij niet kunnen tegenhouden of bespoedigen. De wederoprichting van alle dingen is wat de bijbel belooft.
Zelfs met de gemiddelde lengte van mijn blogberichten tot nu toe ontbreekt het mij aan ruimte om hier te laten zien wat deze toekomstverwachting precies inhoudt en wat de argumenten ervoor zijn vanuit de bijbel. Geïnteresseerden verwijs ik naar deel 3 van mijn serie over hemel en hel op deze blog. Uitgebreider is het laatste hoofdstuk van mijn boek Indrukwekkende vrijheid, dat vooral de nadruk legt op onze toekomstige vrijheid (niet verwonderlijk met zo'n titel). En wie zich echt omver wil laten kegelen door de radicaliteit van het bijbelse toekomstbeeld, moet zien dat hij het boek Surprised by Hope van de Anglicaanse bisschop N.T. Wright te pakken krijgt. Wie dat boek leest, ziet de toekomst nooit meer hetzelfde. Echt een aanrader. Voor het vervolg van dit bericht ga ik uit van het toekomstperspectief van de opstanding, en wil ik laten zien hoe dat de balans van onze keuzes kan beïnvloeden.

Ten eerste bevestigt de verwachting van de opstanding onze verlangens. Het bestaan waar we als mensen naar verlangen, dat wordt gekenmerkt door schoonheid, intimiteit en betekenis, is het bestaan waarvoor we zijn geschapen. De diepe drijfveren die de motor zijn achter onze keuzes, weerspiegelen het beeld van onze Schepper, God, en zullen ons dus nooit verlaten. De unieke verlangens die ons tot individuen maken, zullen altijd onze verlangens blijven. De persoon die we zijn zal niet oplossen in de eeuwige zee van bewustzijn,  we worden niet gereduceerd tot zielen zonder onderscheidende kenmerken. Nee, we zullen uit de dood opstaan als complete, hele mensen, met geest, ziel en lichaam, met alles wat ons als individuen maakt tot beelddragers van God. De ware persoon, man, vrouw, introvert, extrovert, gepassioneerd of intellectueel, zal voor altijd zichtbaar worden. Dit bestaan zal meer zijn dan het bestaan als personen dat we nu leiden. Zo zal het niet meer onderworpen zijn aan de vergankelijkheid. Er zal geen ziekte of dood meer zijn. Het zal ook niet meer in dezelfde mate onderworpen zijn aan de in dit heelal geldende natuurwetten. Jezus was in staat te verschijnen in een afgesloten ruimte, en plots te verdwijnen naar zijn vader in de hemel. Bovendien zullen de gevolgen van de gebrokenheid van de zonde in ons worden hersteld. De verkeerde gedachtenpatronen waar we aan gewend zijn geraakt, zullen worden ontkracht, de binding van de verslaving waar we in verstrikt zijn geraakt zal worden losgemaakt, de wonden die ons door anderen zijn aangebracht zullen worden genezen. We zullen zijn zoals het altijd al Gods bedoeling was dat we zouden zijn. Het is voor ons nog niet goed voor te stellen hoe we ooit zullen zijn. Maar er is een ding zeker: ons bestaan zal in elk geval niet minder zijn dan het bestaan als personen dat we nu leiden. "We willen niet dat deze kleding [het lichaam, JK] wordt uitgetrokken; we willen dat er nieuwe over wordt aangetrokken, zodat het sterfelijke door het leven wordt verslonden" (2 Korintiers 5:4).
Als complete mensen zullen we bovendien niet leven in een niet materiële hemel, zittend op wolkjes met een harp in onze hand. Ook de Aarde zal worden hersteld. Het hele heelal zal als het ware worden vernieuwd. De entropie die ons doet afstevenen op het einde van de geschiedenis, wordt omgekeerd. De nieuwe hemel en nieuwe aarde zullen de schoonheid van God volledig zichtbaar maken. Bovendien zal de gerechtigheid er wonen. En niet alleen zal Gods creativiteit in eeuwigheid geen einde kennen, deze nieuwe schepping zal ook plaats bieden aan onze scheppingskracht. Kunstenaars zullen kunnen beschikken over een oneindige bron aan inspiratie en materialen, ontdekkingsreizigers zullen nooit verlegen zijn om een witte plek op de kaart, wie houdt van goede gesprekken zal nooit uitgesproken raken. De mensheid zal zijn oorspronkelijke rol als schepper onder de Schepper eindelijk vervullen. Deze nieuwe schepping zal onze verlangens volledig kunnen vervullen. Hier komt de natuur van de mens volledig tot zijn recht.
We hoeven dus niet onze goede verlangens te wantrouwen. We hoeven geen scheiding te maken tussen ‘aardse’ verlangens en ‘geestelijke’ of ‘hemelse’ verlangens. Natuurlijk houden we oog voor de gebrokenheid die ons wil verleiden onze verlangens op verkeerde manieren te vervullen, maar we ontkennen niet dat onze verlangens naar zingeving, naar betekenisvol werk, naar gezondheid, naar liefde, naar verhalen, horen bij wie we zijn als Gods beeld, en in de wereld die komt volledig vervuld zullen worden. Ik ben bedoeld om anderen lief te hebben, ik ben bedoeld om te delen in extase, ik ben bedoeld om bij te dragen aan de ontplooiing van de schepping, ik ben bedoeld om te lachen, te zingen, te eten en te drinken. Daarom mogen we deze verlangens ook nu al nastreven, hoewel we in deze gebroken wereld nog niet kunnen garanderen dat ze vervuld zullen worden. Eens worden ze dat in elk geval wel.

Ten tweede neemt de belofte van de opstanding de last van de angst van onze schouders af.  Deze toekomst is namelijk op geen enkele manier van ons afhankelijk. Wie dood is kan zichzelf nu eenmaal niet levend maken. De wetten van de thermodynamica die de wanorde in het heelal laten toenemen, kunnen niet van binnenuit worden opgeheven. Het nieuwe leven, het herstel, kan alleen van buiten komen. De dode kan er niets aan bijdragen. God doet het, in de dood en opstanding van Jezus.
Al het kwaad, al het onrecht, alle ziekte, alle zonde uit heden, verleden en toekomst, is aan het kruis uitgewist. Het is verbrand in de vurige liefde van God. Er is niets meer van over gebleven. In het kruis is zelfs de laatste en grootste vijand, de dood, overwonnen. Wij hoeven er dus niet meer bang voor te zijn. Hoewel de gevolgen van Jezus’ offer nu nog niet overal zichtbaar zijn, is dat wel Gods belofte. Mijn wonden zullen worden hersteld, mijn verslaving zal worden verbroken, mijn schuld wordt vergeven, daar mag ik op vertrouwen. Ik hoef dus niet meer bang te zijn dat ik een verkeerde keus zal maken waar ik me voor zal moeten schamen, of dat ik een beslissing neem waarvan ik de gevolgen tot in eeuwigheid met me mee zal moeten dragen. Het vuur van Gods liefde neemt dat allemaal in zich op. In Gods eeuwige koninkrijk is het kwaad, dat misschien het gevolg kan zijn van onze beperkte keuzes, dus niet meer te vinden.
En vervolgens is ieder mens en de hele schepping betrokken in Jezus’ opstanding. Niets uitgezonderd. Laat dat even tot je doordringen. Ja, het is zo radicaal (zoals ik ook al betoogde in een eerder bericht). Want alles en iedereen was dood. De wederopstanding en het herstel is dus niet iets dat iemand zal kunnen tegenhouden. In Openbaringen zegt Jezus: “Zie ik maak ALLE DINGEN nieuw” (Openbaringen 21:5).Niet: de meeste dingen, of: de mensen die in mij geloofden, of: wie goed zijn best deed. Alle dingen. De hele wereld en alle mensen erop staan samen met Jezus uit de dood op, in hun volle, door Gods bedoelde glorie. Al onze niet vervulde verlangens, al onze ambities en mogelijkheden, al onze pogingen tot relaties en al onze verbroken contacten, alles krijgt zijn bedoelde plek in Gods koninkrijk. Daarom kan Paulus ook zeggen: “Wij weten nu, dat God ALLE DINGEN doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben” (Romeinen 8:25). Dat is geen belofte dat op dit moment in ons leven gebeurt wat wij willen dat gebeurt, maar dat alles dat nu gebeurt, goed of fout, gewild of ongewild, een plek zal krijgen in de uiteindelijke vervulling van Gods bedoeling. Of ik dus mijn angst overwin, of dat juist niet lukt, of gebeurt wat ik voor ogen had, of ik krijg nul op het rekwest, of ik slaag in mijn opzet of jammerlijk misluk: het zal allemaal worden gemaakt tot een bron van glorie en vervulling. Al mijn handelen krijgt betekenis, elke keuze krijgt glans, ongeacht de uitkomst. Ik hoef dus niet bang te zijn dat ik uiteindelijk iets misloop van wat God voor mij bedoeld had. Dat geldt zelfs als ik door mijn keuze zou sterven. ‘Of we nu leven of sterven, we zijn altijd van de Heer’ (Romeinen 14:8). Het gewicht van mijn keuzes rust dus niet meer op mijn rug en dat maakt het een stuk makkelijker om initiatief te nemen.

Gods belofte van opstanding en herstel is geworteld in zijn karakter. Onze hoop is dus afhankelijk van het beeld dat wij van God hebben. Uiteindelijk kan alleen het geloof in Gods onvoorwaardelijke liefde, ons vertrouwen geven voor de toekomst. Daarover gaat het volgende deel in deze serie. 

maandag 6 september 2010

Hoop doet leven 2: Sprong in het diepe

Keuzes maken is relatief makkelijk als je zeker weet dat ze resultaat zullen hebben. Zo koos ik er meer dan drie jaar geleden voor te gaan eten volgens het paleolithisch principe (ook wel het ‘oermensdieet’ genoemd, en sterk verwant aan de nu populaire methode van dr. Frank, maar dat ter zijde). Ik wist al jaren dat mijn gewicht niet gezond was, maar wat ik ook deed, ik viel niet af. Ik kwam eerder aan en had steeds een grotere broek nodig. Ik meende dus lange tijd dat ik te dik was en dik zou blijven, wat ik ook deed. Tot ik in het begin van het jaar foto’s van mezelf terugzag uit de tijd van mijn afstuderen, waarop ik er slank uitzag. En voor het eerst realiseerde ik me dat ik mezelf misschien altijd als ‘dik’ had gezien (ook omdat ik op de middelbare school voor sloom en dik was uitgemaakt), maar dat ik het niet altijd was geweest. En als ik slank was geweest, kon ik het ook weer worden. Of in elk geval slanker. Toen kwam een goede vriend op bezoek en vertelde dat hij volgens een nieuw dieet at. De regels van het dieet hadden een voor mij overtuigende verklaring en het zou me niet te veel moeite kosten om me eraan te houden. Mijn vriend was er ook al gewicht door kwijt geraakt. Dus begon ik vanaf die dag als oermens te eten. En in iets meer dan een half jaar was ik dertig kilo kwijtgeraakt. Helaas is er sinds die tijd weer wat teruggekomen, laat ik dat eerlijkheidshalve maar toegeven, maar ik weet nu ook dat ik die extra kilo’s kwijt kan raken als ik me weer wat strakker houdt aan het paleolithisch principe. Ik weet nu wat het resultaat is van deze keuze.

Maar ook al had ik duidelijke redenen om aan te nemen dat dit dieet effectief zou zijn en mij zou helpen af te vallen, toch was het niet vanzelfsprekend dat ik met deze methode zou beginnen. Ik had immers vaker tevergeefs geprobeerd gewicht kwijt te raken en was daardoor teleurgesteld geraakt. Nog een teleurstelling zou heel zwaar zijn. En hoe kon ik zeker weten dat het me zou lukken deze techniek vol te houden? Dat kon ik immers van te voren niet zeggen. Mijn keuze was dus niet een logisch gevolg van de feiten, maar een sprong in geloof. Ik koos ervoor te geloven dat ik opnieuw slank kon worden. Ik koos ervoor te geloven dat de argumenten van mijn vriend voor zijn dieetmethode betrouwbaar waren. Ik koos ervoor te geloven dat ik de wilskracht kon opbrengen om zoveel vlees, vis, fruit, groente en noten te eten. En die keuze om te geloven, om in de uitkomst van mijn keuzes te vertrouwen hoewel ik geen absolute zekerheid had, stelde me in staat mijn pizza’s te laten staan. (En ik werd aangenaam verrast door het tempo waarin de kilo’s verdwenen. Ik bleek ondanks alles toch behoorlijk kleingelovig te zijn geweest.)

Uiteindelijk komen al onze keuzes neer op een sprong in het diepe, een sprong in geloof. We kennen de toekomst niet, en hoe veel we ook weten en hoe veel we kunnen berekenen of beredeneren, echt zeker van het resultaat kunnen we nooit zijn. Er zijn altijd meer factoren in het spel dan onze handelingen. De keuzes van andere mensen bijvoorbeeld, die misschien het tegenovergestelde als wij, of in elk geval niet meewerken met onze plannen. En de macht van tijd en toeval in het algemeen (die volgens de schrijver van Prediker immers allen treffen). De mens wikt, luidt de uitspraak, maar God, of het lot, of tijd en toeval, beschikt.
Er kan altijd iets tussenbeide komen, al is het maar de vlinder die in Brazilië met de vleugels wappert en zo een storm veroorzaakt die mijn strandwandeling in het water gooit. Wij mensen zijn te beperkte schepselen om alle vleugelbewegingen van alle vlinders in Brazilië in onze toekomstvoorspellingen mee te nemen. We kunnen er voordat we een beslissing nemen dus nooit op vertrouwen dat inderdaad gebeurt wat wij willen dat er gebeurt. Een tiener kan kiezen voor een opleiding in de verwachting later onderzoeker te zullen worden, maar in de laatste stage wordt hij overspannen en blijkt hij een andere carrière te moeten kiezen. Twee mensen trouwen in de hoop dat ze samen oud zullen worden, maar een week later komt een van hen onder een auto, of krijgt kanker. De vakantie naar Frankrijk, waar de zon had moeten schijnen, wordt een drama als gevolg van de overmatige regenval. Het avondje uit waar je naar had uitgezien wordt een drama omdat je partner iets moet opbiechten. De ander zegt ‘nee’, terwijl je had uitgekeken naar een ‘ja’.

Bij elk initiatief dat je neemt is er dus het risico dat jouw hoop niet vervuld wordt en je verwachting niet uitkomt. Mensen zijn echter notoire risicomijders (zoals eigenlijk alle dieren). We hebben een krachtig instinct tot zelfbescherming. Onze eerste neiging is om ons leven te beschermen. En ook een verlangen dat beschaamd wordt, een wens die niet vervult zou worden, zien we als een bedreiging van ons ik, van ons leven. Al onze ingebakken beschermingsystemen komen daarom in actie om ons ertoe te bewegen het gevaar te ontlopen. Als we niets doen weten we ook niet wat er gebeurt, maar dan raken we ten minste niet kwijt wat we al hebben, is volgens mij de onbewuste redenatie. Hoe meer er van onze keuze afhangt, en hoe groter de door ons ingeschatte kans op een ongewenst resultaat, hoe sterker onze instinctmatige weerstand tegen het te nemen initiatief.
Deze weerstand uit zich in de vorm van angst. Onze maag trekt zich samen, het zweet breekt ons uit, we liggen ‘s nachts te woelen in bed, piekergedachten volgen steeds het zelfde rondje van vertrouwde argumenten, en we worden verleid om afleiding te zoeken in films, voedsel, of andere verslavingen. Als we ons hoofd in het zand steken, gaat onze gelegenheid om te handelen vanzelf voorbij en kunnen we door met ons veilige leventje. Hoe kleiner ons geloof in een goede uitkomst, hoe sterker de angst, en hoe groter onze neiging de keuze uit de weg te gaan. Onze zelfbescherming verhindert ons om onze verlangens te volgen, en om te doen waarvan we weten dat het goed is.

Toen ik laatst in een situatie was dat ik iets wilde doen, maar het niet durfde omdat ik niet wist wat er zou gebeuren, kwam tijdens een gebed het verhaal van Jezus in de tuin van Getsemane in mijn gedachten. "Hij liep weg, tot ongeveer een steenworp ver, en knielde daarna neer om te bidden. Hij bad: ‘Vader, als u het wilt, neem dan deze beker van mij weg. Maar laat niet wat ik wil, maar wat u wilt gebeuren.’ Uit de hemel verscheen hem een engel om hem kracht te geven. Hij werd overvallen door doodsangst, maar bleef bidden; zijn zweet viel in grote druppels als bloed op de grond." ( Lukas 22:44). Ik begreep eigenlijk voor het eerst een beetje waarom Jezus bloed zweette. Hij wist wat de goede keuze was. Hij wist wat God van hem vroeg. Maar hij wist ook dat het hem zijn leven zou kosten, en wel op een bijzonder pijnlijke manier. Zijn instinct van zelfbescherming protesteerde daartegen.
Dat Jezus bang was, was geen zonde. Soms zien wij als christenen onze angst als iets negatiefs, of als geestelijke strijd of aanvechting. Dat suggereert dat onze menselijkheid en ons individuele bestaan, dat onze angst probeert te beschermen, kennelijk niet belangrijk zijn. Het feit dat Jezus hier openlijk voor God en zijn discipelen zijn angst toont en bespreekbaar maakt, laat zien dat ook wij ons niet voor onze angst hoeven schamen. Ons leven en onze individualiteit zijn belangrijk en het beschermen waard. Bang zijn voor risico’s hoort er dus bij.
Jezus veroordeelt nergens zijn eigen angst, schaamt zich er niet voor en probeert de angst ook niet te ontvluchten of te verdoven (later in de geschiedenis weigert hij pijnstillende middelen in te nemen). Maar hij laat zich uiteindelijk door zijn angst niet weerhouden van het nemen van initiatief. Hij laat zich niet verlammen of onvrij maken. Hij laat zich niet beïnvloeden door zijn automatische neiging tot zelfbescherming. Anders gezegd: hij houdt zich er dood voor, of hij sterft eraan. Als Jezus zegt: ‘Vader, laat niet wat ik wil, maar wat u wilt, gebeuren’, zegt hij niet dat hij als een robot wil zijn. Nee, het is zijn actieve, bewuste beslissing om te doen wat God van hem vraagt. Het is een uiting van zijn vrijheid als mens. De wil waarover hij spreekt die niet moet gebeuren, is de wil van zijn neiging tot zelfbescherming, de angst die hem influistert het risico uit de weg te gaan en de pijn te vermijden.

Ik geloof dat hierin de betekenis ligt van het bijbelgedeelte dat ons oproept ons leven niet lief te hebben: "Wie zijn leven liefheeft verliest het, maar wie in deze wereld zijn leven haat, behoudt het voor het eeuwige leven" (Johannes 12:25). Dat wil niet zeggen dat we onszelf tot willoze robots reduceren, die geen inspraak hebben in ons eigen leven. Het doel is immers het eeuwige leven, niet de eeuwige levenloosheid. Dit vers wil zeggen dat we niet tegen elke prijs elk risico vermijden en niet onze eigen veiligheid stellen boven het doen van het goede, boven het zoeken van wat werkelijk waarheid, schoonheid en gerechtigheid is. Je sterft aan jezelf, je hebt je leven niet lief, als je ondanks je angst voor confrontatie, toch iemand durft te vertellen dat hij je pijn heeft gedaan. Je sterft aan jezelf als je ondanks je angst boos aangekeken te worden, toch in een personeelbijeenkomst de directeur durft tegen te spreken. Je sterft aan jezelf als je ondanks je angst voor teleurstelling, toch durft te solliciteren voor die nieuwe baan, of als je ondanks je angst voor schaamte, toch die dakloze naar de opvang durft te brengen. Je sterft aan jezelf als je ondanks je angst voor afwijzing, toch op zoek gaat naar een levenspartner, omdat je weet dat het niet goed is dat een mens alleen is.
Als je deze dingen doet, volg je in de voetsporen van Jezus. Ook al schreeuwt elke vezel in je: ‘Niet doen!’, ook al roept elke hersencel je op te vluchten in andere activiteiten, je doet wat Paulus schreef: " schenk aandacht aan alles wat waar is, alles wat edel is, alles wat rechtvaardig is, alles wat zuiver is, alles wat lieflijk is, alles wat eervol is, kortom, aan alles wat deugdzaam is en lof verdient" (Filippenzen 4:8). Dit is wat Paulus even daarvoor omschreef als ‘delen in Jezus' lijden en aan hem gelijk worden in zijn dood’ (Filippenzen 3:10). Hij wilde net als Jezus het zoeken van de goede wil van God stellen boven zijn neiging tot zelfbescherming, ook als dat betekende dat hij zou kunnen lijden en zelfs sterven. En dat kon hij doen ‘in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan' (v11).
Jezus zelf was in staat te kiezen voor de wil van God, en zijn dood tegemoet te zien, omdat hij wist waar het einde van zijn zelfbescherming toe zou leiden. ‘Denkend aan de vreugde die voor hem in het verschiet lag, liet hij zich niet afschrikken door de schande van het kruis' (Hebreeen 12:2).
Jezus wist dat het resultaat van zijn keuze, hoeveel het hem ook zou kosten, welk risico hij ook liep, de moeite waard zou zijn. Daar was hij zeker van. God had hem namelijk beloofd dat hij uit de dood zou opstaan, en dat dit de inleiding zou zijn tot het herstel van alle dingen. Zijn opoffering zou niet voor niets zijn. En dat is de belofte waar onze hoop op gebaseerd is, dat wat er ook gebeurt als wij initiatief nemen, of gebeurt wat wij wensen, of dat onze verlangens worden gefrustreerd, of de omstanders en omstandigheden ons tegenwerken of meewerken, het resultaat de moeite waard zal zijn. Dat wat wij ook doen, hoeveel risico wij ook nemen, en hoe wij ons leven ook op het spel zetten, het niet tevergeefs zal zijn. Het besef dat "door de Heer uw inspanningen nooit tevergeefs zijn" (1Korintiers 15:58). Daardoor kunnen we met een gerust hart de sprong in het diepe wagen.
Meer over de belofte van de opstanding in de volgende aflevering.

vrijdag 3 september 2010

Hoop doet leven 1: wanhoop doet sterven

Het is een bekend citaat geworden, de uitspraak dat mensen veertig dagen zonder voedsel kunnen, drie dagen zonder water, en tien minuten zonder zuurstof, maar geen seconde zonder hoop. Als ik zoiets hoor, ben ik geneigd te knikken. Het lijkt een mooie tegelwijsheid voor aan de wand, maar wat heeft het met het echte leven te maken? Een paar gebeurtenissen vielen deze week samen, waardoor ik de waarheid van deze uitspraak beter ben gaan begrijpen. En hoewel ik van plan was voorlopig geen serie te schrijven, gaat dit er toch een worden. Ik ben (zoals mijn trouwe lezers ondertussen wel door hebben) nu eenmaal niet bepaald kort van stof.

Om te beginnen las ik op twitter mee met een korte discussie van een voorganger en een jeugdwerker die op een studentenavond van Agape StudentLife in Utrecht waren geweest. Daar hadden ze met verschillende jonge mensen gesproken. Hun conclusie was: “Dit moet de generatie mensen zijn die niet meer durft te dromen....hoogste doelen in leven erg basic. Dat verbaasde me. God speelt geen rol. God vragen stellen (relatie) wordt resoluut afgewezen. Studenten willen liever onwetend zijn.”  Hun belangrijkste doelen zijn gelukkig te zijn en een gezin te stichten, maar verder hebben ze weinig idealen. Zelfs als God bestaat, willen ze het niet te weten komen. “Some students don't want to know God, ‘even if it were possible', out of fear for knowing the future. 100% of students interviewed today have no clear goal is life. Common answer: be happy, have a family. Where are the history makers?” Waar is in deze generatie de visionair, de dromer, degene die grote dingen doet?
Natuurlijk werd de link gelegd met het postmodernisme, het einde van de grote verhalen, de ‘wat goed voelt, is waar’-theologie. Maar toen ik deze discussie volgde, dacht ik aan een artikel dat ik vrij recent had gelezen op een sciencefictionwebsite. Het ging over de toekomstverhalen die nu worden geschreven. In de beginjaren van de sciencefiction werd in deze verhalen vaak een positieve toekomst beschreven, vol ruimtereizen, nieuwe ontdekkingen en technische mogelijkheden. Er werd wel eens gewaarschuwd voor de menselijke hoogmoed (onder andere door C.S. Lewis in de ruimtetrilogie), maar over het algemeen ging men ervan uit dat de mensheid haar eigen toekomst naar eigen believen zou kunnen vormgeven. Als we onze planeet eenmaal hadden verlaten lag het heelal voor ons open. Eeuwig leven, kunstmatige intelligentie en reizen sneller dan licht, het was allemaal onder handbereik. Na de tweede wereldoorlog werd het toekomstbeeld grimmiger. Nucleaire oorlog was een serieuze bedreiging. Er waren postapocalyptische verhalen over het leven na een nucleaire winter. Ook verhalen over totalitaire samenlevingen, natuurrampen en misbruik van de wetenschap hoorden tot het repertoire. Maar deze verhalen eindigden vaker wel dan niet met hoop. De overlevenden vormden het begin van een nieuwe beschaving, of er zou een technische oplossing komen, een groot leider, een doorbraak waardoor de status quo behouden kon worden. Latere verhalen haakten in op de opkomst van computers en het internet, en in toekomstbeelden gingen biotechnologie, ziektes en verlies van privacy een grotere rol spelen. Maar steeds gloorde er wel wat licht op de horizon. Nu niet meer. De toekomstverhalen van nu spelen zich af in wat de SF-geeks noemen: de ‘post-scarcity society’. Dit is een toekomst waarin het de mens niet gelukt is de planeet te verlaten en waar de grondstoffen van de Aarde op zijn geraakt (vandaar ‘post-scarcity’). De oliepiek is geweest, de voorraden fossiele brandstoffen zijn uitgeput, zeldzame metalen zijn nog zeldzamer geworden, de oceanen zijn leeggevist, de regenwouden gekapt en de woestijnen gegroeid. Mensen moeten zich zien te redden met de resten van onze cultuur, soms zonder electriciteit, soms met techniek slechts in de handen van zeer weinigen. Fundamentalistische religie viert vaak hoogtij. En deze werelden kunnen niet meer gered worden. De mensheid leeft in een uitgewoond huis, dat alleen nog maar verder zal vervallen. Er is geen gelegenheid meer om de ruimte te koloniseren, er is geen kans meer om nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen te doen, en er is geen mogelijkheid meer voor de massa om te delen in de voorspoed van de elite. Het enige dat overblijft is berusting.
Sciencefictionverhalen zijn daarom zo boeiend omdat ze vaak licht werpen op huidige ontwikkelingen, en volgens mij ook op de inspiratieloze generatie van nu. Want wat is de toekomst die deze jongeren voor zich zien? De klimaatverandering als gevolg van het menselijke ingrijpen kan niet meer tot staan worden gebracht. Zelfs niet als we nu volledig stoppen met het uitscheiden van broeikasgassen. En het lijkt er niet op dat de opkomende economieën in China en India hun groei zullen stopzetten. Stijging van de zeespiegel lijkt een geaccepteerd feit, met daaraan gekoppeld alle rampzalige gevolgen van dien. Tegelijk begint het besef door te dringen dat er een grens is aan de voorraad fossiele brandstoffen.  We moeten steeds dieper boren om olie te vinden, en de ramp in de golf van Mexico is daarvan een zijdelings resultaat. De grens van de geneeskunde is ondertussen bereikt. Bacteriën die eerst goed behandeld konden worden, hebben toch de overhand behaald over de antibiotica en grijpen weer als vanouds om zich heen. En dan zijn er nog de ongrijpbare vijanden, de terroristen, tegen wie de hele oorlog van de afgelopen negen jaar niets lijkt te hebben uitgehaald. Ze kunnen overal toeslaan en niemand kan er iets aan veranderen. De weg naar de afgrond lijkt niet te stoppen, in elk geval niet door een individu, zelfs niet als hij Bono heet. Hoe de toekomst ook wordt, het kan nooit meer zo goed worden als nu. In de schappen van de tijdschriftenwinkels staat nu het themanummer van Scientific American getiteld ‘The End’. Deze gaat over precies dit onderwerp. Uit de inleiding: “People begin to wonder - not just people who are fringe zealots or crazies - whether modern society is any longer capable of solving its problems .... if the world appears to be going to hell, perhaps that’s just what is happening.”
Het is dan ook geen wonder dat jongeren tegenwoordig geen grotere dromen meer koesteren, geen wereldverbeteraar meer hoeven spelen, maar gelukkig zijn met wat ze op dit moment nog kunnen bereiken: gezondheid en een gezin. Ze hebben geen hoop meer. En zonder hoop is er geen motivatie om dingen te veranderen. Paulus verwoordde het al zo in 1 Korintiers 15: “Laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij.” Als je niet meer gelooft dat wat jij doet een effect heeft ten goede, als je er niet meer op vertrouwt dat je omstandigheden kunnen veranderen, als je geen visie meer hebt voor een betere wereld, waarom zou je je dan nog inspannen? Waarom zou je dan nog uit je ‘comfortzone’ stappen? Waarom zou je dan nog het risico nemen te falen? Waarom zou jij je leven dan nog op het spel willen zetten? De apathische houding van de ‘jeugd van tegenwoordig’ (onder wie ik mezelf voor het gemak ook reken) is het gevolg van wanhoop. Wanhoop leidt tot een verlies aan motivatie, en dus tot passiviteit en een einde aan initiatief en interactie met de omgeving, en dus tot de dood.

Maar dit principe geldt niet alleen op maatschappijniveau. Ik zie het ook aan het werk in mijn eigen leven. Aandachtige volgers van mijn blog hebben wellicht tussen de regels door begrepen dat ik worstel met het nemen van initiatief op bepaalde gebieden in mijn leven. Er zijn dingen die ik graag wil doen, activiteiten die ik wil ondernemen, waar ik mezelf niet, of slechts met de grootste moeite toe kan zetten. Ik ben niet in staat om te doen wat ik wil, het lukt me niet om mijn verlangens in daden om te zetten. Dit leidt tot grote spanning, stress en frustratie. Ik geloof niet echt in het bestaan van wilskracht, heb ik al eerder uitgelegd. We willen of we willen niet. De vraag is: hoe krachtig is ons verlangen? Is het krachtig genoeg om onze angst te overwinnen? Kan het de wipwap laten omslaan? En hier keren we terug naar het ontbreken van hoop. Als ik bijvoorbeeld een andere baan zou willen, maar ik kan me niet voorstellen dat een bedrijf mij zou willen aannemen, zal ik mezelf er niet toe kunnen brengen te solliciteren. Wat heeft het immers voor zin? Als ik een vriend ergens voor zou willen uitnodigen, maar ik weet eigenlijk zeker dat hij 'nee' zal zeggen, doe ik het maar liever niet. Mijn verlangen zal het alleen winnen van mijn angst en twijfel, als ik me kan voorstellen dat het vervuld wordt. Alleen als ik voor mijn geestesoog het beeld tevoorschijn kan roepen van een toekomst waarin mijn verlangen werkelijkheid is geworden en als ik me ook nog eens kan voorstellen dat de handelingen die ik nu verricht daartoe zouden kunnen leiden, zal ik uit de passiviteit kunnen komen en daadwerkelijk iets ondernemen. Maar als ik geen kans zie dat mijn verlangens zullen uitkomen, als ik me niet kan voorstellen dat ik kan bereiken wat ik wil, als ik niet geloof dat er verandering mogelijk is, zullen mijn instinct tot zelfbehoud en mijn angst de strijd winnen. Dan blijft de wipwap stug in dezelfde stand staan. Dan zal ik proberen mijn verlangen naar een andere toekomst te onderdrukken, en de pijn en frustratie in mij te verdoven met wat nu voor handen is: bier, televisie of computerspellen.
Ik hoorde het gisteren nog een dominee zeggen in een podcast: Passiviteit komt voort uit het geloof dat verandering niet mogelijk is. Dat wil volgens mij zeggen: uit angst voor de dood. Want als er iets is dat geldt voor de dood is het dat er niets meer kan veranderen. Een dood voorwerp kan geen invloed meer uitoefenen op zijn omgeving, kan geen initiatief meer ontplooien en kan niet groeien of bewegen. Dood is de ultieme vorm van onvrijheid. Elke keer als we op een bepaald terrein niets te kiezen hebben en niets kunnen veranderen, ervaren we iets van de dood.
De ironie is echter dat onze angst voor de dood, ons geloof dat we toch niets kunnen veranderen, ons ervan weerhoudt initiatief te nemen, te dromen, te groeien en te handelen. Ik geloof dat onze verlangens (de ene kant van de wipwap) blijven. We blijven verlangen naar het goede: schoonheid, intimiteit en waarheid. We blijven verlangen naar een rechtvaardige wereld, waarin wij en ieder ander tot bloei is gekomen. Maar we zijn niet meer in staat daar iets voor te ondernemen. Onze angst voor de dood maakt ons passief en doet ons onze vrijheid verliezen. En dus ervaren we nu al iets van de dood: we halen wel adem en we eten en drinken en we vermaken ons kapot, maar we veranderen zelf niet werkelijk, we gaan geen werkelijke relaties aan met onze medemensen, we oefenen geen invloed uit op onze omgeving. Dit is de dood waar de bijbel over spreekt, als bijvoorbeeld de apostel Paulus zegt dat wij ‘dood waren door onze overtredingen’ want: 'U leefde in een wereld zonder hoop en zonder God' (Efeze 2). En ieder mens ervaart in zijn leven deze dood, deze onvrijheid, omdat het leven van ieder mens uiteindelijk leidt tot de dood. “Het is de mens gegeven eenmaal te sterven en daarna het oordeel” (Heb 9:27). Aan het eind van onze tachtig of negentig jaar sterft al onze hoop, dan is er voor altijd geen verandering meer mogelijk. Op dat moment eindigen al onze pogingen tot groei, tot verandering en tot interactie met onze omgeving. De dood geeft aan al onze verlangens en aspiraties een gevoel van futiliteit. Waarom zou ik nog een van die dingen, die soms zo moeilijk te verwerkelijken zijn, ondernemen als het (in de woorden van Prediker) toch ‘lucht en leegte’ is? Het is waar wat de Hebreeenbrief schrijft, namelijk dat alle mensen ‘hun hele leven uit angst voor de dood aan slavernij onderworpen zijn’ (Hebreeen 2:15). Ik durf te beweren dat de wanhoop, de zekerheid van de dood, de grootste vijand is van de menselijke vrijheid, en dus van het leven.
Gelukkig is dit nog maar aflevering 1 van deze serie. In de volgende berichten hoop ik te kunnen laten zien waarom Paulus kan beweren dat wij niet zijn 'als zij die geen hoop hebben’ (1 Thessalonicenzen 4:13).