Posts tonen met het label zekerheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label zekerheid. Alle posts tonen

zaterdag 10 oktober 2015

'De loser die wint ...' - The Making Of ... (2): Zwak geloven

Ondertussen ben ik hard aan het werk de laatste proeven van 'Hoe je zwakheid leven brengt' door te nemen. Nu wordt het wel heel werkelijk. Als ik dadelijk deze versie heb teruggestuurd, is de tekst helemaal af. Dan kan het worden opgemaakt, en gedrukt. En dan kan iedereen het lezen. Dat is natuurlijk waarom ik het boek geschreven heb, maar het is ook spannend. Ik weet namelijk bij voorbaat al dat niet iedereen het zal kunnen waarderen. Op facebook volg ik bijvoorbeeld iemand die eerlijk verslag doet van de vragen die hij de laatste tijd bij zijn geloof is gaan stellen - maar in de commentaren onder zijn berichten krijgt hij de wind van voren: hij zou zijn plek in een christelijke organisatie moeten neerleggen, hij zou verantwoording moeten afleggen aan christenen die 'twijfelen aan zijn twijfel', hij zou geen sterk geloof hebben.

Nu weet ik al jaren van mezelf dat ik geen sterk geloof heb. In elk geval niet volgens de definitie die ik daar toen ik opgroeide in een fundamentalistische kerk voor zou hebben gegeven. Voordat ik overspannen werd en die kerk verliet, dacht ik dat geloven gelijk stond aan 'zeker zijn', en 'alles kunnen uitleggen' en 'niet twijfelen'. Ik moest ervan overtuigd zijn dat een aantal uitspraken over de werkelijkheid (opgesteld op basis van een bepaalde uitleg van een verzameling oude geschriften) absoluut, volkomen de werkelijkheid beschreven en dat alternatieve interpretaties en uitspraken over de werkelijkheid niet klopten. Deze zekerheid was niet alleen een acceptatie van kennis, zoals ik zeker was dat een en een twee is, maar een psychologische toestand: een toestand van absolute zekerheid. Die weinig te maken had met wat ik met mijn ogen kon zien, de gegevens die ik kon verzamelen, of de conclusies die mijn verstand daaruit kon trokken. Het was een a priori vaststelling dat ik niks anders in overweging kon nemen als waarheid. Zoals een fundamentalistisch christen ooit op Goedgelovig schreef: "Ik weet 100 procent zeker dat ik nooit zal twijfelen aan Gods bestaan.” Zelf vind ik het nu heel ongezond dit soort voorspellingen te doen. Maar ik herken het principe. Ik dacht ook dat ik nooit zou twijfelen aan het jonge aarde creationisme, of aan het pretribulationistische premillennialisme, of aan Gods bestaan. Niet omdat ik daar echt van overtuigd was (ik kan terugkijkend zeggen dat ik eigenlijk altijd het evolutionistische model overtuigender heb gevonden, en het standaard eindtijdmodel wel erg ingewikkeld, en dat ik ook lang niet altijd Gods aanwezigheid ervoer) maar omdat ik nu eenmaal zo zeker moest zijn.
Ook toen ik de kerk waar ik was opgegroeid allang had verlaten, probeerde ik het 'kaartenhuis van zeker weten' nog overeind te houden. Ik klemde me vast aan religieuze ervaringen, of aan filosofische overwegingen. In die periode sprak ik met een goede vriend over The Matrix Revolutions, die toen in de bios draaide. Hij betoogde dat ook al kunnen we niet zeker weten dat de werkelijkheid een illusie is, het toch zinvol kan zijn om te geloven. Je gelooft immers niet omdat je zeker bent dat het echt zo is, maar omdat je het wilt geloven. Toen was ik nog heel geschokt door die gedachte. Maar ondertussen ben ik me gaan realiseren dat ik maar heel weinig echt zeker kan weten. En dat mijn geloof in God dus weinig met 'zekerheid' als psychologisch fenomeen te maken heeft. Sterker nog: ik ben eigenlijk 'nauwelijks nog gelovig'. Zo beschreef ik het op mijn blog.

Maar de vraag is of dat zo erg is. Is het niet eerder bevrijdend? Onze zekerheid - het proces waarmee we onze eigenwaarde laten afhangen van de onwankelbaarheid van onze psychologische toestand van overtuigd zijn - maakt dat we andersdenkenden als vijand behandelen, mensen die anders of niet geloven alleen beschouwen als evangelisatiedoelwitten en niet als medemensen, en de wereld, anderen en onszelf strak in het kader dwingen dat nodig is voor ons gelijk, zelfs als zij of wij daar eigenlijk niet in passen. Dit beschadigt ons ook. Ons geloof is zo niets anders dan een 'heldenverhaal', waarmee we onszelf proberen te beschermen tegen de dood en tegen betekenisloosheid. Een heldenverhaal waarin wij zelf centraal staan en waaraan nooit getornd mag worden. En waar anderen het slachtoffer van worden. Want als je van mij vraagt net zo zeker te zijn als jij, en mijn vragen bagatelliseert, onderwerp je mij aan jouw 'zingevingsverhaal'.
Hier tegenover staat het 'zwak geloven'. Een term die ik voor het eerst tegenkwam bij Ronald van den Oever. Hij schreef: "De kern van het zwakke denken is dat we geen claims meer hebben om krachtige metafysica vast te houden ... Jezus is gekomen om alle bolwerken (machthebbers) van hun kracht te ontdoen. Onze weg is achter Hem aan, de weg van de naastenliefde (charitas) en naastenliefde verzwakt alle macht en bant al het geweld uit." Hij noemt dit zelfs een soort blijde boodschap.
Over de term 'zwak geloven' heb ik lang nagedacht. Uiteindelijk ging ik zelfs op mijn blog een flinke serie schrijven met als titel 'Terug naar de basis'. Daarin schreef ik dat ik ervoor koos in God te geloven en te leven op de manier die daarbij hoort, niet omdat ik er rationeel of emotioneel van overtuigd ben, maar omdat ik het verhaal van God dat zichtbaar is geworden in Jezus het mooiste, beste, meest betekenisvolle verhaal ter wereld vind. Ik verlang naar dit visioen van de werkelijkheid. En dus zal ik blijven geloven, ongeacht of ik het kan bewijzen of niet. Ik moet vaak denken aan de woorden van de ‘marshwiggle’ Puddleglum uit The Silver Chair van C.S. Lewis: “Suppose we have only dreamed, or made up, all those things-trees and grass and sun and moon and stars and Aslan himself. Suppose we have. Then all I can say is that, in that case, the made-up things seem a good deal more important than the real ones. That's why I'm going to stand by the play world. I'm on Aslan's side even if there isn't any Aslan to lead it. I'm going to live as like a Narnian as I can even if there isn't any Narnia.”

En waarom vind ik dit verhaal zo mooi dat ik erin wil leven? Omdat het een verhaal is over zwakheid. Als in de beste sprookjes gaat het niet over de machthebber of de sterke held, maar over de jongste zoon, de zwakke broeder, degene die het onderspit delft. En die toch  uit de dood wordt opgewekt. De ontmenselijkende machthebbers van deze wereld worden ontmaskerd als valse verhalen volgend. De lijdende, worstelende verschoppeling blijkt niet vergeten te zijn, en zelfs de dood heeft niet het laatste woord. Dat vind ik gaaf, want ik realiseer me dat ikzelf ook vaak zwak ben. Ik kan geen 100 procent zekerheid in stand houden, ik kan niet beloven nooit aan verleiding toe te geven, ik worstel met slaapproblemen en stressklachten die ik niet zomaar kan overwinnen, en ik kan mijn lichaamsgewicht niet zomaar terugdringen.
Het mooie is dat een van de punten waarin ik mezelf altijd als 'zwak' had ervaren, tijdens het schrijven van bovengenoemde serie blogberichten, toch een succesverhaal werd. Ik kreeg namelijk verkering met Bianca. En later werd ze zelfs mijn vrouw. Maar zij illustreert ook juist weer het punt: ik heb niet mijn best gedaan haar te imponeren. Ik heb zelfs even verkering gehad met een ander. En toch bleef ze van mij houden, gewoon zoals ik ben. Ik hoef voor haar me niet anders voor te doen dan ik ben, hoef niet dingen in huis te repareren die ik niet kan (of wil), hoef niet mijn aquariums de deur uit te doen of mijn stripboeken. En ook als ik klaag over hoofdpijn, of voor de zoveelste keer twijfel over de kerk of over mijn schrijfkwaliteiten, ziet ze me niet als een 'loser', of suggereert ze dat ik aan mezelf moet werken. Ze zegt dan dat ze van me houdt. Punt. En het hoeft waarschijnlijk niet te worden gezegd, maar: ik hou ook van haar. Zoals ze is. Elk moment met haar is een feestje, een prachtige dans van twee mensen die zichzelf aan de ander willen geven. Zoals het ook met God is.

Er waren een aantal lezers die mijn blog aandachtig volgden, en die ook behoorlijk onder de indruk waren van de serie 'Terug naar de basis'. Hans Zellenrath schreef in een reactie: 'Je bent een echte schrijver die moet schrijven, een innerlijke noodzaak. Prachtig weergegeven. Deze bijdragen op je blogs zouden een mooi en interessant boek zijn. Eerlijk en in zwakheid sterk. Dat je jezelf niet spaart maar ons toont in afhankelijkheid, zwakheid maar ook in grandeur en geloof in Hem die alles omvat.' Ook Daniel de Wolf bleek heel enthousiast over mijn ideeën en stimuleerde me er een boek van te maken. En in het voorjaar van 2012 heb ik dat dus ook gedaan, maar daarover later meer!

(wordt vervolgd)

woensdag 18 januari 2012

Links: Europese mensapen, graphic novels, The Walking Dead, Beyond Evangelical en verontschuldiging

Wil je verbaasd staan? Wil je jezelf ongelofelijk nietig voelen? Wil je alles in het leven en op aarde eens volledig relativeren? Probeer je dan eens voor te stellen hoe groot het heelal eigenlijk is. Moeilijk he? Dit filmpje helpt erbij ...

Mensapen kennen we nu vooral uit Afrika en uit Azie, maar ze kwamen ook voor in Europa

De tekenfilmserie Avatar - The last airbender was geweldig (veel beter dan de bioscoopfilm): spannend, humoristisch, met sterke karakters, een goed uitgewerkte fantasiewereld en een mooi en verrassend verhaal. Het ziet ernaar uit dat het vervolg The Legend of Korra ook zo goed wordt. Deze voorproefjes smaken in elk geval naar meer!

Een voorproefje dat geen realiteit werd was deze van de film John Carter of Mars. Niet de versie van Andrew Stanton die dit voorjaar in de bioscoop komt, maar de versie van Kerry Conran. Wie? De regisseur van Sky Captain and the World of Tomorrow! Een ding is zeker: het zou een visueel spektakel zijn geworden.

Altijd leuk als striphelden uit verschillende strips elkaar ontmoeten. Zoals in dit verhaal van Peanuts en Spider-Man.

Over strips gesproken: Christ and Popculture geeft een lijst van de beste tien 'graphic novels' uit 2011. Het zijn ook nog eens verhalen die iets te zeggen hebben. Inspirerend! Er zitten er een paar bij die ik ook graag zou lezen. Gelukkig zijn binnenkort de stripdagen en misschien kan ik er daar een of twee op de kop tikken!

Over top tien lijstjes gesproken: op IO9 wordt een lijstje gegeven van tien fantasyseries die je kunt lezen terwijl je wacht op het volgende boek van G.R.R. Martin. Nu ben ik net aan het eerste deel van A Song of Ice and Fire begonnen (A Game of Thrones), maar suggesties van goede fantasyseries zijn nooit weg. Sommige series op deze lijst heb ik gelezen en kan ik ook aanbevelen (Earthsea, Shadowthrone, Malazan Book of the Fallen en de Farseer-serie en vervolgen) - waarschijnlijk zullen de andere dan net zo goed zijn. 

Er zijn meer mensen die op dezelfde manier kijken naar films en verhalen als ik dat doe op mijn blog - namelijk als weerspiegelingen van het Ware Verhaal, afbeeldingen waarin de werkelijkheid van God is terug te vinden, of de makers dat nu zo bedoelen of niet. De schrijfster van In the Open Space bijvoorbeeld. Ze ziet het Grote Verhaal zelfs terug in een TV-serie over zombies, namelijk The Walking Dead: "When we reach beyond the darkness to the larger reality we live in, we remember that we are loved. We remember God loves us so much that he goes to the greatest lengths to ensure our Story comes to an amazing, breathtaking end. And in that Story, we, in all our capacity for evil and destruction, are worth saving simply because he loves us. And that—even in the face of the most insidious darknesses—gives us the best kind of hope. It reminds us that, even in the midst of struggle, all will be well. That, no matter what happens in the middle of the Story, we are worth fighting for and saving—and our Story ends good." Goed om aan herinnerd te worden, vind ik, ook al zal ik de TV-serie in kwestie zelf nooit kijken.

Soms zien mensen van buiten de kerk beter wat belangrijk is dan mensen van binnen de kerk, zoals deze muziekjournalist die reflecteert op een bezoek aan een christelijk muziekfestival: "Jesus' breakthrough was the aestheticization of weakness. Not in what conquers, not in glory, but in what's fragile and what suffers - there lies sanity. And slavation. But once you’ve known Him as God, it’s hard to find comfort in the man. The sheer sensation of life that comes with a total, all-pervading notion of being—the pulse of consequence one projects onto even the humblest things—the pull of that won’t slacken." Dat is de weg van de zwakheid, waar ik op mijn blog al eerder over heb geschreven.

Deze visie op Jezus zou goed aansluiten bij de vierde stroming die Frank Viola identificeert in zijn nieuwste blogbericht. Hij denkt dat er vier groepen christenen zijn die moeite hebben met de traditionele evangelische kerk. De christenen die gaan voor een zuivere doctrine, de christenen die gaan voor actie en goede projecten, de christenen die zoeken naar geestelijke ervaringen en ten slotte christenen die zich op geen van die drie dingen willen richten, maar alleen willen vertrouwen op Jezus. “Beyond Evangelicals” want to know Jesus Christ in reality and in the depths. Yet they aren’t quietists or passive mystics. Outward activity is important, but it’s like fruit falling off a tree. It’s the natural result of living by the life of Christ." Nou denk ik zelf niet dat dit zo makkelijk als een vierde groep kan worden weggezet, omdat deze christenen zichzelf juist niet willen begrenzen of definieren. Het is niet een 'bounded set', maar een 'centered set' - niet bepaald door de precieze grenzen met andere groepen, maar bepaald door het ene centrum waar deze mensen zich op richten. Maar met deze kanttekening erbij kan ik toch de voor mijn lezers vast niet heel verrassende uitspraak doen dat ik me met deze vierde groep het meest identificeer ...

John Shore is niet bang om controverse te creëren. Zo droomt hij dat christenen ooit hun excuses zullen aanbieden aan mensen met een homoseksuele aanleg en verzoening zullen zoeken. Hij heeft er de woorden al voor geschreven. "For no reason beyond animal ignorance we have tried to obliterate you: to rob you of your identity, crush your self-worth, destroy your hopes, turn you against yourself. We have harnessed our almost unimaginable power to bring to you the singular, unceasing message that God finds you reprehensible. Shamefully, we have turned the way you love into the way we hate."
Richard Beck lijkt een zelfde thema op te pakken op zijn blog Experimental Theology. Hij vertelt over een homo die door twee christenen was afgetuigd en als een vogelverschrikker aan een hek hing. En hij verbindt het met Christus - die door een woedende menigte ter dood werd gebracht aan een kruis. "My deepest fear in life is that I'm going to end up on the wrong side of God's history. Like so many Christians before me. My fear is that a moment will come when I am asked to stand up for those hanging on the trees, literally and symbolically, and I'll respond with "That has nothing to do with me. That has nothing to do with the church." ... Really, it's all pretty simple. Jesus hangs from crosses, from trees and fences. And to see that, like Saul on the Road to Damascus, is the day of your conversion." Jezus volgen in zijn weg van zwakheid en ons identificeren met de 'outcasts' - dat is wat God van ons verlangt. Het is een moeilijke weg, en ik zal er heel vaak op struikelen, maar ik verlang er wel naar.
Ik denk dat het de weg naar vrijheid is, ook naar een bevrijde seksualiteit. In het bericht van John Shore viel me namelijk nog het volgende op: "Like all people (we now see, praise God), there are two natural phenomena that, in the overwhelming magnitude of their power, finally render us insensible of ourselves: the awesome presence of the divine infinite, and sex. We have always believed those two to be in competition, to be mutually exclusive: traditionally our conviction has been that where God is, sex cannot be. And so we have always, if grimly, shunned our sexuality, and clung fast to God." Hij heeft een punt, en dat hangt samen met mijn betoog over het stripboek Een Deken van Sneeuw. Misschien kunnen we naar een beeld van God toe dat onze menselijkheid (inclusief onze lichamelijkheid) niet buitensluit, maar juist omvat. Waarin we helemaal onszelf kunnen zijn. Ik geloof daar in.

zondag 21 augustus 2011

Lessen uit Amerika 1: Panda’s en vrijheid

Mijn reis naar de VS is alweer een paar maanden geleden. Hoog tijd dus om er wat over op mijn blog te schrijven. De foto’s, althans een paar ervan, hebben jullie al gezien, maar wat ik er heb meegemaakt heb ik nog niet verteld. Ik heb alleen gezegd dat het de geestelijke reis was geworden waar ik op had gehoopt. Nu ga ik niet alles vertellen wat er in de drie weken van mijn reis gebeurde. Ik weet hoe nieuwsgierig sommige van mijn lezers zijn, maar er blijven onderwerpen die ik liever voor mezelf houd. Maar een paar hoogtepunten wil ik wel delen, vooral omdat ik denk dat er universele waarheden in mijn ervaringen worden gereflecteerd, en dat jullie ze dus ook kunnen waarderen.
Ik heb het afgelopen jaar een paar keer gechat met een Amerikaanse vriendin van me, toen ik worstelde met het nemen van initiatief op een aantal terreinen van mijn leven. Ze merkte op dat vrijheid voor mij iets was waar ik mezelf van moest overtuigen. Ik moest mezelf vrijheid aanpraten, steeds opnieuw moest ik mezelf op het punt brengen dat ik kon doen wat ik wilde doen. Diep van binnen geloofde ik kennelijk niet dat ik werkelijk vrij ben, dat ik mag doen wat ik wil, zonder me schuldig te voelen. Waar mijn vriendin voor bad, was ‘effortless freedom’. Vrijheid zonder inspanning. Vrijheid die er gewoon is. Ik weet nog goed dat ik me daar niets bij kon voorstellen. Voor mij voelde vrijheid als iets dat een enorme inspanning kostte. Maar ik merkte dat ik er wel naar verlangde. Het zou een opluchting zijn, gewoon te kunnen leven zonder mezelf steeds toe te moeten spreken.
Ook tijdens onze reis naar de Verenigde Staten was dit iets waar ik tegen aanliep. Met z’n tweeën in een camper door de natuur trekken bleek toch een uitdaging. Mijn vriend en ik zijn behoorlijk verschillende persoonlijkheden. Dat betekent dat we verschillende activiteiten leuk vinden, en verschillende bezigheden juist niet. Mijn vriend deed zijn best van mij te weten te komen wat ik graag wilde. Maar dat kostte hem veel moeite. Ik was namelijk erg geneigd om hem te laten bepalen wat we gingen doen. Ik maakte mijn eigen verlangen ondergeschikt aan wat hij wilde. Als ik eigenlijk ergens in een slootje wilde kijken naar visjes, vond ik het moeilijk dat aan te geven. En ik durfde ook niet te zeggen dat ik graag wilde weten of we ‘s ochtends of ‘s avonds naar de supermarkt zouden gaan, omdat ik niet van onduidelijkheid houd.
Gelukkig zijn we goede vrienden, dus we konden het hierover hebben. Ik moest toegeven dat ik het moeilijk vind om op te komen voor wat ik wil, voor wat ik belangrijk vind. En ook dat ik het moeilijk vind te zeggen dat ik iets niet wil, of dat iets voor mij vervelend is. Ik legde de verbinding met de stressvolle periode van voor mijn vakantie, toen de druk op het werk en in mijn privé-leven leidde tot stress en slaapproblemen, met een duidelijke depressieve component. De oorzaak daarvan was ook mede een probleem om mijn eigen prioriteiten (schrijven, lezen) voorrang te geven en niet aan te geven dat ik sommige taken heel moeilijk vond (telefoneren). Ik ging daardoor steeds over mijn grenzen heen en voelde me alles behalve vrij.

Tijdens de reis had ik het boek The Shack (Ned: De Uitnodiging) weer bij me. We zouden namelijk in Oregon een locatie bezoeken (Multnomah Falls) die een belangrijke rol speelt in het boek. En dat was een goed excuus voor mij om het boek nog eens (de derde keer nu) te lezen. Ik merk dat elke keer als ik het lees er iets anders is dat mij aanspreekt in dit boek. Niet dat het de bijbel zelf is, maar ik geloof ook niet meer dat God expliciet door de bijbel tot ons spreekt. Job zelf zegt dat God op veel manieren tot de mens spreekt. Dit boek is er voor mij een van. Het verhaal gaat over Mack, een man die iets verschrikkelijks heeft meegemaakt en daardoor zijn geloof in God eigenlijk heeft verloren. Hij gaat nog wel naar de kerk, en speelt het religieuze spel mee, maar in zijn hart kan hij niet geloven dat God goed is. Want hoe kon God laten gebeuren wat er gebeurde? Hij raakt in een diep dal. Tot hij op een dag in de winter een uitnodiging in de brievenbus vindt: een kaartje dat hem vraagt daar de hut in het bos te komen. Ondertekent door ‘Papa’. Nu is juist die hut de plek waar het vreselijke gebeurde dat hem van God verwijderd heeft. En ‘Papa’ is de naam die zijn vrouw gebruikt voor God. Mack vermoedt dat er sprake is van een wrede ‘pracktical joke’, maar toch gaat hij er met de jeep van een vriend op uit. Op de plek van de hut vindt hij een prachtig nieuw gebouw aan een meer, in de zomer, in plaats van in de winter, en binnen ontmoet hij inderdaad Papa. Die is anders dan hij zich God voorstelde. Hij wordt gedurende een weekeinde opgenomen in de liefdevolle relaties van de personen van de drie-eenheid, die met elkaar omgaan zonder over elkaar te heersen, en die zich voortdurend aan elkaar geven. Door die ongedwongen liefde te zien, en door de gesprekken over religie, macht, relaties en vrijheid, realiseert Mack zich dat hij altijd heeft geprobeerd de mensen om hem heen te controleren, en dat hij ook God probeerde te controleren. Hij verwachtte dat God hem iets zou geven omdat hij zoveel voor hem deed en zich aan de regels hield. Maar zo werkt het niet, maakt God duidelijk. Er zijn geen regels, er zijn geen systemen om de liefde van God te verdienen. Naar de kerk gaan maakt je niet meer geliefd, en als je goed doet, betekent dit niet dat God je moet zegenen. Aan de keukentafel houdt Papa zijn hand open, en een vogel komt door het raam naar binnen en landt tussen zijn vingers. De vogel vertrouwt God volledig, en toont geen spoortje van angst. Mack probeert ondertussen de woorden van God te verwerken. “Maar”, vraagt hij. “Als ik uw liefde niet kan verdienen, als ik nergens recht op kan laten gelden, als ik niets kan doen om u op mijn hand te krijgen, wat blijft er dan voor mij over? ... ‘where does that leave me?’.” Papa knikt naar de vogel, en zegt: “Right where you’ve always been. Smack dab in the middle of my love.”
Die woorden spraken tot me. In de hele periode waarin Mack God probeerde te controleren, waar hij Gods liefde probeerde te verdienen, en in die hele periode dat hij God probeerde te vergeten en geloofde dat God hem had teleurgesteld, was hij niet buiten de liefde van God. Hij was ‘smack dab in the middle of Gods love’. Hij werd door de liefde van God omgeven. Maar hij zag het niet. Hij stond er niet open voor. Hij sloot zich er moedwillig voor af, juist door zich zo aan systemen en ‘voor wat hoort wat’ vast te klampen. Nu moest hij toegeven dat al zijn pogingen om God op zijn hand te krijgen tevergeefs waren, dat hij geen invloed op God kon uitoefenen. En daardoor kon hij openstaan voor wat altijd al realiteit was, wat altijd al gold, namelijk dat God ongelooflijk veel van hem hield. In de woorden van The Shack: dat God ‘especially fond of him’ was. Hij was geliefd. Gewoon om wie hij was. Niet om wat hij deed, of zou doen, of niet deed. Niet om enige andere reden dan gewoon dat hij bestond. Hij was nooit uit die liefde vandaan geweest. Hij was er alleen tijdelijk blind voor geweest. En als hij zichzelf zou gaan zien als ‘geliefde’, als dat zijn basisidentiteit zou worden, zou hij daadwerkelijk vrij worden. Dan zou hij kunnen doen wat hij wilde - want hij zou die liefde nooit kwijt raken. Maar God kon hem niet dwingen zichzelf zo te zien. God kon hij niet dwingen zijn ogen te openen voor de waarheid. Hij moest er zelf voor kiezen. Hij moest zelf beslissen te leven in de realiteit.
Ik geloof dat het christelijke leven niet in de eerste plaats draait om wat we doen, maar om wie we zijn. We vinden onze basis in wie we zijn - geliefde kinderen van God. Als dat onze diepste realiteit is, volgt daaruit wat we doen. Als we in Jezus blijven (zijn), gaan we vrucht dragen (doen). Dit is de basis van de vrijheid.

Nadat ik tot deze conclusie was gekomen, kreeg ik de gelegenheid de waarheid in praktijk te brengen. We waren net aangekomen in South Dakota. Mt. Rushmore, waar de hoofden van vier presidenten zijn uitgehouwen, lag echter verscholen in de mist. We waren er wel naar toe gereden in de hoop dat de bewolking zou wegtrekken, maar tevergeefs. Dus gingen we door naar Rapid City. Daar arriveerden we vroeger dan gepland. We zouden dus een hele avond kunnen doorbrengen op het parkeerterrein van de WalMart. Ik had me echter voorgenomen tijdens de reis een keer naar de bioscoop te gaan. Amerika is per slot van rekening het land van de film - en in andere landen naar de bioscoop gaan is altijd een leuke ervaring. Ik had dus al uit de camper naar buiten gekeken of ik niet een bioscoop zag, maar ik had er niet gevonden. Daar baalde ik een beetje van. Toen we hadden geparkeerd, zette mijn vriend zijn computer aan. Hij had toegang tot het internet en zocht naar de dichtstbijzijnde Starbucks - daar konden we dan de volgende ochtend mooi onze koffie halen. Opeens kreeg ik een ingeving. Ik kon hem ook vragen om te zoeken naar de dichtstbijzijnde bioscoop! En dat deed ik dus. Er bleek er een te zijn op een kwartiertje lopen afstand. Nog dichterbij dan de Starbucks. Er draaiden niet zo veel films, de enige waar ik interesse in had was Kung Fu Panda 2, maar ik wilde wel graag gaan. Mijn vriend had geen zin om een film te gaan kijken. Hij is niet zo’n filmliefhebber, en vond het onzin om tijdens zijn reis in een bioscoop te gaan zitten. Hij bleef liever in de camper. Normaal zou ik me daarbij hebben aangesloten, maar nu bedacht ik dat ik me niet door hem hoefde laten beperken. Als ik naar de film wilde, kon ik zelf naar de film gaan. Ik was vrij.
Dus liep ik die avond naar de bioscoop. Daar bleek ik de enige te zijn in de zaal. Ik had dus een goede zitplaats! Tijdens de reclames kwam nog een gezin binnen, dat achterin ging zitten. Tijdens de wandeling was ik me er al van bewust geweest dat het misschien niet toeval was dat ik deze film ging zien. Daarvoor sloten de gebeurtenissen te mooi op elkaar aan. Misschien was er een boodschap voor me in het verhaal (ik merk dat God vaker tot mij spreekt door de films die ik kijk). Ik lette dus extra op. De film was knap gemaakt en werkelijk spannend (en grappig), hoewel er wel wat clichés waren. Ik vond ook de 3-D animatie mooi. Maar vooral bleek de film inderdaad tot mij te spreken. Het verhaal gaat namelijk over de panda Po. Die is opgenomen in een Kung Fu-gemeenschap, waar hij strijdt voor de vrijheid. Aan het begin van de film vraagt hij aan zijn meester wat de volgende stap is in zijn ontwikkeling. Het antwoord? “Inner peace. Innerlijke vrede.” Po ziet die uitdaging wel zitten. “Vertel me maar hoe ik het moet doen”, roept hij enthousiast. “Ik ga die ‘innerlijke vrede’ wel eens aanpakken. Ik krijg hem er wel onder!” Hij gelooft dat hij alles wel gedaan krijgt door zijn eigen inspanning. Maar hij komt er al snel achter dat de innerlijke vrede niet zo makkelijk te bereiken is. Het is niet iets dat je kunt doen. Po wordt namelijk geconfronteerd met zijn verleden. Dat blijkt anders te zijn dan hij altijd gedacht heeft. Hij blijkt geadopteerd te zijn (zijn vader is een gans - maar hij had zelf kennelijk nooit gevraagd hoe dat kon), en zijn ouders blijken door een schurk te zijn omgebracht. Dat brengt hem in beroering. Het maakt hem ook kwetsbaar. Hij kan niet meer reageren op de bedreigingen die op hem afkomen, en brengt zelfs zijn teamgenoten in gevaar. Uiteindelijk moet hij achterblijven als de anderen gaan proberen het land te redden. Po is van binnen verre van vredig.
(Pas op: ik verklap hier iets van het einde!) Uiteindelijk realiseert Po zich dat hij niet naar zijn biologische ouders hoeft te zoeken. Hij heeft een vader, die heel veel van hem houdt. Hij besluit die werkelijkheid te accepteren. Dus gaat hij terug naar zijn vader, en omarmt die, en zegt: “Ik weet wie ik ben. Ik ben uw kind.” En dat is het geheim van de innerlijke vrede. Als Po ervoor heeft gekozen zichzelf te zien als het geliefde kind van zijn vader. Als hij heeft geaccepteerd dat zijn vader van hem houdt, ook al is hij een panda en geen gans. Als hij zijn eigen identiteit als de geliefde omarmt - wie hij IS - is hij opeens in staat de aanvallen van de tegenstander te weerstaan, zonder enige moeite. Pijlen ketsen af, kanonskogels worden terug geslingerd. Hij is volledig vrij.
Ik zag hierin een bevestiging van wat God mij in de vakantie had willen zeggen: ik mag mezelf gaan beschouwen als ‘smack dab in the middle of His love’. En dat stelt mij in staat om voor mijzelf op te komen, en tegelijk anderen te accepteren om wie ze zijn. Dat geeft mij innerlijke vrede. Dat is het geheim van de ‘effortless freedom’. Het begint met een keuze: niet om iets te doen, maar om iets te zijn: het geliefde kind van de vader.

zondag 13 februari 2011

De kathedraal van zeker weten 2 - De boom van de liefde

Mijn vorige blogbericht over dit onderwerp besloot ik met een oproep tot enige nederigheid in onze claims met betrekking tot de waarheid. Wij zijn beperkte, en bovendien gebroken mensen, die per definitie niet alles kunnen weten. En God is zo groot dat hij per definitie niet past in onze hokjes en definities. Zijn gedachten zijn niet onze gedachten. Ik las zojuist in de Volkskrant, in een bespreking van het boek God is niet een van Stephen Prothero: “Wat alle religies ... zouden moeten bewerkstelligen, is een besef van nederigheid ... God weet meer dan wij over wat er het meest toe doet. Als er een God is, dan vindt hij het zeker onaangenaam dat mensen luid in Zijn naam spreken.” Ik denk dat deze auteur, hoewel zelf geen gelovige, wel eens gelijk zou kunnen hebben. Wanneer wij zeggen honderd procent zeker te zijn van de waarheid, doen wij het voorkomen alsof wij God in onze broekzak hebben zitten. En impliciet veroordelen we mensen die andere overtuigingen aanhangen. Iemand gebruikte de term: ‘een kathedraal van zeker weten’ - een onaantastbaar bolwerk, verheven boven de massa, ongenaakbaar, een ivoren toren. Ik vrees dat zo’n hermetisch bouwwerk begripsvolle relaties met anderen in de weg staat. Ik kan niet voor anderen spreken, maar ik weet dat als ikzelf op enig gebied volkomen zekerheid zou claimen, dat zelfoverschatting zou wezen (dat heb ik in het vorige bericht al uitgelegd). Maar het zou ook hoogmoed zijn.

Is de kracht van onze overtuigingen, onze zekerheid, het ontbreken van twijfel, iets waar we ons op voor kunnen laten staan? Is het iets dat ons dichter bij God brengt? Winnen we er ook maar iets mee? Of dient deze geclaimde zekerheid vooral voor de ondersteuning van ons ego? De boodschap van de bijbel lijkt te zijn dat er wat betreft onze relatie tot God niets is waar wij ons op kunnen laten voorstaan. We zijn gered door genade, niet op grond van werken, opdat niemand roeme. Onze moraliteit, onze vrijgevigheid, ons fanatisme, onze rituelen, ze kunnen ons niet dichter bij God brengen. Ze zijn waardeloos. Paulus gebruikt in Filippenzen het woord ‘afval’ voor alles wat wij uit eigen kracht kunnen doen om door God als rechtvaardige te worden aangenomen. Het woord dat hij gebruikt is zelfs nog scherper: ‘drek, schijt’ - alles wat wij denken in te kunnen brengen, stinkt. Hij spreekt hier over zichzelf (zoals het in dit soort betogen altijd past): hij leefde als Farizeeër, was de strengste van de strengsten, en naar wat de wet eiste, was hij rechtvaardig. Maar hij was in deze periode van zijn leven bovendien honderd procent zeker van zijn gelijk. Jezus zei het al over de Farizeeën dat zij zelf het koninkrijk van God niet wilden binnengaan, en ook anderen tegenhielden die er wel wilden binnengaan. Paulus was hetzelfde: hij wist dat hij gelijk had en daar was hij trots op. Ook God moest wel blij zijn met zijn stelligheid. Hij reisde de wereld rond om christenen te vervolgen, tot in Damascus toe, omdat hij er nu eenmaal van overtuigd was dat hij het bij het rechte eind had en zij ketters waren. Omdat het onmogelijk was dat hij ongelijk had, was het zijn goed recht degenen die weigerden het met hem eens te zijn te vervolgen. Als ze niet hetzelfde geloofden als hij was er iets met ze mis. En ook christenen kunnen anderen als minder gaan behandelen omdat ze niet hetzelfde geloven - de brandstapels in de middeleeuwen getuigen ervan.
Maar in Filippenzen zegt Paulus over alles waar hij zich op kon laten voorstaan, dat het waardeloos was. En impliciet geldt dat ook voor zijn zekerheid, als een eigenschap van zichzelf. Het had geen enkele waarde, het voegde niets toe aan de rechtvaardigheid die er is door het geloof. Paulus komt af en toe best stellig over in zijn brieven, maar zijn zekerheid is niet meer iets waar hij zich aan vastklampt. Uit Handelingen blijkt dat Paulus ook probeerde zich in zijn persoonlijke leven aan de Joodse wet te houden, maar het was niet meer iets waar hij trots op was, en niet meer iets waar hij een gevoel van eigenwaarde aan ontleende. Paulus’ doel was niet meer zeker te zijn, en niet meer om de wet te houden, maar om ‘met Christus te lijden in de hoop ook met Hem uit de dood op te staan’.
Paulus heeft het hier niet over ‘honderd procent zekerheid’. Hij heeft zijn hoop gevestigd op de opstanding, maar hij blijft het ‘hoop’ noemen. Paulus stelt zijn vertrouwen niet op zichzelf en wat hij kan of weet. Hij zegt zelfs van zichzelf: “Niet dat ik al zover ben en mijn doel al heb bereikt. Maar ik houd vol in de hoop eens dat te kunnen grijpen waarvoor Christus Jezus mij gegrepen heeft. Broeders en zusters, ik beeld me niet in dat ik het al heb bereikt, maar één ding is zeker: ik vergeet wat achter me ligt en richt mij op wat voor me ligt.” Paulus is bescheiden over zichzelf, over wat hij wel kan, en zijn zekerheid over wat hij al dan niet heeft bereikt. Hij beeldt zich niet in dat hij het einddoel al gehaald heeft. Maar hij is gegrepen door de liefde van Jezus, en de liefhebbende God die door Hem zichtbaar is geworden, en het hoopvolle visioen van Gods koninkrijk, en door dat beeld wil Paulus zijn leven laten ordenen. Daardoor heeft hij zich laten grijpen. Dat is waar hij alles op heeft ingezet. Dat is zijn keuze. Maar omdat hij zich ervan bewust is dat het zijn subjectieve, persoonlijke keuze is in reactie op Jezus, en niet een objectieve, onpersoonlijke zekerheid, kan hij zeggen: “Mocht u er op enig punt anders over denken [dan ik], dan zal God het u wel duidelijk maken.” Paulus ziet het niet als zijn taak mensen te overtuigen met zijn eigen zekerheid. Het enige dat hij kan is hen dat visioen voor te schilderen waar hij zelf door gegrepen is - ‘Jezus Christus en die gekruisigd’ - in de hoop dat zij daar ook enthousiast over worden en hun leven ernaar willen richten.  Gebeurt dat niet, dan accepteert hij dat.

Als Paulus dus zegt dat het geloof ‘de overtuiging is van wat men hoopt, en de zekerheid van wat men niet ziet’ - spreekt hij volgens mij niet over een mentale staat die gelovigen bij zichzelf tot stand zouden moeten brengen, waarbij ze honderd procent zeker moeten zijn van iets dat ze eigenlijk niet kunnen weten. Hij heeft het niet over een intellectuele overtuiging. Hij heeft het over een persoonlijke keuze, om je leven te ordenen naar de boodschap van Gods liefde, om die zelf in praktijk te brengen, juist als je er niet honderd procent zeker van bent. Hij heeft het over vertrouwen.
Nadat we de tweede Matrix-film hadden gekeken, discussieerde ik met een vriend over wat in de filosofie bekend staat als het ‘brains in a vat’-scenario. De Matrix-films gaan over mensen die in vaten zijn opgeslagen en wiens hersenen via een plug in hun achterhoofd aan een computer zijn gekoppeld. Die computer voedt hen met zintuiglijke informatie. Elke zenuwuiteinde krijgt zijn ‘input’ vanuit de machtige programma’s die de mensheid overheersen. Daardoor denken de mensen dat ze in een stad rondlopen, dat ze andere mensen zien, dat ze een biefstuk proeven en dat ze mos op een muur voelen. Ze denken dat de wereld om hen heen echt is. En anders dan de soms optredende haperingen (‘Deja Vu’) is er geen enkele reden die werkelijkheid in twijfel te trekken. In de tweede en derde Matrix-film wordt de suggestie gewekt dat Neo en zijn vrienden denken dat ze uit de matrix ontsnapt zijn, maar dat ze alleen maar terecht zijn gekomen in een ander niveau (het argument is de gouden energie die Neo met zijn blinde ogen kan zien, zoals de gouden energie van Smith, als deze de mens Bane bezeten heeft).
De vraag die erdoor wordt opgeroepen is natuurlijk of wij zeker kunnen zijn dat we in de echte wereld leven. Misschien zijn wij wel ‘brains in a vat’. Misschien worden al onze zenuwuiteinden gestimuleerd door een grote computer. Ik verdedigde toentertijd dat ik zeker was dat we in een echte wereld leefden, en dat ik niet als christen zou kunnen leven in een wereld die een illusie zou blijken te zijn. Ik was hier behoorlijk stellig in. Mijn vriend zag het anders - het maakte volgens hem weinig uit of je zeker kon weten of de wereld om je heen ‘echt’ was. Want ook als je niet honderd procent zeker kon zijn dat de wereld zoals die zich aan je zintuigen presenteerde echt bestond, zou je nog steeds dezelfde keuzes maken. En die keuzes zouden nog steeds waardevol zijn.
Het duurde een paar jaar voor ik het met mijn vriend eens was geworden. Maar nu realiseer ik me dat ik (ook als de wereld echt is) alleen maar met de wereld kan omgaan via mijn zenuwuiteinden. In feite bestaat de wereld buiten mij voor mij uit talloze elektrische signalen die door mijn hersenen worden omgezet in geuren, kleuren en geluiden. En ik kies ervoor aan die geuren, kleuren en geluiden betekenis te geven. Ik kies ervoor ze niet als illusie te behandelen, maar met ze om te gaan alsof ze werkelijk zijn en betekenis hebben. In de derde Matrix-film probeert agent Smith de held Neo ervan te overtuigen dat liefde slechts een illusie is. Liefde is een woord, net als alle andere woorden, en er is in de buitenwereld geen realiteit waar het naar verwijst. Het is slechts een concept in de hersenen. En als dat zo is, vraagt Smith, waarom blijf je dan vechten? Het zou dan toch niets betekenen of je doorging of de moed opgaf? Maar Neo antwoordt: “Omdat ik ervoor kies.” Het kan best zijn dat liefde een illusie is, en dat Trinity slechts een beeld is dat door zijn zintuigen wordt opgeroepen, niet iemand buiten hem aan wie hij verantwoording schuldig is, maar Neo kiest ervoor haar wel als zodanig te behandelen.
Dit doet me denken aan een scene in De Zilveren Stoel van C.S. Lewis. Ik vraag me af of de makers van de film die kenden, want de overeenkomsten zijn opvallend. De hoofdpersonen zijn betoverd door de groene heks. Zij heeft ze verteld dat hun geloof in Narnia en Aslan belachelijk is. Ze hebben een lamp gezien, en hun verbeelding heeft daar een zon van gemaakt. Ze hebben een kat gezien, en die hebben ze uitvergroot tot de leeuw Aslan. In werkelijkheid is er niets buiten de donkere grotten van de groene heks. Maar het karakter Puddleglum is niet echt onder de indruk van haar aanval op hun zekerheid. Hij zegt: “Suppose we have only dreamed, or made up, all those things-trees and grass and sun and moon and stars and Aslan himself. Suppose we have. Then all I can say is that, in that case, the made-up things seem a good deal more important than the real ones. Suppose this black pit of a kingdom of yours is the only world. Well, it strikes me as a pretty poor one. And that’s a funny thing, when you come to think of it. We’re just babies making up a game, if you’re right. But four babies playing a game can make a play-world which licks your real world hollow. That’s why I’m going to stand by the play world. I’m on Aslan’s side even if there isn’t any Aslan to lead it. I’m going to live as like a Narnian as I can even if there isn’t any Narnia.”

Wie gegrepen is door de liefde van God, zoals Jezus die in zijn dood en opstanding zichtbaar heeft gemaakt, wie zich door het visioen van Gods goede koninkrijk heeft laten inspireren, wil gaan leven alsof deze dingen realiteit zijn. Hij gaat ernaar verlangen God lief te hebben boven alles, en zijn naaste als zichzelf. Dit is de keuze waar het God om gaat. Niet een intellectuele zekerheid, maar een innerlijke overgave die leidt tot een veranderd gedrag. Kennis maakt volgens de bijbel opgeblazen, de liefde sticht. Liefde komt niet voort uit een kathedraal van zeker weten. Liefde is een levende realiteit, een dynamische werkelijkheid, die in ons hart groeit uit het zaad van het koninkrijk. Liefde komt - als wij ons hart hebben opengesteld voor de mogelijkheid van Gods liefde - als vanzelf uit die donkere aarde omhoog zetten. Het gaat vrucht dragen, twintig-, dertig-, ja honderdvoudig. Niet omdat wij zo zeker zijn, of zo goed, of zo fanatiek, maar omdat dit de natuur is van de liefde. Liefde laat zich niet tegenhouden. Liefde begeeft zich naar buiten, uit de veilige omheining van de eigen zekerheid, en omarmt de ander, ook al is en denkt hij nog zo anders. De liefde laat alles varen waar ze ook maar enigszins trots op zou kunnen zijn, en acht de ander ‘uitmuntender dan zichzelf’. De liefde is er tevreden mee aanwezig te zijn. De liefde zoekt wat het beste is voor de ander, omdat ze een God heeft ontmoet die het beste heeft gezocht voor haar. Deze liefde staat centraal. Jezus zegt niet dat zijn discipelen eraan herkend konden worden dat ze zo zeker waren, en honderd procent overtuigd van de waarheid, maar dat de wereld kon zien dat ze zijn volgelingen waren omdat ze elkaar liefhadden. Dit is waar het God om gaat.
Paulus zegt in 1 Korintiers 13 dat geloof en hoop zullen eindigen. Die worden immers ooit vervangen door zekerheid. Als wij niet meer door een spiegel ‘in raadselen’ zien, maar van aangezicht tot aangezicht, zullen ze niet meer nodig zijn. Wat wel voor eeuwig zal blijven is de liefde.

zaterdag 12 februari 2011

De kathedraal van zeker weten 1 - het kaartenhuis is wankel

En opnieuw plunder ik een paar van mijn bijdragen aan de discussies op de christelijk satirische weblog Goedgelovig van de afgelopen weken. Iemand heeft namelijk ooit het advies gegeven dat je als schrijver moet zorgen dat je pennenvruchten meerdere keren gebruikt kunnen worden. En dat advies heb ik me ter harte genomen. Ik denk bovendien dat het onderwerp een wat meer uitgebreide bespreking op mijn blog verdient. Een van de reageerders op de weblog stelde namelijk dat hij op drie punten honderd procent zeker was. “Van het bestaan van God, van het feit dat God goed is en van de betrouwbaarheid van het evangelie.” Zijn overtuiging was onwankelbaar. Hij kon stellen: “Ik weet 100 procent zeker dat ik nooit zal twijfelen aan Gods bestaan.” Dit was volgens hem ook wat geloven inhoudt: volkomen zeker zijn, want de bijbel zegt ergens: “Geloof is de zekerheid van wat men hoopt en de overtuiging van wat men niet ziet.” Het staat iedereen natuurlijk vrij om dat te zeggen, we leven per slot van rekening in een land waar we mogen genieten van de vrijheid van meningsuiting. En wie ben ik om te tornen aan iemands ervaring van volkomen zekerheid? Toch vraag ik me sterk af of het voor mensen mogelijk is ergens volledig zeker van te zijn. Ik vermoed zelfs dat het claimen van volkomen zekerheid gevaarlijk kan zijn. En ik denk dat wat Jezus van ons vraagt in reactie op zijn openbaring niet te omschrijven is als ‘volkomen zekerheid’, maar als ‘vertrouwen’. En vertrouwen is een keuze, juist tegen onzekerheid in.

Volkomen zekerheid claimen op welk gebied dan ook, is gevaarlijk, is mijn ervaring. Je loopt altijd de kans dat je gedwongen wordt je standpunt te herroepen. In boeken die het scheppinggeloof verdedigden werd bijvoorbeeld geclaimd dat er geen tussenvormen waren tussen vis en amfibie, tussen reptiel en zoogdier en tussen reptiel en vogel. Ze zouden ook nooit gevonden worden, was de vaste overtuiging. De mogelijkheid van tussenvormen werd zelfs met grappige tekeningen belachelijk gemaakt. Ondertussen zijn er tal van tussenvormen gevonden op al deze gebieden. We hebben een heel goed idee hoe vissen het land op kwamen, hoe het binnenoor van zoogdieren zich ontwikkelde, hoe bepaalde hoefdieren het ruime sop kozen en evolueerden tot walvissen en hoe dinosauriërs uiteindelijk begonnen te vliegen. In dezelfde boeken werd stellig geclaimd dat ons zonnestelsel uniek is, en werd eraan getwijfeld of er wel planeten rond andere sterren bestonden. Ondertussen blijkt ons zonnestelsel verre van uniek en zijn er honderden planeten ver weg gevonden, zelfs planeten die zich bevinden op een afstand van hun ster die leven mogelijk maakt. Een vriend van mij beweert dat er nooit buitenaards leven zal worden gevonden. Hij is er volkomen van overtuigd. Maar het wordt steeds duidelijker dat er op Mars, op de Saturnusmaan Titan en op de Jupitermaan Europa omstandigheden voorkomen die geschikt kunnen zijn voor de overleving van bacteriën of andere levensvormen. Wat moet die vriend van mij als een sonde terugkomt met bewijs dat er wel degelijk leven is buiten de Aarde? Wat betekent dat voor de andere waarheden waar hij honderd procent van overtuigd is? Het zou leiden tot een existentiële crisis. Hij zou er zelfs zijn geloof door kunnen verliezen.
Dat was namelijk wat in mijn geval bijna gebeurde. Ik had geleerd dat ik honderd procent zeker moest zijn van een schepping in zes dagen. Het geloof hing daarvan af. Als ik dat los zou laten, zou ik al snel het hele geloof in God loslaten. En ik was dus honderd procent overtuigd dat creationistische schrijvers gelijk hadden. Tot hun grote uitspraken, als die over de tussenvormen, en die over dateringsmethoden, en over kosmologie, niet in overeenstemming bleken met de waarheid. Elk nieuw fossiel, elke nieuwe publicatie, deed het kaartenhuis van mijn zekerheid wankelen. Als er inderdaad een fossiele slang met pootjes werd gevonden, betekende dit dat de evolutietheorie waar was, en (dacht ik op dat moment) dat God dus niet bestond. Ik liep in die periode regelmatig piekerend door Leiden. Uiteindelijk stortte het kaartenhuis in. De zekerheid die ik claimde te bezitten bleek een valse vorm van zekerheid te zijn.
Ik beschouw mezelf nog steeds als gelovige. Maar ik weet dat ik met enige regelmaat twijfel aan het bestaan van God. Ik zie tal van redenen om niet te geloven, al was het alleen maar dat ik God niet kan zien. Gecombineerd met het gedrag dat ik zie in de kerk en bij gelovigen, kan ik mij heel goed voorstellen waarom mensen niet in het goede nieuws zouden geloven. Mij overvalt wel eens de gedachte dat ik mezelf voor de gek houdt. Dat ik mijn geloof gebruik om de waarheid niet onder ogen te hoeven zien. Ik geloof niet dat ik in dit leven op aarde ooit nog zal kunnen zeggen dat ik honderd procent zeker ben van wat ik geloof. Maar mij beangstigt dat niet meer. Ik ben bereid mijn eigen beperktheid te accepteren. Ik ben bereid om ‘zwak’ te geloven.

Filosofen vragen zich al van het begin van de tijd af of wij mensen iets zeker kunnen weten en zo ja, wat dan? Iemand als Descartes schaafde alles wat niet volledig zeker was weg, tot hij het feit van zijn eigen denken overhield. Hij dacht, dus hij kon zeker weten dat hij bestond. En daarop baseerde hij de conclusie dat de wereld buiten hem ook bestond en dat God bestond en zo voorts. Maar recente ontdekkingen trekken zelfs de waarneming dat wij denken in twijfel. Het blijkt namelijk dat onze hersenen al keuzes maken voordat wij er bewust van zijn dat we kiezen. Veel besluiten we onbewust, op basis van psychologische mechanismen, waarna onze ratio ons redenen voorhoudt waarom we de beslissing in kwestie zouden hebben genomen. We zijn niet zo rationeel als we denken dat we zijn.
Het punt is: we zijn beperkte mensen. Ten eerste kunnen we niet de hele werkelijkheid kennen - die is te groot en onze zintuigen zijn beperkt. Ten tweede worden wij zelf voor een groot deel geregeerd door onbewuste impulsen en vooroordelen. We zien de wereld door een gekleurde bril, maar we weten niet welke kleur die heeft. We kunnen zelf dus niet beoordelen in hoeverre onze conclusies over de wereld die wij waarnemen overeenkomen met de werkelijkheid. Bovendien geloven we als christenen dat we van het beeld van God zijn afgeweken en dat een zekere zelfzucht sindsdien al ons doen en denken kleurt. Zelfs onze gerechtigheid is volgens de bijbel als een bezoedeld kleed. Elke conclusie, elke theorie, elke overtuiging die we hebben is gebaseerd op een proces in onze gedachten, een redenatie, een serie van logische stappen. Maar onze feilbaarheid maakt dat geen van deze stappen honderd procent betrouwbaar is.
Dit is een van de behulpzame dingen die ik geleerd heb van het postmodernisme: onze gedachten over de waarheid zijn niet gelijk aan de waarheid zelf. Het boek Water, Wijn en Waarheid van Henk P. Medema was voor mij op dit gebied een ‘eye opener’. ‘Wij hebben de waarheid niet in pacht’, schrijft hij daarin. ‘We geloven wel dat er een absolute waarheid is, maar we zouden niet moeten claimen dat er een objectieve waarheid is … We zijn gedwongen onze eigen subjectiviteit toe te geven.’ De bijbelse Prediker lijkt op sommige punten een voorloper van dit postmodernisme. ‘Wees niet al te rechtvaardig’, houdt hij ons voor, ‘en meet jezelf geen overdreven wijsheid aan … Houd het ene vast en laat het andere niet los’. Je moet er volgens Prediker in de praktijk rekening mee houden dat je als mens niet alles kunt weten: ‘Al zegt de wijze dat hij inzicht heeft, ook hij is niet in staat de zin [van wat God doet] te vinden’. En in het nieuwe testament wijst Paulus erop dat we nu de waarheid niet kunnen kennen, want we zien ‘als door een spiegel, in raadselen’ .

Dus zal ik nooit zeggen dat iets wat ik weet/geloof de ‘waarheid’ is. Van dat onderscheid ben ik me bewust. Dus wil ik steeds kritisch blijven kijken naar mijn eigen overtuigingen en zekerheden, omdat ik weet dat die feilbaar zijn en getekend door mijn gebroken menselijkheid. Dat wil niet zeggen dat ik geloof dat er geen waarheid bestaat. Maar mijn greep op die waarheid kan slechts los zijn. Op Goedgelovig haalde een van de reageerders een uitspraak aan van de Dalai Lama, die werd gevraagd naar het conflict tussen geloof en wetenschap. De interviewer vroeg hem wat hij zou doen als zou worden bewezen dat reïncarnatie onmogelijk was. De Dalai Lama liet weten dat hij dan zijn geloof in de reïncarnatie zou opgeven. “Maar ik verwacht niet dat zoiets snel zal gebeuren”, voegde hij eraan toe. Zijn greep op wat hij beschouwde als de waarheid was zo los, dat hij haar kon loslaten als dat nodig mocht zijn, zonder in een existentiële crisis te geraken. Maar tegelijk was zijn overtuiging wel robuust - zijn geloof in reïncarnatie zou niet bij het minste of geringste zuchtje wind omvallen. Hoewel ik het niet met de Dalai Lama eens ben - ik geloof tot nu toe niet in reïncarnatie, op grond van voor mij overtuigende redenen - vind ik zijn nederige instelling goed. Het maakt duidelijk dat er in principe met hem te discussiëren valt - hij wil naar anderen luisteren, hun argumenten op waarde schatten zonder ze uit principe direct te verwerpen, hij zou te overtuigen zijn. Ik geloof dat wij als christenen ook gebaat zouden zijn bij een houding van nederigheid ten aanzien van de waarheid.

Dit blogbericht gaat al weer langer worden dan ik van tevoren in gedachten had. Dus knip ik het maar in tweeën. Dat haalt het aantal berichten op mijn blog ook weer verder omhoog, zij het op een wat kunstmatige manier (maar dat vind ik niet erg). Morgen dus het vervolg!