Posts tonen met het label vriendschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vriendschap. Alle posts tonen

maandag 9 januari 2012

Filmbespreking: Son of Rambow

Het is wel een beetje raar om een film te zien die jouw eigen jeugd in beeld lijkt te brengen. Een film waarvan de hoofdpersoon wel heel erg lijkt op hoe jij vroeger was, zodat hij zelfs lid is van dezelfde kerk als waar jij in opgroeide. Dat overkwam mij bij het kijken naar Son of Rambow.
Nee, anders dan de titel misschien doet vermoeden is dit geen actiefilm. Er komen geen geweren of ontploffingen in voor (behalve op het TV-scherm). De film gaat niet over een vietnamveteraan die eigenhandig een heel leger uitschakelt, maar over een jongetje van tien of elf, Will, die opgroeit in de Vergadering van Gelovigen, in Engeland de ‘Plymouth Brethren’ genoemd. In deze strenge geloofsgemeenschap mag men geen televisie kijken. Ook voor andere frivoliteit lijkt geen plaats; verbeelding wordt duidelijk gewantrouwd. Deze groep wil zichzelf afschermen van de wereld. Wie omgaat met ongelovigen raakt verontreinigd en wordt uiteindelijk zelfs uitgesloten. Will voegt zich ernaar en als er in de schoolklas een video wordt gekeken, gaat hij braaf op de gang zitten. Maar Will is een gevoelige jongen, die geniet van verschillende geluiden, van geuren, van schoonheid. Hij is ook creatief: hij tekent hele boeken vol. Verbeelding is voor hem iets natuurlijks, maar het is iets dat hij moet onderdrukken. Hij moet zijn eigen identiteit ontkennen. Niet voor niets loopt hij ook voorovergebogen door de schoolgangen, een schaduw van zichzelf.
Op een dag komt hij in contact met Lee, een wildebras, die aanvankelijk de naiviteit van Will probeert uit te buiten. Hij heeft namelijk een stuntman nodig voor de film die hij aan het opnemen is. Bij Lee in huis krijgt Will een illegale kopie te zien van First Blood, de film waarin Sylvester Stallone de held Rambo speelt. Hij is niet van het scherm los te rukken. En als de film is afgelopen, begint hij direct verhalen te verzinnen. Hij loopt naar huis en doet alsof hij zelf een held als Rambo is. Een held die sterk genoeg is om de angstbeelden waar hij door geplaagd wordt te verslaan. De volgende dag sluipt hij weg van de bijeenkomst van de Vergadering, en verschijnt in vol Rambotenue bij Lee op de stoep. Zijn toewijding verbaast zelfs Lee. Niet alleen stort hij zich met overgave op de (toch best wel gevaarlijke) stunts - hij weet ook wat het verhaal moet zijn: hij heeft het al helemaal uitgetekend.
Maar Will kan zijn avonturen niet altijd voor zijn moeder verborgen blijven houden.  De broeders van de Vergadering maken zich zorgen. Ze willen Will weer op het rechte pad brengen, dat wil zeggen: weer in de fantasieloze, strakke leer van hun geloofsgemeenschap. En op school gaan andere leerlingen zich met de film bemoeien, onder andere een Franse uitwisselingsstudent, wat de vriendschap tussen Will en Lee onder druk zet. Wills hele leven lijkt te ontrafelen ...

Son of Rambow (de ‘w’ in de titel is geen typefout) is een vrij kleinschalige film, die een bescheiden verhaal vertelt. Maar dat is tegelijk de kracht ervan. Dit zijn gebeurtenissen die  iedereen uit zijn of haar jeugd herinnert: vriendschappen, avonturen in het bos, oudere broers die niet hun videocamera willen uitlenen, ouders die je fantasie niet begrijpen. Het goede spel van de twee jonge acteurs (die nooit eerder in een film hadden gespeeld), draagt bij aan de herkenbaarheid. Een van de twee speelde later op briljante wijze de rol van Eustaas in The Voyage of the Dawn Treader.
Met eenvoudige animatie wordt de verbeeldingswereld van Will in beeld gebracht. En de scenes met het filmen lijken heel realistisch. Tot je in de documentaire op de DVD ziet dat er heel wat is uitvergroot. Het is een nostalgische blik op de kindertijd van de regisseur. Zo is het helemaal niet mogelijk met een vlieger een hond te laten zweven - maar in de film lijkt het allemaal net echt (daar is film ook heel goed in).
In dezelfde documentaire vertelt de regisseur dat hij in zijn kinderjaren naast een gezin uit de Plymouth Brethren (de Vergadering van Gelovigen) woonde. Hij besefte dat het niet zo interessant zou zijn als hij een film zou maken over zijn eigen jeugd, maar dat het veel boeiender was als hij de gebeurtenissen naar een huis verder verplaatste, en als het zoontje van dat gezin degene was die films ging maken. Dit zorgt er helaas wel voor dat het beeld dat van de Plymouth Brethren wordt geschetst in deze film een beetje karikaturaal is. Gezien door de ogen van een kind worden immers sommige gewoontes of eigenschappen die afwijken van de norm, nog verder uitvergroot. Bij ons in de vergadering spraken de kinderen elkaar bijvoorbeeld niet aan als ‘broeder die’ of ‘zuster zo’ (volwassenen wel - dat was dan wel weer goed in beeld gebracht). Ook droegen de zusters niet ook nog thuis een hoofddoekje (maar wel in de diensten. En sobere kleding werd volgens mij ook wel op prijs gesteld). Televisie was niet verboden bij ons, maar het kan zijn dat de groep uit de film gewoon strenger was. Sommige groepen uit de ‘Vergaderingen van gelovigen’ zijn strenger en geslotener dan andere, en gaan (zoals die in de film) ver in de richting van het sektarische.
Het belangrijkste was voor mij in elk geval wel herkenbaar: het idee dat je als kind je verbeelding en fantasie moest begraven, en dat de leer en heiligheid van de kerk boven alles gingen. Het verhaal dat de moeder van Will vertelt over een langspeelplaat was heel pijnlijk en ook geloofwaardig.

Ik ben, zoals gezegd, ook opgegroeid in de Vergadering van Gelovigen. Een strenge geloofsgemeenschap die zichzelf zag als de ‘ware kerk’. (Ik bad op mijn knieen dat andere gelovigen het licht zouden zien). We hadden een ‘verontreinigingsleer’ waardoor omgang met andere gelovigen (laat staan mensen uit de wereld) eigenlijk verdacht was (als je al in een andere kerk kwam mocht je in elk geval niet aan het avondmaal deelnemen). Het ideaal was dat we ons afzonderden. We deden niet mee aan politiek (stemden ook niet), luisterden niet naar populaire muziek (mensen die zich bekeerden deden hun platencollectie weg, ik weet zelfs dat iemand de CD-collectie van haar tienerzoon verbrandde), we wilden zelfs niet afgeleid worden door muziekinstrumenten tijdens de dienst (zoals orgels!), of door kunst (het Vergaderlokaal was saai: banken, grinttegels, TL-verlichting - dat was in de film wel goed weergegeven), seksualiteit was taboe (mannen en vrouwen zaten gescheiden, vrouwen moesten zich ‘bedekken’), en eigenlijk was alleen het ‘geestelijke’ belangrijk: bidden, bijbelstudie, de samenkomsten. Ik pikte op dat mijn liefde voor verhalen op z’n best een hobby was, iets voor erbij, maar waarschijnlijker een verslaving - het zou me immers afleiden van het ‘geestelijke’.
De God in wie we geloofden, was als een boze vader. Ja, omdat Jezus tussenbeide was gekomen, waren wij gered van de dood, maar als God ons zou zien zoals we echt waren, zou hij ons toch moeten straffen. Hij kon niet van ons houden zoals we waren. In een preek over Johannes 3:16 werd letterlijk eens gezegd dat het kenmerkende van deze tekst was dat God de wereld lief HAD - verleden tijd! Daarom moesten we alsnog erg ons best doen om hem niet tegen ons in het harnas te jagen, en ons inspannen om te doen wat hij van ons vroeg: schuld en plicht waren de motiverende factoren. En later bleek een deel van de godsdienstigheid van belangrijke broeders ook nog eens hypocriet. Toen er meningsverschillen rezen aarzelden ze niet om anderen zwart te maken, te veroordelen en mensen uit de gemeenschap te sluiten, onder het mom van heiligheid. Dat was een grote klap, vooral omdat ik hen altijd heel serieus had genomen.
En ik was (net als Will) een gevoelige jongen met een grote verbeelding. Net als Will ging ik als ik naar school liep, op in de verhalen die ik verzon (zodat ik zelfs in de bosjes sprong om imaginaire vijanden te ontwijken). Ik genoot van schoonheid, van geluid, van verhalen. Maar in de Vergadering leerde ik die verlangens te wantrouwen. Ik leerde dat ik moest doen wat ik niet wilde en mijn eigen behoeften moest ontkennen. Geen wonder dat ik gedurende mijn jeugd lange tijd met gebogen schouders liep, alsof ik er niet mocht zijn (net als Will dus eigenlijk).

Ik had gelukkig ook een vriendje die mijn wereld opende voor verhalen en verbeelding. Dik heette hij. Vanaf de basisschool trokken we samen op. Net als Lee was hij een beetje een wildebras en een vechtersbaas (als ik in de klas een natuurvereniging oprichtte, zorgde hij ervoor dat er een knokploeg bij hoorde, om het leven te beschermen). Maar hij had ook fantasie. Bij hem zag ik films en televisieprogramma’s (we hebben De Kleine Zeemeermin zo vaak gekeken dat we die uit het hoofd kenden. En ja, toen zaten we op de middelbare school). We speelden hele veldslagen uit met de lego. We besloten samen een boek te schrijven (hij stopte ermee na drie hoofdstukken, maar ik had de smaak te pakken, en schreef tijdens mijn middelbare schooltijd mappen vol - zonder Dik zou Neptunus nooit realiteit zijn geworden). We hebben nooit echt een film gemaakt (maar wel radio-uitzendingen), maar we speelden wel dat we een film opnamen. We waren dan allebei geheim agenten, die een internationale samenzwering moesten tegenhouden. We doken de bosjes in en bevochten met onze kung fu allerlei tegenstanders. We speelden allerlei scenes na. Dik had altijd een fascinatie voor China - dus had hij altijd een Chinese schone aan zijn zij (het is geen wonder dat hij uiteindelijk in China terechtkwam). En we maakten niet te vergeten samen muziek (de casettebandjes heb ik gelukkig bewaard). Ons eerste lied ‘Ik moest eens op mijn kleine broertje passen’ is bij mijn broers nog steeds een hit. Het was erg leuk om Dik een paar weken geleden na meer dan dertien jaar weer eens in levenden lijve te ontmoeten. We waren allebei uiterlijk wel wat veranderd - maar hij (en ik) hadden nog steeds dezelfde verbeelding, en konden die ook direct weer bij elkaar herkennen.

Net als voor Will, was ook voor mij de wereld van verhalen een openbaring. Net als Will kon ik daarin mezelf zijn, en kon ik door het verzinnen van verhalen mijn frustratie met het pesten een plek geven, en mijn verlangen naar schoonheid, relaties en avontuur. Mensen gebruiken verhalen om betekenis te geven aan wat hen overkomt. En kinderen ook. G. K. Chesterton zegt ergens dat kinderen geen sprookjesverhalen lezen om te ontdekken dat draken bestaan, maar om te ontdekken dat draken verslagen kunnen worden. Ik realiseerde dat ik was geschapen voor deze verhalen. De ontdekking van de kracht van de verbeelding is heel goed weergegeven in Son of Rambow. Het voelde voor Will - en voor mij - als thuiskomen. En het is dan ook een grote domper als deze liefde voor verhalen de kop wordt ingeduwd. Bij mij gebeurde dat deels door mijn ouders (die mijn schrijven nooit hebben bevestigd) en deels door de preken en boodschappen die ik oppikte, waardoor ik mijn liefde voor verhalen ging zien als verslaving, en meende dat ik mijn tijd alleen mocht vullen met bijbelstudieboeken, bidden en memorisatie van bijbelverzen.
Toen ik bleek overspannen te worden van dit regime, moest ik niet alleen patronen uit mijn eigen hart ontwarren, maar ik moest me ook los maken uit de verwachtingen en leringen van deze geloofsgemeenschap. Dat was moeilijk, want zelfs al was de vergadering geen sekte, er waren wel sektarische trekjes (al was het alleen maar dat we onszelf als de ware kerk zagen, en geen tafelgemeenschap mochten hebben met andere gelovigen). En ik ben nog steeds niet helemaal vrij van de invloed van mijn geloofsopvoeding. Aan de ene kant is dat positief, wil ik benadrukken: ik sta nog steeds achter de deelname van de gelovigen aan de dienst, achter het ‘ieder heeft iets’-principe en de nadruk op het avondmaal. Aan de andere kant is het negatief - ik worstel nog steeds met de schuldgevoel en verplichting die ik als een spons heb geabsorbeerd. Het kost me nog steeds moeite om mijn creativiteit te laten stromen.

Ik heb al eerder een essay geschreven over de gevolgen van het opgroeien in een strenge religieuze omgeving voor zowel de creativiteit als de seksualiteit. Schaamte is het instrument dat wordt gebruikt om de gelovigen in het gareel te houden. In deze film wordt ook de onderdrukking van seksualiteit door religie treffend in beeld gebracht (door de moeder van Will en haar interactie met een van de broeders).
Ik vind het heel tragisch dat de kerk - die door God is bedoeld als iets goeds: de levensbrengende gemeenschap der heiligen - kinderen (!) in hun identiteit beknot en voorkomt dat ze zich kunnen uiten (door hun verbeelding en door hun seksualiteit). Deze film bevestigde nogmaals mijn overtuiging dat God het zo niet bedoeld heeft. Dat God wil dat we volledig tot bloei komen. Dat we worden tot complete mensen, die niet bang zijn om te scheppen (op welke manier dan ook). Zoals Irenaeus zei:  ‘The glory of God is man fully alive’.
Aan het eind van deze film zijn Will en Lee gelukkig wel ‘fully alive’. Ze verzoenen zich met elkaar, en vormen zo een gemeenschap, gebaseerd op gedeeld verlangen en liefde voor elkaar. Misschien is dat de ware kerk wel, in plaats van de ‘Plymouth Brethren’! Ik geloof zelf in elk geval van wel.

dinsdag 15 maart 2011

Filmbespreking: The King’s Speech

Ervaringen uit onze jeugd, zoals pesterijen op school, misbruik op enig gebied, maar ook afwijzing of kritiek van onze ouders, kunnen jaren later nog gevolgen hebben. Deze gebeurtenissen hebben een deuk geslagen in ons gevoel van eigenwaarde, ze hebben ons laten geloven dat we een teleurstelling zijn, dat we schuldig zijn, dat we slecht zijn of dat niets wat we doen ooit genoeg is om liefde te verdienen. We hebben geleerd dat deze wereld een onveilige plaats is, een omgeving waar we op onze hoede moeten zijn, waar we ons ware ik moeten verbergen, waar we ons moeten schamen voor onze eigenheid. We hebben leren oppassen voor andere mensen, en intimiteit te wantrouwen. Elk woord, elke gebeurtenis, was als een onkruidzaadje dat in ons hart terecht kwam, en waarvan de wortels tot in de diepste plekken doordrongen. Nu worden de rotte vruchten ervan zichtbaar in de keuzes die we maken, de woorden die we spreken, de relaties die we aangaan. We zien dat ons potentieel niet vervuld wordt, we merken dat we andere mensen pijn doen, we voelen dat we van de liefde van God verwijderd blijven, maar we kunnen er niets tegen doen. Hoe vaak we onszelf ook vermanend toespreken, welke hardhandige methodes we ook toepassen om onszelf te veranderen, welke boeken we ook lezen of hoeveel nachten we ook slapeloos doorbrengen, niets dringt diep genoeg door. Soms denken we dat het ons gelukt is, dat we onszelf hebben overtuigd van de waarheid, dat we nu het leven wel aankunnen. Maar vroeg of laat komen we in een situatie waarin de angst van vroeger weer terugkeert en de kop opsteekt. Dan blijkt dat ons diepste hart nog steeds de leugen gelooft. Rationalisaties en argumenten kunnen nu eenmaal niet diep genoeg doordringen. Woorden die we onszelf als volwassene voorhouden, kunnen niet op tegen de ervaringen die we als kind hebben opgedaan. Het zijn ideeën, die niet zozeer zijn vastgelegd in woorden, maar in beelden. In de beelden zelf die ten grondslag liggen aan de woorden. Ze zijn bovendien gekoppeld aan heftige emoties. En die zullen we eerder geloven dan makkelijke beloftes dat ‘iedereen het kan’, dat ‘het heus wel goed komt’, dat ‘je gewoon moet doorzetten’. Dus saboteren we onze eigen pogingen ons leven te leiden. En het falen versterkt alleen maar de wetenschap dat de fluisterstemmen in ons hart gelijk hebben met hun oordeel over ons, dat we gedoemd zijn te mislukken.
Verandering kan alleen komen als die diepgewortelde ideeën, die kernbeelden, worden vervangen door andere beelden, andere emoties. De leugen moet worden vervangen door de waarheid. De diepe overtuiging in ons hart dat we niets waard zijn, moet worden vervangen door een even diep gewortelde overtuiging dat we recht hebben om te bestaan, dat we geliefd zijn en waardevol, dat we een stem hebben. En wij moeten deze nieuwe hoopvolle gedachte met evenveel geloof omarmen als we dat deden bij de oude, schaamtevolle. Dat betekent dat het onze eigen gedachte moet zijn, waar we met hart en ziel achter staan. Alleen dan, als we echt geloven in de waarheid, zijn we in staat onze verantwoordelijkheid te nemen, het risico te accepteren en de uitdaging aan te gaan.
De waarheid is dus niet iets dat anderen ons kunnen opdringen. Het moet iets zijn dat we zelf ontdekken. Maar anderen kunnen wel de omstandigheden, creëren waarin we ons openstellen voor de waarheid. Een veilige plek, met mensen die we kunnen vertrouwen waar we ons hart kunnen openen, de barrières laten zakken en de stinkende, zwarte massa van binnen aan het daglicht blootstellen. Anderen kunnen ons vervolgens in contact brengen met de waarheid, en vervolgens de waarheid haar gang laten gaan, totdat we haar zelf omarmen en gaan uitleven. Dit is het proces van genezing, genezing van beschadigde emoties, een proces waarin we niet zonder anderen kunnen.
En dit jaar waren er twee films genomineerd voor een oscar waarin dit proces werd gevisualiseerd. De ene deed dat in een sciencefiction-setting, met een team goedgeklede specialisten, die een bedenkelijke opdracht tot bedrijfssabotage hebben aangenomen. Volgens hen is een idee als een gevaarlijk virus, dat zich nestelt in de gedachten en van daaruit het hele leven beïnvloedt. Voorwaarde daarvoor is wel dat de ontvanger van het idee, het idee heeft dat het idee van hemzelf is, dat hij het zelf bedacht heeft. Dit resulteert in deze film in een prachtig verzoeningsmoment tussen een man en zijn vader, maar de cynische setting (het is allemaal opgezet met hogere motieven) geeft het een pijnlijk randje. Hoe goed ik Inception ook vond, ik ben daarom blij dat deze film het aflegde tegen The Kings Speech: de andere film die het proces van genezing laat zien, op een ontroerend oprechte wijze.

De film speelt zich af in de jaren voor de tweede wereldoorlog. Een tijd waarin nieuwe technologie in opkomst is. Auto’s waarmee reistijden drastisch worden ingekort. Radio’s, waarmee het Koninklijk Huis van Groot Brittannië haar onderdanen overal ter wereld zomaar kan toespreken. De koning omarmt de technologie (zij het met tegenzin), omdat hij door heeft dat zijn macht niet meer vanzelfsprekend is, maar dat hij op de troon blijft bij de gratie van het volk. De koninklijke familie moet zichzelf op de markt zien te zetten. Prins Albert, Hertog van York, vindt het maar niets dat hij in de openbaarheid moet treden. Hij spreekt niet graag, niet voor een publiek en niet voor de radio. Hij is er doodsbang voor. Hij is namelijk een stotteraar. De stiltes die vallen als hij niet uit zijn woorden kan komen, doen hem ineenkrimpen van schaamte. Hij heeft van alles geprobeerd om van het probleem af te komen, tot de meest uitzinnige therapieën toe (spreken met een mond vol knikkers). Niets werkt. Albert is dan ook tevreden dat bij de dood van zijn vader de troon toevalt aan zijn oudere broer David. Zelf kan hij, met zijn liefhebbende vrouw, buiten de schijnwerpers blijven. Maar David denkt er anders over. Hij kiest voor zijn liefde voor een gescheiden vrouw en doet troonsafstand. En dat in een tijd dat de grote redevoerder Adolf Hitler op het Europese vasteland op oorlog lijkt af te sturen. Alberts grootste angst komt uit: hij zal moeten spreken. Zijn hoop is gevestigd op de eigenzinnige Australische spraaktherapeut Lionel Logue. Deze vriendelijke man ziet het potentieel in de de hertog, maar ziet ook de barrière die de verwezenlijking ervan in de weg staat. Durft de adellijke prins Albert het aan zijn leven te delen met een gewone man uit het volk?

Bij het zien van de trailers voor de film begon- over overspel, stellen die uit elkaar gaan, en dat soort zaken - boog een van de vrienden met wie ik was zich naar mij toe en zei iets als: “Wanneer maken ze nou eens een film over huwelijkstrouw in plaats van overspel?” Na afloop suggereerde ik dat zijn wens in vervulling was gegaan. Zoals ik vaker in reviews heb gelezen: dit is een film over goede mensen, die het juiste willen doen. Prins Albert heeft het hart op de juiste plaats. Hij geeft om zijn familie, en maakt zich zorgen over Hitlers opmars. Hij houdt zielsveel van zijn dochters, ontroerend in beeld gebracht. En hij heeft een vrouw achter zich staan, die hem stimuleert, om hem geeft, en zijn spraakgebrek niet beschouwd als een bron van schaamte. Logue is een familieman, die geeft om zijn zoons, met passie voor toneel, die houdt van zijn vrouw. Prachtige voorbeelden, en niet alleen van hoe het niet moet.
Soms hoor je dat het moeilijker is voor acteurs om een goed karakter te spelen dan een boosaardig, en voor auteurs om een goed karakter te schrijven dan een boosaardig. De goede hoofdrolspeler is immers snel karikaturaal, een goedzak of een moralist, niet geloofwaardig, niet boeiend. Maar hier zetten de auteurs hun personages prachtig neer. Hun ogen spreken boekdelen. Colin Firth is als prins Albert sympathiek. In zijn blik schemert de onzekerheid door, de angst die hem achtervolgt, maar ook zijn beslissing om zijn verantwoordelijkheid niet uit de weg te gaan. Helena Bonham Carter speelt zijn vrouw humoristisch, doortastend, maar liefdevol. En Geoffrey Rush heeft soms dezelfde twinkeling in zijn ogen als kapitein Barbossa in de Pirates of the Caribbean-films, maar hier in dienst van een menselijk karakter, een genezer. De mooiste scene in mijn optiek is de ontmoeting tussen de familie van de therapeut en die van prins Albert. Heel erg mooi! Ook de bijrolacteurs zijn meestal goed, behalve Timothy Spall, die Winston Churchill speelt. Die was wat karikaturaal. (Een reünie van Harry Potter-alumni trouwens, deze film: behalve Helena Bonham Carter en Timothy Spall ook nog Michael Gambon!). De aankleding is ook prachtig, authentiek en sfeervol. Af en toe vond ik de beelden wat vreemd afgesneden (Op internet las ik ergens hoe iemand daardoor uit het verhaal werd getrokken, daar had ik geen last van). Maar verder is het verhaal meesterlijk opgezet. De climax, een radio-uitzending, is aangrijpender en spannender dan de ontknoping van menig actiespektakel. Ik kreeg er tranen bij in mijn ogen. Deze film kan ik zonder aarzeling bij iedereen aanbevelen. Hij zal ook zeker deel gaan uitmaken van mijn eigen collectie.

Prins Albert is zich pijnlijk bewust van de gevolgen van zijn stotteren. De film begint als hij voor een microfoon staat in een stadion, en zijn haperende klanken versterkt over de menigte galmen. De pijnlijke blikken van de mensen om hem heen zeggen genoeg. Beschaamd trekt hij zich terug. Hij weet namelijk ook dat hij het niet kan veranderen. Het stotteren hoort nu eenmaal bij hem. Hij zal op dat gebied altijd tekortschieten. Daarom is Albert bereid zich terug te trekken, een leven te leiden buiten de aandacht. Hij accepteert de nederlaag. Zijn vader, de koning, doet dat niet en sleurt hem voor de microfoon. Hij moet gewoon meer zijn best doen. Hij is immers de zoon van de koning? Als Albert ook nu faalt, maakt dat zijn schaamte alleen maar groter. Het lijkt alsof het zijn eigen schuld is dat hij stottert. Zijn vrouw accepteert ook niet dat hij de moed opgeeft. Ze zoekt steeds nieuwe doktoren en therapieën. En omdat Albert van haar houdt, probeert hij ze ook allemaal. Maar hij geeft er zijn hart niet aan. Van binnen is hij cynisch. Zijn defect is er niet een dat met een trucje op te lossen is. Het probleem zit van binnen, en geen techniek is in staat zo diep in hem door te dringen. Als een nieuwe methode faalt, reageert hij met een mengeling van frustratie en opluchting. De situatie blijft bij het oude, hij kan blijven bij zijn identiteit: een stotteraar, iemand die niet zijn stem hoeft te laten horen, die zich niet hoeft te uiten.
Het is voor mij allemaal erg herkenbaar. Nu had ik geen probleem met stotteren, maar wel met telefoneren. Ik heb er nu niet enorm veel moeite meer mee, maar tien, twaalf jaar geleden had ik een dag lang buikpijn als ik een telefoontje moest plegen. Ik stelde het uit, liep rondjes, keek op de klok, aarzelde. Ik voelde de spanning fysiek. Zelfs als ik moest bellen naar een organisatie waar ik wist dat er mensen zaten speciaal om de telefoon op te nemen. Sommige mensen zeiden dat ik het gewoon moest doen. Als zij het konden, kon ik het ook wel. Ik stelde mezelf maar wat aan als ik er zo’n probleem van maakte. Anderen kwamen met tips en technieken. De trucs maakten het voor mij soms wel wat makkelijker (zoals het advies van te voren op te schrijven wat ik in een gesprek wilde zeggen), maar ze losten het probleem niet werkelijk op. Als alles was gezegd en gedaan bleef ik iemand met een angst voor telefoons en telefoongesprekken. Daar zou mijn hele bestaan wel door getekend worden.
De reden dat de technieken niet helpen, is doordat het probleem niet zit in de techniek, in de spieren, of de aangeleerde gewoontes, maar dieper van binnen, in wat de persoon over zichzelf gelooft. Dit is wat Lionel Logue beseft. Hij wijst Albert erop dat niemand als stotteraar wordt geboren. Ook stottert iemand niet als hij zingt. Of als hij boos is. Logue wijst er onder andere op dat veel stotteraars linkshandig zijn, en dat ze als kind werden gestraft voor het gebruiken van hun linkerhand. Gebeurtenissen uit het verleden hebben iemand bang gemaakt. Nu durft hij zichzelf niet meer te uiten. Hij saboteert onbewust zichzelf.
Dat herken ik ook bij mezelf. Ik ben ook niet verlegen en onzeker geboren. Gebeurtenissen in mijn vroege jeugd en op de middelbare school hebben mij onzeker gemaakt. Ze hebben mij aan mezelf laten twijfelen. Ze hebben me laten geloven dat ik een mislukkeling was, dat ik geen fouten kon maken, dat ik het waard was te worden uitgescholden en gepest.
Genezing komt voor Albert niet door een revolutionaire techniek. Wat hem herstelt is de relatie met Lionel Logue. Iemand die in hem gelooft, die potentie in hem ziet, maar die hem tegelijk zichzelf laat zijn, die hem niet bekritiseert zoals zijn vader. Iemand die eerlijk is over het probleem, maar hem niet veroordeelt. Iemand die niet wil toelaten dat Albert zichzelf te kort doet, omdat hij om hem geeft. De genezing ontstaat als Albert het aandurft zijn hart te openen voor een ander, als hij iemand toelaat in zijn pijn. Het is de vriendschap zelf, de relatie zelf, die de genezing brengt. Zoals iemand opmerkte toen we na de film een biertje dronken: in deze film ontbreekt de grote doorbraakscene, de scene waarbij de therapeut de patient op de schouders klopt en zegt ‘It was not your fault’. Niet de grote tranenstromen, niet de heftige emotie. Maar de verandering komt doordat een vriend hem accepteert als persoon, ondanks de standsverschillen, en tegelijk niet accepteert dat hij zichzelf blijft zien als minderwaardig.
De verandering kwam ook voor mij niet door een nieuwe techniek die ik aanleerde. Ik veranderde doordat ik langzaam van mezelf ging geloven dat ik waardevol was, dat ik er mocht zijn. Dat ik op eigen benen kon staan, en mezelf niet omver hoefde laten blazen. Dat ik recht had op een eigen mening. En dat ik fouten kon maken zonder dat vrienden me zouden laten vallen. En terwijl ik hierin groeide, werd het langzaam makkelijker om de telefoon te pakken. De genezing van het probleem aan de buitenkant kwam van binnenuit, en net als in deze film door relaties. Relaties met vrienden, die eerlijk zijn zonder te veroordelen, en de omgang met God, die Eerlijk is, die potentieel in mij ziet, die ernaar verlangt dat ik het valse zelf achter mij laat, maar die tegelijk geduld met mij heeft, mij niet zal veroordelen, kortom, die van mij houdt. Hoe meer ik met deze mensen en met God omga, hoe meer de leugens van binnen worden vervangen voor de waarheid. En opeens komt een dag dat ik het hardop kan zeggen: Ik mag er zijn.
Of zoals Albert in deze film: “I have a voice!”

zondag 20 februari 2011

'Expectation' versus 'Expectancy' 1: de basis van relaties

In het boek The Shack van William Paul Young (Nederlands: De Uitnodiging) heeft de hoofdpersoon een ontmoeting met God. Een weekeinde lang verblijft Mack in een blokhut bij de Drie-Eenheid. Hij geniet van de spontane interactie tussen de vader, de zoon en de heilige geest, heeft gesprekken, nu eens over diepe, dan eens over oppervlakkige onderwerpen, kijkt naar de zonsondergang met ze, lacht en wordt geconfronteerd met de diepe wortels van zijn eigen pijn en zelfzucht. Mack wordt opgenomen in de gemeenschap die er was voor de tijd begon, en -als een verdwaalde reiziger die in het feeënland verzeild raakt- blijkt door die ervaring te zijn veranderd. Dat de drie personen van de drie-eenheid daadwerkelijk personen zijn, is voor hem geen abstractie meer, maar ervaren werkelijkheid. Er komt echter ook een eind aan deze fysieke ontmoeting. Mack vraag zich vervolgens af hoe een persoonlijke relatie met God er uitziet in zijn normale, dagelijkse leven. Hij ging namelijk wel naar de kerk, maar dat deed hij vooral omdat je dat als christen nou eenmaal moet. Hij zong liederen, las uit de bijbel, hield stille tijd, omdat hij meende dat God dat van hem verwachtte. Het hoorde erbij. Als hij het niet elke dag deed, schoot hij tekort. Maar hij ervoer al deze activiteiten niet als een daadwerkelijke ontmoeting met God. Hij veranderde er ook niet door. Hij werd er alleen maar moe van, en voelde zich schuldig over zijn gebrek aan enthousiasme.
In het boek helpt God hem door een verschil te maken tussen twee verschillende motivaties voor relaties. De eerste is ‘expectation’, de andere is ‘expectancy’ (beide zouden we in het Nederlands vertalen als ‘verwachting’). Je kunt in een relatie iets doen omdat het van je verwacht wordt, of je kunt het doen omdat je er veel van verwacht. Het eerste wordt al snel een verplichting of een sleur. Het kost je energie, en je gaat er weerstand of weerzin tegen voelen. Dit is motivatie van buitenaf, die je door jouzelf of anderen wordt opgelegd. Het tweede: iets doen of elkaar ontmoeten omdat je er naar uitkijkt, of er hoge verwachtingen van hebt, leidt tot vrijheid. Je hoeft jezelf er niet voor onder druk te zetten, patronen worden geen sleur of verplichting en je kunt voor verrassingen komen te staan. Het is een motivatie van binnenuit, gebaseerd op verlangen. Ik geloof dat God de voorkeur geeft aan het tweede: voor zijn relatie met ons, maar ook voor onze relatie met elkaar.

Een voorbeeld maakt het waarschijnlijk duidelijker. Een paar jaar geleden realiseerden een goede vriend en ik dat we elkaar niet meer zoveel zagen als daarvoor. Maar we wilden niet dat we uit elkaar zouden groeien of dat onze vriendschap een zachte dood zou sterven. Dus maakten we de principe-afspraak dat we elkaar elke twee weken zouden zien op de dinsdagavond. Een tijd lang was het om de beurt bij mij of bij hem, later was het vaker bij mijn vriend, omdat ik meer reistijd had. Omdat ik toen al wat huiverig was voor verplichting had ik aangegeven dat ik er de voorkeur aan gaf als we het wel steeds van te voren zouden afspreken. Ik belde dus steeds het weekeinde voor de volgende ontmoeting op om de afspraak te finaliseren. Het was een tijd lang erg gezellig en goed om mijn vriend elke twee weken te treffen. We hadden goede gesprekken, keken goede films en deden leuke spellen. Maar uiteindelijk kwam het ook voor dat we elkaar niet zo heel veel te zeggen hadden. Bovendien merkte ik dat ik ook wel eens iets anders wilde afspreken op de dinsdagavond. Maar ik voelde me aan onze afspraak vastzitten. Op een keer besloot ik om niet van te voren op te bellen, maar zonder contact te komen, onaangekondigd dus. Mijn vriend bleek op me te hebben gerekend. Hij verwachtte dat ik zou komen, ook zonder afspraak. (Dat is natuurlijk niet meer dan normaal, als je zo’n gewoonte hebt). Ik voelde me nu echter klem zitten - onze afspraak voelde voor mij nu als een verplichting. Maar toen ik twee weken later mijn vriend belde om af te zeggen (en aan te geven dat ik liever spontaan afsprak), werd hij boos. Dat was voor mij helemaal de druppel. We hebben het wel weer bijgelegd, maar we ontmoeten elkaar niet vaak meer.
Niet lang daarna intensiveerde mijn contact met een andere vriend. Nadat we samen op reis waren geweest door de Verenigde Staten besloten we dat we elkaar vaker zouden treffen bij onze favoriete koffieplek in Delft. Maar al bij het begin hebben we tegen elkaar uitgesproken dat het nooit verplicht zou zijn. We zouden het steeds van te voren afspreken, en niet een minimale frequentie bepalen. We zouden bij elkaar komen omdat we het wilden, niet omdat we het moesten. En zo werkt het tot nu toe ook. Soms ontmoeten we elkaar maanden lang elke week wel een keer bij de Coffee Company, soms werken onze agenda’s niet mee en gebeurt het dat we elkaar anderhalve maand niet treffen. Dat stoort niet - of we elkaar nu elke week zien, of om de maand: we accepteren elkaar en luisteren naar elkaar. En we veroordelen elkaar er niet om. We kunnen ook afwisselen. Soms spreken we bij elkaar af, soms op een terrasje (vooral in de zomer) - ook de locatie staat voor ons dus niet vast. We spreken met elkaar af omdat we ernaar uitkijken elkaar te zien, we genieten van ons samenzijn. Als dat niet meer het geval zou zijn, zouden we de afspraak niet in stand houden.
Ik zeg niet dat structuur verkeerd is, maar het gaat niet om de structuur. Zodra de structuur de relatie gaat bepalen, en je dingen gaat doen omdat de afspraak of de structuur het van je verwacht, ben je niet meer vrij om van elkaar te houden. Maar als je met elkaar afspreekt (wat ook een structuur of vorm is) op een bepaalde plaats, omdat je allebei ernaar uitkijkt elkaar te ontmoeten, maakt de structuur de relatie mogelijk, zonder dat de vrijheid verdwijnt.

Volgens mij geldt dit principe ook voor het leven van de kerk. Voor veel christenen is kerk iets geworden waar ze naar toe gaan omdat het van ze verwacht wordt, omdat het erbij hoort, omdat je als je niet gaat geen goed christen bent. Zondagochtend zit je in de kerkbanken, en o wee als je de dienst laat schieten. En de echt toegewijde christen is ook nog eens bij de bidstond, de bijbelstudie en de tweede dienst op zondag. Of je nu wordt aangesproken door de preek, of je nu houdt van zingen, of je de mensen nu mag of niet: het doet niet werkelijk ter zake. Over kerkgang is niet te onderhandelen. Als mensen niet meer naar de kerk gaan wordt er daarom vaak een beroep gedaan op hun geweten. Weten ze niet wat Paulus zegt over het verzuimen van de onderlinge bijeenkomst? Lopen ze niet het gevaar weg te glijden en het geloof te verliezen? Beseffen ze niet dat ze andere mensen pijn doen en afwijzing laten ervaren? Zijn ze niet gewoon schuldig aan ongehoorzaamheid en hebben ze niet gewoon een probleem met autoriteit? Maar weinig mensen vragen oprecht naar redenen waarom iemand niet meer op zondag in de dienst komt. Het is een kwestie van ‘expectation’. De vorm, de structuur, is het doel geworden en niet langer slechts een middel.
Maar de gemeenschap van gelovigen kan ook ontstaan uit ‘expectancy’. Zoiets ervaar ik in de groep met wie we na de kerk koffie drinken. Niemand is verplicht erbij aanwezig te zijn, er worden geen lijstjes bijgehouden en er is geen minimaal bezoek afgesproken. Wie wil, mag komen. We verzamelen op een vaste plaats, en ongeveer op een vaste tijd. De ene keer zitten we er met z’n tweeen, andere zondagen zijn er tien of meer mensen samen. De ene keer gaan de gesprekken de diepte in, en delen we het geloof met elkaar, andere momenten komen vooral de koetjes en kalfjes aan bod. Er is geen agenda, geen vooropgezet doel. We leven met elkaar, en we ontmoeten elkaar omdat we ons leven met elkaar willen delen. En soms organiseren we andere activiteiten, een etentje, een dagje uit, omdat we genieten van elkaars gezelschap. En we verwelkomen nieuwe mensen, of ze nu een keer komen, of vaker.
Onze koffiegroep is geen kerk, maar wel een organisch geheel van relaties tussen gelovigen, waar het koninkrijk van God in zichtbaar wordt. Ik zie hetzelfde functioneren in een huisgemeente in Almere, waar ik nu een paar keer te gast heb mogen zijn. Deze mensen spreken wel af dat ze elkaar zien, maar leggen het niet tot maanden in het voren vast. De ene keer zijn er op een ‘meeting’ vier mensen, de andere keer tien. De ene keer wordt er vooral gezongen, de andere keer wordt er uit de bijbel gedeeld, de andere keer wordt er voor elkaar gebeden. De liefde van God staat centraal. Maar verder moet er niets. Als er eenvoudig koffie wordt gedronken is dat ook goed. En na de ‘meeting’ wordt er samen gegeten: iedereen neemt wat mee, de kinderen spelen en gillen en rennen, en ondertussen gaan de gesprekken alle kanten op: van diep en persoonlijk, tot oprecht vrolijk lachen. Deze mensen houden van elkaar en genieten ervan om met elkaar samen te komen. Door dik en dun ervaren ze steeds dat God in hun contacten aanwezig is, dat Hij ze woorden geeft die anderen inspireren en dat Hij in hun bijeenkomsten de draden van hun levens door elkaar weeft, zodat ook al brengt iedereen iets anders mee, er toch een eenheid ontstaat. De groep staat soms voor de verleiding er een instituut van te maken, iets dat ze zelf tegen elke prijs in stand moeten houden, maar dat weten ze te weerstaan. Ze komen samen omdat ze dat willen, niet omdat ze dat moeten, en ik geniet ervan er af en toe deel van uit te maken. Mijn hoop is dat in mijn omgeving een dergelijke gemeenschap ontstaat, van gelovigen die enthousiast zijn over de onvoorwaardelijke liefde en vrije genade van God en uit dat enthousiasme bij elkaar willen komen om elkaar te bemoedigen. Ik geloof dat God dit als realiteit voor de kerk heeft bedoeld.
Nota Bene: ik weet dat er mensen zijn die heel erg van de traditionele dienst genieten en die er naar toe gaan omdat ze dat willen, en ernaar uitkijken. Hen wil ik ook niet tegenhouden. Ik heb niets tegen vorm of structuur, sterker nog: de groep van mijn vrienden in Almere kan ook niet bestaan zonder een zekere vorm en afspraken. Maar de vraag is of de structuur of vorm dienend is aan de relatie, of dat het eigenlijk gaat om het in stand houden van de vorm. Dat laatste is in mijn ervaring een belangrijke motivatie in veel kerken, en volgens mij de omgekeerde wereld. De structuren zijn volgens mij niet blijvend, alleen de liefde blijft.

In een volgend bericht hoop ik te kunnen beschrijven hoe dit principe van toepassing is op onze relatie met God, die niet wil dat we contact met hem hebben op basis van verplichting en schuldgevoel, maar die ons wil ontmoeten omdat we naar Hem verlangen.

zondag 7 november 2010

reuzenkwal, Lawhead, Genesis als historie, zwak geloven en vriendschap in de kerk

Opnames van de reuzenkwal (met armen tot 10 meter lang) uit de diepzee - en de vis die met de kwal samenleeft.  Fascinerend!

Het prehistorische reptiel Henodus zou baleinachtige structuren in zijn bek hebben gehad, en dus zijn voedsel uit het water hebben gefilterd, net als walvissen! Bizar!

Het nieuwste boek van Stephen Lawhead is uit! The Skin Map. En het gaat over leylijnen en parallelle universa.

De trailer voor de epische film The Way Back - over gevangenen uit Siberie, die een wel heel lange voettocht ondernemen. Van regisseur Peter Weir (onder andere The Truman Show, en Master and Commander), met onder andere Ed Harris.

Op de blog Jesus Creed wordt gediscussieerd over de vraag hoeveel er voor een goed begrip van de bijbelse boodschap waar moet zijn aan het verhaal uit Genesis 1 tot en met 3, en hoe dat in overeenstemming is te brengen met wat de laatste wetenschappelijke conclusies over het ontstaan van de mens. In het voorgestelde scenario kan ik me wel vinden. "The Christian story makes sense of the world through the elements of good creation, Fall, redemption “as God’s ongoing work to restore creatures to their proper functioning“, and consummation. If we deny that people have a common source or that sin is an alien intruder then we undermine this story and undermine the gospel." Ook de discussie die volgt is boeiend.

Ronald van den Oever schrijft wat uitgebreider over wat hij eigenlijk bedoelt met de termen 'zwak geloven' en 'zwak denken'. "Voor mij is zwak geloven een levenshouding die voorbij de woorden uitkomt in de stilte waar we de woorden van beelden mogen laten voor wat ze zijn en ook de “film” naast ons neer kunnen leggen in het besef van het mysterie waar God nog bovenuit gaat." Interessant trouwens, dat ook Ronald van den Oever in 1 en 2 Korintiers de weg van de zwakheid ontdekt.

Jeff Dunn vertelt op de Internetmonkpagina dat hij graag een God heeft die duidelijkheid biedt. "Give me a list of what I’m supposed to do, another list of what I’m not supposed to do, and I will try to act the way I’m supposed to act to the end of my days. Give me a religion where I get to be in control of me, please. One where I can manipulate my god by the things I do or don’t do." Maar zo blijkt het niet te werken als je Jezus wilt volgen. Hij is wel goed, maar niet veilig. "I must trust God to do as he has said to me he would do. I must trust that he will make all things right in the end, even if now it all looks wrong. He doesn’t seem to have left me any other out. And to be honest, I don’t really want an out. I want to trust him. I want to come to him in faith, believing. Even if it is just a baby faith at first, I’m sure he will be patient as it grows." Waardevolle woorden, ook voor mij op de plek waar ik nu ben in mijn leven.

Volgens Experimental Theology (snel een van mijn favoriete blogs aan het worden) moeten we de kerk niet in de eerste plaats zien in termen van 'familie', maar in termen van 'vriendschap', want: "Friendship calls you to a higher standard of behavior. You treat friends better than you do family members. We treat friends as gifts. They are choosing to spend time with us, to share their lives with us. Consequently, we don't want to treat them poorly. We want to embrace that gift and rejoice in it. If this logic holds then what we see here is something like the self-emptying love of Father, Son, and Holy Spirit."

zaterdag 30 oktober 2010

Filmbespreking: Crazy Heart

Laat ik het maar eerlijk toegeven: in mijn tienerjaren luisterde ik nogal wat naar countrymuziek. Ten eerste omdat mijn vader daar naar luisterde, ten tweede omdat ik nogal wat vooroordelen had ten opzichte van andere muziek (dat heb je met een wat muziek betreft vrij besloten opvoeding). Ik heb zelfs een paar jaar lang meegewerkt aan een christelijk radioprogramma over country, door elke maand top 40-lijsten samen te stellen. De cassettebandjes met de nieuwe nummers van die maand heb ik grijs gedraaid.
En hoewel ik nu een bredere muzieksmaak heb (van de zware gothic metal van Saviour Machine tot Keltische folk en luistermuziek van Sara Groves), zet ik nog steeds wel eens een countryalbum op. Johnny Cash bijvoorbeeld, maar ook de christelijke countryartiest Del Way luister ik nog af en toe.

Het is niet eenvoudig aan te geven wat nu de aantrekkingskracht is van country. Het is meestal niet de meest ingewikkelde muziek, dat staat vast. Maar misschien is het de melancholische kant ervan. De klank van de ‘steel guitar’ (een soort liggende gitaar) heeft iets klagerigs, net als dat van een mondharmonica. En de manier van zingen heeft dat ook wel, denk ik. En dat wordt gecombineerd met teksten die ‘uit het leven gegrepen’ zijn - daarin verraadt country zijn wortels in de ‘blues’. Het is het gevoel van de cowboy die op de prairy bij zijn vuur zit, ver weg van zijn geliefde, en zijn eenzaamheid van zich af zingt. De strijd om het bestaan uit het oude westen, de pioniers die op het harde land ten onder gingen. En dus zingen countryzangers nog steeds niet over geslaagde relaties, succesvolle ondernemingen, of plezierige ervaringen. Ze zingen over echtscheiding, over ontslag, over gevangenissen, over drankverslaving, over kinderen die ze niet meer zien en over de dood die ze in de ogen kijken. Ook hier is Johnny Cash een goed voorbeeld met zijn ‘Folsom Prison Blues’.
Ik heb ooit een verslagje gelezen van wetenschappelijk onderzoek waaruit bleek dat onder countrymuziekliefhebbers relatief meer depressieve mensen waren dan onder liefhebbers van andere muziekstijlen. Ik denk niet dat de depressie wordt veroorzaakt door de country, maar dat het soms een soort troost kan zijn om een lied te horen waarin het niet goed gaat met de zanger, in plaats van een succesverhaal over een glansrijke carriere of een succesvol liefdesleven. Misschien kun je country dus wel zien als ‘muziek van de zwakheid’ - hoewel het eerder de muziek is van het stadium voor het erkennen van de zwakheid. Want het zijn vaak liederen van mensen die zichzelf de schuld geven van hun falen, of menen dat ze zichzelf kunnen veranderen.

Dat countrymuziek is gebaseerd op de pijn van het leven, komt terug in de ‘tag line’ van de film Crazy Heart: ‘The harder the life, the sweeter the song’. En nog voordat ik inga op het verhaal van de film, ligt hier misschien al een waardevolle boodschap: de pijn van ons leven is niet zinloos, maar leidt uiteindelijk ergens toe. Wat we meemaken, vormt ons, ook de teleurstellingen, het verdriet, de strijd om elke dag door te komen. Het kan ons beschadigen, zoals krassen op een langspeelplaat, of gekladder op een schilderij. We zijn gebroken mensen. Maar uiteindelijk kunnen uit deze gebrokenheid dingen voortkomen, die we anders nooit zouden hebben voortgebracht. Medeleven met andere gebroken mensen bijvoorbeeld, een persoonlijker vertrouwen op God, bijgestelde prioriteiten. De Bijbel suggereert dat het vuur van het lijden een louterend effect kan hebben. Of zoals ik het ooit wat grof heb horen verwoorden: “De shit van ons leven, is de mest van onze geestelijke groei.” Ik denk daarbij vaak aan de woorden van Paulus, dat Gods kracht wordt volbracht in zwakheid, en dat hij dus eerder zal roemen op zijn zwakheden, dan op zijn eigen prestaties. Hij had genoeg in zijn leven meegemaakt om dit aspect van zijn pijn te omarmen.

Maar onze pijn is ook de mest voor onze creativiteit. De beste kunst heeft betrekking op de totaliteit van de menselijke ervaring. Niet alleen op blijdschap, geluk, en succes, maar ook op angst, pijn en onzekerheid. De beste kunst helpt ons onszelf in te leven in een ander, totaal persoon, en iets te herkennen van wat ons mensen maakt. Dat is wat anders dan goedkoop sentiment, dan puur entertainment. Ikzelf weet dat de beste verhalen en liedteksten die ik zelf schrijf, die zijn die gebaseerd zijn op wat ik zelf doormaak of heb doorgemaakt. Mijn debuutroman Neptunus schreef ik toen ik midden in een overspannenheid zat, en het maakt de hoofdpersonen mijns inziens menselijk. Een paar van mijn meest indringende liedteksten schreef ik in een depressie. De teksten die ik daarvoor schreef waren vaak te makkelijk, te opgewekt, te stellig. Wat ik schreef in de ervaring was in elk geval doorleefd. Ook mijn laatste verhalen zijn steeds reflecties van iets dat ik in mijn eigen leven doormaak, over worstelingen die ik in mezelf heb opgemerkt.
En dat herkennen lezers, luisteraars en kijkers. Ik merkte het zelf het afgelopen jaar op het Flevofestival, waar een aanbiddingsband speelde met een nogal jonge zanger (Leeland), die wel allerlei heel christelijke dingen zei (met veel emotie), maar waarbij ik het niet kon nalaten te denken: “Ik zou wel eens willen weten hoe jij hier over vijftien jaar over denkt.” Dan luister ik liever naar mensen die weten dat het ook wel eens tegenvalt om te geloven, dat twijfel erbij hoort en dat teleurstelling niet een uitzondering is. Op aanbiddingsgebied is dat bijvoorbeeld iemand als Brian Doerksen, die twee kinderen heeft met het fragiele X-syndroom, met alles wat daarbij komt kijken. Hij weet dat je er wel eens flink doorheen zit, ook als christen.
Voor de kunstenaar heeft de pijn van het leven dus iets dubbels. Vincent Van Gogh schoot zichzelf in de borst. Maar zou hij zulke sprekende werken hebben gemaakt als hij volmaakt gelukkig was geweest? Ja, het doet pijn, maar het is direct de bron van inspiratie Het is niet voor niets dat men spreekt over de ‘gekwelde componist’. En daar kent het countrygenre er genoeg van.

Bad Blake in Crazy Heart is een van die gekwelde componisten. Ooit een begaafd gitarist en ‘songwriter’, maar nu op zijn retour. Op zijn 57ste teert hij op oud succes door te spelen in bars en bowlingbanen. Voor hem geen tourbus, maar zijn oude stationwagen. Tussen de bedrijven door drinkt hij zich een stuk in de kraag en rookt als een ketter (auch, ik realiseer me nu pas waar deze uitspraak vandaan komt). Hij is al vier keer gescheiden, en heeft zijn enige zoon al 24 jaar niet gezien. Zijn vroegere protegee, Tommy, verkoopt miljoenen en treedt op in stadions. Hij wil graag nieuw materiaal, maar Bad heeft al drie jaar niks geschreven. Zijn leven bevindt zich op een doodlopende weg.
Tijdens een van zijn optredens ontmoet hij de journaliste Jean, die hem een interview afneemt (maar, als ik dat als medejournalist mag opmerken, daar wel vrij onprofessioneel bij te werk gaat, bijvoorbeeld door redelijk uitdagende kleding te dragen, en vrij snel met Bad tussen de lakens te duiken). Als Bad een ongeluk krijgt, neemt zij hem op nadat hij uit het ziekenhuis ontslagen is. Er ontstaat een affaire, zelfs al weet Jean dat ze te maken heeft met een alcoholist. De oplettende kijker begrijpt al snel dat het niet lang goed kan blijven gaan.

Ik vond de film onderhoudend. Er komen prachtige Amerikaanse landschappen en luchten in beeld, daar genoot ik al van. De muziek is goed, vooral als je bedenkt dat acteurs Jeff Bridges en Colin Farrell de liederen zelf hebben ingezongen. De oscar voor beste acteur die Jeff Bridges ontving was verdiend - hij laat je in zijn Bad Blake geloven. Maggy Gyllenhaal was innemend, maar ook gebroken. En er was een mooie bijrol van Robert Duvall. Het einde was ook niet te zoetsappig, maar passend.

Behalve het thema dat het onder ogen zien van je gebrokenheid uiteindelijk kan leiden tot nieuwe inspiratie, gaat de film ook over verslaving. In meerdere vormen. Bad is alcoholverslaafd. Hij is daarmee een gevaar voor zijn omgeving. Maar ook voor zichzelf: zijn gezondheid is niet best, zijn relaties zijn een zootje, en hij valt achter het stuur in slaap. Hij wil het echter niet toegeven, tot er als gevolg van zijn verslaving iets ergs gebeurt.
Ook Jean is verslaafd. Al wordt dat in de film niet letterlijk zo benoemd. Zij is een alleenstaande moeder, en ze heeft meerdere relaties achter de rug, ook met een alcoholist. Toch gaat ze een relatie aan met Bad. Terwijl ze weet dat hij drinkt. Iets in haar zet haar aan tot gedrag (relaties met mannen die slecht voor haar zijn), waarvan ze weet dat het niet gezond is, maar waarmee ze toch niet kan stoppen. Ook al kent ze de tekenen. Een typisch geval van mede-afhankelijkheid (Eng. co-dependency) - waarbij mensen ‘verslaafd’ zijn aan het zorgen voor iemand met een verslaving? Ook zij komt tot inzicht als er iets ergs gebeurt, als gevolg van haar verslaving.

En dan moeten beide personen ervoor kiezen om te veranderen. Bad gaat een afkickkliniek in. Hij roept vol bravoure dat hij zichzelf kan veranderen, dat hij nu alles anders gaat doen. Hij denkt ook dat hij zo Jean terug kan krijgen. Maar zo makkelijk gaat het niet. Een goede vriend waarschuwt hem dat de soberheid niet altijd blijft, dat hij zal terugvallen. “Maar ik zal je helpen. Ik zal er voor je zijn.” En Jean heeft haar eigen keuzes gemaakt - “Als je echt van ons houdt, zoek je ons niet meer op.” Dat is realistisch. Ons gedrag heeft gevolgen, en ook als we ons leven veranderen, kunnen we die niet ongedaan maken. We blijven ze ons hele leven met ons meedragen. Juist als we sober zijn, kunnen we ze niet meer weg drinken. Dat maakt de keuze voor het afkicken tot iets bitterzoets: het is goed, maar het doet pijn.
En tegelijk kunnen we onszelf niet veranderen. Als we daarop zouden vertrouwen, zouden we hoogmoedig worden, en net zo snel weer terugvallen. Althans, zo gaat het bij mij. We hebben anderen nodig. Vrienden die naast ons staan, die ons met moedige, radicale liefde herinneren aan de waarheid. Vrienden die ons liefhebben als we falen en hen teleurstellen, maar die ons niet ondersteunen in onze verslaving (die niet mede-afhankelijk zijn). Hoe lang we ook vrij zijn, en hoe sterk we ons ook voelen, we blijven afhankelijk.
En ik denk dat het die ontdekkingen zijn -dat onze keuzes blijvende gevolgen hebben en we die zonder beneveling onder ogen moeten komen, en dat we hoe sterk we ook zijn, afhankelijk zijn van de liefde van anderen, om stand te kunnen houden- die uiteindelijk leiden tot de beste, sterkste uitingen van kunst. Teksten die het hart van mensen raken, die levens kunnen veranderen. Want deze ontdekkingen zijn de waarheid, en de beste kunst brengt ons in contact met de waarheid.

zaterdag 9 januari 2010

Filmbespreking: Sherlock Holmes

Ik kijk al jaren uit naar een goede Sherlock Holmes-film in de bioscoop. In een filmtijdschrift las ik ooit over een script dat de ronde deed (Sherlock Holmes versus Dracula) en het idee om de grote detective op het grote scherm zijn werk te zien doen liet me niet meer los. Ik ben namelijk sinds mijn tiende (of zoiets, het kan ook later zijn geweest) een liefhebber van de verhalen van Arthur Conan Doyle. Mijn ouders kochten een boek voor me met de verzamelde Holmesverhalen, en die complete bundel heb ik minstens twee, maar volgens mij eerder drie of vier, keer van voor tot achter gelezen. Zelfs als je weet hoe de verhalen zullen aflopen, blijven ze boeiend. Ten eerste vanwege de evocatieve (gaaf om dat woord te kunnen gebruiken) beschrijvingen van omgevingen en mensen. Doyle wist zeker een onheilspellende sfeer op te roepen. De gele mist die rond de huizen van Baker Street zweeft is bijna spreekwoordelijk. De hond van de Baskervilles die opdoemt uit de schemer kan zo uit een horrorverhaal komen!
Ten tweede is Holmes veel meer dan alleen een computer in een mensenlichaam die op basis van een paar details tot een opmerkelijke conclusie komt. Holmes en Watson zijn ook zonder de bizarre zaken die op hun pad komen uitermate interessante karakters. Ze zijn er niet alleen voor het verhaal, ze hebben een leven, en dat voel je bij het lezen van de door Watson opgestelde verslagen (een interessante vorm die steeds wordt volgehouden). Hun vriendschap is duidelijk uit de beschrijvingen af te lezen. Watsons' grote hart (en bezorgdheid voor Holmes) is aandoenlijk en Holmes' koude buitenkant, zijn cynisme over emoties en zijn enorme focus op zijn werk blijken duidelijk bedoeld als een bescherming voor zijn wel degelijk scherp afgestelde gevoeligheid. Hij is misschien zelfs wel gevoeliger dan Watson, maar doet zijn uiterste best dat te verbergen. Maar als Watson in gevaar komt, wordt het opeens zichtbaar.
Eerdere Holmes-films, voor zover ik ze gezien heb, lieten alleen de koude buitenkant zien van Holmes, maar vergaten de mens achter het karakter. Bovendien zetten ze Watson neer als een beetje slome 'side kick', alleen maar goed om te zeggen dat hij de conclusies van Holmes niet begrijpt (terwijl hij in de boeken een man van actie is, moedig en wel degelijk intelligent). Ook Holmes' meer laag bij de grondse eigenschappen worden in de films vaak vergeten. Zo is hij een zwaardvechter en een bokser in de boeken, kan hij behoorlijk schieten en is hij niet bang om risico's te nemen. Hij is niet een Hercule Poirot die alleen maar met wat mensen praat en vervolgens rond het haardvuur uitlegt wie de dader is. Hij is veel meer zelf betrokken bij de ontknoping. (Onder andere een achtervolging op de Thames in Het Teken van de Vier). Vaak is er sprake van een schijnbaar bovennatuurlijke situatie, die Holmes moet zien te ontkrachten op basis van zijn wijd uiteenlopende kennis van allerlei fenomenen.

Gisteravond zag ik de film waar ik al die tijd naar had uitgekeken. Een Holmesfilm die de sfeer van Londen aan het eind van de 19e eeuw wist op te roepen, compleet met vuil, grafzerken, duistere broederschappen, grote bouwprojecten en inderdaad mist en regen. Maar vooral een Holmesfilm die de mens achter het brein laat zien. Deze Holmes is niet de kille rekenmachine van andere films. Hij is een man met een ongekend scherp intellect en een niet geëvenaard observatievermogen, die juist door die kwaliteiten naar beneden wordt getrokken. Ze zijn niet alleen een zegen, maar ook een vloek. Holmes ziet, hoort en ruikt alles, en bijna vanzelf probeert hij alles wat hij waarneemt in een kader te plaatsen. Maar al die prikkels zonder verband, zonder samenhang, dreigen hem te verstikken. Hij heeft een doel nodig, een vraag, een uitdaging, waardoor hij orde kan aanbrengen in de wirwar van mogelijkheden en opties. Hij heeft iets nodig waarmee hij zijn aandacht op een enkel ding kan richten en al die andere geluiden en signalen links kan laten liggen. Zijn werk, zijn roeping, is voor hem niet een leuke bezigheid, het is zijn houvast, werkelijk een levensbehoefte. Zonder focus moet hij zich afschermen voor de indrukken van de buitenwereld, en moet hij zijn scherp afgestelde intellect zien te verdoven. Hij zinkt steeds dieper weg in een spiraal van exotische wetenschappelijke experimenten (arme hond), isolatie van mensen (arme mevrouw Hudson), duisternis en drugsgebruik (zijdelings wordt gerefereerd aan Holmes' infame gebruik van cocaine en heroine als oppeppers). Het verstoorde evenwicht tussen passiviteit en gedrevenheid dat ik uit mijn eigen leven ken, wordt heel duidelijk geillustreerd in de superdetective. Hij heeft iemand nodig die hem uit deze cirkel kan laten ontsnappen, die hem kan bevrijden.
Die iemand is dokter John Watson. Intelligent, een veteraan uit India, en vooral, een man met een hart. Voor zijn verloofde Mary met wie hij binnenkort gaat trouwen, voor zijn patiënten, en voor zijn vriend en kamergenoot Holmes. Zelfs al gedraagt Holmes zich bijzonder onbeschoft tegenover Mary Morstan, omdat hij bang is zijn houvast in Watson te verliezen. Watson en Holmes moeten leren dat hun vriendschap niet vastzit aan hun behoeftigheid (Johns behoefte aan avontuur, Sherlocks behoefte aan een klankbord en iemand die hem uit zijn negativiteit sleurt), maar dat ze vrienden zijn om wie ze zijn als persoon. En dat dit niet verandert als een van de twee een huwelijk sluit. Dit herkende ik ook goed van mijn eigen vriendschappen. Gelukkig voor de twee is Mary een vrouw met diepgang, die herkent hoe belangrijk deze twee voor elkaar zijn. Uiteindelijk trekt zij ze niet uit elkaar, maar brengt ze hen zelfs dichter bij elkaar. Erg mooi om te zien.
Net als bij de oorspronkelijke verhalen zijn het dus vooral de karakters en hun vriendschap die me bij blijven van het verhaal, en waarvoor ik de film vaker zal gaan kijken. Oh, en de actiescenes, want deze keer is niet vergeten dat Holmes ook nog andere kwaliteiten heeft dan een goed observatievermogen.

Het plot is voor wie meer Holmesverhalen heeft gelezen misschien wat voorspelbaar, de ontknoping is niet een enorm grote verrassing. Het is meer de weg ernaar toe die onveranderd boeiend blijft. En dan zijn er nog de intrigerende verwijzingen naar een van Holmes' aardsvijanden, die door het verhaal geweven zijn. De zaak begint als Holmes en Watson in een ondergrondse catacombe de macabere plannen van de sinistere Lord Blackwood verijdelen. Deze verdorven edelman is schijnbaar een beoefenaar van duistere magie, en hij wordt veroordeeld tot de strop. Einde van de zaak, schijnbaar. Tot er mysterieuze verhalen opduiken dat hij levend is gezien en zelfs weer aan het moorden is geslagen. Ondertussen wordt Holmes benaderd door 'de vrouw', Irene Adler, de enige die hem ooit te slim af is geweest. Zijn vraagt hem een hulp van Blackwood op te sporen. Holmes vertrouwt haar niet, maar hij heeft afleiding nodig, dus neemt hij de zaak aan. Als snel doet hij de ontdekking dat in het graf van Blackwood niet de edelman zelf ligt, maar zijn vermiste hulp. Er vallen meer doden en de miraculeus herrezen edelman kondigt aan de macht over Engeland en vervolgens de wereld te willen overnemen. Zelfs de politie (in de persoon van inspecteur Lestrade) is niet te vertrouwen. Alleen met de hulp van Watson, en bijgestaan door Irene Adler, kan Holmes een ramp voorkomen.

De film duurde voor mijn gevoel wat lang, maar ik heb me uitstekend gemaakt. De humor (fysiek en verbaal) was onderhoudend, er waren interessante keuzes voor de muziek, de acteurs waren prima (Robert Downey Jr. en Jude Law), genoeg verwijzingen naar de Holmesmythologie en de snoodaards die van angst gebruik wilden maken om mensen te onderdrukken, kregen hun bekomst. Wat mij betreft een heel aardig begin van filmjaar 2010!