Posts tonen met het label gerechtigheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gerechtigheid. Alle posts tonen

zondag 27 januari 2013

Filmbespreking: The Impossible

Ik heb geen TV thuis. Ik bedoel: het apparaat heb ik wel, anders zou ik geen DVD’s en blu-rays kunnen kijken en geen computerspellen kunnen spelen, maar ik kijk er geen TV op. Nooit gedaan. Dat heeft als voordeel dat ik niet in de verleiding kom om een hele avond gedachteloos te zappen om uiteindelijk te realiseren dat ik twee saaie spelletjes gezien heb en een halve aflevering van een serie die me toch niet zo boeide. En dat naast talloze reclames voor wasmiddel en sterke drank. Maar het nadeel is dat ik sommige dingen niet zelf zie. Over de vloedgolf van kerst 2004 las ik alleen in de krant. Dat was natuurlijk al indrukwekkend genoeg. En ik zag de satellietfoto’s die toonden hoe de kustlijn was veranderd na de tsunami, wat de ongelofelijke kracht van het water illustreerde.
Maar het gebeurde bleef abstract. Cijfers waar ik weinig mee kon. Ik had geen voorstelling hoe het geweest moest zijn voor de mensen in de gebieden rond de Indische oceaan. Wel herinner ik me hoe we op kantoor geld inzamelden voor de hulpfondsen. Ik had nog Noorse kronen van een eerdere vakantie in mijn portemonnee zitten en doneerde die. Wat de impact was van de ramp werd me echter pas goed duidelijk toen ik in 2010 in India was, en mijn gastheren van de kerk in Hyderabad me vertelden hoe ze met voedsel en kleding hulp gingen bieden in de getroffen streken van India. Ze lieten ook een paar foto’s zien van de verwoesting die daar was aangericht.

Toen ik vroeger bij mijn grootouders logeerde, las ik graag in de Het Beste (Readers Digest) - waar ze heel wat jaargangen van hadden staan - en dan vooral de overlevingsverhalen. Mensen die een vliegramp hadden meegemaakt, die waren verdwaald in de bergen, die in een mijn waren vast komen te zitten. Die een aardbeving hadden doorstaan. Of een vloedgolf. Wat deze artikelen deden was dat ze de abstracte cijfers - aantallen doden, statistieken over verkeersongelukken, waarschuwingen over het gevaar van verdwalen - minder abstract maakten. Ze maakten er namelijk een verhaal van. En ik geloof dat wij als mensen (of in elk geval de meesten van ons) niet zijn gebouwd om te denken in abstracties (die betekenisloos zijn), maar wel in verhalen (die betekenis geven). Zelfs als we over abstracties praten, gebruiken we er vaak beeldspraak voor of analogieën - dat wil zeggen: we vertellen er een verhaal over.
Als we dus willen omgaan met gebeurtenissen of rampen (individueel of collectief) vertellen we er een verhaal over. Kennissen die iets erg hebben meegemaakt willen graag ‘hun verhaal kwijt’ (ik weet dat toen ik door de IJslandse vulkaanuitbarsting had vastgezeten in Doha, ik later graag dat verhaal vertelde). Net zo vertellen we verhalen over oorlogen en rampen. Dat begint op school, want de beste geschiedenisleraar is degene die mooie verhalen over geschiedenis weet te vertellen. Toch? Maar ook later - niet voor niets zijn er zoveel boeken geschreven en films gemaakt over de tweede wereldoorlog, over de Titanic, over Vietnam. En er kwamen films over de Twin Towers na elf september, en boeken waarin die gebeurtenissen een rol speelden. Die verhalen helpen ons om beter te begrijpen wat de impact was van die momenten, ze doen ons meeleven met de personen die werden getroffen (en daardoor ontwikkelen we meer empathie en ‘theory of mind’) en ze maken ons weerbaar, doordat we onszelf afvragen wat wij in zo’n situatie zouden doen en ons daarop gaan voorbereiden.
Vaak worden deze verhalen verteld vanuit het oogpunt van een overlevende. Dat lijkt misschien niet ‘eerlijk’, alsof de overledenen geen verhaal te vertellen hadden. Maar het lot van anderen wordt niet over het hoofd gezien. Het wordt juist pijnlijk duidelijk hoe ‘oneerlijk’ het is dat het verhaal van die anderen wreed tot een einde is gebracht. De onrechtvaardigheid van het universum blijkt er juist heel duidelijk uit. Het brengt bij ons de verontwaardiging tot stand die gepast is bij het zinloze lijden in de wereld. We heffen onze vuist en komen in actie. Maar waarom zouden we in actie komen als het menselijke bestaan geen waarde zou hebben? Als het individuele bestaan werkelijk zinloos zou zijn. Wat deze verhalen ons ook duidelijk maken is dat het universum uiteindelijk niet hopeloos is. Dat onze opoffering en medemenselijkheid betekenis hebben. En juist dat er mensen overleefden kan ons hier geloof in schenken. G.K. Chesterton zei al dat kinderen behoefte hebben aan verhalen, niet om te leren dat draken bestaan, maar om te leren dat ze verslagen kunnen worden. We weten allemaal met de Prediker dat ‘tijd en toeval treffen allen’. De verhalen bevestigen dit (het zijn immers vaak gewone mensen die door gebeurtenissen groter dan zichzelf worden overvallen), maar ze laten tevens zien dat in die situaties toch ruimte mogelijk is voor medemenselijkheid, opoffering en naastenliefde. En voor hoop. Hoe klein dat sprankje ook mag zijn.
(Natuurlijk is er het gevaar dat als de gebeurtenis langer geleden is, er legendevorming kan optreden, waardoor de verhalen de gebeurtenis niet dichterbij brengen, maar de afstand tussen de luisteraar en de werkelijkheid juist vergroten. Je gaat als kijker bijvoorbeeld meeleven met de helden in een oorlogsfilm en gaat de tegenstanders als minder menselijk zien. De werkelijke menselijke kosten van een gebeurtenis worden over het hoofd gezien. Daarom moeten te grote verhalen uiteindelijk gedeconstrueerd worden - de verhaaldynamiek moet worden ontmaskerd, zodat de gebeurtenis zelf weer zichtbaar wordt. Parodieen doen dit bijvoorbeeld, of een film als Inglourious Basterds van Quentin Tarantino.)
Tot slot geloof ik dat juist in dit type verhalen het Grote Verhaal het duidelijkst zichtbaar kan worden, want gaat dat er ook niet over hoe wij wonder boven wonder, tegen alle hoop in, zijn gered van de dood van het lichaam en de vernietiging van het heelal?

De film The Impossible bracht voor mij de gebeurtenissen rond de tsunami van 2004 tot leven. Hij maakte de onweerstaanbare kracht van het water duidelijk, maar ook de chaos en verwarring die er na de tsunami heersten. Als ik nu over een vloedgolf hoor, is het niet meer iets abstracts. Maar de film toont ook opvallende tekenen van medemenselijkheid. Sprankjes hoop in een duistere situatie. Wat deze film zo bijzonder maakt is dat hij zo dicht bij de hoofdpersonen blijft. De camera blijft ze op de huid zitten. Je maakt mee wat zij meemaken, soms in gruwelijk detail. (Maar zonder te gruwelijk te zijn - de film is in dat opzicht gelukkig niet sensationeel). Soms juist door het ontbreken van detail (zo is het scherm even zwart en hoor je alleen geluiden - en dat is misschien nog wel het gruwelijkst). Daarbij helpen de sympathieke acteurs, die hun rol geloofwaardig neerzetten, zelfs de kinderen die meespeelden. Het gezin heeft een heel natuurlijk overkomende dynamiek, ook de interactie tussen de drie jongens. Ik vond de muziek tegen het einde toe wel wat sentimenteel worden. Dat had wat minder gekund. Vooral omdat de gebeurtenissen tegen het einde al te mooi lijken om waar te zijn. Als de film niet was gebaseerd op een waargebeurd verhaal, zou ik het einde niet hebben geslikt. De wetenschap dat het echt is gebeurd, maakt het ontroerend.

De familie Bennett is tijdens de kerst op vakantie aan de kust in Thailand. Henry heeft te horen gekregen dat hij mogelijk zal worden ontslagen, zijn vrouw Maria wil haar baan als arts wel weer oppakken. Ondertussen spelen hun kinderen en maken ze ruzie, zoals jongens dat onderling nu eenmaal doen. De ochtend na kerst zijn ze allemaal in het zwembad in het resort als er een vreemde wind opsteekt. Er komen onheilspellend roepende vogels overwaaien. Dan verschijnt als uit het niets een muur van water, alles op zijn weg vernietigend. Als Maria uit de maalstroom boven water komt, is ze al vele meters meegesleurd landinwaarts. Ze treft haar oudste zoon Lucas aan en samen klampen ze zich vast aan een boomstam. Als het water zakt, zijn ze alleen. Van Henry en haar andere twee kinderen is geen spoor te bekennen. En zelf is ze door het puin in het water gewond geraakt. Als ze er niet aan onderdoor gaat door het bloedverlies, loopt ze het gevaar een stevige infectie op te lopen. Lucas neemt al snel de verantwoordelijkheid op zich over zijn moeder. Hij blijft bij haar als ze gevonden worden door locale mensen, en naar een ziekenhuis worden gebracht. Daar dringt Maria er bij Lucas op aan dat hij mensen gaat helpen. Als hij terugkomt, is zijn moeder verdwenen. Hij is moederziel alleen...

Waar mijn vriendin en ik ons over verbaasden bij het kijken van de film, was hoe deze familie zich inzet voor anderen, ook na wat ze allemaal hebben doorstaan. Het kan ook anders, en dat wordt in de film getoond: mensen die anderen niet van hun mobiele telefoon laten gebruikmaken, omdat ze bang zijn dat de batterij opraakt. En die angst is natuurlijk terecht. Een ‘ieder voor zich’-mentaliteit meten we ons in ons dagelijkse leven al makkelijk aan. Maar als je leven in gevaar is, als je dreigt alles kwijt te raken wat je bezit, dan al helemaal. Om te overleven worden mensen egoïstisch - uiteindelijk in staat elkaar te doden om een korst brood (is bekend van extreme situaties, bijvoorbeeld in de concentratiekampen). Ik maak me niet veel illusies over mijn eigen houding in dezen - ik weet niet of ik zou delen wat ik heb, als ik niet weet of dat voor mijzelf genoeg is.
Maar deze familie steekt anders in elkaar. Als het water zich net heeft teruggetrokken, en Maria en Lucas landinwaarts strompelen, horen ze een kind huilen. Lucas wil dat ze een boom opzoeken. Ze moeten omhoog klimmen om veilig te zijn als er een nieuwe golf komt. Elke seconde telt. Maar Maria geeft niet toe, al kan ze zelf nauwelijks meer op haar benen staan. “Weet je wat voor mij het angstigste moment was?”, zegt ze (even uit het hoofd geparafraseerd). “Niet toen de golf me raakte, maar toen ik boven kwam en ik was helemaal alleen. Misschien zijn je vader en je broers op dit moment wel helemaal alleen. Dan zou je toch ook willen dat iemand ze vond en ze hielp? Dit kindje is nu helemaal alleen. Hij heeft alleen ons. ” Lucas laat zich overreden en helpt het blonde jongetje dat Daniel heet. Later in het ziekenhuis vraagt zijn moeder hem een mandarijn te delen met een medepatient, die vast veel honger en dorst heeft. En hij helpt mensen die Engels spreken, brengt ouders en kinderen bij elkaar. Zelfs als hij daarvoor bij zijn moeder weg moet. Hij is een reddende engel - voor anderen, zoals hij het is voor zijn moeder.
Hoe kan het dat deze mensen in een noodsituatie in staat zijn anderen te helpen? Hoe kan het dat ze ook de noden zien van hun medemensen en niet alleen die van zichzelf?
Een ramp als deze brengt onze diepste motivaties boven, uiterlijkheden vallen weg. Rationeel nadenken over je gedrag is er niet bij. Je handelt uit instinct. De enige manier om na zo’n ramp liefde te kunnen tonen voor je medemensen, is als dat is wat je in de rest  van je leven doet. Het gedrag dat je oefent als het je voor de wind gaat, als er niets aan de hand is, is wat je vertoont als het tegenzit. Als je in het normale dagelijkse leven de roep van je medemens negeert, voordringt in de rij, en niet uitdeelt van wat je hebt, zul je dat ook niet doen als je leven abnormaal wordt.
Wat in deze film mooi zichtbaar is, is dat de familie voor de tsunami de kust bereikt, al wordt gekenmerkt door een hulpvaardige instelling. Ze zorgen voor elkaar, dat is al heel snel duidelijk. En omdat ze dat altijd al deden, kunnen ze daarmee doorgaan als de rampspoed toeslaat.
We weten niet of en wanneer we in moeilijke omstandigheden komen. Misschien wel nooit. Maar misschien zitten we morgen in een auto die over de kop slaat, wordt een ernstige ziekte vastgesteld, breekt een crisis uit, worden we ontslagen. We leven in een wrede wereld. Onze wereld is in zichzelf niet menselijk. Als wij wel menselijk willen zijn. Als wij willen dat we zelfs in zulke onmenselijke omstandigheden onze menselijkheid bewaren en er kunnen zijn voor anderen, moeten we daarom nu al dagelijks zo leven, nu we nog de vrijheid hebben ons gedrag zelf te kiezen. Als onze naastenliefde in ons systeem zit, als het ons instinct is geworden, zullen we onze naasten liefhebben als we puur instinctmatig handelen. Dit is de rol van de disciplines in het geloof, van rituelen, van liturgie. Die laten schoonheid, waarheid en liefde tot in ons merg doordringen. En ze komen naar buiten als we ze nodig hebben.
Uiteindelijk in het ziekenhuis ziet Lucas Daniel weer. Hij bevindt zich in de armen van een man die net zo blond is als hij, en lacht. En Lucas weet waarvoor hij het gedaan heeft, waarvoor hij heeft gewacht een boom in te klimmen, waarvoor hij zichzelf heeft opgeofferd. Hij heeft iemand gered van de eenzaamheid, van de dood. En nu ziet hij in dat zijn moeder gelijk had. De ander helpen is de moeite waard. Hij is de realiteit gaan zien van de ‘gouden regel’ die Jezus instelde: ‘Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten.’ (Mattheus 7:12) Als we dat nu doen, doen we dat ook in tijden van een tsunami.

donderdag 23 augustus 2012

Gerechtigheid 3: het werkelijke goede nieuws

In maart begon ik met het publiceren van een zevendelige serie die ik ooit schreef voor een mensenrechtenorganisatie. Nu is het alweer bijna september! Gelukkig zijn de losse overdenkingen ook apart te lezen. Deel 1 vind je hier, en deel 2 hier.

Het is nogal wat, een campagne voor gerechtigheid. Een kwartiertje bladeren in de krant, een half uurtje kijken naar het acht uur-journaal, een dag op Facebook: het is genoeg om je de moed in de schoenen te laten zinken. Waar moet je als individu immers beginnen? Hoe kan je ook maar iets doen om een eind te maken aan het lijden van zoveel mensen? Het kwaad is overweldigend. Als het op de ene plek ongedaan is gemaakt, steekt het ergens anders weer de kop op. Als op het ene continent een epidemie is bestreden, breekt ergens anders een hongersnood uit. Als het ene conflict voorbij is, begint het volgende. Alle hulp die we bieden, alle acties die we organiseren, alle inspanningen die we leveren, ze lijken een druppel op een gloeiende plaat. Het effect ervan is altijd slechts tijdelijk. Hoeveel we ook geven van ons geld, onze tijd en onze energie, het is nooit genoeg. Er blijft altijd meer nodig. Meer steun, meer inspanning, meer financiën. Als we ons al niet verschuilen achter een muur van cynisme, spoeden we onherroepelijk af op overspannenheid. Zo werkt het in ieder geval voor mij. Het is de reden waarom ik liever niet te veel wil weten van wat er op de wereld aan ongerechtigheid gebeurt. Het lijkt allemaal hopeloos, slecht nieuws.
 Maar ik zou geen overdenking schrijven voor deze website, als ik niet geloofde dat er goed nieuws te melden was: een boodschap die ons gevoel van zinloosheid verlicht, die betekenis verleent aan onze inspanningen, die hoop biedt op een blijvende verbetering voor ieder mens. Dit is het goede nieuws dat Jezus verkondigde: “De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij!” (Marcus 1:15). Het koninkrijk van God heeft ons bereikt (Lucas 10:9). Dit verandert de zaak. Dit zet alles wat we doen in een nieuw perspectief.

Wie de evangeliën leest, kan er niet omheen: het koninkrijk van God vormde de kern van Jezus’ boodschap, het ijkpunt waar hij steeds weer op terugkwam. Ons ongemak met de ongerechtigheid laat zien dat wij Jezus’ bedoeling niet hebben begrepen. We geloven in zijn dood en opstanding, maar we geloven niet wat die volgens Hem tot stand hebben gebracht: de vestiging van Gods regering op de Aarde. Een koninkrijk is namelijk niets anders dan het gebied waarin de wil van de koning gebeurt. Binnen de grenzen van Nederland vindt plaats wat de koningin besluit (ik weet dat de huidige politieke realiteit wat ingewikkelder is, maar het idee mag duidelijk zijn). Het koninkrijk van God is dus het gebied waar gebeurt wat God wil. Dat is waar Jezus op doelt in het ‘onze vader’: ‘Laat uw koninkrijk komen en uw wil gedaan worden op aarde, zoals in de hemel’ (Matteüs 6:10). Als het koninkrijk van God op een bepaalde plek arriveert, gebeurt daar de wil van God, zoals die nu al gebeurt in de hemel. En dat is het beste wat kan gebeuren. Dat is werkelijk goed. Dat geldt voor elk individu, elk gezin, elke organisatie en elke samenleving. Als Gods wil gebeurt, komen die tot hun eeuwige bestemming, hun ultieme ontplooiing, hun hemelse glorie. Jezus beschrijft wat zijn roeping was: ‘[God] heeft mij gezalfd om aan armen het goede nieuws te brengen … om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, om een genadejaar van de Heer uit te roepen’ (Lucas 4:18,19). Door zijn leven werd zichtbaar wat de wil van God was: blinden konden weer zien, verlamden weer lopen, mensen met huidvraat werden gereinigd en doven konden weer horen, doden werden opgewekt en aan armen werd het goede nieuws bekendgemaakt (Lucas 7:22). Dit was wat God wilde, dit was wat Gods regering door Jezus heen tot stand bracht. En dit is wat Jezus voor ons beschikbaar heeft gemaakt door zijn dood en opstanding: als we ons bij hem aansluiten, worden we gered uit de macht van de duisternis en overgebracht naar het rijk van Gods geliefde zoon (Kolossenzen 1:13). Voortaan kan in ons en door ons heen de wil van God gebeuren.

Het koninkrijk van God is niet iets dat wij tot stand kunnen brengen, het is niet iets dat wij tevoorschijn kunnen roepen, dat wij kunnen maken of breken. Het is immers niet onze wil waarvan het afhankelijk is, maar die van God. Het enige dat wij kunnen doen om er deel aan te krijgen, is ons ervoor open te stellen. Jezus zei: “Wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan” (Marcus 10:15). Toen nog meer dan nu, kwam niemand op het idee iets van een kind te verwachten. Ze konden niets produceren, ze konden niets verdienen, niets aan de samenleving bijdragen, ze konden alleen ontvangen. Pas dit voorjaar realiseerde ik me dat het verhaal over de ‘rijke jongeling’ hiermee in verband staat. Het probleem van deze man was niet dat hij niet in staat was alles op te geven, maar dat hij dacht dat hij iets kon doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven (Marcus 10:17). Hij meende dat hij door zich aan regels te houden, kon zorgen dat Gods wil in zijn leven gebeurde. Maar Jezus hield al van hem zonder dat hij ook maar iets deed. Hij hoefde het koninkrijk van God alleen maar als een geschenk te ontvangen, er ruimte voor te maken in zijn leven. Daarom is het voor rijken zo moeilijk om het koninkrijk van God binnen te gaan (vers 23). Zij denken dat ze iets kunnen bereiken met hun eigen inspanningen, hun eigen tijd, hun eigen geld. Ze denken dat zij zelf verantwoordelijk kunnen zijn voor de gerechtigheid. Maar God is de enige die in staat is zijn wil te laten gebeuren. Alleen hij is verantwoordelijk voor zijn koninkrijk.

Het enige dat wij dus hoeven doen om te delen in Gods koninkrijk, is Hem te vragen zijn wil te laten gebeuren. We hoeven ons alleen aan hem beschikbaar te stellen, in elke situatie waarin we ons bevinden, elke dag opnieuw. Als we dat doen, verandert ons perspectief, dan krijgt ons leven een nieuwe basis, dan worden we opnieuw geboren. Pas als we niet langer op onszelf vertrouwen, maar op God, kunnen we het koninkrijk van God zien (Johannes 3:3,5). Dan zien we hoe de wil van God werkelijkheid wordt door wat we doen en wat we zeggen. Dan worden we verrast door de gevolgen van de meest eenvoudige daden van medemenselijkheid, van de kleinste woorden van liefde. Dan zien we wonderen die we niet hadden kunnen organiseren, blijvende veranderingen die we niet van te voren konden verwachten. Dan breken we niet onder de last van de gerechtigheid, maar vinden we rust voor onze zielen, en gaan we voort van kracht tot kracht, tot we voor God verschijnen in Sion, tot Gods koninkrijk wereldwijd werkelijkheid wordt (vergelijk Psalm 84:8).
Dit is pas werkelijk goed nieuws.

zaterdag 31 maart 2012

Gerechtigheid 2: Het begint van binnen

Gerechtigheid blijft voor mij soms een ‘ver van mijn bed’-show. Kindsoldaten in Afrika, vrouwenhandel in Zuidoost-Azië, onderdrukking van andersdenkenden in het Midden-Oosten en in China, de lijst gaat schijnbaar eindeloos door. Het lijkt altijd een probleem van mensen ‘daar’, buiten mijn kennissenkring, buiten mijn invloed. Ik voel me vaag schuldig omdat ik niet gevangen zit, niet als vee wordt verkocht, niet wordt gedwongen familieleden te verraden en niet in het geheim met anderen hoef af te spreken om mijn geloof te beleven. Dus doe ik wat geld in de collecte, zet mijn handtekening onderaan de lijst, en keer vervolgens opgelucht terug tot mijn veilige, comfortabele, vrije leventje. Ik heb de stem van mijn geweten tot zwijgen gebracht en kan me weer met volle aandacht wijden aan mijn baan, mijn huis, mijn hobby’s en mijn gezin. Tenminste, tot de volgende oproep op tv verschijnt, of de volgende collectant bij mij aan de deur staat. Maar de pijn van het onrecht, de ernst van het kwaad, blijft al die tijd buiten mijn hart. Ik voel het niet echt en dus is ook mijn bewogenheid niet echt.   
Wat God wil, is dat mijn strijd tegen het onrecht begint in mijn eigen binnenste. Zolang mijn actie alleen maar voortkomt uit schaamte of schuldgevoel is het niet meer dan ‘een dreunende gong of een schelle cimbaal’ (1 Korintiërs 13:1), voor God niet van meer waarde dan de ‘gerechtigheid … van de schriftgeleerden en de farizeeën’ (Matteüs 5:20). Ik moet het kwaad leren herkennen in mijn eigen omgeving en in mijn eigen situatie gaan leven in de realiteit van Gods liefde voor mij. Pas dan zal ik oprecht gaan geven om de omstandigheden van anderen, en zal ik mij uit eigen beweging opofferen om mijn naasten vrij te maken. Ik geloof dat Petrus hierop doelt als hij waarschuwt dat het oordeel ‘begint bij Gods eigen mensen’ (1 Petrus 5:17). Onrecht bevindt zich niet in de buitenwereld, op een afstand, maar in mijn huis, in mijn hart.
  
Laten we er geen doekjes om winden: prostitutie, mensenhandel, slavernij en onderdrukking ontnemen mensen hun waarde als geliefde kinderen van God. Maar hetzelfde geldt voor ons alles doordringende materialisme, ons ongebreidelde consumeren, onze ongeremde prestatiedrang en onze inhoudsloze communicatie. En deze zijn zo mogelijk nog verderfelijker. Ze blijven niet aan de oppervlakte, maar dringen ongemerkt binnen in onze persoonlijkheid. Ze beïnvloeden onze overtuigingen, vijlen aan ons geweten en corrumperen onze normen en waarden. Ze maken ons blind voor de betekenis van ons bestaan, ontnemen ons onze waardigheid en vullen ons met zinloosheid. En we zijn het ons niet eens bewust. Ondertussen kraakt het milieu, wankelt de economie en neemt de depressie in Nederland epidemische vormen aan. Dat zou iets moeten suggereren: ook onze ziel is dood. Ook wij zijn armzalig, berooid, blind en naakt (Openbaringen 3:17).

Ik, jij, onze vrienden en collega’s, en alle mensen over de hele wereld: we zijn allemaal tegelijk daders en slachtoffers van het onrecht. We proberen uit alle macht onze omgeving te manipuleren om zo onze omstandigheden veilig te stellen, en tegelijkertijd worden we door machten van buiten ons gecontroleerd om te voldoen aan andermans verwachtingen. We zijn onvrij. Of we nu zelf over anderen heersen of door anderen overheerst worden, we verliezen ons vermogen te reageren op onze omstandigheden, ons leven, en de eigenheid die ons tot onszelf maakt, onze individualiteit. We zijn, net als de hele wereld, ‘in de macht van hem die het kwaad zelf is’ (1 Johannes 5:19). Volgens de bijbel is de moordenaar vanaf het begin, satan, de oorzaak achter alle gevangenschap en overheersing (vergelijk Johannes 8:44). Hij neemt ons ‘levend gevangen en dwingt [ons] zijn wil te doen’ (2 Timoteüs 2:26). Deze engel heeft zelf de liefde en vrijheid van God afgewezen en wil ons nu omvormen tot zijn eigen afschuwelijke gelijkenis. De Engelse schrijver C.S. Lewis laat het de demon Schroefstrik zeggen in Brieven uit de Hel: ‘Het is ons erom te doen de wil van de mens in de onze te absorberen… ons doel is een wereld, waarin Onze Vader Beneden alle andere wezens in zich heeft opgenomen.’ Terwijl God in de hemel wil dat wij steeds meer onszelf worden, unieke personen met wie hij in relatie wil staan, wil Gods tegenstander dat wij elk spoortje individualiteit verliezen en geen enkel initiatief meer kunnen nemen. Hij wil dat wij ons laten beheersen door onze onvervulbare verlangens, in plaats van afhankelijk te zijn van de liefde van de drie-enige God. Daartoe vervreemdt de grote ‘aartsleugenaar’ ons van de waarheid (Johannes 8:44). Hij ontkent de realiteit van onze persoonlijkheid en onze betekenis in de relatie met God en met anderen. En dus kiezen we voor de manipulatie, de controle, de ongerechtigheid.

We zullen pas vrij worden van die dingen, als we de leugen afwijzen en gaan leven in overeenstemming met de waarheid: de waarheid dat ieder mens door en voor God geschapen is en dus recht heeft op onze liefde. Daarom houdt Jezus in Lukas 14:12-14 zijn discipelen voor: ‘Wanneer u een maaltijd aanbiedt of een feestmaal geeft, vraag dan niet uw vrienden, uw broers, uw verwanten of uw rijke buren, in de verwachting dat zij u op hun beurt zullen uitnodigen om iets terug te doen. Wanneer u mensen ontvangt, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit … zij kunnen voor u niets terugdoen. Dan zult u gelukkig zijn.’ Hij bedoelt niet dat we straf zullen krijgen wanneer we onze vrienden uitnodigen voor het eten. Hij is niet boos op ons omdat we een gezellige avond hebben met onze familie. Jezus wil echter dat we onze beslissingen niet langer baseren op controle, dat we geen relaties met elkaar aangaan om iets van anderen gedaan te krijgen, maar dat we goed doen omdat we het beste zoeken voor onze medemens, omdat we verlangen naar gerechtigheid. Dat geldt voor dichtbij en ver weg. Als we met heel ons hart ‘recht’ willen leven, kunnen we eindelijk geld overmaken, niet omdat we ons geweten willen sussen, maar omdat we daadwerkelijk om anderen geven. Dan kunnen we onze handtekening zetten onder de petitie, niet omdat iedereen het doet, maar omdat we ons niet verheugen over het onrecht (1 Korintiërs 13:6). Dan kunnen we werkelijk liefhebben.

vrijdag 23 maart 2012

Gerechtigheid 1: waarom mensenrecht echt recht is

Bijna drie jaar geleden schreef ik voor een christelijke mensenrechtenorganisatie een serie overdenkingen over gerechtigheid - voor een deel gebaseerd op mijn boek 'Indrukwekkende Vrijheid'. Ze zijn toen gepubliceerd op het internet, maar ik kan ze niet zo snel terugvinden, daarom plaats ik ze de komende zes weken op mijn blog! Dit is het eerste deel.

“Het is niet eerlijk!”, riepen we als kinderen al als er een klasgenootje werd voorgetrokken. Dat de ander werd beloond voor iets dat hij niet verdiend had, of dat iemand die hetzelfde gedaan had als wij, vrijuit ging, ervoeren we als onrechtvaardig. Het voldeed niet aan de maatstaf, de rechte lijn, waarmee we bepaalden wat ons en anderen toekwam. We wisten kennelijk dat we ‘recht’ hadden op een bepaalde behandeling, net als ieder ander. Net zo maken we ons nu, jaren later, sterk voor de ‘rechten van de mens’. We geloven dat het ieder individu toekomt op een bepaalde manier behandeld te worden. We zijn ervan overtuigd dat ieder mens het recht heeft zelf zijn leven invulling te geven en zelf te kiezen voor een geloofsovertuiging of een politieke opinie of een manier van leven. We ervaren het als een kwaad als iemand als minderwaardig wordt behandeld om zijn afkomst, geslacht of seksuele geaardheid. Dat is verkeerd, krom, on-recht. Maar wat bepaalt wat ons als mensen ‘rechtens’ toekomt?

Zeggen dat iemand ergens ‘recht’ op heeft, is zeggen dat iemand een bepaalde waarde heeft, betekenis. Maar niets in het heelal heeft betekenis uit zichzelf: op de keper beschouwd bestaat alles uit atomen: waterstof, koolstof, zuurstof, protonen, neutronen, quarks, enzovoorts … Stof zijn we en tot stof zullen we terugkeren. Betekenis wordt altijd door iemand aan een voorwerp of persoon verleend. Zo kunnen wij betekenis verlenen aan een vloerkleed, bijvoorbeeld omdat het ons veel geld gekost heeft, of omdat het een erfstuk was van onze lieve oma. Daarom willen we dat het op een bepaalde manier behandeld wordt: we willen dat onze kinderen er niet met vieze schoenen over lopen en er niet zomaar chocolademelk over uitgieten. Net zo zijn onze kinderen (of onze ouders, afhankelijk van onze leeftijd) voor ons belangrijk, hebben ze voor ons betekenis. Daarom willen we dat ze het goed hebben en accepteren we het niet dat anderen ze als vuil behandelen.
Maar wie verleent betekenis aan onze medemens die niet ons familielid, onze vriend of onze stamgenoot is? Wie bepaalt dat het ‘recht’ is hem of haar op een bepaalde manier te behandelen? Het individu kan dat niet. Ik heb zelf bijvoorbeeld niets te maken met mensen in Noord-Korea. Ze hebben voor mij persoonlijk geen betekenis. Ik zou ze makkelijk kunnen negeren, hun lijden langs me heen laten gaan. De maatschappij kan het ook niet. Waarom zouden mensen buiten onze grenzen betekenis voor ons hebben? Het zijn vreemdelingen! De wetenschap kan het ook niet: die houdt zich alleen maar bezig met materie en energie, en die heeft geen betekenis die er niet door ons aan verleend wordt.

De enige basis voor de erkenning van universele ‘rechten van de mens’ is het erkennen van een persoon die alle mensen betekenis geeft. En dat is God. Mensen ontlenen hun betekenis aan het feit dat God ze geschapen heeft. God heeft ze gewild, God vindt ze belangrijk, God houdt van ze. Dus moeten wij ook houden van onze medemens, hoe ver weg ze ook leven, hoe anders ze ook zijn dan wij. Jakobus schrijft: ‘Met onze tong … vervloeken we mensen die God heeft geschapen als zijn evenbeeld … Dit kan toch niet goed zijn?’ (3:9,10). Alleen omdat we geloven dat ieder mens naar het beeld van God is geschapen, weten we dat we niemand mogen vervloeken, dat is: iemand het verlies van zijn waarde als beeld van God, als persoon, toewensen.

Dat we als mensen zijn geschapen naar het beeld van God (Genesis 1:26) heeft niets te maken met onze uiterlijke vorm, die meer overeenkomt met die van mensapen en Neandertalers, of ons denkvermogen, dat door verschillende dieren gedeeld wordt: apen, vogels en dolfijnen. Het betekent dat we vrij zijn, dat we net als God in staat zijn onze eigen keuzes te maken en verantwoordelijkheid te dragen voor de consequenties daarvan. God heeft ons zo bedoeld. Hij is het die gevangenen “vrijheid en voorspoed geeft” (Psalm 68:7). David noemt Hem meerdere malen “míjn bevrijder” (2 Samuel 22:2, o.a. Psalm 19:15). Overal waar God op Aarde aanwezig is, ervaren mensen vrijheid, want “waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid” (2 Korintiërs 3:17).
Verder wil God dat we leven: niet alleen dat we ademhalen, maar dat we invloed hebben op onze omgeving en daarop kunnen reageren, in plaats van door de omstandigheden buiten ons te worden bepaald. Vanaf het begin was het God die mensen tot leven bracht: “De adem van de Ontzagwekkende doet mij leven” (Job 33:4). Bij God is “de bron van het leven” (Psalm 36:10). Het is God die ons “leven en adem en al het andere schenkt” (Handelingen 17:25).
Gods doel met ons is bovendien dat we ons als individu onderscheiden van anderen, dat we als de persoon die we zijn een indruk achterlaten op de wereld. Het is zijn bedoeling dat wij “in luister verschijnen” (Kolossenzen 3:4). God wil ons “genade en glorie” schenken (Psalm 84:12).
Dit wil God voor ons, mensen: dat wij als personen volledig tot ons recht komen, dat we met volle overgave leven, dat we helemaal vrij zijn. God zoekt voor ons wat voor ons het beste is, dat ons het meest de mensen maakt zoals hij ons geschapen heeft. Dat is hetzelfde als zeggen dat Hij van ons houdt. Het is de liefde van God voor ons die ons betekenis geeft, die elk individu op aarde het recht geeft behandeld te worden als een vrij persoon. Omdat God van de ander houdt, is het juist, eerlijk, ‘recht’, dat ik ook van hem of haar houd. Dat betekent: dat ik voor hem of haar zoek wat voor hem of haar het beste is, waar hij of zij recht op heeft als beeld van God. Zelfs al is hij mijn vijand, of is zij anders dan ik. Wij zijn immers allemaal kinderen van onze Vader in de hemel (vgl. Matteus 5:45). Daarom is het onze verantwoordelijkheid als volgelingen van God de ander lief te hebben als onszelf (vgl. 22:39).

Kortom, als we echt hart hebben voor onze naaste, wie hij ook is, waar hij ook vandaan komt, wat hij ook gedaan heeft, als we echt het beste voor hem willen zoeken, moeten we op zoek gaan naar de liefde van God. Pas als we begrijpen hoeveel God van ons houdt, hoeveel hij voor ons heeft overgehad, hoeveel wij voor hem betekenen, kunnen we datzelfde gaan zoeken voor de ander. Johannes zei het al: we kunnen onze medemens alleen maar liefhebben “omdat God ons het eerst heeft liefgehad” (1 Johannes 4:19).

maandag 26 december 2011

Kerstboodschap: wie kondigt wat aan?

Al jaren lang sluiten radiomakers van 3FM zich rond kerst op in een glazen huis voor het programma ‘Serious request’. Ze ontzeggen zich privacy en eten en ander gemak, om voor het oog van een heleboel mensen aandacht te vragen voor minderbedeelden over de hele wereld. Dit keer oorlogsmoeders in Afrika. Door luisteraars wordt geld ingezameld, en ook de gemaakte radioprogramma’s dienen dat doel. Veel mensen vinden dit initiatief inspirerend. Ik ook. Ik vind het mooi dat er mensen zijn die bereid zijn zulke offers te brengen om anderen te helpen en die hun door God gegeven talenten gebruiken om anderen ook te stimuleren zich in te zetten voor goede doelen. En elke hulp die dit oplevert voor lijdende mensen is welkom.
Christenen laten zich door de DJ’s van het Glazen Huis ook inspireren. Vorig jaar voerde Boele Ytsma op twitter actie om als kerken bij te dragen aan de opbrengst van het Glazen Huis. En dit jaar las ik de blog Gods Marketing, die stelde dat de radiomakers eigenlijk moderne dominees zijn, met hun boodschap om je in te zetten voor anderen. “De DJ’s zijn zonder het zelf te beseffen ware dominees, priesters en voorgangers geworden ... De vermoeidheid is levensecht, maar de wilskracht en overtuiging ook. Alles voor de ander, alles voor die vreemde, daar in Afrika.” Net als dominees en voorgangers zenden deze radiomakers een boodschap de wereld in: dat we moeten omzien naar diegenen die het minder goed hebben dan wij en dat we samen alles voor de ander over moeten hebben.
Heel lovenswaardig, en het is een goede boodschap, maar het is niet HET goede nieuws. Het is niet het de boodschap die dominees, priesters en voorgangers nu opeens zouden moeten verkondigen. Juist niet! Het woord in de boodschap dat bij mij de alarmbellen deed rinkelen was ‘wilskracht’. In deze boodschap hangt het af van onze inspanning voor de ander, wat wij met onze kracht kunnen bereiken, onze discipline en ons doorzettingsvermogen. Het is trouwens niet verkeerd om te worden uitgedaagd om ons in te spannen, om onze kracht te trainen, en om door te zetten. Maar als christelijke predikers deze boodschap gaan brengen, wordt de boodschap op de een of andere manier altijd dat we deze dingen eigenlijk voor God doen of zouden moeten doen. Dat we door die inspanning, discipline en doorzettingsvermogen aan Gods koninkrijk bijdragen, dat God ons waardeert als we dat doen, dat we minder goede christenen zijn als we het niet doen. Dit zal altijd gebeuren, omdat christelijke predikers nu eenmaal namens God spreken. Plotseling hangen Gods aanvaarding en onze eeuwige toestand dis af van die heel wankele factor van onze wilskracht. En plotseling zetten we ons niet meer in voor de ander omwille van die ander, maar omdat we bang zijn Gods zegen mis te lopen of door Hem niet goed genoeg gevonden te worden.
Ik ben helemaal niet tegen oproepen om goed te doen aan anderen, om moreel en heilig te leven, en te zorgen voor het milieu, dieren en de samenleving. Verre van! Ze zouden veel vaker mogen klinken. Maar deze morele boodschappen kunnen het best worden gebracht via seculiere kanalen. Door de DJ’s van 3FM. Door iemand als Bono (ja, hij is een christen, maar hij brengt zijn boodschap van armoedebestrijding als zanger van een rockband!). Door Marianne Thieme (ook een christen, maar ze brengt haar boodschap als politicus, niet als predikante). Als zij deze boodschap brengen, gaat het om het moreel verantwoorde gedrag, en niet om eeuwig zieleheil en Gods aanvaarding. Elkaar liefhebben, zorgen voor de ander, geven om de wereld: het hoort bij het menszijn. Wie deze boodschap brengt, brengt die boodschap als mens naar mensen, ook als hij christen is en voor zijn boodschap door Christus wordt geinspireerd.

Aan de andere kant: de boodschap over ons eeuwig zieleheil en Gods aanvaarding die christenen namens God verkondigen, kan het best worden gebracht door onvolmaakte, immorele predikers. Door mensen zonder zuiver blazoen, zonder vlekkeloze reputatie. Door verslaafden die ervoor uitkomen dat ze weer zijn teruggevallen, ook al wilden ze oprecht ‘nee’ blijven zeggen. Door de kwetsbaren, die durven laten zien dat ze anderen hebben pijn gedaan, dat ze kansen hebben laten lopen, dat ze wisten wat hun plicht was, maar die niet hebben gedaan.
Als de boodschap over Gods aanvaarding en onze eeuwige toestand wordt gebracht door predikers die een zuiver moreel voorbeeld laten zien, die altijd alles geven voor anderen, nooit terugvallen in een verkeerd patroon, nooit boos zijn op hun kinderen, en voldoen aan het plaatje van de ideale burger en de ideale christen, gaan we denken dat al deze  dingen erbij horen. Dat we om net als zij door God aanvaard en gered te worden net zo goed, moreel en kerkelijk actief zouden moeten zijn als de predikers zelf. Dat dit gedrag en deze inspanningen voorwaarden zijn, dat het (opnieuw van onze wilskracht afhangt. En we worden gefrustreerd, of oneerlijk (net als die predikers, want niemand is volmaakt. Als ze zo lijken, is dat omdat ze niet open zijn over wat er in hun binnenste afspeelt).
Paulus zelf deed zijn best zich niet beter voor te doen als hij was. Hij noemde zichzelf in 1 Timoteus (in tegenwoordige tijd) de grootste van alle zondaars. Hij was zwak stond bloot aan verleiding. “Als er iemand zwak is, dan ben ik het wel. Gaan anderen onder verleidingen gebukt - ik word erdoor verteerd!” (2 Korintiers 11:29). Hij vertelde dat hij door Satan als met vuisten geslagen werd - want Gods kracht wordt zichtbaar in zwakheid. Hij was niet beter, heiliger of moreler dan zijn toehoorders, hij was zwak zoals zij en trad zwak op, maar hij had de liefde van God leren kennen, zoals die was geopenbaard in Christus, zijn heer. Daarvan predikte hij.
Daarom heb ik ook het meest geleerd over de genade en de liefde van God van schrijvers als Brennan Manning (Het Zwerversevangelie) die eerlijk uitkomt voor zijn worsteling met een alcoholverslaving en hoe hij daar steeds weer in terugvalt. Van Philip Yancey, die open is over zijn opvoeding in een strenge, racistische kerk, en hoe hij oude ingeslepen patronen moet kwijtraken. Van John Eldredge, die vertelt over de wonden die zijn vaders woorden hebben achtergelaten en hoe hij tekortschiet ten opzichte van zijn vrouw en zijn kinderen. Van andere schrijvers, sprekers en vrienden die er open voor uitkomen dat ze er soms een potje van maken, maar die weten dat God van ze houdt en uiteindelijk herstel zal brengen in het koninkrijk van God. Ze brengen niet zichzelf en hun gedrag, maar ‘Jezus Christus, de gekruisigde’ (1 Korintiers 2:2).

Kerst is bij uitstek de gelegenheid om stil te staan bij de christelijke boodschap, de reden waarom Christus op Aarde is gekomen. Die boodschap is ten eerste een aankondiging. Een boodschap over een gebeurtenis, die op geen enkele manier te maken heeft met onze wilskracht. Of wij goed leven, of wij anderen helpen, of wij in moreel opzicht door een ringetje te halen zijn heeft er niets mee te maken. Het is geen oproep om ons te gaan gedragen of om ons beste beetje voor te zetten. Het is een feitelijke mededeling die aan ieder van ons gedaan wordt, en die van ons niet eens een reactie vereist. Of we er nou blij mee zijn of niet, of we er naar gaan leven of niet, het verandert niets aan de inhoud ervan.
En het is bovendien een aankondiging die wordt gedaan aan mensen die niet eens een passende reactie kunnen geven. Aan het uitschot van de samenleving, aan mannen en vrouwen zonder hoop, die aan de grond zitten. Aan degenen die zo lang hebben geprobeerd mee te draaien en hogerop te komen, dat ze de moed nu hebben opgegeven. Aan degenen die zich hebben verlaagd tot het verkopen van hun lichaam of het uitbuiten van hun landgenoten. Aan de verslaafden die hun verslaving haten, maar de fles niet kunnen laten staan. Aan ‘the last, the least, the little, the lost’, aan mensen die -in de woorden van Robert Farrar Capon - dood zijn.
Het is de aankondiging van de Engelen aan de herders. Niet de romantische herdertjes die bij nachte in het veld lagen. Nee, lees wat op Internetmonk werd gezegd over de herders: "Shepherds at the time of Jesus were at the bottom of society’s list of acceptable people, barely above lepers ... most shepherds were hired hands tasked with herding the sheep from pasture to pasture, tending to their wounds, birthing the lambs, and chasing away predators. These hirelings often had a higher sense of their own value than they did for their flocks ... Shepherds and thieves were thought to be one and the same—and often were ... They were filthy. Living out of doors 24/7 does not exactly allow one to keep the best personal hygiene. Shepherds smelled like sheep and all that goes with sheep. They were not only dirty, they were ritually unclean as well, having touched blood, feces and insects on a daily basis, disqualifiing them from any part of religious circles ... As far as the religious leaders were concerned, they were non-people. They were outcasts from society. Losers with a capital “L.”
Aan deze sociale uitgestotenen werd het goede nieuws verkondigd, dat het hele volk met grote vreugde zou vervullen: “Vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren ... Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen, die Hij liefheeft.” (Lukas 2:10-14) In het kort vertaald: “Jullie zijn misschien wel hopeloos, en jullie wilskracht kan jullie niet helpen, maar ook voor jullie geldt dat de redder gekomen is, omdat God alle mensen liefheeft, dus ook jullie.”
Dit is werkelijk goed nieuws. Geen wonder dat deze herders vervolgens in actie kwamen en dezelfde boodschap van onvoorwaardelijke aanvaarding brachten aan de respectabele, rechtschapen mensen in de omliggende dorpen. Geen wonder dat sommigen van hen dertig jaar later wellicht volgelingen van deze redder zijn geworden. Geen wonder dat ze misschien hun leven wel hebben opgeofferd en alles op het spel hebben gezet om hem te dienen. Deze aankondiging doet dat met mensen.

Als christenen moeten we geen andere boodschap brengen dan deze: “U is heden de heiland geboren ... Vrede op aarde, en in mensen een welbehagen.” Het koninkrijk van God is aangebroken, de beloofde koning is gearriveerd, het herstel van alle dingen wordt werkelijkheid. En het is voor iedereen! Of je nu goed doet aan anderen of niet, of je nu moreel bent of niet, of je nu hard werkt in de kerk of niet. God heeft welbehagen in je, Hij heeft je lief. Moreel rechtschapen christenen of falende, struikelende gelovigen - iets anders hebben we niet aan te kondigen. We vertellen het goede nieuws.
En dat vervolgens degenen die de boodschap horen, niet werkeloos op hun gat kunnen blijven zitten, dat ze het nieuws zelf gaan verspreiden, dat ze ook zelf vrede op Aarde willen brengen en dat ze zelf ook welbehagen en plezier gaan hebben in hun medemensen, dat zou ons niet moeten verbazen. Dat ze anderen willen gaan liefhebben, heilig willen gaan leven en actief worden in een geloofsgemeenschap, moet ons niet verwonderen. Het woord van God doet dat met mensen. Jezus doet dat met mensen. Maar het is niet waar wij ons mee bezig hoeven houden. We hoeven alleen maar een aankondiging te doen.

dinsdag 15 februari 2011

Filmbespreking: True Grit

Westerns in de bioscoop zijn een zeldzaamheid geworden. Niet alleen bij ons, maar ook in de Verenigde Staten, toch het land waar de western als genre vandaan komt. Er bestaat misschien de indruk dat het onderwerp uitgeput is geraakt. De western als genre beslaat een vrij beperkte tijdsperiode, voornamelijk de tweede helft van de negentiende eeuw, tot de opkomst van de industrialisering en de benzine-auto. De western speelt zich bovendien af op een vrij specifieke lokatie: het westen van de Verenigde Staten (daarom heten deze films ook ‘westerns’). De aankleding van westerns is dan ook vaak hetzelfde: kleine stadjes, mannen met cowboyhoeden, revolvers en paarden, koeien en indianen. De onderwerpen en verhalen zijn cliche’s geworden: de eenzame revolverheld, de strenge sheriff, de hebzuchtige rancher, de hoer met het hart van goud. Ze zij voer voor goedkope imitaties en parodieën. Is het nog mogelijk een oprecht verhaal te vertellen in deze setting en daarmee de verbeelding en het hart van mensen te raken?
Het antwoord op die vraag is vanzelfsprekend ‘ja’, want de kracht van een verhaal zit hem in het verhaal, niet in de setting waarin het verhaal geplaatst wordt. Een goed verhaal blijft goed, of het nu verteld wordt als western, als SF-film, of als Samurai-verhaal. Het eerste voorbeeld dat me te binnen schiet is het verhaal van de zeven helden, elk met een ander specialisme, die door boeren worden gevraagd tegen een luttel bedrag een dorp te verdedigen tegen een overweldigende meerderheid van uitbuiters. Filmkenners weten wel waar ik op doel. Aan de andere kant lenen sommige genres zich gewoon beter voor bepaalde verhalen. Neem het superheldenverhaal - de laatste tien jaar zijn er talloze superheldenfilms in de bioscoop verschenen, ook verhalen in een beperkte tijdsperiode, een vrij beperkte locatie, en vrij standaard karakters. De man in het kleurrijke pakje die even flamboyante schurken verslaat is ondertussen ook al rijp voor parodiering. Maar dat betekent niet dat er geen superheldenfilms meer gemaakt zullen worden. Voor een verhaal over een jonge man of vrouw, die zijn of haar onzekerheid overwint en leert verantwoordelijk om te gaan met de nieuw verworven kracht, blijft de superheld nu eenmaal het meest geschikte medium. En zo’n verhaal zal, als het goed wordt verteld, altijd een publiek vinden, ook al is men uitgekeken geraakt op de saaie, clichematige, slecht vertelde superheldenverhalen.
Zo is het ook met westerns. Er zijn bepaalde verhalen die het best kunnen worden verteld in de vorm van een western. En deze behoren tot de krachtigste verhalen die er zijn. Verhalen die gaan over de betekenis van rechtvaardigheid en moed, over het conflict tussen vrijheid en verantwoordelijkheid. Over wat mensen samenbindt en tot een eenheid maakt. De omgeving van de western - de uitgestrekte landschappen onder een blauwe hemelkoepel, de leegte van de prairies, de ongenaakbaarheid van de bergen, met daar tegenover de eerste dorpen en stadjes, waar de beschaving een voet aan de grond probeert te krijgen, en de natuur onder controle wordt gebracht - is hiervoor een ideaal decor. En de tijd ook: een tijd waarin mensen op hun eigen inventiviteit waren aangewezen, nog grotendeels moesten overleven van wat de natuur gaf, maar waar uit het oosten de techniek steeds verder opdrong. Een tijd ook waarbij de onschuldigen gevaar liepen en de invloed van de rechterlijke macht in veel gebieden nog beperkt was, een tijd waarbij het gevaar van allerlei kanten kon komen (de onvoorspelbare indianen bijvoorbeeld) en veel afhing van de moed van individuen. En ten slotte de archetypische karakters, die niet tot een cliché te hoeven worden teruggebracht om mensen aan te spreken. Het feit dat iets een cliché is, wil namelijk niet zeggen dat het niet waar is. Daarom kan ik een goede western op zijn tijd best waarderen. Op de blog SciFiCatholic vond ik de interessante opmerking dat westerns eigenlijk space opera’s zijn die zich afspelen in het oude westen van de Verenigde Staten. (Als je bedenkt dat Star Trek begon als een soort ‘Wagon train to the stars’ is het niet eens zo gek bedacht).

Toevallig is True Grit een western die inderdaad een goed verhaal vertelt, en een verhaal dat eigenlijk alleen in de vorm van een western verteld kan worden. Het is dan ook sinds Dances with Wolves de western die in de bioscoop het meest heeft opgebracht. Dat heeft deels te maken met de regisseurs: de broeders Coen, die bekend staan om hun geweldige dialogen, wrange gevoel voor humor en ontwikkelde vertelkunst. Ze weten ook altijd goede acteurs te strikken. Het schijnt dat ze dit keer veel van de dialogen uit het oorspronkelijke boek zo konden gebruiken. Maar dat doet niets af aan hun prestatie. Ze maakten een film die van begin tot moment boeiend is. Dat zei mijn filmmaat tegen me op de weg naar buiten: de film wist steeds te fascineren. Er gebeurt niet eens zo veel, op een paar schietgevechten na, die er nu eenmaal bij horen. Maar (las ik ook in een recensie op internet) de Coens beheersen de techniek om scenes op te bouwen: van humor, naar onderhuidse spanning, naar oprecht gevoel, naar geweld, terug naar humor, en als kijker wordt je langs al die emoties meegenomen. De acteurs dragen daar aan bij. Jeff Bridges speelt hier veel beter dan in Tron Legacy: hij bewoont zijn karakter. Maar Matt Damon is ook sterk. En vooral de jonge Hailee Steinfeld die een hard, berekenend meisje neerzet, maar toch ook haar jeugdige kwetsbaarheid weet over te brengen. Prachtig. Verder werden er dingen in beeld gebracht die ik vaak genoeg had gelezen in verhalen, maar nog niet eerder in een film had gezien (zoals met het paard. Meer verklap ik niet). Zoals in veel westerns zijn er ook weer prachtige beelden van Amerikaanse landschappen (waar ik sinds ik er zelf geweest ben eigenlijk geen genoeg kan krijgen). En de muziek mag er ook wezen, met een grote rol voor enkele oude hymnen. ‘Rustend in Jezus’ armen’ zal voor mij voortaan wel met deze film geassocieerd zijn.

De film begint met de aankomst van Mattie Ross op het treinstation in Fort Smith. Ze is er om het lichaam op te halen van haar vader, die is neergeschoten door de hulp die hij had ingehuurd. Maar als ze die formaliteit heeft afgehandeld, weigert ze naar huis terug te keren. Ze wil namelijk zien dat er gerechtigheid geschiedt. Als de sheriff weigert de moordenaar van haar vader te achtervolgen op Indiaans grondgebied, huurt ze daar zelf wel iemand voor in. Het wordt Reuben Cogburn, een U.S. Marshall, die zijn doelwitten liever dood dan levend binnenhaalt. Ze weet hem zelfs zo ver te krijgen dat hij haar meeneemt, hoewel hij liever geen meisje van veertien als een blok aan zijn been wil hebben hangen. De twee worden vergezeld door de Texas Ranger LaBoeuf, die op zoek is naar dezelfde man, en hem in Texas voor het gerecht wil brengen, zeer tegen de zin van Mattie in. Al snel blijkt dat hun doelwit zich heeft aangesloten bij een bende die zich schuilhoudt in een oude zilvermijn. Om het tegen hen op te nemen zullen ze, hoe verschillend ze ook zijn, met elkaar moeten samenwerken ...

In een discussie op filmforum Arts and Faith las ik de interessante opmerking dat deze film ‘is’. Het is niet een film die gemaakt is om een boodschap over te brengen. Het verhaal is geen commentaar op onze maatschappij, geen metafoor of allegorie. Het is eenvoudig een goed verteld verhaal. De film volgt de karakters, en geeft ze de ruimte om zichzelf te zijn. Het zijn echte personen, geen karikaturen. En in het slot wordt er geen moraal aan het verhaal opgedrongen. Het einde ‘is’ er, en de kijker mag er zijn eigen conclusies over trekken. Ik denk echter dat verhalen zonder vooropgezet ‘doel’, verhalen die niet zijn gemaakt om mensen van een punt te overtuigen, de beste verhalen zijn, en ook het meest stof tot nadenken geven. En deze verhalen wijzen bovendien soms het duidelijkst naar het Grote Verhaal. Zo schreef J.R.R. Tolkien zijn epische boeken ook niet om een punt te maken, de wereld te veranderen, of mensen te bekeren. Hij wilde eenvoudig goede verhalen schrijven. En zijn verhalen veranderden de wereld en bekeerden de mensen.
Dit verhaal gaat op het eerste gezicht over gerechtigheid. De film begint met een tekst uit de bijbel - ‘de zondaar vlucht, ook als niemand hem vervolgt’. En in haar openingsmonoloog stelt Mattie dat de moordenaar van haar vader zijn verdiende loon niet zal ontlopen. Hij moet gestraft worden. “In dit leven is niets gratis, alleen de genade van God.” Maar wie zo op gerechtigheid gefocust is, zal noodzakelijkerwijs een scherpe scheidslijn tussen goed en kwaad hanteren, de wereld verdelen tussen helden en schurken. Het blijkt echter dat dit helemaal niet zo makkelijk is. Reuben Cogburn is in moreel oogpunt geen uitblinker: hij verschijnt voor het eerst in een rechtszaak waar hij ervan wordt beschuldigd mensen in koelen bloede neer te schieten. Bovendien is hij in de burgeroorlog betrokken geweest bij een verdachte terroristische groep. Hij geeft later zelf ook toe ooit een bank te hebben beroofd. Ook de lei van Texas Ranger LaBoeuf is niet hagelschoon. Hij is wel erg vol van zichzelf, vertelt sterke verhalen, en zoals zijn rinkelende sporen laten zien geeft hij behoorlijk veel om zijn voorkomen. Aan de andere kant beschikken ook mensen aan de andere kant van de wet over goede eigenschappen. Vooral bendeleider Lucky Ned Pepper (Gespeeld door Barry Pepper, de biddende sluipschutter uit Saving Private Ryan) toont zich eerlijk en betrouwbaar. Hij is een man van zijn woord, die Mattie wel met enig respect behandelt. Op een grijze wereld kun je niet makkelijk de zwart witte lineaal van de rechtvaardigheid leggen, ook al niet omdat je zelf ook nooit zo ‘wit’ bent als je zelf denkt. Want wordt Mattie slechts gedreven door een sterk rechtvaardigheidsgevoel, of is ze eigenlijk uit op wraak? Wie het toch doet, berokkent zichzelf en anderen schade. In dit geval sterven er acht mensen door Matties vasthoudendheid, van wie minstens een (de jonge man in de hut, voor wie de film gezien heeft) redelijk onschuldig overkomt. En ook voor Mattie zelf heeft haar daad gevolgen. Ze raakt iets van zichzelf kwijt.
Dit is een boodschap die in meer van de Coen-films terugkomt - de futiliteit van onze strijd tegen het kwaad als gevolg van onze eigen zwakheid en gebrokenheid. De regisseurs laten ons lachen om onszelf als een boer die kiespijn heeft. Maar in deze film breekt de genade door. Mattie zei het zelf al: niets is gratis, alleen de genade van God. En zonder dat iemand erom gevraagd heeft, ontvangen de karakters in de film genade. LaBoeuf weet op een kritisch moment een doelwit te raken op een afstand waarop het hem niet eerder gelukt is. Hij is er zelf verbaasd over. Hij begint een verhaal op te hangen over de technische specificaties van zijn geweer, maar het feit is dat hij juist daarvoor een gebed van twee woorden fluisterde: ‘Help me’. En even later daalt Cogburn uit de hemel neer om Mattie te redden. De man die in principe niets aan haar verplicht is (hij heeft gedaan waar zij hem voor betaald had) is bereid om voor haar tot het uiterste van zijn kunnen te gaan. Er wordt een offer gebracht. Maar het slot van de film illustreert haarscherp de hymnes uit de soundtrack: ‘Leaning on the everlasting arms’ en ‘What a friend we have in Jesus’. Het is niet voor niets dat Mattie 25 jaar later nog kan zeggen dat Cogburn een belangrijke rol heeft gespeeld in haar leven.
De levensechte karakters in deze film zijn om elkaar gaan geven, en hun liefde brengt hen ertoe iets uit te leven uit het Grote Verhaal, waarin inderdaad niets voor niets komt, behalve de genade van God.
Ik vind deze film een aanrader!

P.S. mijn favoriete filmcriticus was ook erg enthousiast over True Grit!

maandag 14 juni 2010

Spider-Man en de gerechtigheid

Goed, ik had inderdaad niet de intentie door de weeks lange, serieuze overdenkingen te plaatsen, maar mijn gedachten over gerechtigheid naar aanleiding van de film The Lovely Bones verdienden een aparte blog. Ook omdat ik er niet over kan schrijven zonder belangrijke elementen van het plot uit de doeken te doen. Daarom dat ik het thema liever behandel naar aanleiding van een stripverhaal dat ik onlangs heb gelezen. Dat volgt namelijk een vergelijkbaar plot. Het gaat om een van de belangrijkste verhalen uit de geschiedenis van superheld Spider-man, namelijk het verhaal over de dood van Gwen Stacy: 'The night Gwen Stacy died'. Dit was voor het eerst dat ik dit verhaal las, nadat ik in talloze stripverhalen verwijzingen ernaar was tegengekomen. Het bleek ondanks dat de grote lijnen bij mij wel bekend waren, toch nog aangrijpend, vooral omdat ik door het lezen van de voorgaande delen meeleefde met de superheld Spider-Man. Stacy is de vriendin van Spider-Mans alter ego Peter Parker, zijn grootste liefde, die door schade en schande heen haast hem is blijven staan. Helaas kent Spider-Mans aartsvijand, de Green Goblin, zijn ware identiteit. Deze superschurk geeft alleen om zichzelf. Hij wil (zoals bijna alle superschurken) de absolute macht. En hij wil daarom een einde maken aan het leven van degene die hem in de weg staat: Spider-Man. En om dat te doen kidnapt hij eerst diens vriendin. De onschuldige Gwen komt om het leven, en Spider-Man is razend. Hij zweert dat hij gerechtigheid zal laten geschieden. De Green Goblin moet sterven. Dus zoekt hij zijn vijand op en beult hem af. Maar voor hij hem dood kan slaan, komt hij tot zichzelf. Hij wil niet zelf een moordenaar worden. Hij wil niet leven volgens het principe 'oog om oog, tand om tand'. Hij wil zo goed en zo kwaad als dat kan de ander liefhebben. En dat wil hier zeggen: hem overleveren aan de politie. Maar de schurk weigert deze 'liefde die moed vraagt' te aanvaarden, en doet een laatste poging Spider-Man te doden. Maar die weet het wapen te ontwijken en de Green Goblin spietst zichzelf. (Het stripboek bevat hier een verwijzing naar het kruis). Omdat de Goblin de vergeving niet wilde aannemen, maar vasthield aan zijn zelfzuchtige manier van leven, kreeg hij wat hij verdiende, de dood. Een hemelse gerechtigheid, zou je kunnen zeggen.
Zoiets gebeurt ook in The Lovely Bones. De boodschap lijkt te zijn dat wij niet zelf de gerechtigheid in eigen hand moeten nemen, maar dat wij ons altijd moeten laten leiden door de liefde. Maar dat wie die vergeving niet accepteert, wie zich niet laat liefhebben, uiteindelijk ooit zijn verdiende loon niet zal ontlopen. Dat er gerechtigheid zal geschieden.

Dit is een belangrijk thema. Al mijn gedachten over de onvoorwaardelijke liefde van God, de bodem onder ons bestaan, sluiten namelijk niet het kwaad uit. Dat is nu eenmaal pijnlijke realiteit. We hebben niet een film over een seriemoordenaar nodig om dat te beseffen. Een blik in de krant of het nieuws op televisie volstaat. Een 'happy clappy' theologie die niet rekenschap geeft van de ernst van het kwaad, is in strijd met de werkelijkheid en dus niet correct. Ook 1 Johannes, waarover ik eerder schreef, erkent dat er mensen zijn die niet liefhebben, die zich afsluiten voor de liefde van God en andere mensen alleen willen gebruiken voor het bevredigen van hun eigen zelfzuchtige verlangens. "Wie niet liefheeft blijft in de dood. Iedereen die zijn broeder of zuster haat, is een moordenaar, en u weet dat een moordenaar het eeuwige leven niet blijvend in zich heeft." (3:14,15) Dat willen we liever niet horen, want we zijn ons er allemaal van bewust dat we niet altijd liefhebben zoals God ons liefheeft, dat we kiezen voor ons eigen belang boven dat van anderen, en dat gevoelens van afkeer of haat ook ons niet onbekend zijn. We zijn allemaal op momenten zelfzuchtig. Dat is het diepste kenmerk van de zonde, zoals die beschreven wordt in Genesis 3: de mens die besluit dat hij met zijn eigen kracht kan voorzien in zijn eigen belangen, die de vervulling van zijn eigen verlangens plaatst boven het welzijn van anderen. Dit is het tegenovergestelde van liefde, die zich uit eigen beweging wil overgeven aan anderen. Het leidt er namelijk toe dat anderen worden gebruikt om de eigen lusten te bevredigen, dat de grenzen van anderen worden overschreden om de eigen macht te vergroten, dat de ander niet krijgt wat hem toekomt omdat men zelf meer wil hebben. Het zoekt niet het beste voor de ander, maar leidt tot verdriet, pijn en dood, precies zoals in de film en het stripverhaal. En daarom stelt 1 Korintiers 13: 'De liefde verheugt zich niet in de onrechtvaardigheid' (over dit aspect van Gods liefde heb ik vorig jaar ook al geschreven). God, die alleen maar liefde is, heeft een afkeer van liefdeloosheid. Zijn licht, kan de haat, het kwaad, de duisternis niet verdragen. Het staat diametraal (oooh ... mooi woord) tegenover zijn karakter. En hij zal er uiteindelijk mee afrekenen. Dat moet hij wel, omdat hij liefde is. Hij kan het kwaad uiteindelijk niet voort laten bestaan.
Maar omdat Hij liefde is, heeft hij ervoor gekozen zichzelf te vereenzelvigen met ons kwaad, onze duisternis, onze haat en zelfzucht. Hij is mens geworden, om zich een te maken met al dat kwaad, het tot in het diepst van zijn ziel te ervaren en het zo uit te wissen. Op het kruis kwamen al onze zelfzuchtige keuzes in de persoon van Jezus in contact met het vuur van Gods liefde (dat wij vaak omschrijven als Gods oordeel), en er bleef niets meer van over. Wie verlangt naar Gods liefde, heeft geen reden meer om bang te zijn dat hij niet aanvaard zou worden. "De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf" (1 Johannes 4:18). Van straf is bij God simpelweg geen sprake meer. Hij steekt zijn hand naar ons uit. Hij neemt het initiatief de relatie te herstellen.
Maar wie zich niet door God wil laten liefhebben, wie zich daarvoor afsluit, heeft het eeuwige leven niet blijvend in zich, waarschuwt Johannes. Hij blijft namelijk uit eigen keuze gescheiden van de liefde van God, en dat is in feite het oordeel. Dit is wat Jezus en de Bijbelschrijvers bedoelen als ze spreken over de hel. Want te kiezen tegen de liefde, te kiezen tegen het geschenk van God, is kiezen voor de dood. Zo ernstig is het dus wel. Er staat heel wat op het spel. Want als je gescheiden bent van Gods leven, ben je ten diepste dood. Dit is het lot dat iedereen treft die zichzelf op de eerste plek blijft stellen, en niet reageert op het onvoorwaardelijke aanbod van God. Er zal gerechtigheid gebeuren.

En dat betekent dat wij het recht niet in eigen hand hoeven nemen. Veel 'wraakfilms' eindigen ermee dat Mel Gibson (die heeft er een handje van) de schurk op een bloedige wijze van het leven beroofd. Maar wie dat doet, wie toegeeft aan zijn haat, wie wraak neemt, speelt voor God. Hij kiest er net zo goed voor om met zijn eigen kracht te voorzien in zijn eigen belangen, en om de vervulling van zijn verlangen te plaatsen boven het belang van anderen. Hij zet zichzelf op de eerste plek. Hij wil als God zijn. Hij zoekt niet het beste voor de ander, maar alleen voor zichzelf. En zo wordt hij precies als degene die hem had pijn gedaan. Hij is geen haar beter. Hij is net zo zeer gescheiden van de liefde van God, net zo dood. (Behalve als hij oprecht de uitgestoken hand van God wil aannemen, zich wil laten liefhebben, want de onvoorwaardelijke liefde van God accepteert ook mensen die het recht in eigen handen wilden nemen. Ook daarvoor is Jezus gekomen).
De bijbel roept ons op tot het onmogelijke: het liefhebben van onze vijanden. De enige manier waarop dat kan is als we geloven in de liefde van God, die zich niet verheugt over de ongerechtigheid. Het geloof in de volmaakte liefde van God is wat ons in staat stelt zelfs moordenaars en verkrachters lief te hebben. Want de volmaakte liefde van God kan moord en verkrachting niet verdragen, kan het niet door de vingers zien. In het licht van God kan geen duisternis zijn. Er moet dus gerechtigheid geschieden. En dat is gebeurd op het kruis. Voor elk kwaad, elke zelfzuchtige keuze, is gerechtigheid geschied. En wie die volmaakte liefde van God niet aanneemt, wie zich niet wil laten liefhebben, zal niet aan de gerechtigheid ontsnappen. Dat is de basis voor onze liefde.

Dichter Asaf is in Psalm 73 jaloers op het geluk van de mensen die kwaad deden. Hij zag dat ze mensen pijn deden en uitbuitten, en dat ze zelf genoten van lekker eten en drinken. En gelukkig stierven. Hij raakte erdoor verbitterd, als een redeloos dier. En stond kennelijk op het punt als zij te worden: door zelf ook een loopje te gaan nemen met het recht, door wraak te nemen, of zelf ook anderen te kwetsen, door 'verraad te plegen aan Gods kinderen'. "Tot ik Gods heiligdom binnenging
en mij hun einde voor ogen bracht ... Ze zijn als een nachtmerrie na het ontwaken, Heer,
bij het opstaan verjaagt u ze als beelden uit een droom." Hij weet dat het kwaad niet door de vingers wordt gezien door Gods liefde. En dus hoeft hij niet anderen om het leven te brengen, of zich zelf boven anderen te verheffen, maar kan hij zich eenvoudig door God laten liefhebben. "Wie buiten u heb ik in de hemel? Naast u wens ik geen ander op aarde. Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam,
de rots van mijn bestaan, al wat ik heb, is God, nu en altijd."
Het wereldbeeld van Spider-Man, en het verhaal van The Lovely Bones, is dus in feite een christelijk wereldbeeld, waarin God de rechtvaardige is en mensen dus in staat kunnen zijn om zelfs hun vijanden lief te hebben.