zaterdag 23 januari 2016

De eerste recensies van 'De loser die wint ...'

Altijd spannend voor een schrijver: wat vinden andere mensen van je boek? De afgelopen weken kwamen de eerste reacties van mensen binnen.

Henk Medema dook op zijn blog het boek in en probeerde te definiëren waar het over ging: "Dit boek is zelf een verhaal, waarin vanaf het allereerste begin (zelfs al op het omslag: een jongetje dat bij het voetballen aan de kant zit) de auteur zelf een rol speelt ... Wat Klein Haneveld laat zien is zowel zijn eigen persoonlijke betrokkenheid als die van God. In het leven van ons allen schrijft de Heer zijn verhaal. 
Het verhaal zelf is, frappant genoeg, juist gewoon, zelfs als het ongewoon is, als de auteur bijvoorbeeld nogal uitgebreid vertelt over een reis naar Hyderabad, India (105vv), eindigend in een avontuur dat veroorzaakt werd door 'de' beroemde IJslandse vulkaanstofwolk (184v). Die gebeurtenissen hebben een bijzondere indruk in zijn leven achtergelaten, maar dan als een afdruk die zich uitdrukt in zijn eigen leven. 
Deze recensie klinkt niet zeer verhelderend, dat begrijp ik wel, maar dat is niet anders: dit boek vraagt om gelezen te worden en doordacht te worden. Het is een bijzonder boek, waarvan je, net als van alle goede boeken, kunt zeggen dat onbevangen lezen de enige goede manier om er wat mee te laten gebeuren, en dan is het bijna onvermijdelijk dat er iets met je gebeurt. Wat? Dat weet ik niet, want het einde van Gods verhaal, de afloop, de ontknoping, ‘le denouement’ (203) is open, uitmondend in het Grote Verhaal van God Zelf. Wie zo’n open zoektocht aandurft, waagt én wint."

Op Facebook schreef Daniel de Wolf een uitgebreide aanbeveling van mijn boek. Hij volgt mijn blog al jaren en is fan mijn filmbesprekingen. "Zijn beschouwingen zijn uitermate persoonlijk en daardoor kwetsbaar - iets waar ik veel waardering voor heb. Daarnaast is Johan een scherpzinnig denker, die onvermoeibaar probeert om foutieve patronen in zijn denken (die hem bijvoorbeeld meegegeven zijn door een fundamentalistische vorm van christendom) te deconstrueren en aan te vallen. Maar daarnaast zoekt hij voortdurend naar wat dan overblijft als alternatief - en dan kom je bij termen als 'het Grote Verhaal', maar ook bij een 'sacramentele visie op het leven'. Grote termen, maar door de kwetsbaarheid waarin Johan deze termen vervlecht met zijn eigen leven en de schoonheid van wat hij ontdekt, worden ze behapbaar en toegankelijk ... Dat Johan besloot om delen van zijn blog uit te werken tot een boek stemde mij dan ook enthousiast ... Net als zijn blog is 'De loser die wint' een unieke mengeling van persoonlijke verhalen en zelf-therapie, theologie, filosofie en talrijke verwijzingen naar films en literatuur. Vanaf deze plek wil ik iedereen van harte dit boek aanbevelen!"

Matthijs Den Dekker ging op zijn blog flink de worsteling aan met het boek! "Dit is geen rationeel verhaal waar je anderen mee kunt overtuigen. Het boek gaat in op de diepste verlangens van de mensheid. Op dat onbestemde gevoel dat zegt ‘Dit kan niet anders – dit moet het zijn – ik geloof dit – maar waarom?’ De vraag die Johan in het boek stelt is: Kies je ervoor je eigen verhaal te vertellen, waarin je de held bent, maar dat uiteindelijk uitloopt op teleurstelling en tekortschieten? Kies je ervoor het verhaal van de wereld te geloven, waarin het recht van de sterkste geldt en je vooral voor jezelf moet zorgen? Of leef je in het verhaal van God, besef je –geloof je– dat dit het verhaal is dat klopt? Wat dit boek bij mij losmaakte was het diepe verlangen ook in Gods verhaal te leven. Of meer het besef dat ik al in dat verhaal leef. Niet omdat ik kan aantonen dat het waar is, maar omdat ik diep in mijn hart weet dat het waar is. Dit is het verhaal dat klopt. En ik wil heel graag ontdekken wat God nog meer te vertellen heeft."

Jos Strengholt, anglicaans priester in Egypte, schreef op Facebook: "Dutchies, very worthwhile buying and reading. Personal, intelligent, convincing." Hij zal later een meer uitgebreide recensie schrijven.

Facebookvriend en volger van mijn blog Hans Zellenrath stimuleerde mij om een serie blogs uit 2011 op mijn blog om te werken tot een boek. Afgelopen week schreef hij me wat hij vond van het eindresultaat: "Hallo Johan, wat een mooi boek heb je weer geschreven: 'De loser die wint.....' Gods verhaal met ons is liefde. Het credo van de kerk waartoe ik behoor is: 'God is liefde en God is goed! En ja, God is liefde! Heel mooi hoe je onze en jouw eigen zwakheid in het verhaal plaatst zodat wij sterk worden in God. Ook jouw persoonlijke belevenissen, naar de vrijheid van Gods kinderen ... Prachtig ingevuld want in jouw leven nemen verhalen een belangrijke plaats in. Het grootste verhaal van het Koninkrijk van God, dat geen mythe is, is Jezus Christus opstanding uit de dood, daar draait alles om. Zijn overwinning over de dood toont Gods onvoorstelbare liefde voor ons en voor deze kapotte wereld. Dank voor je delen in dit boek, voor je liefde en dat je duidelijk maakt dat Zijn liefde alle mensen geldt!"

Mijn vrouw Bianca is misschien geen heel objectieve bron wat betreft deze materie , maar zij schreef op Goodreads het volgende:  "This book ... describes a way of believing in the love of God that is very inspiring to me and makes it impossible not to be hopeful about the future. The book makes me long to live in trust and love. It makes me want to love and respect others more. It makes me feel loved and protected by God. In my view Johan is very convincing in describing what would truly be great news. And after reading this book I want it to be true more than anything."

Voor de volledigheid moet ik natuurlijk melden dat afgelopen week ook in het Nederlands Dagblad een recensie stond. Het is een hele eer te worden uitgekozen om gerecenseerd te worden. De recensent vond het verhaal dat ik in mijn boek vertelde echter 'niet verrassend of spannend'. Ik weet niet of hij nu bedoelde of ik mezelf niet als succesvol christelijk avonturier presenteerde, want dat zou het thema van zwakheid hebben gemist, of dat hij wat ik over Gods verhaal vertelde niet verrassend vond - terwijl wat ik zeg toch evangelische christenen wel op het achterhoofd zou kunnen laten krabben. Laat ik het er op houden dat als iedereen het over mijn boek eens zou zijn, ik iedereen naar de mond hebben willen praten, en dat zou ook geen compliment wezen! Dus wil je zelf weten wie er gelijk heeft, de recensenten hierboven of de krant, dan weet je wat je te doen staat!

Je kunt het boek kopen op Bol.com, maar ook bij de christelijke boekwinkel. Maar je kunt ook komen naar de signeersessie aanstaande zaterdag 30 januari van 14.00 uur tot 15.00 uur in de Bijbel In in Delft (Voldersgracht 30A). Ik heb begrepen dat de winkel er een mooi feestje van gaat maken. En ik neem ook nog wat van mijn eerdere boeken mee, mocht je die nog niet gelezen hebben. 

Heb je 'De loser die wint ...' gelezen, dan zou ik het gaaf vinden als je een reactie achterlaat op Bol.com of op de Goodreadspagina van mijn boek. Of op mijn blog! Of per mail (JohanKleinHaneveld@gmail.com). Ik vind het namelijk erg leuk om te horen wat mensen van mijn boek vinden!

dinsdag 12 januari 2016

Filmbespreking: The Apostle

Genade. Het blijft moeilijk het te begrijpen. Zelfs als je regelmatig over Gods onvoorwaardelijke liefde schrijft, hele boeken vol zelfs, verlies je soms uit het oog hoe aanstootgevend genade kan zijn.
Want als God echt in Christus de hele wereld met zichzelf verzoend heeft, als Jezus werkelijk de zonden van de hele wereld op zich heeft genomen, als er werkelijk niets meer is dat ons kan scheiden van de liefde van Christus … dan geldt dat voor iedereen. Ook voor mensen die het in mijn ogen niet verdiend hebben, die er niet hun best voor hebben gedaan, die andere dingen geloven dan ik, die hun impulsen niet onder controle hebben. Voor charlatans en kwakzalvers, voor kindermoordenaars en genocideplegers, voor religieuzen en heidenen. Voor Hitler en voor moeder Teresa. Voor iedereen.
Dat is ‘heady stuff’, dat komt hard binnen. Daar moet je even van gaan zitten. Want het lijkt alsof God zich niet aan de regels houdt, alsof hij niet eerlijk is, alsof hij vals speelt. Alsof hij een loopje met zichzelf laat nemen, en dingen door de vingers ziet. En dat kan toch niet? Als dat zo is, hoe kan ik dan ooit beoordelen of ik een goed mens ben, of ik deug, of ik erbij hoor? Als dat zo is, hoe kan ik er ooit voor zorgen dan anderen zich naar mijn maatstaven gedragen? Als dat zo is, hoe krijg ik dan ooit garanties? Die zijn er niet. Ik ben helemaal vrij. En dat is eng. En andere mensen zijn ook helemaal vrij. Dat is nog veel enger! Daar heb ik niet om gevraagd!
Het is veel gemakkelijker mijn gedrag in regels vastgelegd te hebben, met straffen en beloningen erbij, dan vrij te zijn om te kiezen: heb ik anderen lief of niet, creëer ik schoonheid of niet, streef ik rechtvaardigheid na of niet? Als dat alleen van mijn eigen keuze afhangt, zonder een wortel of een zweep … En dan weet ik ook niet of anderen mij wel gaan liefhebben, voor mij schoonheid maken, me rechtvaardig behandelen. Laten we de hekken dus maar snel weer oprichten. Ja, we zijn behouden op grond van genade, door het geloof, maar … nu moeten we wel leven als goede christenen … Ja, God houdt van ons zoals we zijn, maar … Hij houdt te veel van ons om ons zo te laten. Ja, Jezus' werk aan het kruis geldt voor iedereen, maar … ze moeten wel de juiste dingen geloven of doen om in de hemel te komen. Ja … maar …

Het moge duidelijk zijn, we voegen graag ‘maren’ toe aan een boodschap waar ze oorspronkelijk niet bij hoorden. Hoe moeilijk het ook is voor ons te accepteren: het evangelie is niets anders dan een boodschap. Een aankondiging van iets dat realiteit is. Niet iets waar wij iets voor hoeven doen. Het is geen onderhandeling, geen verbond met twee partijen (de bijbel suggereert dat het een verbond is waarbij maar een enkele partner aan voorwaarden hoeft te voldoen, namelijk God), geen polderstructuur of overlegsessie. Er worden geen voorwaarden gesteld of belastingen geheven.
Het is simpelweg een nieuwsbericht dat aan ons wordt verkondigd: het koninkrijk van God is gearriveerd. Het is al in ons en onder ons. Het enige dat voor ons overblijft, is die boodschap te horen. Onze vingers niet in de oren te steken, maar de boodschap ontvangen. Ervoor open staan als een kind. Dit is al realiteit, of wij het nu willen of niet. We kunnen ons er slechts naar schikken. God heeft ons in Christus met zichzelf verzoend. Nu wij weer … de vraag bereikt ons opnieuw: ‘wat wil je?’
Zo radicaal is het. We hoeven niet eens in het goede nieuws te geloven. Het is realiteit of we erin geloven of niet (erin geloven is wel mooi omdat het je ontspanning kan geven en de energie om lief te hebben en schoonheid te creëren). Of dat we nu net het verkeerde dogma geloven. Onze intellectuele overtuigingen kunnen niets doen om het koninkrijk te doen komen of het tegen te houden. Onze emotionele ervaringen ook niet. God bouwt zijn koninkrijk - het is een belofte en hij gaat die gestand doen. Zelfs ons morele of amorele gedrag heeft erop geen invloed. Het is er en als wij het willen, horen we erbij.

Maar goed, dan moeten we ons associëren met degenen die volgens Jezus in dat koninkrijk thuishoren. De melaatsen, de hoeren, de tollenaars. De laatsten, die de eersten zullen zijn. De Farizeeën wilden er daarom niet bij horen. Als dat gespuis zomaar wordt toegelaten … is dat dan waarom wij ons altijd zo hebben uitgesloofd? Dus wilden ze zelf het koninkrijk niet binnengaan, niet leven alsof het al realiteit was (wat het was), en hielden ze anderen tegen te leven alsof het koninkrijk gekomen was. En op die manier sloten ze zichzelf erbuiten.
Die Farizeïsche neigingen herken ik (helaas) nog steeds bij mezelf. Anders dan toen ik in een wat extreme, strenge kerk opgroeide, en mezelf onder andere liet voorstaan op mijn kennis van de bijbel (alsof het voor God wat uitmaakt hoeveel Bijbelteksten je uit je hoofd kent). De kerk waar ik in opgroeide, had het verzamelen van kennis op een voetstuk staan, en gaf mij dus een excuus om goed over mezelf te denken (ik ben intellectueel namelijk vrij sterk). De kerk bevestigde datgene waar ik toch al sterk in was, waar ik mijn leven op baseerde. Tegelijk zag ik in mezelf ook tekortkomingen (de reden dat ik stopte met het lezen van spannende verhalen en het kijken van films - ik vond mijn fantasie verdacht). Om mezelf te rechtvaardigen in het zo hard onderdrukken van mijn eigen verlangens, werd ik nog trotser op wat ik kon presteren op intellectueel gebied. En vond ik minder verlichte gelovigen, mensen die er met de pet naar gooiden, of die naar metalmuziek luisterden, het eigenlijk niet zo goed doen.
Nu ga ik niet meer naar die kerk, ben ik van intellectuele leerstellingen niet meer zo zeker en leg ik mezelf niet zulke zware regels meer op. Maar ten eerste ben ik als ik naar mezelf kijk nog steeds niet echt overtuigd dat ik waardevol ben en dat God van mij kan houden. Ik zie grove fouten en tekortkomingen - ook als anderen die niet zien. En ten tweede heb nog steeds dingen waar ik me op kan laten voorstaan. “Ik dank u, Heer, dat ik niet ben zoals die dakloze, die verslaafde (of: die religieuze, nog steeds wettische, nog steeds in het creationisme gelovende christen).” Zelfs twijfel en onzekerheid kunnen zaken worden waar ik me op kan laten voorstaan. En deze neigingen kunnen elkaar gaan versterken (gelukkig zit ik niet in een kerk die me verleidt om van dingen zeker te zijn en intellectueel te geloven).
Daarom heb ik het nodig om steeds opnieuw van mijn stuk te worden gebracht door de realiteit van Gods liefde, de boodschap van genade. Dat ik geaccepteerd ben. Punt. Alleen dat zorgt ervoor dat ik het oordeel los kan laten. Het oordeel over mezelf. En dat over de ander.

En op die manier van mijn stuk gebracht worden, dat kan alleen door schokkende verhalen. Voor mensen die, zoals ik, zijn opgegroeid met de kinderbijbel en zondagsschoolverhalen, lijken de gelijkenissen die Jezus vertelde, vertrouwde kost. Ze komen niet echt heel confronterend over: lieve schaapjes, verloren penningen. We hebben de gelijkenissen platgegooid met uitleggingen en verklaringen. Maar ze zijn echt niet zo eenvoudig, burgerlijk of kinderlijk. Voor Jezus’ tijdgenoten waren ze ronduit aanstootgevend. Allemaal!
Werkers die allemaal het zelfde betaald krijgen ook als de een een uur heeft gewerkt en de ander de hele dag? Zonen die hun vader dood verklaren en dan toch weer zomaar terug worden ontvangen? Werkgevers die er niet om geven rechtvaardig gevonden te worden. God die zichzelf vergelijkt met boze koningen en onrechtvaardige rechters, gelovigen die zich moeten gedragen als corrupte rentmeesters? Dat is toch geen moreel hoogstaande literatuur? Dat is toch niet opbouwend? Waarom zet God zichzelf neer als een gladjakker (of als iemand die zich door gladjakkers beet laat nemen)?
Het antwoord is simpel: omdat God zich naar ons toe nu eenmaal niet rechtvaardig gedraagt. Niet volgens onze normen. Hij doet ons niet naar onze zonden, hij vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. De schuldbrief die tegen ons getuigde door zijn inzettingen en die onze tegenstander was, heeft hij uitgewist en die uit de weg geruimd door deze aan het kruis te nagelen. De religiewinkel is gesloten en er zijn planken tegen het raam getimmerd. Is dat eerlijk? Nee. Maar laten we eerlijk zijn: als God eerlijk was, waar zouden wij dan nog recht op hebben? Ik weet dat mijn geweten mij vertelt dat ik niet volmaakt ben. En dus kan ik maar beter niet al te hoog van de toren blazen. Als Gods liefde niet echt, radicaal onvoorwaardelijk is …

Een verhaal, een gelijkenis, dat de radicaliteit van Gods genade duidelijk maakt in een moderne setting is de film ‘The Apostle’, van Robert Duvall. In deze fascinerende film speelt Robert Duvall Sonny, een predikant uit een pinkstergemeente, die niet over straat kan lopen zonder ‘Jezus’ te prevelen, en niet voorbij een ongeluk kan rijden zonder stil te staan en de verongelukte tot de Heer te leiden. En de kerk die hij leidt, samen met zijn vrouw, is een groot succes. Hij is geliefd, omdat hij met zoveel passie kan preken. Het is duidelijk dat de Heilige Geest door hem heen werkt. Ja, hij is een rokkenjager. Hij is eigenlijk heel impulsief, en kan agressief en dominerend uit de hoek komen. Maar vooral is hij predikant.
Even terzijde, hoewel dit een hele nieuwe bespreking waard kan zijn: het is interessant hoe deze film laat zien dat de pinksterkerk de impulsiviteit en controleproblemen van mensen bevestigt en versterkt. Zoals de kerk waar ik in opgroeide intellectualisme en kennis bevestigde en versterkte, en maakte dat mensen met veel kennis en intellect op een voetstuk kwamen te staan, gebeurt dat in de pinksterkerk in deze film met mensen die zichzelf moeilijk kunnen bedwingen. Want je moet je juist open stellen voor de geest, je wordt geacht je remmingen los te laten, en God door je heen te laten werken. Mensen die dat uit zichzelf goed kunnen, bijvoorbeeld vanwege een geringe impulscontrole, stijgen dus snel op de ladder van ‘geestelijkheid’. Zij kunnen namelijk spontaan zijn, opeens in rare woorden gaan spreken, en durven zich zomaar met een woord of profetie in het leven van anderen te mengen. Dit betekent echter ook dat het de ongezonde kanten van zichzelf niet kunnen beheersen of impulsen niet kunnen bedwingen in deze kringen makkelijker tot uiting kunnen komen. Dit zie je in pinksterleiders die privejets willen hebben en andere extremiteiten. En in deze film in het feit dat Sonny in een vlaag van woede iemand neer mept met een honkbalknuppel en er dan vandoor gaat. En zichzelf zo blijft opjagen dat hij niet stilstaat bij wat hij gedaan heeft. Hij heeft in de kerk niet geleerd deze ongezonde karaktereigenschappen onder controle te brengen, en dat breekt hem nu op.
Tegelijk: het verhaal van gevierd kerkleider zijn, mensen opzwepen in religieuze extase, voor de groep staan en de sfeer bepalen, dat is het enige verhaal dat Sonny kent. Het is zijn heldenverhaal, dus dat is wat hij gaat doen als alles hem is afgenomen. Hij noemt zich de ‘Apostel E.F.’ en reist naar een afgelegen plek waar hij een ingedut kerkje nieuw leven in gaat blazen. Is dit wat de Heer hem ingeeft, of is het zijn ‘heldenverhaal’? Het feit is: hij weet niet anders. De film toont Sonny echter niet als charlatan of onoprecht. Hij is wel degelijk voortdurend in dialoog met God. Hij schreeuwt zelfs tegen hem, fluistert naar hem, tiert tegen God, als een David - die ook een vriend van God was. Hij is echt overtuigt dat God er is, en werkt in mensen. Maar tegelijk leeft hij het verhaal uit dat zijn heldenverhaal is, en waarvan hij overtuigt is dat het de enige manier is waarop hij zijn leven betekenis kan geven. Onze motieven zijn nooit helemaal zuiver. De mijne ook niet. Schrijf ik mijn boek of mijn blog omdat ik echt iets wil overdragen, of omdat ik mijn zelfbeeld laat afhangen van het aantal mensen dat op de link klikt? Het laatste is namelijk ook waar, ik ga dadelijk ook weer controleren hoeveel mensen dit stuk hebben gelezen.
Wij als kijkers weten dat Sonny iemand is met impulscontroleproblemen, een rokkenjager en een moordenaar, bovendien iemand die zichzelf niet bij de politie heeft aangegeven. En toch: God werkt door hem heen. Als een racistische ‘redneck’ problemen zoekt, ziet Sonny de nood achter de ogen van de man en bidt met hem. De man laat zijn plan varen en zoekt verzoening. Een jonge man die in zijn eentje leefde, vindt gemeenschap en komt uiteindelijk tot bekering. Een noodlijdende gemeente wordt een levend geheel, waar mensen die elkaar eerst niet mochten, elkaar in de armen vallen. En dat is blijvend! Het werk dat God door Sonny heen heeft gedaan, stort niet opeens ineen. Hij heeft zelfs mensen achtergelaten die het zullen gaan oppakken.
En als Sonny dan door de politie is ingerekend, en te werk is als gevangene, dan nog werkt God door hem heen. Dan nog verkondigt hij het goede nieuws, het evangelie, de aankondiging dat God in Jezus de wereld al, voor eens en altijd met zichzelf verzoend heeft.

Werd ik erdoor geschokt? Ja. Laat het bij het kijken van de film tot je doordringen. God heeft Sonny lief -onvoorwaardelijk— zoals Sonny is en wat hij ook gedaan heeft, precies zoals hij jou en mij liefheeft, en niet anders. Het is zoals Sonny zelf steeds zegt: ‘Jesus loves you in this moment, and so do I.’ En God houdt niet meer van mij of van moeder Theresa dan van Sonny. En God werkt niet meer door mij of moeder Theresa, dan door Sonny. In de bijbel staat dat God de heidense koning Xerxes gebruikte. Hij sprak zelfs door een ezel. Waarom zouden wij ‘maren’ toevoegen aan zijn beslissing, het willen kwalificeren, iets toevoegen dat wij eraan kunnen bijdragen (al was het alleen dat wij ‘geloven dat het waar is’)? God is het die handelt, en hij handelt alleen. Zo mooi is het goede nieuws. En ondertussen moeten we niet neerkijken op mensen die anders zijn dan wij, net zulke zondaars als wij (hooguit misschien wat zichtbaarder), met wie wij Gods koninkrijk delen. Zij zullen ons daarin voorgaan, met de tollenaars en hoeren en al dat soort types waarmee de Farizeeën zich niet wilden associëren. Trouwens, zelfs als wij op hen zouden neerkijken, zou dat Gods liefde voor ons niet minder maken. God houdt zelfs van huichelaars. De vader zocht de oudste zoon op, toen die het feest niet wilde binnengaan. Zo radicaal is nou het evangelie.
Oh, en geniet bij het kijken van de film van de ‘Southern gospel’-muziek. Fantastisch!

donderdag 7 januari 2016

Gedicht: Moedig

Moedig

Doen alsof je moedig bent,
dat is genoeg. Je handen
-trillend- buiten het gezicht.
Spreken door geknepen keel
wat je normaal zou zeggen.
Het zweet negeren, de pijn
wellicht niet genoeg te zijn
trotseren. Boze blikken
of bezorgde maar niet zien.

Laat je voeten je dragen
naar waar je moet zijn, ook al
wil je niet, sterf je liever
dan bloed te storten. Je zelf
groeit weer aan, stapt uit het graf
de vernieuwde wereld in.
Ziet zich met nieuwe ogen
in anderen gespiegeld,
herkent: ik was al moedig.

vrijdag 1 januari 2016

We gaan er weer voor dit jaar!

Weer een jaar afgesloten, weer een nieuw jaar om naar vooruit te kijken. Het lijkt nog maar net geleden dat ik mijn laatste nieuwjaarsbericht plaatste, maar dat schijnt bij het ouder worden te horen: de tijd glipt als water door je vingers. Toch zijn er weer 365 dagen geweest om in te leven, te lezen, te werken en te schrijven, en die zijn ook behoorlijk rijk gevuld geweest! Zoals ik gewend ben, vroeg ik in januari tijdens het wandelen aan God een bijbeltekst die het thema zou zijn voor het komende jaar. Het was dit keer: 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven'. Nadenkend over deze woorden kwam ik tot de realisatie dat wat Hij me hiermee wilde zeggen, was dat Hij 'het leven' is - dat wil zeggen: het gewone, dagelijkse leven, (eten, werken, slapen) en dat ik me daarop mag richten in plaats van met mijn hoofd in de wolken te lopen, omdat Hij ook in het alledaagse volop aanwezig is en daarbij betrokken is. Nou, dat heb ik geweten!
Op het gebied van het alledaagse leven was 2015 namelijk helemaal niet makkelijk, en het was ook nodig dat ik mijn energie erop zou richten om goed voor mezelf te zorgen en keuzes te maken die voor mij en mijn vrouw gezondheid en levensvreugde zouden opleveren. Waar ik eerst geneigd was aan mijn grenzen voorbij te lopen en mijn lichamelijke en geestelijke welzijn te verwaarlozen, botste ik er nu volop tegenaan. Dat was bepaald niet prettig. Ik heb al langer geworsteld met stress en daaruit volgende slaapproblemen (zie al mijn vorige nieuwjaarsberichten), maar dit voorjaar werd het weer erger en erger. De symptomen stapelden zich op. Ik ging steeds slechter slapen, werd 's nachts badend in het zweet wakker, met bonkend hart. Ik had darmproblemen (het hield niet op met borrelen, en ik had last van brandend maagzuur), die steeds erger werden. In februari begon ik opeens een luide piep in mijn oren te horen, dag en nacht, die niet verdween, wat ik ook probeerde. Ik werd enorm moe, was af en toe overdag misselijk van vermoeidheid. En uiteindelijk kreeg ik er ook tintelingen bij in mijn vingers en mijn tenen (terwijl mijn eczeem ook weer wat begon op te spelen). Allemaal stressklachten. Ik wilde me echter niet ziek melden. Gelukkig ontdekte ik dat veel te maken had met hyperventilatie. Mijn vrouw merkte op dat ze al sinds onze verkering vond dat mijn ademhaling wel heel snel en oppervlakkig was. En ik werd me er zelf ook van bewust. Dus begon ik met ademhalingsoefeningen, elke dag, zo vaak ik kon.
Dat vergde ook mentale inspanning, maar de effecten waren duidelijk. Ik begon weer beter te slapen en de symptomen verdwenen. Mijn darmen kwamen tot rust en mijn eczeem speelde niet meer op (ik hoef niet eens meer te smeren!). Maar het moet niet bij symptoombestrijding blijven. Dit jaar heb ik veel bronnen van stress in mijn leven aangepakt. Mijn relatie met mijn ouders is sterk verbeterd en niet meer stressvol, ik neem meer tijd voor mezelf en heb er zelfs voor gezorgd dat mijn administratie zich niet langer opstapelt. En ook ben ik mezelf niet langer gaan verschuilen. Ik ben gaan staan voor wie ik ben, en werd zelfs boos. Dat had effect: ik sliep opeens weer goed! De 'man met de hamer' waar ik van gewend was dat hij om half drie 's middags langs kwam en me als een uitgewrongen vaatdoek deed voelen, kwam opeens langs 's avonds om half elf - mijn ritme was hersteld! De piep in mijn oor werd ook minder, behalve onder bepaalde omstandigheden. Mijn doel is dus nu om die omstandigheden ook zo veel mogelijk tot het verleden te laten horen. Ik heb veel te lang met stress en de gevolgen ervan geleefd.
Geloof was ook jarenlang een bron van stress voor me: met name het idee dat ik niet genoeg deed voor God. Dit jaar ben ik regelmatig naar de kerk gegaan (de Anglicaanse kerk voelt echt als geestelijk thuis), en dat was het wat religie betreft. Ik heb in de zomer tijdens een wandeling aan God gevraagd of het erg was dat ik niet zo vaak met hem sprak of religieus bezig was. Hij suggereerde dat ik Hem behandelde als een klein kind zijn vader, dat ik me door Hem bij de hand wilde houden en bij elke stap omkeek, of het wel goed was. Maar om echt zelfstandig te worden, zou ik hem moeten durven loslaten. Ik zou moeten leren fietsen zonder zijwieltjes, en leiderschap nemen over mijn eigen leven (iets waar mijn vriendin Chiat me ook aan herinnerde). Dit is geen teken van ongeloof, of afzetten tegen. Het is volwassenheid, en daar is God juist blij mee!

Okee, een lang verhaal over wat dit jaar me gebracht heeft. De rest houd ik dus voor het gemak maar kort! Dit jaar is bijvoorbeeld eindelijk de badkamer gedaan, waardoor we een week in de troep hebben gezeten, maar we lopen nu in elk geval niet het gevaar dat de tegels op ons hoofd vallen. Daarnaast heb ik genoten van onze muskusschildpad Sammie, die heel erg gegroeid is, maar zijn eigenwijze karakter niet heeft verloren. Mijn vrouw en ik houden veel van hem. Er is zelfs een vierde aquarium bij gekomen dit jaar! Een met slakkenhuisbroedende cichliden uit het tanganyikameer! Mijn favoriete vissen eigenlijk. En in mijn kleinste aquarium zwemmen dropgoerami's. Zeldzame en gevoelige visjes, die het heel goed doen!
Verder zijn Bianca en ik naar fantasyfestivals geweest, naar de dierentuin, naar Londen, naar stripbeurzen, naar het museum, en hebben we ge-'high tea'et. Ik heb veel gelezen (68 boeken), heb mijn liefde voor kruiswoordpuzzels herontdekt en ben vaak naar de film geweest (lang leven de Pathe-pas). Ik heb ook behoorlijk veel geschreven: 36 korte verhalen, 50 gedichten en 13 filmbesprekingen (en 68 boekrecensies op Goodreads). Natuurlijk was dit het jaar waarin ik de Trek Sagae-award won, een verhaal publiceerde in de bundel Ganymedes 15 (warm aanbevolen!), meewerkte aan het boek 'Woestijnvaders' (een tweede druk verschijnt binnenkort) en waarin mijn boek 'De loser die wint' eindelijk verscheen (laat me weten wat je ervan vindt!). Dat zijn voor mij toch wel de hoogtepunten van het jaar geweest.

Op het werk gebeurden behoorlijk stressvolle dingen, met een collega die met zwangerschapsverlof ging, een leidinggevende die vertrok en een directeur die de organisatie ook verliet. Ik heb wel mooie artikelen kunnen schrijven (onder andere over klimaatverandering en de rol van de veeteelt daarin) en dat hoop ik ook het komende jaar te kunnen doen. Maar dan een dag per week minder, want per 1 januari werk ik nog maar drie dagen! De extra vrije dag kan ik goed gebruiken voor mijn schrijfactiviteiten, want dat worden er niet minder. Zoals lezers van mijn blog wel weten heb ik namelijk een contract voor de publicatie van mijn fantasyduologie 'De Krakenvorst'. Het eerste deel 'Keruga' verschijnt dit jaar bij uitgeverij Macc. Verder ga ik mijn gedachten over het sacramentele wereldbeeld (waarin wat Jezus deed een teken is van wat altijd en in alle tijden al waar was en is) uitwerken tot een nieuw studieboek. Ik heb verhalen opgestuurd voor drie verschillende wedstrijden en voor de volgende Ganymedes-bundel en ga dit jaar ook weer aan vier verhalenwedstrijden meedoen (misschien zelfs wel meer). Daarnaast wil ik dit jaar een bundeling gaan maken van mijn beste gedichten en die uitbrengen, misschien via een 'publishing on demand'-service. Ik hoop ook de kans te krijgen lezingen te geven. Op zaterdag 30 januari houd ik alvast van 14.00 tot 15.00 uur een signeersessie bij de 'Bijbel-In' in Delft - wil je een gesigneerde versie van mijn boek of wil je nog een exemplaar van 'Neptunus' of 'De Derde Macht', kom dan daar even langs!
Verder komt dit jaar rond mijn veertigste verjaardag een van mijn grootste verlangens uit. Dan zal ik namelijk met mijn beste vriend een bezoek brengen aan de Eagle and Child, de plek waar de Inklings bijeenkwamen, en daar het glas heffen op mijn grote voorbeelden: C.S. Lewis en J.R.R. Tolkien. En ook de andere sporen die zij in Oxford hebben achtergelaten zullen we bezoeken. Noem het gerust een bedevaart. Er staat dit jaar geen nieuw aquarium op de planning, maar ik zal wel weer lekker veel boeken lezen, naar de film gaan, series kijken, op het balkon zitten en van het leven genieten. En hopelijk kan ik volgend jaar op nieuwjaarsdag terugkijken en schrijven dat de stress nu echt tot het verleden behoort en de symptomen daarvan ook. Maar ook als dat niet het geval is, ga ik wel van het komende jaar met volle teugen genieten. Eerste stap? De traditionele badjasdag, met dit keer de Batmanfilms van Christopher Nolan op het programma.

zondag 20 december 2015

Verhaal: De herders bij nacht in het veld

Op welke planeet je ook in de atmosfeer probeert vaart te minderen, de grazende beesten onder je slaan altijd op dezelfde manier op de vlucht. Ze kijken op bij het beginnen van het lawaai, de ogen rond, de oren alert. Als dat toeneemt, worden ze onrustig, ze komen overeind. Dan komt het felle licht. Eerst een, dan vijf, dan de hele kudde maakt zich vervolgens uit de voeten. Ze vinden elkaar en bewegen als één organisme, golvend over het veld als water. Soms springen ze, soms zigzaggen ze, de ruggen gekromd, de staarten als signaalvlaggen in de lucht. Als het er genoeg zijn, laten ze de aarde trillen, of het nu olifantsgrote reptielen zijn die in ondiepe moerassen woelen, legers van zwarte muizen op uitgestrekte steppes, of rood met blauwe zespoters op oranje mos. En ze komen pas tot rust ver weg, als ze ons niet meer zien of horen, hijgend, damp boven hun ruggen. En het duurt uren voor we weer beginnen te eten.
Dit keer was het precies hetzelfde. Ons schip was aan de nachtzijde van de planeet door het wolkendek gebroken en daverde over het landschap, dat was geschilderd in grijstinten en poelen schoolbordzwart. Vlekken konden bossen zijn, spiegelingen zeeën, maar het grootste deel was schimmig, onduidelijk, vlak. En toen we laag genoeg kwamen, zagen we de dieren schrikken. Ze waren wit en bruin, niet groot, met lange staarten achter ze aan wapperend, en ze stroomden door de dalen tussen de heuvels door, door ons schijnsel in een hel licht gehuld, waarna ze opzij afbogen en in het donker verdwenen. Onze sensoren vingen ook hun klagelijke geluiden op. “Ze komen me bekend voor”, liet Janus, onze cultuurbewaarder, ons weten. Hij was de enige van ons gezelschap die rekenkracht over had voor een dergelijke observatie. De rest was allemaal nodig om ons veilig te laten landen. Er was zelfs niet genoeg voor een simulatie. “Dit soort dieren leefde vroeger op Aarde ook.”
“Hoogte vijfhonderd meter”, sprak Thomas. “Snelheid: mach 0,75 en dalend. We bevinden ons heel ergens anders in het melkwegstelsel.”
“Ik zei ook niet dat dit de Aarde was”, zei Janus, met zelfs een lichte klank van ergernis. “Ze lijken er alleen erg op. Convergente evolutie?”
“Dat zoek je later op je gemak maar uit”, kwam Luweng tussenbeide. Zij was de wapenmeester en planner. “Is er een landingsplek?”
Die vraag was aan mij gericht. Ik raadpleegde de gegevens van eerdere scans en bracht ze overeen met de beelden van het snel schuivende landschap onder ons. “Ja,” concludeerde ik. “Een vlak veld, niet ver weg meer.”
“Mooi”, zei Luweng. “Want we kunnen ook niet heel ver meer.”
De hete wind loeiend om ons heen en onze motoren krijsend, mikten we op de door mij aangewezen locatie. Voor ons stoven nog meer van de witte en bruine dieren weg. Janus wist een hoge resolutie opname op zijn bandbreedte te trekken. “Ze hebben zelfs wol!”, riep hij. “Het is echt heel bijzonder!” We zonden allemaal onze niet heel positieve emoties zijn kant op, waarna hij eindelijk zweeg.
Ik maakte voor mezelf een weergave van de omgeving en liet ons vervolgens op de millimeter nauwkeurig neerkomen waar ik het bedoeld had, op de telescooppoten die uit de gladde buik van ons schip waren geschoven. De wollige grazers waren ondertussen lang en breed uit het zicht verdwenen. Een laatste veiligheidscheck. Daarna kon de rekenkracht weer gewoon aan ons worden toebedeeld. We kregen onze gesimuleerde, virtuele lichamen terug. Als locatie om elkaar te ontmoeten had Janus ervoor gekozen de computer een twintigste-eeuwse automobiel te laten genereren, met eigenlijk net te weinig ruimte voor ons allemaal. Het was zijn manier om ons terug te pakken. Thomas zat achter het stuur, zijn handen om het wiel, zijn achterhoofd leunend tegen het omhoog geschoven steuntje. Luweng zat naast hem, haar wenkbrauwen in een diepe V, haar lippen een lijn. Ze droeg een blauw met wit uniform, met goudkleurige insignes en een kokerrok. Het dashboardkastje voor haar stond open en ik zag de kolf van een pistool. Ze keek over haar schouder om naar Janus, die het raampje aan zijn kant had opengeschoven en naar buiten keek door een verrekijker. Het was natuurlijk geen echte, maar een representatie van de instrumenten van ons schip. Ik probeerde ondertussen ruimte te vinden voor mijn knieën, die in Thomas’ rug prikten, terwijl ik tegelijk mijn best deed de kaart zo netjes mogelijk weer op te vouwen. De kille bries die door het raam naar binnen blies, mocht dan wel nagebootst zijn, hij maakte het er voor mij niet makkelijker op. Aan de achteruitkijkspiegel voor in de auto hing een zilveren kruisje, dat welhaast hypnotiserend heen en weer zwaaide.
“We zijn niet alleen”, zei Janus opeens. De toon die hij gebruikte, was heel anders dan zojuist tijdens de landing. We draaiden alle drie ons hoofd zodat we dezelfde kant uitkeken als hij. Hij wees met zijn vinger. “Daar bovenop die heuvel.”
Drie gestaltes. Tweepoters. Ruwweg manshoog. En intelligent, want ze hadden zich in wollen jassen gehuld. Een van hen ondersteunde zichzelf met iets als een houten staaf. Ze leken verstijfd. Misschien waren ze het wel niet echt, want onze waarneming was versneld ten opzichte van de normale tijd. Ik kon alleen maar raden naar wat zij zagen: een ovaal van doorschijnend goud. Daarachter lichtgevende cirkels, om elkaar draaiend, onze deeltjesversnellers. En bovenaan ons standaard, wit stralend als een bliksem. Ze moesten met stomheid geslagen zijn.
“Ik weet zeker dat dit niet de Aarde is”, zei Thomas ondertussen van achter het stuur.
Het leek even of Janus daarop wilde reageren, maar Luweng fronste nog dieper en hij hield zijn mond. “We moeten het weten”, verklaarde ze. Ze pakte haar wapen in haar ene hand, een zaklamp in haar andere en stootte de deur van de auto open. Voorovergebogen rende ze tegen de heuvel op. Twee van de wezens verdwenen uit het zicht, gillend van angst. De derde was niet snel genoeg. De wapenmeester sprong op hem af en leek hem vanuit ons gezichtspunt met haar vlakke hand tegen de grond te slaan. In zijn eigen werkelijkheid werd hij geveld door een pulserende energiestoot. Luweng trok de man bij zijn been terug naar de auto. Bij het licht uit onze ramen zagen we een donker gezicht, een prominente neus en een krullende baard. De geur van angstzweet hing in een wolk om hem heen.
Janus graaide in zijn jaszak en pakte een stethoscoop. Nadat hij de pluggen in zijn oren had gestoken, drukte hij de kop tegen de borst van zijn patiënt. “Als het convergente evolutie is”, mompelde hij, “dan heeft die wel heel opvallende gelijkenissen opgeleverd.”
Thomas schraapte zijn keel. “De Aarde is vernietigd”, zei hij. “Dat weten we allemaal.”

Onze thuisplaneet was nog het blakende centrum van ons rijk geweest, toen wij vertrokken vanuit de baan van Neptunus, objectief zestigduizend jaar geleden. Ik was door alle relativistische snelheden, wormgatsprongen en versnelde tijdsbeleving niet meer zeker hoeveel subjectieve tijd er voor mij verstreken was. In elk geval voelde het ook lang geleden. We hadden alle bronnen van het zonnestelsel, inclusief de ijsbrokken uit de Oortwolk, bijeengebracht tot de grootste vloot in de geschiedenis. Elk schip schijnend, voorzien van het samen uitgekozen symbool en de woorden ‘In dit teken’. Het moment dat we allemaal gelijktijden onze aandrijvingen activeerden, was vanaf de Aarde zichtbaar geweest als een band langs de hemel, feller dan de Melkweg.
Ons reisdoel was het zwarte gat in het midden van ons sterrenstelsel. Astronomen hadden uit de banen van omringende sterren en planeten de aanwezigheid afgeleid van creaturen bestaande uit donkere materie. Ze zouden de processen in de kern van sterren versnellen zodat er meer zwarte gaten ontstonden, zodat zij in de zwaartekrachtputten daarvan elkaar zouden kunnen ontmoeten. We wisten niet hoe ze er uitzagen, zelfs niet of we ze wel zouden kunnen waarnemen, maar in de volksmond kregen ze de bijnaam ‘demonen’ toebedeeld en in de media werden ze meteen voorzien van bokkenboten en hooivorken. En het verhaal ging dat ze ook onze zon op het oog hadden, zelfs al was er nooit enige activiteit van ze waargenomen buiten het centrum van de Melkweg. Het was echter onze bestemming om in de eeuwigheid te domineren, niet de hunne, en zo ontstond het glorieuze visioen van de vloot. Het menselijke rijk zou afdalen in de duisternis en de heersers daarvan ontwapenen en tentoonstellen. Het licht zou zegevieren. Een andere uitkomst was niet mogelijk.
We hadden echter beter moeten weten. De structuren van donkere materie die we bereikten, bleken voor onze wapens onaantastbaar, terwijl onze tegenstanders in staat waren de zwaartekracht rondom onze schepen te manipuleren en ons zo in de ruimte te doen stranden. Duizenden jaren lang vochten we bloederige veldslagen uit, aanvankelijk tussen de sterren en nevels van het centrum, vervolgens in onze eigen spiraalarm. Hoe we onze technologie ook verbeterden, steeds verder werden we teruggedrongen, door steeds nauwere wormgaten vluchtend, verwoeste zonnestelsels en planeten als sintels achterlatend, met onze achtervolgers op onze hielen.
Net toen we terug waren op ons vertrekpunt, haalde de duisternis ons in. Tussen Jupiter en Mars vond vervolgens een ongelijke strijd plaats, waarbij het grootste deel van wat van onze vloot was overgebleven, werd vernietigd. Een regen van brokstukken en meteorieten daalde daarna neer op de binnenste planeten van het zonnestelsel, een nieuw groot bombardement. Hun oppervlak werd tot magma gereduceerd. Niets overleefde, zelfs geen bacterie.
Drie van onze schepen, waar wij er een van waren, wisten aan de ravage te ontsnappen. Maar in de eeuwen die volgden, ontplofte één ruimtetuig door een beschadiging aan de aandrijving. Een andere raakte van koers, zodat we uiteindelijk elk contact verloren. En nu was onze eigen energievoorraad uitgeput. Het laatste wormgat dat we konden openen, kwam uit in dit zonnestelsel, en we hadden net brandstof genoeg om deze planeet te bereiken en in dit veld te landen.
Wat er ook gebeurde, we zouden niet meer kunnen opstijgen. Dit was het einde van onze vlucht. Voor zover wij wisten, waren wij de laatste vertegenwoordigers van de mensheid.

“Dit is een mens”, concludeerde Janus. “Zijn genetische materiaal komt overeen met dat van ons uit de scheepscomputers. Heel bijzonder!”
Luweng, die tegen de deur van de auto aangeleund stond, haar wapen nog steeds in haar hand, vloekte in het oud-Chinees. Thomas duwde aan zijn kant het portier open en zwaaide zijn benen naar buiten. “Het kan niet”, zei hij ondertussen over zijn schouder. Zijn gezicht stond strak als een masker. “Er zijn geen biologische mensen meer.”
Janus haalde zijn schouders op, terwijl hij zijn instrument weer opborg. “Er heeft natuurlijk enige verschuiving in de basenparenvolgorde plaatsgevonden, maar niet meer dan in zestigduizend jaar te verwachten was geweest. Ze behoren nog steeds tot dezelfde soort: Homo sapiens sapiens. En geen ander.”
Ik schoof opzij zodat ik langs hem kon kijken. Inderdaad: de vorm van zijn jukbeenderen en de breedte van zijn kaken vertoonden kleine verschillen, maar de man had nog gewoon tussen de toeschouwers kunnen staan op het moment dat wij op onze queeste vertrokken, zonder dat iemand naar hem had op- of omgekeken. Thomas was om de auto heengelopen en knielde nu bij hem neer. Hij voelde aan zijn pols. “Hij leeft nog.”
“Ik weet wat ik doe”, zei Janus, duidelijk met zichzelf ingenomen.
“Gelukkig maar”, zei Thomas. “Want wij zijn nu ook aan deze planeet gekluisterd. We zullen haar met hem en zijn soortgenoten moeten delen. En ik weet niet of het slim is ons direct als vijanden te positioneren.”
Luweng schudde haar hoofd. “Wat stel je voor? Dat we ons voordoen als goden? Ze tempels voor ons laten oprichten? Een nieuw rijk stichten? Aan deze voorbeelden te zien, lopen wij technologisch ver op ze vooruit.”
“Ze zouden ons waarschijnlijk niet eens als menselijk herkennen”, zei Janus.
Thomas ging verzitten en keek naar ons op. “We hebben meer informatie nodig.”
Ik schoof terug naar mijn plek en haalde de kaart weer tevoorschijn. Ik vouwde hem uit op de bank van de auto en prikte met mijn vinger bijna in het midden, vlak naast de vouw. “Hier zijn we geland. Hier …” –ik bewoog mijn vinger opzij- “bevindt zich een dorp of een stadje, er loopt een verhard weggetje doorheen. Daar zijn de herders waarschijnlijk heen gevlucht.”
“Een goede plek om te verkennen”, besloot Thomas.
Luweng knikte. Ze richtte zich op en stak haar pistool in een holster onder haar oksel. Vervolgens trok ze haar marineblauwe jasje recht. “Incognito natuurlijk.”
“Dat is het meest verstandig”, zei Janus.
Ik rilde. Het was alweer tienduizend jaar geleden dat ik de computerwerkelijkheid had verlaten om een fysieke vorm aan te nemen, en dat was niet eens de menselijke geweest. In de lichamen van reusachtige mantaroggen hadden we gestreden tegen donkere materie-schepen in de kokende atmosfeer van een bruine dwergster. We waren na een eeuwenlange worsteling verslagen. Luweng had het een strategisch terugtrekken genoemd, maar dat kon de pijn van dat moment niet verzachten. En net als toen was de overgang nu niet plezierig. Terwijl een stroom denkende deeltjes het schip verliet en samenklonterde tot mijn menselijke vorm, bevond ik voor mijn gevoel even op twee plekken tegelijk, in de simulatie en daarbuiten, en ik zag mezelf naar mezelf kijken. Het duurde maar een seconde, daarna stond ik op het gras buiten de auto en streek met mijn handen over mijn parka. Tot aan de poriën in mijn huid en mijn net wat te lang geleden geknipte nagels was mijn voorkomen niet van een biologisch lichaam te onderscheiden.
De anderen waren naast mij in de tastbare wereld verschenen. Luweng wees naar de nog steeds bewusteloze man aan onze voeten. “Wat doen we met hem?”
Thomas fronste. “Het is zeker diplomatiek niet handig als we …”
Nog voor hij was uitgesproken, schudden zowel Luweng als Janus nadrukkelijk van nee. De piloot trok met zijn schouders. “Goed dan”, zei hij. Hij duwde met zijn voet tegen het portier van de auto, zodat die dichtviel. Daarna pakte hij een bos met sleutels uit zijn broekzak en drukte op een knopje. Er klonk een pieptoon en het geluid van sluitende sloten. Hij pakte de liggende man onder zijn schouders en zijn knieën, en richtte zich op. “Vertel me dat die nederzetting niet ver weg is!”
Ik slikte. “Een half uur lopen. Als we stevig door stappen. Meer niet.”
Thomas leek met dat antwoord tevreden en zette zich in beweging. Luweng liep opzij van hem, spiedend om zich heen kijkend. Ik volgde, met de kaart, en Janus kwam achteraan. Ik hoorde hem voortdurend dingen zeggen als: “Deze plant is nieuw voor de wetenschap!” en “Is dit een mier? Maar waarom heeft hij dan zoveel pootjes?”

We vonden, na twee zanderige heuvels te hebben beklommen en weer te zijn afgedaald, een zandpad dat de juiste richting op voerde. Tien minuten later kwam dat uit op een verharde weg, met op elkaar aansluitende klinkers. En iets meer dan een half uur nadat we waren vertrokken stuitten we op het dorp, weggestopt in een dal. De huizen waren donker, er brandde geen straatverlichting, en het scheelde niet veel of we waren eraan voorbij gelopen.
Een splitsing van het pad vormde de hoofdstraat. Aan het eind daarvan zagen we een groot gebouw, met een toren erop. Dit was waarschijnlijk het centrum van de gemeenschap, opperde Janus. Voor de grote houten deur stond een groepje mannen. Ze keken onze kant uit, kennelijk niet verbaasd dat zo laat nog reizigers hun nederzetting aandeden. Een lange man –zo te zien een van de herders die ons had zien landen- fluisterde iets in het oor van een man met een grijze baard en een mantel tot aan zijn enkels. Hij knikte, wuifde met zijn hand en stapte vervolgens naar voren. “De engelen zijn gearriveerd.” Zijn stem was diep, en zijn woorden waren voor ons, met enige hulp van onze computerrekenkracht, verrassend goed verstaanbaar. “Jullie hebben onze vriend meegenomen. Dank daarvoor.”
Luweng en Thomas wisselden een blik uit. Thomas kuchte. “Engelen, zei u?” Een vrouw en een jongen kwamen naar voren en namen zijn last van hem over. De bewusteloze man werd uit het zicht afgevoerd.
“We hoorden zojuist een knal en een gierend geluid dat ons deed schrikken.” De man met de baard knikte naar de lange herder, die nu schuin achter hem stond en aan zijn kin krabde. “Toen kwamen zij aangerend met een verhaal over oplichtende wezens in een gouden strijdwagen, die zich sneller bewogen dan een mens kan rennen. En dat juist in deze nacht. Dan is er maar één conclusie mogelijk.”
Thomas begon zich al groter te maken. Luweng glimlachte. Kennelijk zag ze al een glorieuze toekomst voor zich. De man keek tussen hen heen en weer. Uiteindelijk verbrak hij de stilte. “Jullie komen uit de ruimte, net als wij.”
Zelfs in het donker was te zien hoe zijn ogen twinkelden. Ik besloot dat ik de man wel mocht. Hij klopte Thomas op zijn bovenarm. “We zijn wat technologie kwijtgeraakt onderweg, maar we zijn niet vergeten waartoe mensen vroeger in staat waren. Onze voorouders zijn destijds tegelijk met jullie van de Aarde vertrokken. Ze kregen alleen niet zoveel aandacht in de media. Als ze niet werden genegeerd, werden ze afgetekend als lafaards of deserteurs. Ze moesten niet de kans krijgen de aandacht af te leiden van de door God bedoelde bestemming van de mensheid.”
Thomas knikte. “Onze strijd tegen de demonen, de heersers van de donkere materie.”
“We hebben begrepen dat die niet heel voorspoedig is verlopen.” De man klonk meelevend. “Er waren echter ook mensen die meenden dat hun eigen motieven niet altijd even stralend waren, en eerder de strijd wilden aangaan met de duisternis in hun eigen leven. Zij kozen ervoor de invloedssfeer van de Aarde te verlaten en kwamen uiteindelijk hier terecht, aan de rand van het melkwegstelsel.” Hij wees om zich heen. “Het lijkt misschien kaal, maar voor ons is het ons thuis.”
“Daar gaan onze fantasieën van godendom”, fluisterde Luweng, zodat alleen wij haar konden horen.
Janus drong zich ondertussen tussen ons door naar voren. “Zijn er nog andere koloniën? Hebben jullie misschien contact met …?”
Het antwoord was een ontkennende hoofdbeweging. “Al onze schepen landden hier.”
In het gezicht van Thomas begon een spiertje te trillen. Hij wilde iets zeggen, sloot zijn mond weer, fronste zijn wenkbrauwen. Even keek hij opzij naar Luweng, vervolgens zochten zijn ogen de mijne en daarna draaide hij zich weer om naar de oude man. “Wij kunnen nergens anders heen”, gaf hij toe. “We zijn van jullie afhankelijk.”
De man spreidde zijn armen. “Jullie zijn van harte welkom om je bij ons te voegen. Harde werkers vinden bij ons altijd een plek.”
Daar hadden we even niets op te zeggen. Elk van ons moest zijn of haar verwachtingen bijstellen. En dat kostte moeite. Janus was de eerste die zich leek te ontspannen. Hij begon te grijnzen. “Geweldig. Een hele nieuwe wereld om te verkennen.”
“Er zit niet anders op”, concludeerde Thomas, maar zijn uitdrukking was niet langer zo zorgelijk. Ook de schouders van Luweng waren wat gezakt en haar hand bevond zich niet meer in de buurt van haar schouderholster.
“Kom mee naar binnen”, zei de man. Hij knikte naar de mensen achter hem en zij duwden de deuren van het grote gebouw open. Warm, geel licht scheen naar buiten en omhelsde ons. “We waren juist begonnen met onze jaarlijkse viering van het licht.”
Janus was de eerste die naar voren stapte. “Moet je kijken”, riep hij. “Ze kennen ons embleem!” Ik moest me op mijn tenen oprichten om over zijn schouder te kunnen kijken. Rijen gelakte houten banken, met daarin de mensen, hun gezichten naar ons omgedraaid. Kaarsen op standaards. Guirlandes van groene naalden, en een boom met lichtjes helemaal achterin. En op de muur daarnaast inderdaad het teken. Niet van goud of diamant en niet lichtgevend of stralend. Maar uit eenvoudig hout gesneden, niet eens opgeschuurd. Toch was het duidelijk een kruis. Het symbool had de eeuwen en de lichtjaren weten te overbruggen. Ik voelde een onverklaarbare warmte door mijn ledematen stromen, tot in het puntje van mijn tenen. Het gevoel werd nog sterker toen de mensen begonnen te zingen. Ik was me er opeens van bewust dat ik lachte. Zonder te aarzelen, stapte ik de drempel over naar binnen. Ik was thuis.
Ik passeerde Janus, die was blijven staan en onze gastheer bij zijn arm had gepakt. “En de schapen”, hoorde ik hem achter mij zeggen, “hebben jullie die ook helemaal van de Aarde naar hier meegebracht?”
“Nee”, antwoordde de man. “Die leefden hier al. Een mooi voorbeeld van convergente evolutie.”

zaterdag 19 december 2015

Gedicht: Fractaltheologie

Fractaltheologie

Hoe komt de wereld toch zo vol
vormen allemaal verschillend,
elke leemte ingenomen,
geen optie onbenut? Leven
rijst vanuit een zee van chaos
op en ontvouwt zich als een bloem
ooit gezaaid in rijke aarde,
volgens wetten simpel. Het spel
van vrijheid en beperkingen
levert complexiteit, op elk
bestaansniveau. Zelfs geest ontstaat
uit talloze verbindingen:
in staat zichzelf te zien, schoonheid
te onderscheiden, te danken
wie de regels schreef. Een godheid,
die koos zichzelf te verbazen,
niet te heersen maar voor altijd
lief te hebben zijn gelijken
en met hen te dansen zonder
dat de muziek zich ooit herhaalt.

vrijdag 18 december 2015

Nog een voorpublicatie van 'De loser die wint ...'

De boodschap van christenen staat in onze maatschappij niet bekend als een mooi verhaal, laat staan als het mooiste verhaal aller tijden. En om eerlijk te zijn schuif ook ik in de kerkbanken vaak ongemakkelijk heen en weer. Wat ik regelmatig hoor is dat ik vaker moet bidden en evangeliseren, of meer missionair moet zijn. Dat ik moet strijden tegen bepaalde gewoontes. Dat God mij alleen geneest of voorspoedig maakt, als ik daar niet aan twijfel. Over schoonheid heb ik daarentegen nog nooit een preek gehoord. Dat ik mag verlangen naar avontuur en naar oprechte relaties komt nauwelijks aan de orde. John Eldredge verzucht: ‘Het plan van de vijand is om al het leven, de schoonheid en het avontuur, uit het evangelie te laten wegsijpelen en christenen te begraven onder verplichtingen, waardoor niemand er nog aandachtiger naar wil kijken. Het evangelie is onaantrekkelijk geworden!’
Dit is niet een tekortkoming van het goede nieuws zelf. Het probleem zit hem in de manier waarop wij het nieuws in kwestie zo vaak vertellen. We maken van het Verhaal van de Werkelijkheid een verhaal dat om onszelf draait, een verhaal over macht. En daardoor maken we het saai. Onze op onszelf gerichte clichés ontnemen het al zijn schokkende wendingen en overweldigende dramatiek. Auteur Dorothy Sayers had hier geen goed woord voor over: ‘Een eerlijke schrijver zou zich ervoor schamen als hij een kleuterverhaaltje zo zou behandelen als jullie, goede christelijke mensen, het grootste drama in de geschiedenis behandelen. Niet omwille van zijn geloof, maar vanwege zijn roeping.’
Ik geloof dat het verhaal van de Bijbel wel degelijk voldoet aan het criterium van schoonheid. Om te beginnen stellen christenen de Verteller van het Verhaal soms te klein voor. God wordt in onze verhalen een wezen iets boven ons niveau, met wie wij zouden kunnen onderhandelen, die wij op onze hand kunnen krijgen met onze inspanning, of die we zijn gemoedsrust kunnen ontnemen door ongehoorzaam te zijn. Iemand die wordt bepaald door ons verhaal. Maar zo'n beeld doet tekort aan de God van de Bijbel. Het verhaal draait namelijk om hem. ‘De goden van de volken zijn minder dan niets,’ zingt David, ‘maar de Heer: hij heeft de hemel gemaakt’ (1 Kronieken 16:26). ‘In zijn ogen zijn de volken als een druppel in een emmer, als een stofje op een weegschaal; de eilanden weegt hij als zandkorrels’ (Jesaja 40:15). God kan ‘de aarde in haar volle uitgestrektheid bevatten’ (Job 38:18).
Deze God is volgens gelovigen de hoogste werkelijkheid. Als hij zich voorstelt, zegt hij eenvoudig: ‘Ik ben.’ Dat wil zeggen: God bestaat. Als enige bestaat hij zonder ergens aan ontsprongen te zijn, zonder iets nodig te hebben, zonder ooit op te houden te bestaan. Hij is het bestaan zelf. En daarmee is hij de bron van al het bestaan. Hij is de enige over wie geen verhaal wordt verteld, want hij is de Verteller van alle verhalen. ‘Hij bestaat voor alles en alles bestaat in hem’, zegt Paulus (Kolossenzen 1:17). En: ‘Er is slechts een God, de Vader, uit wie alles is ontstaan, en een Heer, Jezus Christus, door wie alles bestaat en door wie wij leven’ (1 Korintiërs 8:6). Er is geen bestaan mogelijk onafhankelijk van de Schepper. Ons bestaan is afgeleid van dat van hem. Hij is het die ‘aan iedereen leven en adem en al het andere schenkt’ (Handelingen 17:25).
Over deze God zegt de Bijbel dat hij liefde is (1 Johannes 4:8,16) Niet dat hij liefheeft, maar dat hij liefde is! C.S. Lewis zei het zo: ‘We weten dat wat voorbij het bestaan ligt, niet simpel een wetmatigheid is, maar een verwekkende liefde, een liefde die werd opgewekt, en de liefde tussen deze twee.’ Bestaan en liefde zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden. Iemands identiteit wordt immers gevormd door zijn relaties. Dat geldt voor mensen, maar ook voor God. 'Ik ben' is niet alleen; hij is Vader, Zoon en Geest, drie personen die elk met volle overgave de twee anderen liefhebben en volledige en onvoorwaardelijke liefde van hen terug ontvangen. In deze voortdurende interactie, in deze 'dans' zoals sommige theologen deze omschrijven, ligt de goddelijke eenheid.
De drie personen van de Drie-eenheid geven zichzelf ongedwongen en uit vrije wil aan elkaar, zonder iets terug te verwachten of een rekening bij te houden. Maar tegelijk zijn Vader, Zoon en Geest individuen die zichzelf volledig accepteren. Ze hebben de anderen niet nodig om hun zelfbeeld op te krikken. Ze kunnen – het klinkt bijna oneerbiedig – met zichzelf alleen zijn. Juist daardoor zijn ze vrij om lief te hebben. Elkaar, maar ook ons. Dat God in zijn drie personen volledig zeker is van zijn eigenwaarde en betekenis, garandeert dat hij ons niet zal manipuleren of controleren. Hij heeft niet onze aanbidding nodig om te beseffen dat hij glorieus is. Hij heeft niet onze dienstbaarheid nodig om te weten dat hij autoriteit heeft. Hij heeft niet onze aandacht nodig om zichzelf geliefd te voelen. Juist omdat hij ons niet nodig heeft, kan hij ons liefhebben. Gods relaties met de wereld, met ons, en in zichzelf zijn volkomen vrij.
En de God van de Bijbel is niet alleen Liefde, Hij is Waarheid. Hij is Schoonheid. Hij is immers per definitie helemaal zichzelf. En dus is hij de bron van alle waarheid, schoonheid en liefde. Niets of niemand anders kan ooit werkelijk ons verlangen vervullen, onze behoefte aan een realiteit buiten ons, die waar is, die mooi is en kenbaar. De Drie-eenheid geeft ons leven betekenis. In hem leven, bewegen wij en zijn wij (Handelingen 17:28). ‘God bevat al de goden en meer’, schrijft Peter Kreeft daarom. ‘Alles wat de menselijke geest zich heeft voorgesteld, al dat het menselijke hart ooit heeft verlangd. Vreugde borrelt op en vloeit over in het hart van God, de kern van de werkelijkheid [...] Dit is de vreugde die ons hart doet breken van liefde en verlangen, elke keer als we haar proeven in menselijke liefde, of de schaduwen ervan zien in de schoonheid van de natuur, of de verre echo’s ervan horen in goede muziek.’
Het is waar dat we een gat in onze ziel hebben, waar alleen God in past als een puzzelstuk. Daarom is het goed nieuws dat God bestaat. Dit is het evangelie ‘over de majesteit van de gelukzalige God’ (1 Timoteüs 1:11). Hij is zelf de boodschap. Ons hart komt – zo zei Augustinus het – tot rust als het rust vindt in hem.

Hij is er en hij spreekt
Het Verhaal van de Werkelijkheid, het goede nieuws, wordt in de Bijbel ook wel aangeduid als het ‘koninkrijk van God’ (Marcus 1:15). Een koninkrijk is niets anders dan het gebied waar de wil van de koning wordt uitgevoerd. Hij hoeft maar te zeggen dat er iets moet gebeuren, en het vindt plaats. Hij is degene die het verhaal vertelt waarnaar het rijk zich vormt. Net zo is het koninkrijk van God de plek waar Gods wil gebeurt, waar wat hij zegt wordt uitgevoerd. Zijn woord heeft de hoogste autoriteit. Er vindt niks plaats, als hij er niet het bevel toe geeft.
Dat begint bij de schepping, waar God tot zijn roept wat nog niet bestond. De Bijbel begint dus niet met een staat van perfectie. Het eerste vers van Genesis vertelt dat de aarde in het begin nog woest en ledig is, en de duisternis over de vloed zweeft. Het doek is leeg, de verf zit nog in de tube, de stapel A4-tjes is nog onbeschreven. Vervolgens gaat God aan het werk. Het was niet voldoende dat de Schepper bij zichzelf nadacht over sterrenstelsels, neutrino’s en bacteriën; het was niet voldoende dat hij de ringen van Saturnus en de voelsprieten van de snuitkever voor zijn geestesoog voorbij zag trekken. De schepping was geen puur mentale activiteit, iets wat zich alleen in Gods geest afspeelde. Zoals het een kunstenaar betaamt, bracht hij wat binnen in hem was naar buiten. En dat deed hij door te spreken.
Spreken is ook voor ons een scheppende daad. Gedachten worden via de stembanden omgezet in concrete luchttrillingen. Wat iemand zegt, kan dus niet meer ongedaan worden gemaakt. Dat geldt voor mensen, maar ook voor God: ‘De Heer zal zijn woord op aarde gestand doen, onvoorwaardelijk en onverkort’ (Romeinen 9:28). Op het moment van de schepping begon God met het vertellen van zijn verhaal. Hij liet weten wat hij waardevol vindt, wat voor hem betekenis heeft. Hij benoemde alles wat hij in zijn verbeelding voor zich zag. ‘Toen Adam de dieren namen gaf, deelde hij in de woordenmagie van God’, stelt Peter Kreeft. ‘Want dit was niet slechts het opplakken van een ‘label’, dit was schepping. God had het heelal geschapen, eenvoudig door het te benoemen [...] Het is in woorden en taal dat de dingen voor het eerst tot aanzijn komen en bestaan.’
Door te spreken maakt God datgene waaraan hij denkt, concrete werkelijkheid. Wat hij betekenis geeft, ontvangt door zijn woord een werkelijk bestaan. ‘Hij sprak en het was er, hij gebood en het stond er’ (Psalm 33:9). Sterker nog: het voortbestaan van de schepping is voor altijd afhankelijk van het voortdurende spreken van God: ‘Hij onderhoudt alle dingen door het woord van zijn kracht’ (Hebreeën 1:3). God ‘beveelt de sneeuw: ‘Val op de aarde’, hij zegt tegen de regenvloed: ‘Stort neer met al je kracht […]’ Of het nu is om de aarde te straffen of ten teken van liefde – hij laat het gebeuren’ (Job 37:6,13). Van oerknal tot herschepping bestaat het universum alleen omdat God het zegt. Alles wat is, ontleent zijn betekenis, zijn bestaan, zijn leven, aan het woord van God. Er is niets dat daar buiten valt, er is geen andere bron van leven of van betekenis.
C.S. Lewis concludeert: ‘Is er voorzienigheid, dan is alles voorzien en dan is elke voorzienigheid een bijzondere voorzienigheid ‘ [...] Ieder mens afzonderlijk is een doel. Misschien ook elk dier. Misschien zelfs elk deeltje van de materie. De loop der gebeurtenissen wordt niet als een staat geregeerd, maar geschapen als een kunstwerk, waarin elk wezen zijn bijdrage levert en waarin alles wat bestaat zowel middel is als doel.’ Daarom is de aankondiging van het koninkrijk van God ook zulk goed nieuws, voor alle mensen, voor de hele schepping. God vertelt immers het verhaal en hij zal het altijd blijven vertellen. Zijn wil gebeurt, ‘op aarde zoals in de hemel’ (Matteüs 6:10). En dat is op geen enkele manier ongedaan te maken door onze beslissingen, of onze verhalen.
Dit is het ‘eeuwig evangelie’ dat bekend moet worden gemaakt aan de mensen op de aarde, uit alle landen en volken, van elke stam en taal (Openbaring 14:6,7).

Bestel het boek bijvoorbeeld bij Bol.com of koop het bij je (christelijke) boekwinkel!