zondag 24 maart 2013

Even geen nieuwe berichten

Hallo lieve volgers,
Zoals jullie al konden lezen is mijn schrijfcarriere in een stroomversnelling gekomen. Dit jaar wordt mijn debuut Neptunus opnieuw uitgegeven, gevolgd door het vervolg De Derde Macht. Daar moet ik echter nog wel wat schrijfwerk aan verrichten! Vooral omdat publicatie deze zomer al zou moeten plaatsvinden.
Verder ben ik in de laatste fase van het schrijven van mijn fantasyroman De Krakenvorst, boek 1: Keruga. Ik ben nu bezig aan het een na laatste hoofdstuk. Ik wil dit boek eerst afschrijven. Dan kan ik daarna snel door met het herschrijven van De Derde Macht. En dan staat De Krakenvrost, boek 2: Kartaalmon op het programma.
Maar daar is geen deadline aan verbonden, dus heb ik tegen die tijd weer tijd en energie voor het schrijven van film- dan wel boekbesprekingen. De komende maanden heb ik die echter niet. Dat wil zeggen dat het een paar maanden stil blijft op mijn blog.
Wel zal ik nieuws over mijn boeken hier vanzelfsprekend blijven melden.
Met vriendelijke groet,
Johan Klein Haneveld

maandag 4 maart 2013

Boekbespreking: Jane Eyre, deel 2: het vlees, de wet en het goede nieuws

Boodschappen die mij proberen duidelijk te maken dat ik iets ‘BEHOOR’ te doen of niet te doen, zijn in essentie manipulatief, omdat ze mij het recht op een eigen oordeel ontnemen. Daarom denk ik dat daar geen plaats voor is in het christelijke geloof. Maar voordat je nu geërgerd van dit essay weg klikt, laat ik duidelijk stellen dat ik geloof dat de bijbel duidelijk is dat er een manier van leven is die door God niet bedoeld is, namelijk dat wij onze lusten volgen en daardoor andere mensen hun vrijheid en waardigheid ontnemen of onszelf kwaad doen. Dit leven noemt de bijbel het ‘vlees’. Ik meen dat dit de ‘behorens’ zijn die ons door ons verlangen worden opgelegd - en als we zoals Mr. Rochester denken dat we onze verlangens ten koste van alles (ook ten koste van andere mensen) behoren te bevredigen, leven we uit het vlees. En: ‘Het is bekend wat het vlees allemaal teweegbrengt: ontucht, zeleoosheid en losbandigheid, afgoderij en toerij, vijandschap, tweespalt, jaloezie en woede, gekonkel, geruzie en rivaliteit, afgunst, bras- en slemppartijen en nog meer van dat soort dingen’ (Galaten 5:19v). Deze manier van leven leidt tot de dood van onszelf en van anderen (‘wie op de akker van zijn zondige natuur zaait, oogst de dood’ (6:8)). De bijbel roept ons daarom op het vlees te laten afsterven. Dat wil volgens mij zeggen dat als we om ons verlangen te vervullen, onszelf of anderen zonder respect zouden moeten behandelen, we ervoor kiezen het niet doen. Want de mens is belangrijker dan het tijdelijke plezier van een vervuld verlangen.
De bijbel is er volgens mij net zo duidelijk over dat er een manier van leven is die hoort bij hoe mensen bedoeld zijn: een leven gebaseerd op het liefhebben, van God boven alles en je naaste als jezelf. Daarom dat God in de bijbel ook aanstuurt op verandering van mensen, tot deze manier van leven in hen zichtbaar wordt. Wie liefheeft heeft de wet vervuld, dat is het doel van God. Ook al heb ik het op mijn blog heel veel over de genade, en lijk ik zelfs voor de oppervlakkige lezer antinomianistisch, ik geloof wel degelijk dat God wil dat we op een bepaalde manier leven. Maar ik geloof niet dat deze manier van leven te bereiken is door motivatie van buitenaf, door boodschappen van ‘behoren’. Het gaat namelijk om liefde. En liefde is vrijwillig, liefde laat zich niet dwingen. Het IK WIL dat de basis is van ons handelen, kan niet van buitenaf veranderd worden. De wet heeft daar geen invloed op. We kunnen niet opeens iets anders gaan willen, omdat dat hoort. Regels, straf en beloning hebben er geen invloed op - wat we dan willen is namelijk niet goed te doen, maar straf ontlopen of beloond worden. Of bij de groep horen, of een goed christen gevonden worden. En dat is iets heel anders. Dat is niet wat God wil. Het leidt ook niet tot blijvende verandering. St. John Rivers probeert Jane Eyre op deze manier te veranderen, maar Jane heeft heel goed door dat de wet haar tot een vloek zou worden, en haar zou laten sterven. De wet is, net als het vlees, uiteindelijk dodelijk (‘Iedereen die op de wet vertrouwt is vervloekt’, Galaten 3:10).

Daarom dat God al in het oude testament, toen mensen nog onder de wet leefden, beloofde dat er een ander, een nieuw verbond zou komen. ‘Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk. Men zal elkaar niet meer hoeven te onderwijzen met de woorden ‘Leer de HEER kennen’, want iedereen, van groot tot klein, kent mij dan al.’ (Jeremia 31:33v). En: ‘Ik zal hen een van hart en een van zin maken, zodat ze altijd ontzag voor mij zullen hebben. Ik zal hen met ontzag voor mij vervullen, zodat zij zich noot meer van mij zullen afkeren’ (32:40). En in Ezechiel: ‘Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie mijn geest geven en zorgen dat jullie volgens mij wetten leven en mijn regels in acht nemen.’ (36:26v).
Dit alles is vervuld in het Nieuwe Testament. Jezus kwam om het nieuwe verbond in werking te stellen. En hoe deed hij dat? Door mensen lief te hebben. Kijk hoe hij met mensen omgaat in de evangeliën, welke verhalen hij vertelt. Hoeren, tollenaars, melaatsen krijgen van hem geen ‘behorens’ opgelegd. Ze horen dat ze vergeven zijn, dat ze geliefd zijn, dat ze oneindig waardevol zijn voor God. Zo waardevol dat Hij zich met hen identificeert -in hun zwakheid. En omdat ze van zichzelf gaan geloven dat ze waardevol zijn, krijgen ze respect voor zichzelf en voor anderen. Ze gaan anderen liefhebben, zoals God hen liefheeft. Zaccheus verkoopt zijn bezit niet omdat Jezus hem had verteld dat hij dat ‘hoorde’ te doen, maar omdat hij het zelf wilde. Zijn verlangen was veranderd.
Ook Paulus in zijn brieven legt eerst uit wat het evangelie heeft gedaan, hoe wij van uitgeslotenen in de aanwezigheid van de Vader zijn gebracht, hoe we hoewel we dood waren, met Jezus uit de dood zijn opgestaan en met Jezus zijn gezeten aan Gods rechterhand. Hij vertelt dat niets ons meer kan scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze heer. Dit is het goede nieuws. En als we dat echt gaan geloven, als we die waarheid echt tot ons laten doordringen, zal ons verlangen gaan veranderen. Dan zullen we ons niet langer willen laten regeren door onze zelfzuchtige verlangens (zoals Mr. Rochester), maar willen we anderen en onszelf met respect behandelen. En we zullen ons niet meer onder controle te hoeven houden met regels en verplichtingen (zoals St. John Rivers) omdat de liefde de angst heeft uitgedreven. “Volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf” (een indicatie van ‘behoren’ is dat er altijd een vorm van angst onder schuilt). Dit betekent dat we werkelijk vrij zijn! Om vrij te zijn heeft Christus ons vrij gemaakt. In plaats daarvan zullen we liefhebben ‘omdat God ons het eerst heeft liefgehad’ (1 Johannes 4:18v). Eerst verandert ons verlangen, dan pas ons gedrag. ‘De vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geluld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Er is geen wet die daar iets tegen heeft’ (Galaten 5:22,23). Maar ons verlangen verandert niet door de wet, maar alleen door het goede nieuws - ‘wanneer u door de Geest geleid wordt, bent u niet onderworpen aan de wet’ (v18). Daarom denk ik dat alle preken met ‘behorens’ in de kerk niet effectief zijn. Mensen zouden veel ingrijpender veranderen als ze het goede nieuws horen.

Dit zie ik ook terug bij Jane Eyre. Ze weigert namelijk om op het voorstel van Mr. Rochester in te gaan, ook al betekent dat dat ze berooid door het land moet zwerven. En waarom doet ze dat? Omdat ze zichzelf respecteert. “I care for myself. The more solitary, the more friendless, the more unsystained I am, the more I will respect myself. I will keep the law given by God; sanctioned by man. I will hold to the principles received by me when I was sane, and not mad, as I am now. Laws and principles are not for the times when there is no temptation: they are for such moments as this, when body and soul rise in mutiny against their rigour; stringent are they; inviolate they shall be. If at my individual convenience I might break them, what would be their worth? They have a worth- so I have always believed; and if I cannot believe it now, it is because I am insane.” Nog even voorbijziend aan het feit dat het in de negentiende eeuw waarschijnlijk een behoorlijke schok was dat een vrouw zichzelf zo respecteerde en zichzelf zo waardevol vond, wordt hier de basis zichtbaar van Jane Eyre’s karakter. Ze houdt zich aan de huwelijkswet, niet omdat het ‘behoort’, maar omdat ze zichzelf en anderen zo waardevol vindt en zo respecteert dat ze zich aan deze wet wil houden. Uit haar conversatie met St. John Rivers weten we namelijk dat ze zich niet houdt aan regels puur omdat iemand ze oplegt. Hij haalt er zelfs bijbelteksten bij aan om haar ertoe te brengen met hem te trouwen en naar India te gaan. Volgens hem is het de wil van God. Maar ook dan zegt ze ‘Nee’. Ze houdt dus niet de regels omdat het regels zijn, maar omdat ze ziet dat deze regel gebaseerd is op echte liefde en echt respect voor mensen. Dat is wat ze wil en daarom kiest ze ervoor deze regel te houden. Ze MOET het, omdat ze het WIL. Zoals ze zag dat de woorden van St. John Rivers wel met bijbelteksten ondersteund waren, maar niet haar als persoon respecteerden en haar waardigheid niet respecteerden, en ze daarom niet met hem kon trouwen. Ze MOEST hem pijn doen door hem af te wijzen, zoals ze haar eigen verlangen naar Mr. Rochester MOEST ontkennen. Omdat ze zichzelf en hen met respect WILDE behandelen.
Jane is twee keer in staat een ‘behoren’ te weerstaan. Een ‘behoren’ dat voortkomt uit het zelfzuchtige verlangen (uit het ‘vlees’ zou de bijbel zeggen), en een ‘behoren’ dat voortkomt uit de regels (uit de ‘wet’ zou de bijbel zeggen). Waarom was ze daartoe in staat? Omdat ze geloofde in God. Haar geloof in God was anders dan het geloof van Mr. Rochester, of St. John Rivers. Die hadden beide eigenlijk een overeenkomend beeld van God. Allebei geloofden ze in een God die de daden van mensen woog en ze overeenkomstig zou belonen dan wel straffen. Mr. Rochester geloofde daarom dat hij toch al verdoemd was en alles kon doen wat hij verlangde, en St. John Rivers geloofde dat God hem zou belonen in de eeuwigheid als hij zendeling werd. Maar Jane heeft een heel ander Godsbeeld. Dat blijkt als ze afscheid neemt van St. John. Ze zegt daar: ‘I mounted to my chamber; locked myself in; fell on my knees; and prayed in my way - a different way to St. Johns, but effective in its own fashion. I seemed to penetrate very near a Mighty Spirit; and my soul rushed out in gratitute at His feet. I rose from the tanksgiving- took a resolve - and lay down, unscared enlightened - eager but for the daylight.’
Dat verschilt nogal van de God tot wie St. John bidt (of tegen wie hij minipreekjes afsteekt). Dit is een God waarvan Jane weet en ervaart dat Hij er voor haar is, dat Hij van haar houdt. Daarom dat ze opstaat met dankbaarheid. Zelfs al zou ze niet de juiste keuze gemaakt hebben, deze God respecteert haar als persoon en wijst haar niet af. En daarom kan ze handelen met respect voor zichzelf. En voor anderen (het is tekenend dat het boek eindigt met St. John - het feit dat Jane hem afwees, wil niet zeggen dat ze hem niet respecteert. Ze laat hem in zijn waarde, zoals ze zichzelf in haar waarde laat).

Jane had dit godsbeeld niet van zichzelf - ze groeide juist op als wees in een hard huishouden. Niet de beste omgeving om respect te leren. Maar ik geloof dat het is terug te voeren op haar eerste vriendin Helen Burns. Niet voor niets heeft Charlotte Bronte zoveel aandacht besteed aan deze vriendschap. Dit is de basis om de rest van het werk te interpreteren. Goed, wat dogma’s betreft zou ik als ik muggenzifterig was op haar overtuigingen wel wat aan te merken kunnen hebben (maar daar moet ik nog een keer een ander essay over schrijven) en ze maakt niet echt melding van Jezus - degene door wie wij de Vader hebben leren kennen op de manier zoals Helen Hem beschrijft. Maar hoe Helen God beschrijft, is hoe ik hem heb leren kennen - door Jezus en in mijn gebeden. Als Jane vraagt: ‘Where Is God? What is God?’, antwoordt Helen: ‘My Maker and yours, who will never destroy what He created. I rely implicitly on His power, and confide wholly in His goodness: I count the hours till that eventful one arrives which shall restore me to Him, reveal Him to me.’ En dan vraagt Jane: ‘You are sure then Helen, that there is such a place as heaven, and that our souls can get to it when we die?’. Helen antwoordt: ‘I am sure there is a future state; I believe God is good; I can resign my immortal part to Him without any misgiving. God is my father; God is my friend: I love Him; I believe He loves me.” Jane vraagt: “And shall I see you again, Helen, when I die?”. Ze antwoordt: “You will come to the same region of happiness: be received by the same mighty, universal Parent, no doubt, dear Jane.”
Dit is wat Jane is gaan geloven. Voor haar heeft Gods liefde inderdaad de angst uitgebannen. Ze verlangt niet meer naar beloning voor haar inspanning, en is niet meer bang om door God gestraft te worden. In plaats daarvan weet ze dat God van haar houdt, en haar nooit zal vernietigen, maar haar bij zich wil hebben in zijn eeuwigheid. God is haar vriend, en zal zichzelf aan Haar openbaren. Ze heeft van God waardigheid gekregen, zoals ieder mens van God waarde heeft gekregen. En daarom WIL ze zichzelf en anderen met waardigheid behandelen, ook al MOET ze daarvoor zichzelf soms ontkennen, en anderen pijn doen door ze af te wijzen. Maar ze BEHOORT niets meer. Ze is vrij!

Ik wil ook op deze manier leven. Ik BEHOOR niet meer bijbelstudie te doen of te bidden - ik hoef mezelf niet meer onder druk te zetten om daar mijn tijd mee te vullen. Of God van mij houdt hangt er niet van af. Maar ik realiseer me dat mijn diepste verlangen is om te schrijven. Dat WIL ik, zoals ik nooit heb willen bijbelstudie doen, en daarom MOET ik er tijd voor maken. Daarom MOET ik er elke dag voor zitten. Dat past bij mij. Het is niet iets dat ik BEHOOR. Ik ga er niet aan onderdoor, ik kom er juist door tot leven. Maar net zo WIL ik anderen respecteren. Ik WIL anderen zien zoals God ze ziet. Daarom MOET ik soms dingen doen die in eerste instantie ongemakkelijk zijn, uit mijn comfortzone komen, bijvoorbeeld om een zwerver niet als minder dan menselijk af te schudden, maar hem of haar echt in de ogen te kijken. Maar ook hier ga ik niet aan ten onder, het is voor mij geen verplichting die mij overspannen maakt, want het is niet iets dat ik BEHOOR. Ik geloof zelfs dat ik er uiteindelijk meer mens door wordt, en niet minder. Want we zijn het meest mens als we liefhebben, zoals God ons heeft liefgehad. God, de universele Ouder, die ons en hen ooit zal ontvangen in zijn huis van blijdschap.

zondag 3 maart 2013

Boekbespreking: Jane Eyre, deel 1: willen, moeten en behoren

Een tijdje geleden ontmoette ik een oude vriend. Ik heb op mijn blog eerder over hem geschreven in mijn serie ‘Blast from the Past’. Daar schreef ik over de periode toen ik studeerde en net twintig was. Ik las toen elke dag uit de bijbel (vijf hoofdstukken), memoriseerde bijbelteksten (heb ik nog vaak plezier van, moet ik toegeven), las bijbelstudieboeken, bad elke dag minstens een half uur, probeerde mezelf nieuw testamentisch Grieks aan te leren, en bezocht alle bijeenkomsten van de kerk waar ik toen bij hoorde. Mijn vriend deed hetzelfde. Dat was ook waardoor we elkaar vonden op een bijbelstudiekamp georganiseerd vanuit ons kerkgenootschap. We waren allebei serieuze, toegewijde christenen en we bemoedigden elkaar om God enthousiast te dienen. Zodra we allebei een e-mailadres hadden begonnen we bovendien aan een uitgebreide elektronische correspondentie. Mijn vriend heeft al onze berichten uitgeprint en heeft een hele stapel thuis liggen.
Maar, zoals ik ook in die eerdere serie schreef, in het vierde jaar van mijn studie, toen ik bezig was met mijn afstudeerstage, werd ik overspannen. Ik sliep nauwelijks meer, werd acht keer per nacht wakker, en werd daardoor (natuurlijk) vermoeid en prikkelbaar. Wat ik ook probeerde, ik kon niet ontspannen. Tot een docente van mijn opleiding me suggereerde dat ik, als ik thuis kwam, nu eens niet moest doen wat ik had gepland, dat ik van mezelf moest doen, maar dat ik deed wat ik wilde. Dat was een revolutionair concept voor me! Wat ik eigenlijk direct besefte was dat alle religieuze activiteiten die ik deed niet werden gemotiveerd door verlangen, maar dat ik ze deed (en zo hard) uit een gevoel van verplichting. Ik dacht dat ik een slecht christen zou zijn als ik het niet deed, dat ik dan tekort zou schieten. Ik voelde me schuldig als ik mijn doelen niet haalde. Ik zette mezelf onder druk, door niet te doen wat ik eigenlijk wilde, en mijn tijd vol te plannen met wat ik geloofde dat ik moest. Dat kon natuurlijk niet goed gaan. Ik realiseerde me toen dat ik eigenlijk wilde schrijven. En begon aan mijn boek Neptunus (dat binnenkort opnieuw wordt uitgegeven! Houd deze plek in de gaten! - een beetje reclame voor mezelf mag wel op mijn eigen blog, toch). Ik heb toen een paar jaar lang niet gebeden en niet uit de bijbel gelezen, en geen christelijke boeken gelezen. Dat was heerlijk. Mijn vriend ging daar echter wel mee door. En dat leidde tot spanning in onze relatie. Want ik geloofde dat hij alles deed uit dezelfde motieven als ik. Dat ook hij alleen werd gedreven door gevoelens van schuldgevoel, schaamte en verplichting. Dat hij mij daarom aanmoedigde om te blijven bijbellezen. (Aan de andere kant dacht hij dat ik werd gedreven door dezelfde motieven als hij: dat ik werkelijk graag bijbelstudie deed, en dat mijn passie om te bidden uit mijn hart kwam, zoals bij hem). Dit leidde ertoe dat ik onze relatie verbrak. Het heeft jaren geduurd voor ik hem daarvoor om vergeving vroeg - die hij gelukkig verleende. Ik begreep toen dat al die activiteiten bij hem niet voortkwamen uit plicht, maar dat hij zich er echt graag mee bezighield (en nu dertien jaar later nog steeds graag mee bezighoudt!). Zijn motivatie was oprecht, terwijl die van mij uit schuldgevoel en schaamte voortkwam. Ik was namelijk veel liever bezig met verhalen, met boeken, met fantasie en verbeelding. Dat was wat mij motiveerde.

Toen ik na de ontmoeting met mijn vriend sprak met mijn verloofde, zei ik: “Hij is echt zoals St. John Rivers.” -En daar hebben we de connectie met deze boekbespreking. Ik had namelijk net het boek Jane Eyre van Charlotte Bronte gelezen. Dit is een van de favoriete boeken van mijn verloofde, en het is bovendien nog eens een klassieker (ik meen ergens gelezen te hebben dat ook C.S. Lewis fan was van de Bronte-boeken). Het boek gaat over  weesmeisje Jane Eyre, die gouvernante wordt van een meisje, Adele, in een kasteel. Dan komt de heer de huizes thuis van zijn reis. Deze Mr. Rochester is onconventioneel eerlijk, gepassioneerd en behandelt Jane als gelijke. En hij is gecharmeerd van haar eerlijkheid en stelligheid. Jane krijgt gevoelens voor hem, maar mr. Rochester lijkt te willen trouwen met een adellijke dame. Ze kan het dan ook nauwelijks geloven als hij opeens haar ten huwelijk vraagt. Maar als ze getweeën in de kapel staan, wordt de plechtigheid onderbroken. Een advocaat heeft bewijs dat het huwelijk tussen Rochester en Jane Eyre ongeldig zou maken ...
Over de literaire kwaliteiten van het boek zal ik het hieronder niet uitgebreid hebben. Het is niet voor niets een klassieker. Charlotte Bronte schrijft heel invoelend vanuit het perspectief van Jane. Het wordt een werkelijk persoon voor de lezers, met niet alleen goede, maar ook minder positieve eigenschappen. Dit is bijvoorbeeld eindelijk een romantisch boek waarin de heldin niet bijzonder knap of aantrekkelijk is. De man in haar leven trouwens ook niet. Verder is het boek voor de tijd waarin het werd geschreven behoorlijk feministisch. Jane’s betoog dat vrouwen een zelfde innerlijke leven hebben als mannen en net als mannen hun eigen leven willen leiden, lijkt voor ons wellicht vanzelfsprekend, maar was dat in de negentiende eeuw absoluut niet. Het verhaal bevat enkele gothische elementen die er zelfs een thrillersfeertje aan zouden kunnen geven, maar het wordt niet als horror behandelt. Aan het eind sluipt er een voor moderne lezers magisch realistisch tintje in, als twee karakters elkaar over een afstand van tientallen mijlen naar elkaar horen roepen. Maar dat is niet wat bij blijft. Wat bij blijft is het karakter van Jane Eyre, en het gevoel haar echt te kennen. Iemand die je graag in je kennissenkring zou hebben, al was het maar om haar verbeelding - ze maakt zelfs fantasy-illustraties.

Van een van de karakters in het boek dacht mijn verloofde aanvankelijk dat die leek op mij zoals ik voor mijn overspannenheid was, omdat hij zich ook onder druk zette om de Heer te dienen, zo ver dat hij zelfs een relatie weigerde met iemand die op hem verliefd was (en van wie hij ook hield), zodat hij zendeling kon worden in India. Ze dacht dat dit bij St. John Rivers ook voortkwam uit schuldgevoel en verplichting. Maar toen ik het boek las, realiseerde ik me dat het anders was. De passie van St. John Rivers was namelijk oprecht. Hij wilde echt de Heer dienen. Het was zijn natuur. Zoals Jane Eyre over hem zegt: “I saw he was of the material from which nature hews her heroes - Christian and Pagan- her lawgivers, her statesmen, her conquerors: a steadfast bulwark for great interests to rest upon ... This parlour iss not his sphere. The Himalayan ridge or Caffre bush, even the plague-curses Guinea Coast swamp would suit him better. Well may he eschew the calm of domestic life; it is not his element: there his faculties stagnate. It is in scenes of strife and danger - where courage is proved, and energy exercised, and fortitude tasked-that he will speak and move, the leader and superior. A merry child would have the adventage of him on this hearth. He is right to choose a missionary’s career- I see it now.” Zo was het verlangen om bijbelstudie te doen en te bidden van mijn vriend ook altijd oprecht was geweest. Het hoorde bij hem.
Ik herkende mezelf echter eerder in Jane Eyre - op wie het betreffende karakter inpraat dat zij ook zendelinge moet worden (hij schrijft aan haar dezelfde motivatie toe als hij zelf heeft). En St. John Rivers wil dat ze haar leven achterlaat om voor de Heer te lijden. “Remember, we are bid to work while it is day - warned that ‘the night cometh when no man shall work’  Remember the fate of Dives, who had his good things in this life. God give you strength to choose that better part which shall not be taken from you!” Omdat hij zendeling wil worden, denkt hij dat dit het plan van God met allen is. En Jane is er gevoelig voor. Zoals iemand tegen haar zegt: “St. John would urge you to impossibilities; with him there would be no permission to rest during the hot hours; and unfortunately, I have noticed, whatever he exacts, you force yourself to perform.” En het zou voor Jane slecht aflopen, want het is niet haar ware natuur. Zij heeft een meer verbeeldingsvolle geest - ze is in haar hart een kunstenares, die prachtige fantasievolle tekeningen maakt. Daar verlangt ze naar. Jane zegt daarom: “As his wife-at his side always, and always restrained, and always checked - forced to keep the fire of my nature continually low, to compel it to burn inwardly and never utter a cry, though the imprisoned flame consumed vital after vital - THIS would be unendurable ... If he would marry me, he would kill me. He is killing me now.’ Gedwongen worden haar ware natuur te onderdrukken om religieus gedrag te vertonen dat ze eigenlijk niet wil, zou haar dood worden. Ze zou er overspannen van worden, is wat ik haar hoor zeggen. Ze kan zichzelf niet op die manier ontkennen zonder eraan te bezwijken. Daarom weigert ze met St. John mee te gaan naar India.
Maar het interessante in het boek is natuurlijk dat een paar hoofdstukken eerder Jane ogenschijnlijk zichzelf en haar passie wel ontkende, namelijk door weg te rennen bij Mr. Rochester, de liefde van haar leven, de man van wie ze meer dan alles hield. Ze kon haar hart met hem delen (zoals ze dat niet kon met St. John). Ze kon alles tegen hem zeggen. En hij had haar gezegd dat hij ook van haar hield. Hij had haar ten huwelijk gevraagd. Hij had zelfs een prachtige trouwjurk voor haar gekocht. Hij was bereid de kloof van rijkdom en afkomst te overbruggen voor haar: een edelman die zich wil binden aan een gouvernante. Jane wist heel zeker dat Mr. Rochester haar gelukkig zou maken. Mr. Rochester is namelijk een heel andere man dan St. John. Gepassioneerd. Misschien zelfs te gepassioneerd. Hij leeft namelijk niet voor een hoger ideaal, zoals St. John, maar alleen voor zichzelf. “Since happiness is irrevocably denied me, I have a right to get pleasure out of life: and I WILL get it, cost what it may.” Hij leeft niet uit zijn hoofd (zoals St. John), maar uit zijn buik (waar Jane uit haar hart leeft, zoals ik in het volgende deel van deze bespreking zal laten zien). Mr. Rochester leeft voor wat hij verlangt. Maar net als St. John wil ook hij Jane iets opleggen, namelijk dat zij net als hij haar verlangen klakkeloos volgt, dat ze toegeeft aan haar verliefdheid, en in feite zijn maîtresse wordt. Hij wil dat ze geen belang hecht aan de huwelijksbelofte, dat ze alles maar laat schieten om zich aan hem te binden. Hij wil dat ze haar lust volgt. Haar ‘vlees’ in de termen van de bijbel. Waar St. John vond dat Jane op hem behoorde te lijken, vindt Mr. Rochester dat Jane op hem behoort te lijken. En in beide situaties gaat Jane er bijna aan onderdoor.

Ik las met mijn verloofde laatst in het interessante boek When I Say No, I Feel Guilty (Als Ik Nee Zeg, Voel Ik Mij Schuldig) van Manuel J. Smith een paragraaf die de situatie van Jane verduidelijkt (en ook mijn eigen situatie). Het gaat om het verschil tussen ‘moeten’ en ‘behoren’. Hij schrijft: ‘I often ask people to phrase their internal conflict in any of these three categories: ‘I want to’, ‘I have to’ or ‘I should’. The I WANT category is straightforward i.e. I WANT to have steak for dinner three times a week, I WANT to go to the movies instead of watching TV, or I WANT to spend the rest of my life living on the beach in Tahiti. From these wants, certain I HAVE TO’s or contingencies follow. The I HAVE TO’s are compromises that you work out within yourself and with other people. If I WANT steak three times a week, I HAVE TO get the money to afford to eat steak three times a week. If I have to get this money (and I also want to stay out of jail), I HAVE TO work at a job that pays enough money so I can afford steak three times a week (or some other compromise that works). If I WANT TO go to the movies tonight, I HAVE TO forgo watching my favorite TV-program. If I WANT TO spend my life lounging on the beach of Tahiti, I will HAVE TO get used to ‘tropical lunch’ (whatever you can mooch). All these contingencies on what you do because you want certain things are quite simple: you simply decide if the I WANTS are worth the I HAVE TO’s. Many people, however, cofuse the I HAVE TO’s with the I SHOULD’s and muddy the clear water of their thinking. SHOULDS as a rule of thumb, can be categorised as manipulative structure used to get you to do wahtever someone else wants, or arbitrary structure you have imposed upon yourself to deal with your own insecurity concerning what you ‘can or cannot’ do. For instance: I SHOULD work because everybody SHOULD be productive, not just because I want meat on the table three nights a week. I SHOULD get out in the evening because I SHOULDN’T watch TV all the time. I SHOULDN’T want to go to Tahiti, because no one SHOULD be a beach bum. Whenever you hear yourself or someone else say ‘should’, extend your antimanipulative antennae up as far as possible and listen carefully. In all likelyhood, some message will follow that says: ‘You are not your own judge’.’

Als ik kijk naar mijn eigen leven en de reden dat ik overspannen ben geworden, realiseer ik me dat ik leefde op basis van ‘behoren’. En dat slurpte mijn energie weg. En nog steeds hoor ik veel boodschappen die me zeggen dat ik dingen ‘behoor’. Die komen voort uit de maatschappij (je ‘behoort’ een goede baan te hebben, je ‘behoort’ naar de sportschool te gaan), maar helaas ook uit de kerk. De meeste boodschappen over het christelijke leven die worden gebracht in de kerk, zijn in mijn ervaring ‘behorens’. Ik ‘behoor’ meer te bidden,  ik ‘behoor’ meer te geven, ik ‘behoor’ de leiders te gehoorzamen. Anders ben ik geen goed christen, anders hoor ik er niet bij, anders stel ik God en andere mensen teleur, anders ... Mede als gevolg van mijn overspannenheid lukt het me niet goed deze ‘behorens’ buiten me te houden en ik krijg er stress van. Dat is niet gezond. Ik heb vaker geschreven op mijn blog over de verschillen tussen motivatie van buitenaf, en van binnenuit. Motivatie van buitenaf (gebaseerd op de principes van beloning en straf) ontneemt me uiteindelijk mijn vrijheid, en maakt me minder mezelf. Bovendien kan ik het uiteindelijk niet volhouden.
Ik verander alleen als ik wordt gemotiveerd van binnenuit. Als mijn verlangen verandert. Als mijn ‘Ik WIL’ verandert. Want dan ga ik zien dat daarbij een ‘Ik MOET’ hoort!
Toen ik op de middelbare school heel graag met een survivalkamp naar de Ardennen meewilde, besefte ik dat ik moest trainen. En dat heb ik toen een hele tijd gedaan. En toen ik besefte dat ik niet langer vrijgezel wilde blijven, realiseerde ik dat ik initiatief moest nemen om vrouwen aan te spreken, ook al voelde dat spannend. Ik geloof dat het zo ook geldt op het gebied van het christelijk geloof, maar daarover zal ik meer schrijven in het tweede deel van deze bespreking. Ik zal laten zien hoe Jane Eyre vanuit haar zelfrespect in staat is om ‘nee’ te zeggen tegen de ‘behorens’ die haar worden opgelegd door St. John Rivers en Mr. Rochester, en waar dat zelfrespect vandaan komt, namelijk: de liefde van God, die de angst uitdrijft en ons weerbaar maakt tegen manipulatie.

vrijdag 22 februari 2013

Neptunus en De Derde Macht

Even iets anders dan een filmbespreking. Wat misschien nog niet iedereen van jullie weet, is dat er binnenkort twee boeken van mij uitkomen. Het gaat om Neptunus (dat in 2001 ook al is verschenen, maar nu dus opnieuw!), en het vervolg daarop: De Derde Macht. Dat had ik een tijdje geleden al geschreven, maar nu kunnen jullie het eindelijk lezen. De uitgever heeft prachtige covers laten ontwerpen voor beide boeken! Je vindt ze hieronder. Ik ben benieuwd wat jullie ervan vinden!



Ik vind ze er zelf wel heel gaaf uitzien! Ze stralen volgens mij goed de sfeer uit van de boeken, zonder teveel van het verhaal te verraden. Ik zou ze in elk geval zo lezen (maar ja, ik ben bevooroordeeld).

zondag 17 februari 2013

Filmbespreking: The Hunter

Eind 2007 was ik in Australië. Dat was een heel bijzondere reis. Er zat een spiritueel aspect aan, omdat ik tijdens de reis een conferentie bezocht en met vrienden optrok, en veel goede en confronterende gesprekken had. Daarover gaat deze filmbespreking verder niet. Wie geïnteresseerd is in de ontdekkingen die ik tijdens die reis heb gedaan, kan erover lezen in mijn boek Indrukwekkende Vrijheid - warm aanbevolen! Maar het was ook bijzonder omdat ik een natuurliefhebber ben, en Australië een unieke flora en fauna heeft.
Het continent Australië is zo lang afgesneden geweest van de rest van de wereld dat niet de placentale zoogdieren de dienst uitmaken, maar buideldieren. De evolutie heeft er een ander spoor gevolgd dan in bijvoorbeeld Europa. De niches in het ecosysteem zijn door andere soorten opgevuld. Er leefden in het verleden bijvoorbeeld enorme loopvogels, buidelwolven en buidelleeuwen, wombatachtige dieren zo groot als neushoorns en zes meter lange varanen. De meest bizarre soorten - soorten zonder vergelijking op de andere continenten.
Helaas zijn veel van die soorten uitgestorven, een deel door klimaatverandering, een deel door het ingrijpen van de mens. De eerste aboriginals maakten bijvoorbeeld jacht op reuzenkangaroes, en introduceerden honden die de buidelwolven eruit concurreerden. Later kwamen de Europese immigranten en die lieten schapen, kamelen, konijnen en katten los op het continent - en deze soorten bleken een bedreiging voor de inheemse Australische natuur. Net als bijvoorbeeld de Indiase vogels die je er nu bijna vaker ziet dan inheemse Australische soorten. Dat alles was al schadelijk genoeg zonder de actieve jacht van mensen op soorten die als ‘schadelijk’ werden gezien. Er is gelukkig nog heel wat overgebleven en ik was blij dat ik daarvan kon genieten. Ik zag in de natuur zelf een varaan, en een andere grote waterhagedis, ik zag eucalyptusbomen, en cicaden, ik zag prachtige bloemen en inheemse kikkers. Ik zag de bijzondere liervogel tussen prehistorisch aandoende boomvarens in de Blue Mountains, en ik zag de zwermen vliegende honden in de bomen in Sydney. Australië was werkelijk een andere wereld, en ik voelde me een beetje als een ontdekkingsreiziger die op een andere planeet is geland en tussen vreemde planten en dieren is terechtgekomen. Het leek wel science fiction. En ik zag regenboogvissen in hun natuurlijke omgeving! Het was een van de meest bijzondere ervaringen van mijn leven.
Ik ben nog niet op het eiland Tasmanië geweest, maar ook dat heeft een bijzondere flora en fauna. Ook daar groeien boomvarens, en springen wallabies rond en komen Tasmaanse duivels op aas af. En op het eiland Tasmanië leefde tot voor kort de Tasmaanse buidelwolf - de laatste vertegenwoordiger van een groep roofdieren die ooit over het hele Australische continent verspreid was. Omdat er op Tasmanië geen dingo’s leefden, kon de buidelwolf daar blijven bestaan. In elk geval tot er Europese kolonisten op het eiland landden. Die wilden er schapen houden, en ze dachten dat de buidelwolven hun schapen aanvielen. En daarom besloten ze de buidelwolf uit te roeien. Dat lukte, want de laatste buidelwolf stierf in de jaren dertig van de vorige eeuw in gevangenschap. Er zijn nog een paar filmbeelden van bewaard gebleven - enorm fascinerend, de laatste blik op een unieke soort: het laatste grote buidelroofdier.
Wat de situatie ironisch maakt, is dat uit recent wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat de Tasmaanse buidelwolf geen sterke kaken had, en uit berekeningen blijkt dat hij niet in staat moet zijn geweest een schaap te doden. De kolonisten reageerden uit angst en roeiden daarom een soort uit die hen helemaal niet bedreigde. En een eenmaal uitgeroeide soort is niet meer terug te brengen uit de vergetelheid. Daarmee wordt het verhaal van de buidelwolf, net als dat van de dodo, de Amerikaanse trekduif en de Stellers’ zeekoe (en de olifantsvogel van Madagaskar, de moa’s van Nieuw-Zeeland en de cichliden uit het Victoriameer, en de reuzenalk, en ga zo maar door), een aanklacht tegen de menselijke expansiedrift die ten koste gaat van het unieke, het onvervangbare, het individuele. In eerste instantie van de natuur - de menselijke expansiedrift, het verlangen naar macht en controle maakt de natuur eenvormig. Een unieke ecologie wordt vervangen door eentonig landbouwgebied, met dezelfde granen en dezelfde schapen als elders op de wereld, maar een of twee soorten per vierkante kilometer. We maken de wereld saai en voorspelbaar. Maar ook de individuele mens verliest zijn eigenheid, zijn uniciteit. Mensen worden tot productie-eenheden, consumenten, werkers - niet meer gewaardeerd om wie ze zijn, maar alleen om wat ze bijdragen aan de economie. Ze zijn niet meer vrij, ze moeten binnen een kader passen. Zoals de buidelwolf werd uitgeroeid omdat hij niet in het kader paste van de schapenfokkers van Tasmanië (gebaseerd op een vooroordeel en niet op werkelijkheid), zo moet de individuele mens zich schikken naar de verwachtingen van de consumptiemaatschappij, of ten onder gaan (en dat vaak op basis van vooroordelen en niet op basis van de werkelijkheid). Er is in het menselijke leven meer belangrijk dan productie, geld of efficiëntie - en daarvoor moeten we vechten, zoals we vechten voor het behoud van unieke diersoorten. We moeten doen aan bescherming van de waardigheid van de individuele mens, zoals we doen aan bescherming van de unieke natuur. Het is geen situatie van of/of, maar een van en/en. Als christenen zijn we rentmeesters, rentmeesters van de hele schepping: van binnen en van buiten.

Deze boodschap is volgens mij terug te vinden in de Australische film The Hunter. Al toen ik het eerste voorstukje zag op internet was ik in deze film geïnteresseerd. Hij ging namelijk om de zoektocht naar een misschien nog overlevende buidelwolf. Ik heb toch al een zwak voor cryptozoologie - de wetenschap die zoekt naar diersoorten uit legenden, levende fossielen en mogelijk nog overlevende soorten. Van de fantastische (het monster van Loch Ness en Bigfoot) tot de realistische (de coelacanth en okapi). Deze film was mij dus wat betreft het onderwerp op het lijf geschreven. De efficiënte jager Martin krijgt een opdracht van het mysterieuze bedrijf Red Leaf om af te reizen naar Tasmanië. Er zijn namelijk waarnemingen geweest van de Tasmaanse buidelwolf, waarvan al tientallen jaren werd aangenomen dat hij was uitgestorven. Het bedrijf wil monsters van dit zeldzame zoogdier: bloed, organen, huid, en dat voordat de concurrenten het dier op het spoor komen. Ze zijn bereid er grof geld voor te betalen. Martin doet zich voor als wetenschapper van de universiteit en trekt in bij Lucy en haar twee kinderen. De sympathieke Jack leidt hem rond in de omgeving. Al snel trekt Martin de wildernis in, waar hij kampeert, zijn vallen opzet en bij holen en grotten op de loer ligt. Eens in de zoveel tijd keert hij terug naar het huis van Lucy. Hij leert haar en haar kinderen steeds beter kennen. Het blijkt dat haar man een tijd terug spoorloos is verdwenen. Martin brengt weer wat vreugde terug in hun huishouden. Maar het bedrijf Red Leaf wordt ongeduldig. De leidinggevenden willen resultaten zien. En ze zijn bereid desnoods over lijken te gaan. Martin begint te vermoeden dat hun bedoelingen niet bepaald edel zijn ...

The Hunter is geen spectaculaire, snel vertelde actiefilm. Het is een rustig vertelde mengeling tussen karakterobservatie en avontuur, die het moet hebben van het diep gegroefde gezicht van Willem Dafoe (die in deze film prachtig speelt. Het verveelt niet om hem het grootste deel van de tijd alleen op het scherm te zien) en de prachtige natuur van Tasmanië (er zitten echt prachtige beelden in de film van het licht op de Eucalyptusbossen en van boomvarens en poelen en sneeuw - ik wilde dat ik er zelf kon rondlopen!). Het is fascinerend om toe te kijken hoe Martin zijn vallen plaatst, met een professionele precisie. Maar het is ook interessant om waar te nemen hoe de kinderen van Lucy met hun onbevangenheid een plekje in zijn hart veroveren. Sam Neill deed me een heel klein beetje aan Sean Connery denken en laat zien dat een hoed hem erg goed staat (net als in Jurassic Park). Het was ook mooi om de laatste beelden van de buidelwolf voorbij te zien komen. Het eind van de film was ook best ontroerend. Al met al een aanrader voor een rustige filmervaring, die ook al gaat hij over een uitgestorven dier, toch opvallend menselijk is.

De film waar The Hunter me het meest aan deed denken was het sciencefictionepos Avatar. Nu is dat niet bepaald een rustige filmervaring, dus daarin zit de overeenkomst niet. Maar de thema’s zijn wel vergelijkbaar. Ook deze film gaat over iemand die eigenlijk als soldaat wordt gehuurd door een bedrijf om naar een andere wereld te gaan, met een unieke ecologie, om een grondstof te verkrijgen die alleen daar te vinden is. En ook in deze film komt de hoofdpersoon in contact met de locale bevolking. Daar hervindt hij zijn eigen menselijkheid en dus gaat hij vragen stellen bij de motivatie van zijn opdrachtgevers. Ook hier krijgen die opdrachtgevers uiteindelijk niet waar ze op uit waren. En ook in deze film staat de vraag centraal wat ons tot mensen maakt: is dat onze expansiedrift en vernietigingsdrang, of is dat onze liefde en opoffering voor onze naaste? Kijk de films maar eens naast elkaar, en je zult ongetwijfeld net als ik de overeenkomsten zien.
Als Martin in het begin van de film in Parijs op zijn opdrachtgevers wacht, zegt iemand dat hij de toerist moet spelen en de bezienswaardigheden moet bekijken. Martin is echt efficiënt, georganiseerd. Hij heeft geen interesse in bezienswaardigheden. Hij leeft alleen voor de volgende opdracht. Hij is eigenlijk bijna meer machine dan mens. Hij waardeert niet wat Parijs uniek maakt, hij heeft geen belangstelling voor kunst of cultuur. En de opdracht om de mogelijk laatste vertegenwoordiger van een diersoort, de laatste buidelwolf, te doden accepteert hij zonder aarzelen. Het kan hem niet schelen dat hij degene zal zijn die deze soort van de aardbodem zal uitroeien - hij ziet de waarde toch niet in van natuur. Hij is in dat opzicht perfect geschikt als instrument van het gezichtsloze bedrijf Red Leaf - hij vervult een functie, en dat doet hij zonder vragen te stellen.
Aanvankelijk is hij niet blij dat hij verblijft bij een gezin thuis. Hij zit liever in een hotel. Nu wordt hij in zijn activiteiten gestoord door de kinderen, die maar vragen blijven stellen. En hij kan ze niet laten weten dat hij een jager is en geen wetenschapper. Lucy is immers wetenschapper en maakt zich net als haar man voor haar sterk voor natuurbescherming. De andere natuurbeschermers en zij proberen te voorkomen dat er meer bos gekapt wordt. Dat zorgt voor een conflict met de plaatselijke bevolking, die juist leeft van de houtindustrie. De houthakkers zijn geen fan van de natuurbeschermers - die zorgen er voor dat zij geen inkomsten hebben. Voor hen is het bos, hoe uniek ook, alleen van economisch belang. Ironisch genoeg beschouwen ze Martin ook als natuurbeschermer. Ze besmeuren zijn auto en bedreigen hem zelfs met een geweer, en dat terwijl hij net als hij alleen maar op geldelijk gewin uit is. Ook hij ziet de natuur als bron van inkomsten - niet als waardevol in zichzelf. Als hij zijn buit heeft, is hij weer weg. Hij is dus eigenlijk ‘undercover’.
Maar zijn interactie met Lucy en met haar kinderen doet Martin ontdooien. Hij gaat genieten van de vragen van de kinderen, en hij begint hen te helpen. Hij repareert de generator, hij zorgt dat de luidsprekers weer muziek maken. Hij helpt ook Lucy, die na het verdwijnen van haar man zichzelf met medicijnen verdoofde. Martin krijgt oog voor schoonheid, waarheid en intimiteit. Hij leert te zien dat het leven niet mechanisch en eenvormig is, maar dat uniciteit en persoonlijkheid belangrijk zijn. En daardoor gaat hij vragen stellen bij zijn opdrachtgevers, bij het standpunt dat de natuur alleen uit economisch oogpunt belangrijk is.
De film eindigt als Martin zegt dat hij nu wel de bezienswaardigheden gaat bekijken. Hij heeft zijn les geleerd. En hij heeft het dan niet alleen over toeristische plekken. Hij heeft het voor die onderdelen van het leven die niet alleen maar economisch zijn of machtsgerelateerd. Hij heeft het over individuen, over relaties. Een mooie boodschap uit een mooie film.

zondag 27 januari 2013

Filmbespreking: The Impossible

Ik heb geen TV thuis. Ik bedoel: het apparaat heb ik wel, anders zou ik geen DVD’s en blu-rays kunnen kijken en geen computerspellen kunnen spelen, maar ik kijk er geen TV op. Nooit gedaan. Dat heeft als voordeel dat ik niet in de verleiding kom om een hele avond gedachteloos te zappen om uiteindelijk te realiseren dat ik twee saaie spelletjes gezien heb en een halve aflevering van een serie die me toch niet zo boeide. En dat naast talloze reclames voor wasmiddel en sterke drank. Maar het nadeel is dat ik sommige dingen niet zelf zie. Over de vloedgolf van kerst 2004 las ik alleen in de krant. Dat was natuurlijk al indrukwekkend genoeg. En ik zag de satellietfoto’s die toonden hoe de kustlijn was veranderd na de tsunami, wat de ongelofelijke kracht van het water illustreerde.
Maar het gebeurde bleef abstract. Cijfers waar ik weinig mee kon. Ik had geen voorstelling hoe het geweest moest zijn voor de mensen in de gebieden rond de Indische oceaan. Wel herinner ik me hoe we op kantoor geld inzamelden voor de hulpfondsen. Ik had nog Noorse kronen van een eerdere vakantie in mijn portemonnee zitten en doneerde die. Wat de impact was van de ramp werd me echter pas goed duidelijk toen ik in 2010 in India was, en mijn gastheren van de kerk in Hyderabad me vertelden hoe ze met voedsel en kleding hulp gingen bieden in de getroffen streken van India. Ze lieten ook een paar foto’s zien van de verwoesting die daar was aangericht.

Toen ik vroeger bij mijn grootouders logeerde, las ik graag in de Het Beste (Readers Digest) - waar ze heel wat jaargangen van hadden staan - en dan vooral de overlevingsverhalen. Mensen die een vliegramp hadden meegemaakt, die waren verdwaald in de bergen, die in een mijn waren vast komen te zitten. Die een aardbeving hadden doorstaan. Of een vloedgolf. Wat deze artikelen deden was dat ze de abstracte cijfers - aantallen doden, statistieken over verkeersongelukken, waarschuwingen over het gevaar van verdwalen - minder abstract maakten. Ze maakten er namelijk een verhaal van. En ik geloof dat wij als mensen (of in elk geval de meesten van ons) niet zijn gebouwd om te denken in abstracties (die betekenisloos zijn), maar wel in verhalen (die betekenis geven). Zelfs als we over abstracties praten, gebruiken we er vaak beeldspraak voor of analogieën - dat wil zeggen: we vertellen er een verhaal over.
Als we dus willen omgaan met gebeurtenissen of rampen (individueel of collectief) vertellen we er een verhaal over. Kennissen die iets erg hebben meegemaakt willen graag ‘hun verhaal kwijt’ (ik weet dat toen ik door de IJslandse vulkaanuitbarsting had vastgezeten in Doha, ik later graag dat verhaal vertelde). Net zo vertellen we verhalen over oorlogen en rampen. Dat begint op school, want de beste geschiedenisleraar is degene die mooie verhalen over geschiedenis weet te vertellen. Toch? Maar ook later - niet voor niets zijn er zoveel boeken geschreven en films gemaakt over de tweede wereldoorlog, over de Titanic, over Vietnam. En er kwamen films over de Twin Towers na elf september, en boeken waarin die gebeurtenissen een rol speelden. Die verhalen helpen ons om beter te begrijpen wat de impact was van die momenten, ze doen ons meeleven met de personen die werden getroffen (en daardoor ontwikkelen we meer empathie en ‘theory of mind’) en ze maken ons weerbaar, doordat we onszelf afvragen wat wij in zo’n situatie zouden doen en ons daarop gaan voorbereiden.
Vaak worden deze verhalen verteld vanuit het oogpunt van een overlevende. Dat lijkt misschien niet ‘eerlijk’, alsof de overledenen geen verhaal te vertellen hadden. Maar het lot van anderen wordt niet over het hoofd gezien. Het wordt juist pijnlijk duidelijk hoe ‘oneerlijk’ het is dat het verhaal van die anderen wreed tot een einde is gebracht. De onrechtvaardigheid van het universum blijkt er juist heel duidelijk uit. Het brengt bij ons de verontwaardiging tot stand die gepast is bij het zinloze lijden in de wereld. We heffen onze vuist en komen in actie. Maar waarom zouden we in actie komen als het menselijke bestaan geen waarde zou hebben? Als het individuele bestaan werkelijk zinloos zou zijn. Wat deze verhalen ons ook duidelijk maken is dat het universum uiteindelijk niet hopeloos is. Dat onze opoffering en medemenselijkheid betekenis hebben. En juist dat er mensen overleefden kan ons hier geloof in schenken. G.K. Chesterton zei al dat kinderen behoefte hebben aan verhalen, niet om te leren dat draken bestaan, maar om te leren dat ze verslagen kunnen worden. We weten allemaal met de Prediker dat ‘tijd en toeval treffen allen’. De verhalen bevestigen dit (het zijn immers vaak gewone mensen die door gebeurtenissen groter dan zichzelf worden overvallen), maar ze laten tevens zien dat in die situaties toch ruimte mogelijk is voor medemenselijkheid, opoffering en naastenliefde. En voor hoop. Hoe klein dat sprankje ook mag zijn.
(Natuurlijk is er het gevaar dat als de gebeurtenis langer geleden is, er legendevorming kan optreden, waardoor de verhalen de gebeurtenis niet dichterbij brengen, maar de afstand tussen de luisteraar en de werkelijkheid juist vergroten. Je gaat als kijker bijvoorbeeld meeleven met de helden in een oorlogsfilm en gaat de tegenstanders als minder menselijk zien. De werkelijke menselijke kosten van een gebeurtenis worden over het hoofd gezien. Daarom moeten te grote verhalen uiteindelijk gedeconstrueerd worden - de verhaaldynamiek moet worden ontmaskerd, zodat de gebeurtenis zelf weer zichtbaar wordt. Parodieen doen dit bijvoorbeeld, of een film als Inglourious Basterds van Quentin Tarantino.)
Tot slot geloof ik dat juist in dit type verhalen het Grote Verhaal het duidelijkst zichtbaar kan worden, want gaat dat er ook niet over hoe wij wonder boven wonder, tegen alle hoop in, zijn gered van de dood van het lichaam en de vernietiging van het heelal?

De film The Impossible bracht voor mij de gebeurtenissen rond de tsunami van 2004 tot leven. Hij maakte de onweerstaanbare kracht van het water duidelijk, maar ook de chaos en verwarring die er na de tsunami heersten. Als ik nu over een vloedgolf hoor, is het niet meer iets abstracts. Maar de film toont ook opvallende tekenen van medemenselijkheid. Sprankjes hoop in een duistere situatie. Wat deze film zo bijzonder maakt is dat hij zo dicht bij de hoofdpersonen blijft. De camera blijft ze op de huid zitten. Je maakt mee wat zij meemaken, soms in gruwelijk detail. (Maar zonder te gruwelijk te zijn - de film is in dat opzicht gelukkig niet sensationeel). Soms juist door het ontbreken van detail (zo is het scherm even zwart en hoor je alleen geluiden - en dat is misschien nog wel het gruwelijkst). Daarbij helpen de sympathieke acteurs, die hun rol geloofwaardig neerzetten, zelfs de kinderen die meespeelden. Het gezin heeft een heel natuurlijk overkomende dynamiek, ook de interactie tussen de drie jongens. Ik vond de muziek tegen het einde toe wel wat sentimenteel worden. Dat had wat minder gekund. Vooral omdat de gebeurtenissen tegen het einde al te mooi lijken om waar te zijn. Als de film niet was gebaseerd op een waargebeurd verhaal, zou ik het einde niet hebben geslikt. De wetenschap dat het echt is gebeurd, maakt het ontroerend.

De familie Bennett is tijdens de kerst op vakantie aan de kust in Thailand. Henry heeft te horen gekregen dat hij mogelijk zal worden ontslagen, zijn vrouw Maria wil haar baan als arts wel weer oppakken. Ondertussen spelen hun kinderen en maken ze ruzie, zoals jongens dat onderling nu eenmaal doen. De ochtend na kerst zijn ze allemaal in het zwembad in het resort als er een vreemde wind opsteekt. Er komen onheilspellend roepende vogels overwaaien. Dan verschijnt als uit het niets een muur van water, alles op zijn weg vernietigend. Als Maria uit de maalstroom boven water komt, is ze al vele meters meegesleurd landinwaarts. Ze treft haar oudste zoon Lucas aan en samen klampen ze zich vast aan een boomstam. Als het water zakt, zijn ze alleen. Van Henry en haar andere twee kinderen is geen spoor te bekennen. En zelf is ze door het puin in het water gewond geraakt. Als ze er niet aan onderdoor gaat door het bloedverlies, loopt ze het gevaar een stevige infectie op te lopen. Lucas neemt al snel de verantwoordelijkheid op zich over zijn moeder. Hij blijft bij haar als ze gevonden worden door locale mensen, en naar een ziekenhuis worden gebracht. Daar dringt Maria er bij Lucas op aan dat hij mensen gaat helpen. Als hij terugkomt, is zijn moeder verdwenen. Hij is moederziel alleen...

Waar mijn vriendin en ik ons over verbaasden bij het kijken van de film, was hoe deze familie zich inzet voor anderen, ook na wat ze allemaal hebben doorstaan. Het kan ook anders, en dat wordt in de film getoond: mensen die anderen niet van hun mobiele telefoon laten gebruikmaken, omdat ze bang zijn dat de batterij opraakt. En die angst is natuurlijk terecht. Een ‘ieder voor zich’-mentaliteit meten we ons in ons dagelijkse leven al makkelijk aan. Maar als je leven in gevaar is, als je dreigt alles kwijt te raken wat je bezit, dan al helemaal. Om te overleven worden mensen egoïstisch - uiteindelijk in staat elkaar te doden om een korst brood (is bekend van extreme situaties, bijvoorbeeld in de concentratiekampen). Ik maak me niet veel illusies over mijn eigen houding in dezen - ik weet niet of ik zou delen wat ik heb, als ik niet weet of dat voor mijzelf genoeg is.
Maar deze familie steekt anders in elkaar. Als het water zich net heeft teruggetrokken, en Maria en Lucas landinwaarts strompelen, horen ze een kind huilen. Lucas wil dat ze een boom opzoeken. Ze moeten omhoog klimmen om veilig te zijn als er een nieuwe golf komt. Elke seconde telt. Maar Maria geeft niet toe, al kan ze zelf nauwelijks meer op haar benen staan. “Weet je wat voor mij het angstigste moment was?”, zegt ze (even uit het hoofd geparafraseerd). “Niet toen de golf me raakte, maar toen ik boven kwam en ik was helemaal alleen. Misschien zijn je vader en je broers op dit moment wel helemaal alleen. Dan zou je toch ook willen dat iemand ze vond en ze hielp? Dit kindje is nu helemaal alleen. Hij heeft alleen ons. ” Lucas laat zich overreden en helpt het blonde jongetje dat Daniel heet. Later in het ziekenhuis vraagt zijn moeder hem een mandarijn te delen met een medepatient, die vast veel honger en dorst heeft. En hij helpt mensen die Engels spreken, brengt ouders en kinderen bij elkaar. Zelfs als hij daarvoor bij zijn moeder weg moet. Hij is een reddende engel - voor anderen, zoals hij het is voor zijn moeder.
Hoe kan het dat deze mensen in een noodsituatie in staat zijn anderen te helpen? Hoe kan het dat ze ook de noden zien van hun medemensen en niet alleen die van zichzelf?
Een ramp als deze brengt onze diepste motivaties boven, uiterlijkheden vallen weg. Rationeel nadenken over je gedrag is er niet bij. Je handelt uit instinct. De enige manier om na zo’n ramp liefde te kunnen tonen voor je medemensen, is als dat is wat je in de rest  van je leven doet. Het gedrag dat je oefent als het je voor de wind gaat, als er niets aan de hand is, is wat je vertoont als het tegenzit. Als je in het normale dagelijkse leven de roep van je medemens negeert, voordringt in de rij, en niet uitdeelt van wat je hebt, zul je dat ook niet doen als je leven abnormaal wordt.
Wat in deze film mooi zichtbaar is, is dat de familie voor de tsunami de kust bereikt, al wordt gekenmerkt door een hulpvaardige instelling. Ze zorgen voor elkaar, dat is al heel snel duidelijk. En omdat ze dat altijd al deden, kunnen ze daarmee doorgaan als de rampspoed toeslaat.
We weten niet of en wanneer we in moeilijke omstandigheden komen. Misschien wel nooit. Maar misschien zitten we morgen in een auto die over de kop slaat, wordt een ernstige ziekte vastgesteld, breekt een crisis uit, worden we ontslagen. We leven in een wrede wereld. Onze wereld is in zichzelf niet menselijk. Als wij wel menselijk willen zijn. Als wij willen dat we zelfs in zulke onmenselijke omstandigheden onze menselijkheid bewaren en er kunnen zijn voor anderen, moeten we daarom nu al dagelijks zo leven, nu we nog de vrijheid hebben ons gedrag zelf te kiezen. Als onze naastenliefde in ons systeem zit, als het ons instinct is geworden, zullen we onze naasten liefhebben als we puur instinctmatig handelen. Dit is de rol van de disciplines in het geloof, van rituelen, van liturgie. Die laten schoonheid, waarheid en liefde tot in ons merg doordringen. En ze komen naar buiten als we ze nodig hebben.
Uiteindelijk in het ziekenhuis ziet Lucas Daniel weer. Hij bevindt zich in de armen van een man die net zo blond is als hij, en lacht. En Lucas weet waarvoor hij het gedaan heeft, waarvoor hij heeft gewacht een boom in te klimmen, waarvoor hij zichzelf heeft opgeofferd. Hij heeft iemand gered van de eenzaamheid, van de dood. En nu ziet hij in dat zijn moeder gelijk had. De ander helpen is de moeite waard. Hij is de realiteit gaan zien van de ‘gouden regel’ die Jezus instelde: ‘Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten.’ (Mattheus 7:12) Als we dat nu doen, doen we dat ook in tijden van een tsunami.

maandag 21 januari 2013

Filmbespreking: Les Miserables

Wie filmrecensies leest op internet, ontdekt al snel dat de meningen over Les Miserables verdeeld zijn. Ik bezoek bijvoorbeeld vaak een filmforum. Een recensent wiens mening ik meestal wel waardeer, bleek helemaal niet positief over de film. Hij vond dat hij in de bioscoop onderworpen was aan rauwe emotie, en dat er te veel close ups waren en geen overzichtsbeelden. Ook anderen waren heel kritisch. Aan de andere kant hoorde ik van kennissen uit de Verenigde Staten dat het een geweldige film was - ze waren er tot tranen door geroerd en hadden de film al meerdere malen gezien. Ik vond dat opvallend. Het is niet zo heel vaak dat een film door critici met de grond gelijk wordt gemaakt, terwijl het algemene publiek er dol op is.
Zo’n kloof tussen de mening van de professionele ‘critici’ en de mening van het publiek was in dit geval echter te verwachten. Het oorspronkelijke boek, Les Miserables, van de Franse auteur Victor Hugo, werd ook door de critici afgewezen - het was volgens hen te sensationeel. Maar het boek werd wel een verkoopsucces. Hetzelfde gebeurde bij de musical op basis van het boek. Theaterrecensenten waren kritisch, maar de musical was zo populair dat hij in Londen nog steeds draait, na 25 jaar! Hoewel de critici er niet warm of koud van worden, smullen de normale mensen ervan - en komen ernaar terug. En nu gebeurt hetzelfde met de film.
Interesant genoeg was iets vergelijkbaars eerder dit jaar waar te nemen toen de tweede CD van de band Mumford and Sons uitkwam. Muziekrecensenten brandden de plaat af, maar het publiek bleek enthousiast. Ik ook trouwens, de CD van Mumford and Sons bevindt zich nog steeds in mijn platenspeler. In dit geval werd het fenomeen van de kloof tussen de mening van de critici en de mening van de luisteraars ook opgemerkt door schrijvers. Die identificeerden Mumford and Sons als voorbeeld van de ‘New Sincerity’. De nieuwe oprechtheid. De band zingt eerlijke teksten over liefde, en leven, maar ook over falen, zonde en eerlijkheid naar anderen. Teksten over genezing en vergeving. En dat zonder ironie. Het lijkt alsof ze echt geloven wat ze zeggen. Kan dat wel?
Ik denk dat de Westerse Cultuur heel lang heeft gedreven op cynisme en ironie. De laatste decennia moesten er steeds vraagtekens worden gesteld bij elk ‘grote verhaal’. Waarheidsclaims moesten worden ontleed en worden teruggebracht tot verlangen naar macht (en andere freudiaanse motivaties). Oprechte opoffering voor een ander kon niet bestaan, echt heldendom moest worden vervangen door de ‘anti-held’. Wie iets serieus zei, moest er een knipoog achteraan geven.
Neem bijvoorbeeld de manier waarop in de Nederlandse Literatuur met geloof wordt omgegaan. Heel lang konden mensen alleen over het christendom schrijven als ze er kritisch over waren. Schrijvers als Jan Wolkers en Maarten ‘t Hart hadden succes bij het literaire establishment toen ze afrekenden met hun religieuze achtergrond. En grotendeels terecht, trouwens, want de kerk heeft ook heel wat gedaan om kritiek te verdienen. Maar het werd wel eenzijdig. In dit soort boeken bleken er geen kerken te zijn die niet stijf, onderdrukkend of schijnheilig waren. Alle ouderlingen legden onschuldige mensen regels op waar ze zichzelf niet aan hielden. Elke voorganger predikte alleen de wet. En elke hoofdpersoon werd er zonder geloof alleen maar beter op. Het was ‘not done’ om iets positiefs te schrijven over religie. Zelfs christenen leerden om hun boodschap te brengen met een kwinkslag, zich ervan bewust dat ze er niet teveel gewicht aan moesten verlenen. Maar nu zijn er dus weer mensen die over de levensvragen durven praten zonder ironisch sausje, zoals Mumford and sons. Er worden boeken geschreven over geloof (‘Eat, pray, love’ om er maar een te noemen) en die worden door velen gelezen. En in de bioscoop verschijnen films die geloofsvragen stellen: Cloud Atlas, Life of Pi en dus nu Les Miserables - een film met een sympathieke bisschop, vol gebeden, kruizen en meldingen van Christus. Een film zonder ironie.
En de kijkers stromen toe. Kijkers die niet de recensies lezen, die niet op de hoogte zijn van het culturele discours, en die zich niets aantrekken van de critici. Kijkers die dus ook niet hebben meegekregen dat ze niet eerlijk mogen zijn over hun levensvragen en dat ze niet oprecht mogen spreken over hun verlangen naar betekenis. Kijkers die willen geloven. Het volk houdt zich niet aan de mening van de critici. Het volk houdt zich niet aan de laatste mode. Het volk wordt gedreven door oudere drijfveren dan trends die elke paar jaar wisselen. “Goede literatuur (volgens de standaarden van de critici) kan ons de geest van een enkel mens leren kennen”, betoogde G.K. Chesterton daarom in Heretics. “Slechte literatuur (volgens de critici, oftewel ‘lectuur’) kan ons de geest van heel veel mensen leren kennen. Een goede roman leert ons de waarheid over zijn held; maar een slechte roman leert ons de waarheid over zijn lezers ... de basale aannames en eeuwige drijfveren van de mens kunnen worden gevonden in stuiverromans en novellettes van twee cent.”
De burger heeft geen smaak, zeggen ze de critici. Net zoals de Farizeeën zich verheven voelden boven ‘de massa die de wet niet kent’ (Johannes 7:49_. Maar dat volk was dichter bij de waarheid dan zij ooit waren.
Dat geldt ook voor Les Miserables. En G.K. Chesterton -die de ‘apostel van het gezonde verstand’ werd genoemd, en op de hoogte was van het denken van de gewone mensen - legt uit waarom. Hij zegt dat in het boek Les Miserables (zoals in de rest van het werk van Victor Hugo) alles betekenis heeft. "In other novelists all these details are dead; in Hugo they are all alive. In Hugo we may be certain that the sandy waste will be made typical, in some wild way, of the type and tribe of characters to which it gives birth; we may be certain that the furniture in the room will be packed with symbolism like an antique chapel. There will be something human and horrible about the tree, something significant and psychological about the three-legged stool. This is no exaggeration; in this sense it is literally true that there is not a dull line in Hugo." Daarom is Hugo volgens Chesterton een mysticus.
Hugo beschrijft in detail het leven van een priester op het Franse platteland, de slag bij Waterloo, het ontwerp van het Parijse riool, de verschillende categorieën straatschoffie en het leven in een streng klooster - maar die details zijn niet overbodig. Ze doen er allemaal toe. Voor Hugo zijn er geen toevalligheden. Gebeurtenissen zijn geen ironische samenloop van omstandigheden, maar beschikkingen van het lot. En zijn lange paragrafen over de ontwikkeling van het menselijke ras, het bestrijden van armoede, het belang van onderwijs en de glorieuze toekomst van Europa in de twintigste eeuw meent hij ook allemaal oprecht. Als bands als Mumford and Sons representanten zijn van The New Sincerity, is Hugo een voorbeeld van de oude oprechtheid. Hij is een onbeschaamd idealist. Een romanticus - maar niet een die in het romantische vlucht uit de wereld, maar een die het romantische in de wereld ziet. Een die net als Chesterton zelf zegt: ‘Romance is the deepest thing in life.’
En dit idealisme, waar hij zich niet voor verontschuldigt, is wat volgens mij niet goed valt bij critici. We geloven niet meer in pure liefde, we voelen ons ongemakkelijk bij welgemeende liefdadigheid, en als we een volwassen man een kind zien helpen denken we er ook het onze van. We zijn onze onschuld verloren. Maar Hugo is wel een gelovige! Niet dat hij zijn hoofd in het zand steekt. Hij is geen wereldvreemde wereldverbeteraar, hij negeert niet het kwaad in de wereld, en ontkent niet dat verbetering moeilijk zal zijn. Maar hij is niet bereid die stemmen het laatste woord te geven. Het is beter te hopen dan te wanhopen, is zijn mening. Maar wij hebben de wanhoop omarmd. ‘Laten we eten en drinken’, zegt onze cultuur met 1 Korintiers 15:32. ‘Want morgen sterven wij’. In zo’n cultuur zijn een boek, een musical en een film als Les Miserables een (naar mijn mening broodnodig) licht in de duisternis.

Les Miserables vertelt het verhaal van Jean Valjean, die aan het begin van de negentiende eeuw na negentien dwangarbeid eindelijk vrijkomt. En dat terwijl hij alleen maar een brood had gestolen. Nu wordt hij beschouwd als een gevaarlijk crimineel. Niemand wil hem welkom heten, nergens vindt hij werk. Uiteindelijk wordt hij ontvangen door de bisschop Bienvenue. Maar hij is gaan geloven in wat zijn papieren over hem zeggen, en doet wat bewaker Javert had gezegd dat hij zou doen: hij steelt het zilver van de bisschop. Hij komt er echter niet ver mee. In ketens wordt hij teruggebracht. Maar de bestolen man doet iets totaal onverwachts. Hij geeft Valjean geen straf, zoals hij verdiend had, hij geeft hem zelfs de twee zilveren kandelaren. En hij roept hem op van deze tweede kans gebruik te maken. Met het zilver heeft hij Valjeans ziel gekocht voor God. Diep geraakt kiest Valjean ervoor een nieuwe koers in te slaan. Hij neemt de identiteit aan van ‘meneer Madeleine’, start een fabriek en wordt zelfs burgemeester. Ondertussen ondersteunt hij de armen. Acht jaar gaat het hem voor de wind. Dan komt een van de arbeidsters in zijn fabriek, Fantine, op straat te staan en wordt ziek. Valjean belooft voor haar dochter Colette te zorgen. Ondertussen is Javert aangesteld als inspecteur bij de politie. En hij houdt ‘meneer Madeleine’ nauwlettend in de gaten. Als hij ontdekt dat het in werkelijkheid gaat om Jean Valjean, zet hij natuurlijk de achtervolging in. Valjean kan niet anders dan met Colette in zijn armen vluchten naar Parijs en weer een andere identiteit aannemen. Hij denkt ontsnapt te zijn aan de wet, maar in 1832, terwijl er rellen uitbreken en barricades worden opgericht in de straten, wanneer Colette de liefde van haar leven ontmoet, loopt Valjean opnieuw Javert tegen het lijf ...

Ik heb afgelopen december het boek Les Miserables gelezen (in Engelse vertaling) en dat boek is hoog binnengekomen in mijn persoonlijke lijst van favorieten. De eerste keer dat ik de film keek was ik daarom in mijn gedachten aan het vergelijken. En ik moet eerlijk zeggen dat in dit geval het boek beter is. Het telt meer dan 1200 pagina’s en de film is nauwelijks drie uur lang. Dus geeft het boek veel achtergrond die in de film ontbreekt. Hoe kwam de bisschop ertoe Valjean zijn zilver mee te geven? Je leest het in het boek. Waarom had Fantine haar dochter achtergelaten bij de Thenardiers? Het verhaal uit het boek is hartverscheurend. Hoe kwam het dat Marius de Thenardiers kende? (het boek geeft het antwoord, en het heeft te maken met Waterloo). Werden Marius en Cosette na een enkele blik al verliefd? Het boek beschrijft een proces van een jaar. De film heeft wel elementen van het boek verwerkt. Zo komt de opa van Marius even in beeld. Maar alleen in het boek leer je waarom Marius geen liefdadigheid van hem wil ontvangen. De dronken student die in de film naast leider Enjolras komt te staan, wordt in het boek een tragische held. Valjean klimt met een touw van een lantaarn over de muur van een klooster, maar hoe hij zich daar voordoet als broer van de tuinman Fauchelevent, waardoor hij ook nog levend begraven dreigt te worden, staat alleen in het boek. Ik ga het boek binnen een paar jaar nog een keer herlezen, heb ik me al voorgenomen.
Maar deze bespreking gaat over de film, niet over het boek. En de film is absoluut de moeite waard. Dit is de eerste musicalverfilming waarbij de stemmen zijn opgenomen tijdens het filmen (in andere musicalfilms wordt de zang apart opgenomen, maar daardoor krijgen de stemmen niet dezelfde emotie mee die de acteur aan zijn rol geeft). De gok heeft goed uitgepakt. De liederen dragen veel (soms hartverscheurende) emotie. Vooral ‘I dreamed a dream’ is aangrijpend. Ook omdat Anne Hathaway zo goed speelt. Verder is Hugh Jackman een innemende, geloofwaardige Jean Valjean. Russell Crowe is wat minder als Javert. Sacha Baron Cohen en Helena Bonham Carter zijn grappig als herbergiersduo de Thenardiers. De camera zoomt in op de gezichten van de acteurs, maar dit werkt juist erg goed, omdat het de emoties zo goed overbrengt. En dit is niet in de eerste plaats een historische film, maar een emotionele film. Hij vertelt niet de geschiedenis van de revolutie, maar de geschiedenis van een hart.  Verder vond ik de vele verwijzingen naar het kruis mooi en de manier waarop de film eerlijk was over de religieuze motivaties van de karakters. Mijn voornaamste kritiek is (behalve het tekort aan diepgang vergeleken met het boek) dat de keuze van Marius voor Cosette in plaats van Eponine totaal niet geloofwaardig is. Ook dit is in het boek beter weergegeven (natuurlijk).

De film toont prachtig het verschil tussen een leven gebaseerd op de wet en een bestaan dat wordt gevormd door genade. De wet moet hier niet alleen worden gezien in religieuze zin, maar lijkt te duiden op alle systemen, of het nu de religieuze wet is (Javert ziet zijn wetsijver in elk geval ook in religieuze termen), de juridische wet, of de economische wet. Elk systeem ontneemt mensen hun persoonlijkheid, en maakt ze tot een nummer, een radertje in het geheel. Mensen worden slaven van de wet, of ze nu dwangarbeider zijn of prostituee. Hier tegenover staat de genade, die mensen juist ziet als persoon, als individu, en hen behandelt als waardevol en betekenisvol, ongeacht wat ze gedaan hebben. Dit heeft verreikende gevolgen. Wie zo’n liefde ervaart, wil zelf ook gaan liefhebben. En wie een ander liefheeft, ziet het aangezicht van God. Ik zou hier een volledig essay over kunnen schrijven, maar tegelijk is over dit aspect van het verhaal al veel geschreven, onder andere door Philip Yancey in zijn boek ‘What’s so amazing about grace?’ (een aanrader). In dit bericht laat ik het thema verder liggen en richt ik mij op het hoopvolle einde van het verhaal.
Eerder in de film is de revolutie op niets uitgelopen. De Parijse bevolking heeft zich niet aangesloten bij het studentenverzet en de barricade is onder de voet gelopen door de soldaten van het onderdrukkende regime. De idealisten met wie we meeleefden, liggen dood naast elkaar op de grond. Het is makkelijk om het idealisme van Hugo belachelijk te maken. De twintigste eeuw bracht namelijk nieuwe oorlogen voor Europa, oorlogen die de conflicten uit de negentiende eeuw overschaduwden. Van eenheid en gerechtigheid was lange tijd geen sprake. En zelfs in de eenentwintigste eeuw is er nog sprake van ongerechtigheid en crisis. Maar ik denk dat het daarom betekenisvol is dat Hugo schreef over een mislukte revolutie. Dat hij zijn hoofdpersonen niet de overwinning liet halen. Als er een nieuwe tijd zal aanbreken voor Europa, zal dat niet gebeuren zonder moeite en mislukkingen. Degenen die zich sterk maken voor vernieuwing, zullen de vruchten van hun werk vaak niet proeven. Dit alles maakt Hugo echter niet moedeloos. Hij gelooft namelijk dat de uiteindelijke vervulling van zijn ideaal niet van mensen afhangt, maar van God. En God doet wat Hij heeft beloofd.
Ook de film eindigt daarom hoopvol. In de slotscène heeft de barricade zich over heel Parijs uitgebreid en in een ied wordt de kijker uitgenodigd zich bij de vrijheidsstrijders te voegen. De revolutie waar ze voor gingen, komt er nu echt! Maar ze zingen nu niet meer over Parijs alleen. Ze zingen over de toekomst die er komt, in de tuin van de Heer, waar zwaarden zullen zijn gesmeed tot ploegijzers. En we zien op deze barricade iedereen die een rol heeft gespeeld in de film, iedereen die was onderdrukt, iedereen die het onderspit heeft gedolven. Hun levens hadden betekenis, ondanks hun schijnbare falen dragen ze bij aan de wereld die komt. En luid zingend kijken ze de verte in, terwijl hun blik verandert in een van verwondering en blijdschap.
Christenen kunnen net als Hugo uiteindelijk niet cynisch zijn. We moeten eerlijk zijn - we zien mislukkingen overal om ons heen, plannen die afbranden, vrienden die ziek worden, kinderen die dood gaan. Oorlogen en geruchten van oorlogen. Maar dit alles is niet het einde. God heeft een nieuwe hemel en een nieuwe aarde beloofd, waar gerechtigheid woont. Het is makkelijk dat beeld terzijde te schuiven. We beschermen ons hart met cynisme. Want wat als God niet blijkt te bestaan? Wat als we tevergeefs verlangen? Maar aan de andere kant: wat als onze levens werkelijk verlost zullen worden? Wat als iedereen die een rol heeft gespeeld in ons verhaal daarvoor eer zal ontvangen? Wat als zelfs onze mislukkingen en fouten aan de komst van het koninkrijk zullen bijdragen? Durven we dat verlangen te voelen? Durven we ons leven vorm te geven volgens dat ideaal? Durven we voor die hoop te leven? En te sterven?
Dit is wat het betekent te geloven: we geloven dat God deze toekomst werkelijkheid zal laten worden. Dat het niet van ons afhangt, maar van Hem. En wij brengen ons leven er nu al mee in overeenstemming. Dat geloof is het antwoord op cynisme. Dit vertrouwen is de nieuwe oprechtheid.