zondag 13 februari 2011

De kathedraal van zeker weten 2 - De boom van de liefde

Mijn vorige blogbericht over dit onderwerp besloot ik met een oproep tot enige nederigheid in onze claims met betrekking tot de waarheid. Wij zijn beperkte, en bovendien gebroken mensen, die per definitie niet alles kunnen weten. En God is zo groot dat hij per definitie niet past in onze hokjes en definities. Zijn gedachten zijn niet onze gedachten. Ik las zojuist in de Volkskrant, in een bespreking van het boek God is niet een van Stephen Prothero: “Wat alle religies ... zouden moeten bewerkstelligen, is een besef van nederigheid ... God weet meer dan wij over wat er het meest toe doet. Als er een God is, dan vindt hij het zeker onaangenaam dat mensen luid in Zijn naam spreken.” Ik denk dat deze auteur, hoewel zelf geen gelovige, wel eens gelijk zou kunnen hebben. Wanneer wij zeggen honderd procent zeker te zijn van de waarheid, doen wij het voorkomen alsof wij God in onze broekzak hebben zitten. En impliciet veroordelen we mensen die andere overtuigingen aanhangen. Iemand gebruikte de term: ‘een kathedraal van zeker weten’ - een onaantastbaar bolwerk, verheven boven de massa, ongenaakbaar, een ivoren toren. Ik vrees dat zo’n hermetisch bouwwerk begripsvolle relaties met anderen in de weg staat. Ik kan niet voor anderen spreken, maar ik weet dat als ikzelf op enig gebied volkomen zekerheid zou claimen, dat zelfoverschatting zou wezen (dat heb ik in het vorige bericht al uitgelegd). Maar het zou ook hoogmoed zijn.

Is de kracht van onze overtuigingen, onze zekerheid, het ontbreken van twijfel, iets waar we ons op voor kunnen laten staan? Is het iets dat ons dichter bij God brengt? Winnen we er ook maar iets mee? Of dient deze geclaimde zekerheid vooral voor de ondersteuning van ons ego? De boodschap van de bijbel lijkt te zijn dat er wat betreft onze relatie tot God niets is waar wij ons op kunnen laten voorstaan. We zijn gered door genade, niet op grond van werken, opdat niemand roeme. Onze moraliteit, onze vrijgevigheid, ons fanatisme, onze rituelen, ze kunnen ons niet dichter bij God brengen. Ze zijn waardeloos. Paulus gebruikt in Filippenzen het woord ‘afval’ voor alles wat wij uit eigen kracht kunnen doen om door God als rechtvaardige te worden aangenomen. Het woord dat hij gebruikt is zelfs nog scherper: ‘drek, schijt’ - alles wat wij denken in te kunnen brengen, stinkt. Hij spreekt hier over zichzelf (zoals het in dit soort betogen altijd past): hij leefde als Farizeeër, was de strengste van de strengsten, en naar wat de wet eiste, was hij rechtvaardig. Maar hij was in deze periode van zijn leven bovendien honderd procent zeker van zijn gelijk. Jezus zei het al over de Farizeeën dat zij zelf het koninkrijk van God niet wilden binnengaan, en ook anderen tegenhielden die er wel wilden binnengaan. Paulus was hetzelfde: hij wist dat hij gelijk had en daar was hij trots op. Ook God moest wel blij zijn met zijn stelligheid. Hij reisde de wereld rond om christenen te vervolgen, tot in Damascus toe, omdat hij er nu eenmaal van overtuigd was dat hij het bij het rechte eind had en zij ketters waren. Omdat het onmogelijk was dat hij ongelijk had, was het zijn goed recht degenen die weigerden het met hem eens te zijn te vervolgen. Als ze niet hetzelfde geloofden als hij was er iets met ze mis. En ook christenen kunnen anderen als minder gaan behandelen omdat ze niet hetzelfde geloven - de brandstapels in de middeleeuwen getuigen ervan.
Maar in Filippenzen zegt Paulus over alles waar hij zich op kon laten voorstaan, dat het waardeloos was. En impliciet geldt dat ook voor zijn zekerheid, als een eigenschap van zichzelf. Het had geen enkele waarde, het voegde niets toe aan de rechtvaardigheid die er is door het geloof. Paulus komt af en toe best stellig over in zijn brieven, maar zijn zekerheid is niet meer iets waar hij zich aan vastklampt. Uit Handelingen blijkt dat Paulus ook probeerde zich in zijn persoonlijke leven aan de Joodse wet te houden, maar het was niet meer iets waar hij trots op was, en niet meer iets waar hij een gevoel van eigenwaarde aan ontleende. Paulus’ doel was niet meer zeker te zijn, en niet meer om de wet te houden, maar om ‘met Christus te lijden in de hoop ook met Hem uit de dood op te staan’.
Paulus heeft het hier niet over ‘honderd procent zekerheid’. Hij heeft zijn hoop gevestigd op de opstanding, maar hij blijft het ‘hoop’ noemen. Paulus stelt zijn vertrouwen niet op zichzelf en wat hij kan of weet. Hij zegt zelfs van zichzelf: “Niet dat ik al zover ben en mijn doel al heb bereikt. Maar ik houd vol in de hoop eens dat te kunnen grijpen waarvoor Christus Jezus mij gegrepen heeft. Broeders en zusters, ik beeld me niet in dat ik het al heb bereikt, maar één ding is zeker: ik vergeet wat achter me ligt en richt mij op wat voor me ligt.” Paulus is bescheiden over zichzelf, over wat hij wel kan, en zijn zekerheid over wat hij al dan niet heeft bereikt. Hij beeldt zich niet in dat hij het einddoel al gehaald heeft. Maar hij is gegrepen door de liefde van Jezus, en de liefhebbende God die door Hem zichtbaar is geworden, en het hoopvolle visioen van Gods koninkrijk, en door dat beeld wil Paulus zijn leven laten ordenen. Daardoor heeft hij zich laten grijpen. Dat is waar hij alles op heeft ingezet. Dat is zijn keuze. Maar omdat hij zich ervan bewust is dat het zijn subjectieve, persoonlijke keuze is in reactie op Jezus, en niet een objectieve, onpersoonlijke zekerheid, kan hij zeggen: “Mocht u er op enig punt anders over denken [dan ik], dan zal God het u wel duidelijk maken.” Paulus ziet het niet als zijn taak mensen te overtuigen met zijn eigen zekerheid. Het enige dat hij kan is hen dat visioen voor te schilderen waar hij zelf door gegrepen is - ‘Jezus Christus en die gekruisigd’ - in de hoop dat zij daar ook enthousiast over worden en hun leven ernaar willen richten.  Gebeurt dat niet, dan accepteert hij dat.

Als Paulus dus zegt dat het geloof ‘de overtuiging is van wat men hoopt, en de zekerheid van wat men niet ziet’ - spreekt hij volgens mij niet over een mentale staat die gelovigen bij zichzelf tot stand zouden moeten brengen, waarbij ze honderd procent zeker moeten zijn van iets dat ze eigenlijk niet kunnen weten. Hij heeft het niet over een intellectuele overtuiging. Hij heeft het over een persoonlijke keuze, om je leven te ordenen naar de boodschap van Gods liefde, om die zelf in praktijk te brengen, juist als je er niet honderd procent zeker van bent. Hij heeft het over vertrouwen.
Nadat we de tweede Matrix-film hadden gekeken, discussieerde ik met een vriend over wat in de filosofie bekend staat als het ‘brains in a vat’-scenario. De Matrix-films gaan over mensen die in vaten zijn opgeslagen en wiens hersenen via een plug in hun achterhoofd aan een computer zijn gekoppeld. Die computer voedt hen met zintuiglijke informatie. Elke zenuwuiteinde krijgt zijn ‘input’ vanuit de machtige programma’s die de mensheid overheersen. Daardoor denken de mensen dat ze in een stad rondlopen, dat ze andere mensen zien, dat ze een biefstuk proeven en dat ze mos op een muur voelen. Ze denken dat de wereld om hen heen echt is. En anders dan de soms optredende haperingen (‘Deja Vu’) is er geen enkele reden die werkelijkheid in twijfel te trekken. In de tweede en derde Matrix-film wordt de suggestie gewekt dat Neo en zijn vrienden denken dat ze uit de matrix ontsnapt zijn, maar dat ze alleen maar terecht zijn gekomen in een ander niveau (het argument is de gouden energie die Neo met zijn blinde ogen kan zien, zoals de gouden energie van Smith, als deze de mens Bane bezeten heeft).
De vraag die erdoor wordt opgeroepen is natuurlijk of wij zeker kunnen zijn dat we in de echte wereld leven. Misschien zijn wij wel ‘brains in a vat’. Misschien worden al onze zenuwuiteinden gestimuleerd door een grote computer. Ik verdedigde toentertijd dat ik zeker was dat we in een echte wereld leefden, en dat ik niet als christen zou kunnen leven in een wereld die een illusie zou blijken te zijn. Ik was hier behoorlijk stellig in. Mijn vriend zag het anders - het maakte volgens hem weinig uit of je zeker kon weten of de wereld om je heen ‘echt’ was. Want ook als je niet honderd procent zeker kon zijn dat de wereld zoals die zich aan je zintuigen presenteerde echt bestond, zou je nog steeds dezelfde keuzes maken. En die keuzes zouden nog steeds waardevol zijn.
Het duurde een paar jaar voor ik het met mijn vriend eens was geworden. Maar nu realiseer ik me dat ik (ook als de wereld echt is) alleen maar met de wereld kan omgaan via mijn zenuwuiteinden. In feite bestaat de wereld buiten mij voor mij uit talloze elektrische signalen die door mijn hersenen worden omgezet in geuren, kleuren en geluiden. En ik kies ervoor aan die geuren, kleuren en geluiden betekenis te geven. Ik kies ervoor ze niet als illusie te behandelen, maar met ze om te gaan alsof ze werkelijk zijn en betekenis hebben. In de derde Matrix-film probeert agent Smith de held Neo ervan te overtuigen dat liefde slechts een illusie is. Liefde is een woord, net als alle andere woorden, en er is in de buitenwereld geen realiteit waar het naar verwijst. Het is slechts een concept in de hersenen. En als dat zo is, vraagt Smith, waarom blijf je dan vechten? Het zou dan toch niets betekenen of je doorging of de moed opgaf? Maar Neo antwoordt: “Omdat ik ervoor kies.” Het kan best zijn dat liefde een illusie is, en dat Trinity slechts een beeld is dat door zijn zintuigen wordt opgeroepen, niet iemand buiten hem aan wie hij verantwoording schuldig is, maar Neo kiest ervoor haar wel als zodanig te behandelen.
Dit doet me denken aan een scene in De Zilveren Stoel van C.S. Lewis. Ik vraag me af of de makers van de film die kenden, want de overeenkomsten zijn opvallend. De hoofdpersonen zijn betoverd door de groene heks. Zij heeft ze verteld dat hun geloof in Narnia en Aslan belachelijk is. Ze hebben een lamp gezien, en hun verbeelding heeft daar een zon van gemaakt. Ze hebben een kat gezien, en die hebben ze uitvergroot tot de leeuw Aslan. In werkelijkheid is er niets buiten de donkere grotten van de groene heks. Maar het karakter Puddleglum is niet echt onder de indruk van haar aanval op hun zekerheid. Hij zegt: “Suppose we have only dreamed, or made up, all those things-trees and grass and sun and moon and stars and Aslan himself. Suppose we have. Then all I can say is that, in that case, the made-up things seem a good deal more important than the real ones. Suppose this black pit of a kingdom of yours is the only world. Well, it strikes me as a pretty poor one. And that’s a funny thing, when you come to think of it. We’re just babies making up a game, if you’re right. But four babies playing a game can make a play-world which licks your real world hollow. That’s why I’m going to stand by the play world. I’m on Aslan’s side even if there isn’t any Aslan to lead it. I’m going to live as like a Narnian as I can even if there isn’t any Narnia.”

Wie gegrepen is door de liefde van God, zoals Jezus die in zijn dood en opstanding zichtbaar heeft gemaakt, wie zich door het visioen van Gods goede koninkrijk heeft laten inspireren, wil gaan leven alsof deze dingen realiteit zijn. Hij gaat ernaar verlangen God lief te hebben boven alles, en zijn naaste als zichzelf. Dit is de keuze waar het God om gaat. Niet een intellectuele zekerheid, maar een innerlijke overgave die leidt tot een veranderd gedrag. Kennis maakt volgens de bijbel opgeblazen, de liefde sticht. Liefde komt niet voort uit een kathedraal van zeker weten. Liefde is een levende realiteit, een dynamische werkelijkheid, die in ons hart groeit uit het zaad van het koninkrijk. Liefde komt - als wij ons hart hebben opengesteld voor de mogelijkheid van Gods liefde - als vanzelf uit die donkere aarde omhoog zetten. Het gaat vrucht dragen, twintig-, dertig-, ja honderdvoudig. Niet omdat wij zo zeker zijn, of zo goed, of zo fanatiek, maar omdat dit de natuur is van de liefde. Liefde laat zich niet tegenhouden. Liefde begeeft zich naar buiten, uit de veilige omheining van de eigen zekerheid, en omarmt de ander, ook al is en denkt hij nog zo anders. De liefde laat alles varen waar ze ook maar enigszins trots op zou kunnen zijn, en acht de ander ‘uitmuntender dan zichzelf’. De liefde is er tevreden mee aanwezig te zijn. De liefde zoekt wat het beste is voor de ander, omdat ze een God heeft ontmoet die het beste heeft gezocht voor haar. Deze liefde staat centraal. Jezus zegt niet dat zijn discipelen eraan herkend konden worden dat ze zo zeker waren, en honderd procent overtuigd van de waarheid, maar dat de wereld kon zien dat ze zijn volgelingen waren omdat ze elkaar liefhadden. Dit is waar het God om gaat.
Paulus zegt in 1 Korintiers 13 dat geloof en hoop zullen eindigen. Die worden immers ooit vervangen door zekerheid. Als wij niet meer door een spiegel ‘in raadselen’ zien, maar van aangezicht tot aangezicht, zullen ze niet meer nodig zijn. Wat wel voor eeuwig zal blijven is de liefde.

Zelfs dorre bladeren worden mooi

Mijn collega die met me mee wandelde tijdens de lunchpauze kon nog wel begrijpen waarom ik de eerste krokussen op de foto wilde zetten. En de sneeuwklokjes. Maar waarom ik de dorre bladeren die er al de hele winter hingen zo interessant vond, was voor hem een mysterie. Toch zijn de onderstaande foto's volgens mij behoorlijk goed gelukt.



De Euromast in Rotterdam.


zaterdag 12 februari 2011

De kathedraal van zeker weten 1 - het kaartenhuis is wankel

En opnieuw plunder ik een paar van mijn bijdragen aan de discussies op de christelijk satirische weblog Goedgelovig van de afgelopen weken. Iemand heeft namelijk ooit het advies gegeven dat je als schrijver moet zorgen dat je pennenvruchten meerdere keren gebruikt kunnen worden. En dat advies heb ik me ter harte genomen. Ik denk bovendien dat het onderwerp een wat meer uitgebreide bespreking op mijn blog verdient. Een van de reageerders op de weblog stelde namelijk dat hij op drie punten honderd procent zeker was. “Van het bestaan van God, van het feit dat God goed is en van de betrouwbaarheid van het evangelie.” Zijn overtuiging was onwankelbaar. Hij kon stellen: “Ik weet 100 procent zeker dat ik nooit zal twijfelen aan Gods bestaan.” Dit was volgens hem ook wat geloven inhoudt: volkomen zeker zijn, want de bijbel zegt ergens: “Geloof is de zekerheid van wat men hoopt en de overtuiging van wat men niet ziet.” Het staat iedereen natuurlijk vrij om dat te zeggen, we leven per slot van rekening in een land waar we mogen genieten van de vrijheid van meningsuiting. En wie ben ik om te tornen aan iemands ervaring van volkomen zekerheid? Toch vraag ik me sterk af of het voor mensen mogelijk is ergens volledig zeker van te zijn. Ik vermoed zelfs dat het claimen van volkomen zekerheid gevaarlijk kan zijn. En ik denk dat wat Jezus van ons vraagt in reactie op zijn openbaring niet te omschrijven is als ‘volkomen zekerheid’, maar als ‘vertrouwen’. En vertrouwen is een keuze, juist tegen onzekerheid in.

Volkomen zekerheid claimen op welk gebied dan ook, is gevaarlijk, is mijn ervaring. Je loopt altijd de kans dat je gedwongen wordt je standpunt te herroepen. In boeken die het scheppinggeloof verdedigden werd bijvoorbeeld geclaimd dat er geen tussenvormen waren tussen vis en amfibie, tussen reptiel en zoogdier en tussen reptiel en vogel. Ze zouden ook nooit gevonden worden, was de vaste overtuiging. De mogelijkheid van tussenvormen werd zelfs met grappige tekeningen belachelijk gemaakt. Ondertussen zijn er tal van tussenvormen gevonden op al deze gebieden. We hebben een heel goed idee hoe vissen het land op kwamen, hoe het binnenoor van zoogdieren zich ontwikkelde, hoe bepaalde hoefdieren het ruime sop kozen en evolueerden tot walvissen en hoe dinosauriërs uiteindelijk begonnen te vliegen. In dezelfde boeken werd stellig geclaimd dat ons zonnestelsel uniek is, en werd eraan getwijfeld of er wel planeten rond andere sterren bestonden. Ondertussen blijkt ons zonnestelsel verre van uniek en zijn er honderden planeten ver weg gevonden, zelfs planeten die zich bevinden op een afstand van hun ster die leven mogelijk maakt. Een vriend van mij beweert dat er nooit buitenaards leven zal worden gevonden. Hij is er volkomen van overtuigd. Maar het wordt steeds duidelijker dat er op Mars, op de Saturnusmaan Titan en op de Jupitermaan Europa omstandigheden voorkomen die geschikt kunnen zijn voor de overleving van bacteriën of andere levensvormen. Wat moet die vriend van mij als een sonde terugkomt met bewijs dat er wel degelijk leven is buiten de Aarde? Wat betekent dat voor de andere waarheden waar hij honderd procent van overtuigd is? Het zou leiden tot een existentiële crisis. Hij zou er zelfs zijn geloof door kunnen verliezen.
Dat was namelijk wat in mijn geval bijna gebeurde. Ik had geleerd dat ik honderd procent zeker moest zijn van een schepping in zes dagen. Het geloof hing daarvan af. Als ik dat los zou laten, zou ik al snel het hele geloof in God loslaten. En ik was dus honderd procent overtuigd dat creationistische schrijvers gelijk hadden. Tot hun grote uitspraken, als die over de tussenvormen, en die over dateringsmethoden, en over kosmologie, niet in overeenstemming bleken met de waarheid. Elk nieuw fossiel, elke nieuwe publicatie, deed het kaartenhuis van mijn zekerheid wankelen. Als er inderdaad een fossiele slang met pootjes werd gevonden, betekende dit dat de evolutietheorie waar was, en (dacht ik op dat moment) dat God dus niet bestond. Ik liep in die periode regelmatig piekerend door Leiden. Uiteindelijk stortte het kaartenhuis in. De zekerheid die ik claimde te bezitten bleek een valse vorm van zekerheid te zijn.
Ik beschouw mezelf nog steeds als gelovige. Maar ik weet dat ik met enige regelmaat twijfel aan het bestaan van God. Ik zie tal van redenen om niet te geloven, al was het alleen maar dat ik God niet kan zien. Gecombineerd met het gedrag dat ik zie in de kerk en bij gelovigen, kan ik mij heel goed voorstellen waarom mensen niet in het goede nieuws zouden geloven. Mij overvalt wel eens de gedachte dat ik mezelf voor de gek houdt. Dat ik mijn geloof gebruik om de waarheid niet onder ogen te hoeven zien. Ik geloof niet dat ik in dit leven op aarde ooit nog zal kunnen zeggen dat ik honderd procent zeker ben van wat ik geloof. Maar mij beangstigt dat niet meer. Ik ben bereid mijn eigen beperktheid te accepteren. Ik ben bereid om ‘zwak’ te geloven.

Filosofen vragen zich al van het begin van de tijd af of wij mensen iets zeker kunnen weten en zo ja, wat dan? Iemand als Descartes schaafde alles wat niet volledig zeker was weg, tot hij het feit van zijn eigen denken overhield. Hij dacht, dus hij kon zeker weten dat hij bestond. En daarop baseerde hij de conclusie dat de wereld buiten hem ook bestond en dat God bestond en zo voorts. Maar recente ontdekkingen trekken zelfs de waarneming dat wij denken in twijfel. Het blijkt namelijk dat onze hersenen al keuzes maken voordat wij er bewust van zijn dat we kiezen. Veel besluiten we onbewust, op basis van psychologische mechanismen, waarna onze ratio ons redenen voorhoudt waarom we de beslissing in kwestie zouden hebben genomen. We zijn niet zo rationeel als we denken dat we zijn.
Het punt is: we zijn beperkte mensen. Ten eerste kunnen we niet de hele werkelijkheid kennen - die is te groot en onze zintuigen zijn beperkt. Ten tweede worden wij zelf voor een groot deel geregeerd door onbewuste impulsen en vooroordelen. We zien de wereld door een gekleurde bril, maar we weten niet welke kleur die heeft. We kunnen zelf dus niet beoordelen in hoeverre onze conclusies over de wereld die wij waarnemen overeenkomen met de werkelijkheid. Bovendien geloven we als christenen dat we van het beeld van God zijn afgeweken en dat een zekere zelfzucht sindsdien al ons doen en denken kleurt. Zelfs onze gerechtigheid is volgens de bijbel als een bezoedeld kleed. Elke conclusie, elke theorie, elke overtuiging die we hebben is gebaseerd op een proces in onze gedachten, een redenatie, een serie van logische stappen. Maar onze feilbaarheid maakt dat geen van deze stappen honderd procent betrouwbaar is.
Dit is een van de behulpzame dingen die ik geleerd heb van het postmodernisme: onze gedachten over de waarheid zijn niet gelijk aan de waarheid zelf. Het boek Water, Wijn en Waarheid van Henk P. Medema was voor mij op dit gebied een ‘eye opener’. ‘Wij hebben de waarheid niet in pacht’, schrijft hij daarin. ‘We geloven wel dat er een absolute waarheid is, maar we zouden niet moeten claimen dat er een objectieve waarheid is … We zijn gedwongen onze eigen subjectiviteit toe te geven.’ De bijbelse Prediker lijkt op sommige punten een voorloper van dit postmodernisme. ‘Wees niet al te rechtvaardig’, houdt hij ons voor, ‘en meet jezelf geen overdreven wijsheid aan … Houd het ene vast en laat het andere niet los’. Je moet er volgens Prediker in de praktijk rekening mee houden dat je als mens niet alles kunt weten: ‘Al zegt de wijze dat hij inzicht heeft, ook hij is niet in staat de zin [van wat God doet] te vinden’. En in het nieuwe testament wijst Paulus erop dat we nu de waarheid niet kunnen kennen, want we zien ‘als door een spiegel, in raadselen’ .

Dus zal ik nooit zeggen dat iets wat ik weet/geloof de ‘waarheid’ is. Van dat onderscheid ben ik me bewust. Dus wil ik steeds kritisch blijven kijken naar mijn eigen overtuigingen en zekerheden, omdat ik weet dat die feilbaar zijn en getekend door mijn gebroken menselijkheid. Dat wil niet zeggen dat ik geloof dat er geen waarheid bestaat. Maar mijn greep op die waarheid kan slechts los zijn. Op Goedgelovig haalde een van de reageerders een uitspraak aan van de Dalai Lama, die werd gevraagd naar het conflict tussen geloof en wetenschap. De interviewer vroeg hem wat hij zou doen als zou worden bewezen dat reïncarnatie onmogelijk was. De Dalai Lama liet weten dat hij dan zijn geloof in de reïncarnatie zou opgeven. “Maar ik verwacht niet dat zoiets snel zal gebeuren”, voegde hij eraan toe. Zijn greep op wat hij beschouwde als de waarheid was zo los, dat hij haar kon loslaten als dat nodig mocht zijn, zonder in een existentiële crisis te geraken. Maar tegelijk was zijn overtuiging wel robuust - zijn geloof in reïncarnatie zou niet bij het minste of geringste zuchtje wind omvallen. Hoewel ik het niet met de Dalai Lama eens ben - ik geloof tot nu toe niet in reïncarnatie, op grond van voor mij overtuigende redenen - vind ik zijn nederige instelling goed. Het maakt duidelijk dat er in principe met hem te discussiëren valt - hij wil naar anderen luisteren, hun argumenten op waarde schatten zonder ze uit principe direct te verwerpen, hij zou te overtuigen zijn. Ik geloof dat wij als christenen ook gebaat zouden zijn bij een houding van nederigheid ten aanzien van de waarheid.

Dit blogbericht gaat al weer langer worden dan ik van tevoren in gedachten had. Dus knip ik het maar in tweeën. Dat haalt het aantal berichten op mijn blog ook weer verder omhoog, zij het op een wat kunstmatige manier (maar dat vind ik niet erg). Morgen dus het vervolg!

Boekbespreking: Till We Have Faces (en als bonus: Despicable Me)

Ik ben een fan van de boeken van C.S. Lewis, daar maak ik geen geheim van. Behalve zijn academische boeken heb ik eigenlijk al zijn werken gelezen en herlezen. De Narnia-verhalen natuurlijk, de ruimtetrilogie, de meer allegorische verhalen, de theologische en apologetische boeken, en de bundels met essays. En waarschijnlijk zal ik zijn literatuurkritiek ook wel een keer tot mij nemen (net als zijn gedichten, die behoorlijk goed schijnen te zijn). Ik lees zelfs boeken over Lewis en zijn werk, zoals laatst de Cambridge Companion to C.S. Lewis. Dit is een bundel met academische essays over allerlei aspecten van Lewis’ oeuvre. Op mijn blog zal ik geen bespreking van deze bundel plaatsen, omdat ik zelf niet op een academisch niveau over Lewis kan meepraten. Daarom laat ik het bij de opmerking dat de besprekingen soms wel wat langer hadden mogen zijn, omdat onderwerpen die nu worden aangestipt wel dieper uitgewerkt hadden kunnen worden. Maar de bundel maakte mij weer enthousiast om Lewis’ boeken opnieuw te gaan lezen, en dat is denk ik het grootste compliment dat je een dergelijk werk kunt geven. Ik was vooral geïntrigeerd door de bespreking van Till We Have Faces - Lewis’ laatste roman, en volgens hemzelf zijn beste.

Het was alweer tien of elf jaar geleden dat ik Till We Have Faces had gelezen. Ik weet dat ik het toen een indrukwekkend boek vond, maar ook wel moeilijk. Ik wilde het altijd nog een keer lezen, en had het zelfs in de kast staan (ook al meer dan negen jaar, want de prijs staat erop in guldens), maar het kwam er niet van. Maar ik had tien jaar geleden ook minder levenservaring dan nu. Ik kende mezelf minder goed, en had dus minder oog voor de manier waarop ik mijn zelfbeeld laat afhangen van hoe anderen over mij denken. Till We Have Faces gaat onder andere over de totale eerlijkheid en openheid die een voorwaarde is om echt met God om te gaan, en wil je door het boek geraakt worden, moet je zelf ook eerlijk en open willen zijn. Bovendien heb ik Lewis’ gedachtengoed de afgelopen jaren beter leren begrijpen. Een aanbeveling op de achterflap van mijn editie zegt dat dit boek ‘seems to sum up must of what dr. Lewis has been telling us for years’ en ik geloof dat deze recensent gelijk had: dit boek herhaalt nog eens de kernboodschap van boeken als The Great Divorce, The Four Loves en vele andere, maar op een manier waarop je deze echt van binnenuit doorleeft, en niet van buitenaf tot je neemt. Zoals Orual in dit boek ontdekt dat ze niet anders is dan de verslindende godheid ‘Ungit’, zo komt de lezer tot de ontdekking dat hij - hoe anders hij is - ook ‘Orual’ is, en net als zij is overgeleverd aan de goden. Maar - net als Orual - moet de lezer klaar zijn voor deze ontdekking.
Ik heb het boek vorige week dus eindelijk herlezen en deze keer hakte het er bij mij in. Het verhaal van Orual en Psyche raakte mij diep - vooral in de slothoofdstukken moest ik af en toe wat wegslikken, iets wat ik me niet kan herinneren van de vorige keer dat ik het las. De inhoud van het boek sloot ook aan bij waar ik zelf in mijn leven mee bezig was. Het kwam op een goed moment. Verder genoot ik van Lewis’ manier van schrijven - hij is ongeëvenaard in het weergeven van ontmoetingen met het transcendente. Maar in dit verhaal heeft hij ook zijn kennis van klassieke beschavingen en mythologie goed gebruikt om een overtuigende wereld aan de rand van de beschaving weer te geven. De gebeurtenissen en karakters in dit boek zijn grotendeels realistischer dan die in zijn fantasy- en SF-boeken, maar Lewis blijkt ook hier zijn hand niet voor om te draaien. Verder heeft Lewis weer een originele vorm gekozen om het verhaal in te vertellen, een stijlfiguur die prima werkt. Ik denk dat ik me bij zijn eigen oordeel aansluit: dit is Lewis’ beste werk. Het is helaas ook een van de minst bekende van Lewis’ boeken. Dus als deze bescheiden bespreking een of meer van jullie overhaalt het ook te lezen, is dat de moeite al meer dan waard.

Till We Have Faces is Lewis’ bewerking van een Griekse mythe. Hij liep al meer dan veertig jaar rond met het idee iets te doen met dit verhaal, maar kon niet de juiste insteek vinden. Pas toen hij een relatie had met Joy Davidman en met haar ideeën uitwisselde, kwam de inspiratie. De vonk sloeg in, en in de kortste tijd vloeide het verhaal uit zijn pen. Een van de karakters in het boek zegt: “I was with book, as a woman is with child.” Dat gold ook voor Lewis. Ik las laatst bij iemand dat hij niet wist hoe diep zijn egoisme geworteld was tot hij trouwde, en dat hij toen hij een kind kreeg, ontdekte dat zijn zelfzucht nog dieper zat dan hij vermoedde. Misschien dat zoiets ook bij Lewis speelde: na 55 jaar vrijgezel zijn moest hij zijn leven delen met een vrouw en haar kinderen. Dat moet een uitdaging voor hem zijn geweest, maar ik geloof dat hij uiteindelijk tot de conclusie kwam dat het offer de moeite waard was. Het boek is niet voor niets aan Joy opgedragen.
Het verhaal speelt zich af in de oudheid in het kleine koninkrijk Glome, ergens aan de grens van de Griekse invloedssfeer. Het bestaan is er hard: voortdurend dreigt er ziekte en hongersnood, omringende koninkrijken azen op het grondgebied en de godin Ungit eist steeds weer offers, soms zelfs mensenoffers. De koning van Glome heeft twee dochters, Orual en Redival. Hij verlangt echter naar een erfgenaam en trouwt daarom met een meisje uit een naburig koninkrijk. Zij baart hem opnieuw een dochter en sterft tijdens de bevalling. Het meisje, Psyche, wordt door Orual onder de hoede genomen. De twee zijn onafscheidelijk. Orual krijgt steeds opnieuw te horen dat ze lelijk is, en dat geen man haar zou willen trouwen. Psyche groeit juist op tot de knapste vrouw van het land. Uiteindelijk zijn er zelfs mensen die geloven dat ze over goddelijke eigenschappen beschikt. Tijdens een epidemie die de ondergang van het land dreigt te worden, bepalen de priesters van Ungit dat Psyche geofferd moet worden. Ze wordt in de bergen aan een boom vastgeketend en daar achtergelaten, als bruid voor ‘de Bruut’ - de zoon van Ungit. Orual wil ten minste nog het stoffelijk overschot van haar zus terughalen en reist de bergen in. Daar, in een afgelegen dal, komt ze Psyche tegen. Levend. Nog mooier dan tevoren. Ze wil echter niet met Orual terugkeren naar Glome. Ze vertelt dat ze de bruid is van een god, die haar een paleis heeft gegeven, en haar met de mooiste kleren kleedt. Ze kan nu niet Orual meer gehoorzamen, want ze is gehoorzaamheid verschuldigd aan haar echtgenoot. Maar Orual ziet noch het paleis, noch de kleren, noch de godheid. Volgens haar is Psyche haar verstand verloren. Ze gaat tot het uiterste om de illusie te verbreken. Maar zijn haar motieven wel zo onzelfzuchtig als ze doet voorkomen? Trekt ze niet wat al te snel conclusies over wat ze niet kan zien? Zijn de goden echt zo wreed als ze lijkt te geloven? Aan het eind van haar leven schrijft Orual een aanklacht tegen de goden, omdat die haar onrechtvaardig hebben behandeld. En de goden laten haar aanklacht niet onbeantwoord ...

Boekbesprekingen die ik vond op internet, leggen een verband tussen Till We Have Faces en het bijbelboek Job, volgens mij terecht. Beide gaan over iemand die de godheid aanklaagt, die vindt dat er van hogerhand niet rechtvaardig met hem of haar wordt omgegaan. Het interessante is dat ook in beide boeken de hoofdpersonen geen antwoord krijgen. Wat gebeurt is dat de godheid zich laat zien, zijn grootheid toont. Dat leidt ertoe dat Job moet toegeven: “Eerder had ik slechts over u gehoord, maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd. Daarom herroep ik mijn woorden en buig ik mij, zoals ik hier zit in het stof en het vuil.” Orual erkent uiteindelijk: “I know now, Lord, why you utter no answer. You are yourself the answer. Before your face questions die away.
Dit idee stuit ons tegen de borst. Het is onbevredigend.  We denken dat we een recht hebben op geluk, gezondheid, bezit of schoonheid, en dat God ons een verklaring schuldig is als we die dingen moeten ontberen. Zelfs niet-gelovigen of agnosten vragen bij bijvoorbeeld natuurrampen of ernstige ziekte: “Waarom laat God dit toe?” - zelfs atheïsten (of misschien juist atheïsten) zijn boos op de God in wie zij niet geloven. We zijn zo hoogmoedig om te denken dat wij iets van God verdiend hebben, dat hij zo blij moet zijn met onze liefde, onze goede daden, onze welwillendheid, dat hij ons geeft wat we verlangen. Als wij lijden, vinden we dat niet rechtvaardig. Dus concluderen we dat God niet rechtvaardig is. Ik participeerde laatst in een discussie op de blog Goedgelovig, waar Gods handelen werd geanalyseerd, en hij ervan werd beschuldigd wreed te zijn, onrechtvaardig, een tiran. Als we zo tegen God tekeergaan, lijken we op een kind dat op de grond stampt en roept: “Het is niet eerlijk.” - terwijl zijn ouders hem voor zijn eigen bestwil niet met de elektrische zaagmachine laten spelen. Nee, het is inderdaad niet eerlijk. En nee, God is niet rechtvaardig. “Be sure,” zegt iemand in dit boek tegen Orual, als ze haar aanklacht tegen de goden heeft uitgesproken, “that whatever else you get, you will not get justice.” “Are the gods not just?”, wil ze weten. “Oh no, child,” is het antwoord, “What would become of us if they were?
Op dat punt in het verhaal is het voor Orual een opluchting dat de goden niet rechtvaardig zijn, want ze heeft juist daarvoor te zien gekregen hoe haar leven er uitzag vanuit het gezichtspunt van pure rechtvaardigheid. En dat was geen prettige ontdekking. Want wat Orual in haar leven aanzag voor liefde - haar zorg voor haar zus Psyche, haar betrokkenheid bij de Griekse slaaf ‘De Vos’, en haar kameraadschap met de soldaat Bardia - was niets anders dan vermomde zelfzucht. Ze gaf niet werkelijk aan anderen, ze ontleende alleen maar iets aan hen. Ze dacht dat ze Bardia respecteerde en vereerde met een hoge positie, maar zag niet hoe hij uitgeput raakte in haar dienst en uiteindelijk wegteerde, en hoe ze hem weghield van zijn vrouw. Ze aanbad haar leraar ‘De Vos’, maar kon uiteindelijk niet accepteren dat hij terug zou gaan naar zijn geboorteland en hield hem bij zich. Ze meende dat ze Psyche alles gaf wat die nodig had, maar uiteindelijk had ze het nodig door Psyche nodig gevonden te worden (volg je het nog?). Ze ontleende haar eigenwaarde aan het feit dat haar zus van haar afhankelijk was. En als Psyche geluk gevonden lijkt te hebben buiten haar om, kan ze het haar niet gunnen. Ze neemt het haar af. Beter dat Psyche ongelukkig is met Orual, dan dat ze gelukkig is zonder Orual. Wat zij dus liefde noemt, houdt andere mensen vast in een kleffe omhelzing en slokt ze uiteindelijk op. In dat opzicht is ze niets anders dan de godin Ungit, die ook steeds nieuw offerbloed nodig heeft.

Maar van onszelf toegeven dat we niet liefdevol zijn, is pijnlijk. Dat doen we dus liever niet - in plaats daarvan verbergen we onze lelijke binnenkant. We doen een masker op (in dit verhaal zelfs letterlijk). We werken hard om goed en acceptabel gevonden te worden, en proberen daarnaast zoveel mogelijk graantjes geluk mee te pikken. En onze vermomming werkt zo goed dat we er zelf in gaan geloven, en dus boos worden als we in onze ogen onrechtvaardig worden behandeld. Maar zolang we in een leugen leven, kunnen we de waarheid niet accepteren. Zolang we ons schuilhouden achter een masker, blijft de verdediging van de goden een woordenspel - en zinloos. We kunnen ons toch niet laten raken, omdat er niets is (aan de buitenkant) dat geraakt kan worden. Daarom moet het valse zelf, de toneelspeler worden ontmaskerd. Ons ware gelaat moet zichtbaar worden. We moeten tegenover God volledig onszelf zijn. Alles in ons moet door zijn licht beschenen worden, ook en vooral onze zelfzucht, onze lelijkheid. De maskers moeten af, hoe pijnlijk dat ook is. Geen zelfrechtvaardiging meer - dat zijn toch alleen maar woorden. We moeten erkennen dat wij onszelf niet kunnen veranderen. We hebben niks in te brengen. We zijn wie we zijn. Pas als we in die eerlijkheid God ontmoeten, is er een wonder mogelijk. Pas als wij toegeven dat we geen recht op Gods zegen kunnen laten gelden, ontstaat er ruimte voor genade, genade die gelukkig niet eerlijk of rechtvaardig is. Wij, die onszelf niet kunnen veranderen, worden dan veranderd. “Wij allen, die met onbedekt aangezicht de heerlijkheid des Heren als in een spiegel aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, door de geest van de Heer.” (2 Korintiers 3:18). Oftewel, als wij onze maskers afdoen, valt het licht van Gods glorie op ons, en zullen wij die meer en meer gaan weerspiegelen. Wij gaan op God lijken, zoals Orual uiteindelijk blijkt te delen in de schoonheid van Psyche.
De keuze voor eerlijkheid maakt niet alleen relatie mogelijk met de godheid, maar ook met andere mensen. Als Orual erkent dat ze mensen pijn heeft gedaan, heeft opgeslokt en uitgebuit, dat ze zelfzuchtig was, geeft ze hen de gelegenheid haar te vergeven, en met haar om te gaan zoals ze is. En omdat ze haar eigen motieven kent en haar zwakheid aanvaardt, krijgt ze tegelijk de ruimte om anderen lief te hebben om wie ze zijn, en werkelijk te zoeken wat voor hen het beste is en niet alleen voor haar. “Did I not tell you,” zegt Psyche uiteindelijk, “that a day would come when you and I would meet in my house and no cloud between us?” Dit is ware menselijke gemeenschap - en dit is wat ons mensen maakt. Orual moet uiteindelijk concluderen dat ze haar leven heeft laten bepalen door haar omstandigheden, door de buitenkant. Ze heeft haar waarde ontleend aan haar lelijkheid, aan het feit dat ze geen man kon krijgen en geen kinderen, aan de verwachtingen van haar vader. Maar dat alles valt in stof uiteen. Nu wenst ze alleen dat ze mensen echt kon liefhebben - vooral omdat zij door de godheid wordt liefgehad. En onze hoop is dat de glorie van de toekomst, de glorie die ons deel wordt als we in eerlijkheid en zonder enige hoop in onszelf voor God staan, uiteindelijk ook het verleden verandert. Dat zelfs wat we deden van onder ons masker vandaan, zelfs wat getekend was door zelfzucht, door ons eigen egoisme, met terugwerkende kracht een andere glans krijgt. Daarom wordt over Orual uiteindelijk door anderen gezegd dat ze de meest wijde, rechtvaardige, doortastende, gelukkige en genadige van alle koningen van haar deel van de wereld is geweest. Gods genade verlost zelfs ons verleden.

Ik vond een andere illustratie van deze waarheden in een onverwachte bron: de onderhoudende animatiefilm Despicable Me. Deze film draait om superschurk Gru. Hij leeft alleen (net als Orual - en gelukkig vindt hij in deze film niet zijn ware liefde. Dat zou nogal een cliche zijn geweest, en het punt van het verhaal hebben ondermijnd). Hij verwaarloost zijn gazon, gedraagt zich ruw naar zijn buren en trekt zich van niets en niemand iets aan. Hij heeft een mooi leventje voor zichzelf opgebouwd en hij staat op het punt de slag van zijn leven te slaan. Hij gaat de maan stelen. Als hij dat doet, bewijst hij bovendien aan zijn moeder dat hij zijn dromen wel degelijk kan waarmaken. In vrij ontroerende flashbacks zien we Gru als kind in een kartonnen raketpak een tekening van een raket aan zijn moeder tonen, en zij reageert met een minachtende keelklank. Ze lacht hem uit. Maar nu zal hij haar eens laten zien! (Zoals in het boek Orual eigenlijk probeert te bewijzen dat haar vader geen gelijk had met zijn constante minachting voor haar). Om zijn plannen te volvoeren, heeft hij een geheim wapen nodig dat in het bezit is van zijn concurrent. (Die een aquarium heeft met een mensenhaai. Erg hilarisch!) De enige manier om zijn fort binnen te dringen is met behulp van drie weesmeisjes, die de beste man koekjes hebben verkocht. Dus Gru adopteert de meisjes. Met puur zelfzuchtige motieven. Hij gebruikt ze om zijn droom te verwerkelijken, en zet ze aan de kant als ze niet meer nodig zijn. Tot hij zijn zelfzucht onder ogen ziet. Dan laat hij zijn droom los, en kiest hij voor relaties. Hij probeert zichzelf niet meer te beschermen, hij kiest voor de ander. Echte liefde gaat boven omstandigheden. Zijn masker gaat af. Zijn identiteit als superschurk was maar buitenkant, zoals het masker van Orual dat was in het boek. Maar zolang hij dat masker op hield, zolang hij bleef vasthouden aan zijn valse identiteit, zolang hij zich daarachter bleef verschuilen, kon hij geen echte relaties aangaan. Maar als hij kiest voor echte, opofferende liefde (waar hij zelfs zijn kinderdroom voor opgeeft), kan hij zichzelf zijn ongeacht de omstandigheden. Dan geeft het niet dat hij de maan niet heeft. Dan geeft het niet dat hij vrijgezel is. Dan doet zelfs het verleden er niet meer toe, inclusief zijn kritische moeder. Hij leeft voor een ander, en daardoor is hij het meest zichzelf.
Hoe deze waarheden voor mijzelf gelden hoop ik aanstaande maandag te delen in mijn jaarlijkse Valentijnsdagblogbericht.

Albinobomen, Vietnam, X-men, verlossende films, lui zijn, wetenschap en geloof

Een interessant artikel over albino-sequoia's.

Dit klinkt te bizar om waar te zijn: op zoek naar fossielen van reuzenratten ontdekken wetenschappers prehistorische rotstekeningen op Timor (menselijke gezichten, tussen de 10.000 en 12.000 jaar oud).

Vietnam blijkt al miljoenen jaren gekenmerkt te worden door een grote biodiversiteit, blijkt uit fossielenonderzoek. Tot de interessante vondsten behoort een barbeel van twee meter lang.

Eindelijk! De trailer voor X-men: First Class.

De SF-film Logan's Run (over een maatschappij waarin mensen als ze 30 zijn moeten ophouden met leven) wordt opnieuw gemaakt. Ben benieuwd!

Christianity Today kijkt naar drie films van vorig jaar die op de een of andere manier het thema 'verlossing' laten zien.

Op Christ and Pop Culture wordt de vraag gesteld waarom mensen nog lezen. Alleen maar om vermaakt te worden, of ook om te worden veranderd? "We are all works in progress and reading at its best reveals our weaknesses and challenges our thinking. There is nothing wrong with reading for pleasure but there is something wrong with assuming we have arrived at a place where we are beyond influence."

Jeff Dunn vraagt de lezers van Internetmonk of ze wel lui durven zijn. En hij ondersteunt zijn verhaal met een strip van Calvin and Hobbes en een mooi citaat: "By the grace of God I was born lazy. To work, get married, have children, and make problems for myself were all too much trouble. I simply sat in the sun during winter and in the shade during summer, while at night, stretched out on my back on the roof of my house, I watched the moon and the stars. And when you watch the moon and the stars how can you expect your mind not to dwell on God? I couldn’t sleep anymore. Who made all that? I asked myself. And why? … Who made me, and why? Where can I find God so that I may ask him? …Piety requires laziness, you know. It requires leisure—and don’t listen to what others say."

Jesus Creed bespreekt de inzichten van John Polkinghorne over wetenschap en religie: "The insights of science and religion complement each other. They address a different level of our experience of reality. Science is objective and considers the world as an “it.” But there is another realm of contact in relationship – our encounter and relationship with reality. One that science cannot effectively address. The answers a science-only approach yields are inherently unsatisfactory. A religion-only approach gives a global “how” (God did it) but doesn’t really address, and doesn’t need to address, the detailed questions of how. An objective “how” answer is not enough. Music, for example, can be described scientifically as a neural response to the impact of sound waves on the eardrum – this is an objective how answer. Of course, this scientific description hardly exhausts the mystery of music ..."

donderdag 10 februari 2011

De eerste kleuren

Winter is een grauw jaargetijde, daarom is het altijd gaaf om de eerste bloemen van het voorjaar te zien. Deze week zag ik tijdens de lunchpauze de eerste krokussen. De volgende dag had ik mijn fotocamera bij me!

dinsdag 8 februari 2011

Fantastic Voyage, slangenevolutie, hamsterrobots, christensingles, andersdenkenden

Een regisseur voor de re-make die ik het liefst wil zien, namelijk de nieuwe verfilming van Fantastic Voyage, over een onderzeeër in de bloedbaan van een mens. Ja, ik blijf biomedisch wetenschapper.

Een van de klassieke tussenvormen in de evolutie: een slang met pootjes. Röntgenonderzoek lijkt erop te wijzen dat slangen toch afstammen van op het land levende hagadissen en niet van mosasaurussen of andere zeedieren.

Over evolutie gesproken: Steven Spielberg produceert een nieuwe TV-serie met dinosaurussen! Niet helemaal paleontologisch verantwoord, want 85 miljoen jaar geleden leefden er geen brachiosaurussen.

John C. Wright probeert te classificeren wat christelijke science fiction is. Zijn conclusie: alleen C.S. Lewis blijft over :-).

Een door een hamster aangedreven robot ... (op basis van de windwezens van een Nederlandse kunstenaar).

De Naked Pastor legt uit dat hij ondanks alles redenen heeft om van de kerk te blijven houden.

Valentijnsdag komt eraan. Niet de dag waar singles het meest naar uitkijken. Ik in elk geval niet. Gelukkig heeft Tim Keller wat goede dingen tot ons te zeggen: "Christianity was the very first religion or world-view that held up single adulthood as a viable way of life. Jesus himself and St. Paul were single.  One clear difference between Christianity and Judaism [and all other traditional religions] is the former's entertainment of the idea of singleness as the paradigm way of life for its followers ...The gospel frees singles from the shame of being unmarried they find in conservative cultures. Their truest identity is in Christ and their assured future hope is the kingdom of God."

Meer voor singles op de blog Out of Ur: "There is nothing more holy, righteous, or godly about marriage than there is about singleness. Nothing. They are both equally good before God. That’s Paul’s message in 1 Corinthians 7. If you’re married, that’s wonderful. If you’re single, that’s wonderful too."

Iets waar ik mij wel eens het hoofd over breek, is waarom verschillende christenen op verschillende manieren over God en over theologie denken. Ik ben altijd geneigd te zeggen dat een enkele manier de juiste is, maar is dat wel zo? Volgens blog Experimental Theology is onze 'theologische wereld' verschillend omdat wij verschillend zijn. We hebben namelijk elk een andere 'obsessio' (de levensvraag waarvan we 's nachts wakker liggen), en ook elk een andere 'epiphania' - het antwoord op onze vraag, dat te goed lijkt om waar te zijn. "No world is "better" than the other, although I expect we each favor our own. The main point is that we are different. And each of us has a bit of the truth."