maandag 9 december 2013

Filmbespreking: Harry Potter and the Prisoner of Azkaban

In mijn vorige blogbericht heb ik uitgelegd waarom ik de Harry Potter-boeken zo waardeer, ook en misschien wel juist als christen. Hoewel ze in mijn opinie niet het niveau bereiken van de boeken van C.S. Lewis en Tolkien, of van George Martin, zijn het toegankelijke verhalen, origineel van opzet, met interessante karakters, die uiteindelijk het sacramentele wereldbeeld illustreren. Ze zijn ook nog eens niet onverdienstelijk verfilmd. De beste van de Harry Potter-films is volgens mij Harry Potter and the Prisoner of Azkaban. Deze film is gemaakt door Alfonso Cuaron, ook bekend van zijn film Children of Men, en de recente film Gravity. Hij is een visueel sterke filmmaker, die technisch moeilijke sequenties realiseert, vaak zonder dat het opvalt dat er geredigeerd is. Maar hij combineert zijn oog voor de beelden van de film met een sterk gevoel voor karakters, eigenlijk in al zijn films. Voor mij geeft dat de suggestie dat zijn beelden, waar hij goed over heeft nagedacht, ook daadwerkelijk iets betekenen (sacramenteel zijn), en dus de moeite van het analyseren waard. Dat geldt ook voor deze film. Hogwarts heeft in deze film meer identiteit gekregen (de grote slinger die voortdurend heen en weer gaat, de hut van Hagrid), maar ook de karakters hebben meer persoonlijkheid. De interacties, onder andere tussen Remus Lupin en Harry, zijn aangrijpend. De film heeft ook een duidelijker thema, het verhaal wordt vanaf het begin opgezet en wordt niet pas langzaam geïntroduceerd. Het was volgens mij een van de moeilijkste Harry Potter-boeken om te verfilmen, vanwege het ingewikkelde einde, maar het lukt Cuaron toch, inclusief verrassende wendingen en verklaringen voor onder andere het gedrag van Hermione tijdens de film. Ook de hippogrief Buckbeak ziet er geweldig uit en is geloofwaardig als levend fabeldier. Het enige minpuntje, en dat geldt voor elke film in de serie, is de lengte, waarbij de film net een klein beetje langer voelt dan nodig was geweest. Geen groot probleem overigens! Ik zal de film nog vaker kijken.

Het verhaal gaat over Harry Potters’ derde jaar op Hogwarts, de school voor tovenaars waarvoor hij onverwacht werd uitgenodigd. De zomer was voor de jonge tiener geen pretje. Hij moest die namelijk doorbrengen bij zijn familie en het eindigde ermee dat hij zijn eigen tante betoverde. Daarna sloeg hij op de vlucht. Gelukkig wordt hij gevonden en blijkt dat hij niet gestraft zal worden. Dit omdat hij in Hogwarts alleen veilig zal zijn voor de kwaadaardige tovenaar Sirius Zwart, de man die zijn ouders vermoordde en die nu ontsnapt is uit de tot nu toe veilig geachte gevangenis Azkaban. Om de leerlingen op Hogwarts te beschermen zijn de gevangenbewaarders van Azkaban overgekomen, de Dementors, nogal nare types. Ze lijken een bovengemiddelde interesse in Harry Potter te hebben, en ondertussen gaan de geruchten dat Sirius Zwart is geïnfiltreerd op het schoolterrein. Gelukkig krijgt Harry hulp van de nieuwe leraar ‘Verdediging tegen de Duistere Kunsten’, Remus Lupin, die zijn ouders gekend blijkt te hebben, toen die zelf op Hogwarts leerling waren ... Ondertussen gedraagt Hermione zich wel heel vreemd en verschijnt ze op plekken waar ze een ogenblik daarvoor niet was.

Harry Potter and the Prisoner of Azkaban kijkt heel diep naar het onderwerp ‘identiteit’. Wat maakt je tot wie je bent? Ik realiseerde me dat dit het thema was van de film, doordat me opviel hoe vaak Harry zijn eigen spiegelbeeld ziet. Een keer in het raam, een keer in het water. Hij kijkt naar zichzelf. Dat wil zeggen dat hij op zichzelf reflecteert. We doen dat allemaal wel als we in de spiegel kijken - wie is deze persoon, die zijn hand optilt als ik mijn hand optil, die opzij kijkt als ik opzij kijk? Wie ben ik? Als er in films wordt gespeeld met spiegelbeelden en reflecties, gaat het eigenlijk altijd om de vraag naar iemands identiteit. (De film Le Double Vie de Veronique, die ik ooit zag op een L’Abri-weekeinde, was daarvan een mooi voorbeeld).
Toen ik deze sleutel in handen had, dacht ik aandachtiger na over de film. De film begint met een allusie naar Harry’s puberteit. Hij is onder zijn lakens met zijn staf bezig en verstopt zich als zijn oom op zijn kamer komt kijken. De puberteit is nu juist een periode dat kinderen hun eigen identiteit proberen vast te stellen. Ze gaan zichzelf zien als onderscheiden van hun omgeving, hun ouders, en zoeken wie ze werkelijk zijn. Zo ook Harry. Maar wat hij te horen krijgt van zijn pleegouders, en zijn tante Petunia, stelt hem niet vrolijk. Ze belasteren zijn ouders, zeggen dat ze nergens toe deugden en nietsnutten waren. En ze suggereren dat Harry dus ook niets voorstelt. Dat hij nergens goed voor is. Harry wordt er boos over, maar er is toch twijfel in hem gezaaid. Hij heeft zijn ouders namelijk niet gekend, alleen verhalen over ze gehoord. En hij weet niet of hij op die verhalen kan vertrouwen. Per slot van rekening had de toverhoed hem bijna ingedeeld bij de groep van Slitherin, de sluwe, slimme tovenaars, waar veel van de slechte tovenaars uit voort zijn gekomen, onder andere Voldemort zelf. De basis van Harry’s identiteit begint te wankelen. Het wordt nog erger door de nare Draco, die hem nog verder onderuit haalt.
En dan zijn er de Dementors. Mensen die een depressie hebben meegemaakt zeggen dat deze toverwezens daar een goed beeld van zijn. Ze geven hun slachtoffer de ‘kus van de dood’ en zuigen zijn ziel weg. Het slachtoffer wordt willoos, ziet het leven als grijs en betekenisloos en verliest uiteindelijk zichzelf. En ze verzamelen zich rond Harry, misschien juist omdat hij zo worstelt met zijn identiteit. Volgens mij komt depressie ook vaak voort uit een losse greep op de eigen identiteit. Het gevoel van betekenisloosheid, niet weten wie je bent en wat je wilt is heel verlammend. En Harry ziet deze kloof onder zich opengaan. Hij moet ontdekken wie hij is, wat voor iemand hij is, of hij zal zichzelf verliezen. Hij kan de dementors pas verslaan als hij leert een ‘Patronum’ op te roepen - een lichtende verschijning gebaseerd op een blije herinnering, die de depressie kan verjagen. Deze ‘Patronum’ is voor iedereen iets anders, en drukt iets uit van wie iemand is. Het lukt Harry echter aanvankelijk niet. Hij heeft geen blije herinneringen die de basis kunnen zijn van zijn identiteit. Zijn zoektocht wordt wanhopig.

Ondertussen zijn er verschillende karakters in de film die verschillende benaderingen van de eigen identiteit illustreren. Wat bepaalt of ze goede of slechte mensen/individuen zijn? Om te beginnen de hippogrief Buckbeak, een combinatie van paard en roofvogel. De irritante Draco Malfidus houdt zich niet aan de instructies van leraar Hagrid, en het dier haalt naar hem uit. De gewonde Draco laat het er niet bij, en het komt tot een rechtszaak. Uiteindelijk moet Buckbeak ter dood worden gebracht. Maar was hij aansprakelijk? Het dier reageerde instinctief. Het had niet de bedoeling Draco kwaad te doen. Eigenlijk was Draco de schuldige, maar toch wordt Buckbeak veroordeeld, als was hij kwaadaardig, als was dat zijn identiteit. Het idee hier lijkt te zijn dat je ook als je iets schadelijks doet, maar je doet het niet bewust, niet verantwoordelijk, het niet je identiteit bepaalt. Iets is pas een kwaadaardige daad, als de dader kwaadaardig is. Omdat Buckbeak een dier is, kan hij niet kwaadaardig zijn.
Vervolgens zien we Sirius Zwart, de meest gevaarlijke moordenaar die ooit in Azkaban heeft vastgezeten. Hij is heel slecht, denken we als kijker. Hij komt uit een familie van boze tovenaars, uit de traditie van Slitherin, en was een volgeling van Voldemort. Iedereen ziet hem ook als gevaarlijk en een moordenaar (zoals mensen ook de hippogrief Buckbeak als slecht en kwaadaardig zien. Geen wonder dat ze uiteindelijk samen eindigen!). Maar in de film blijkt dat hij geen slecht mens is. Hij offert zich op voor een vriend. Hij probeert anderen te redden. Zijn identiteit is dus niet wat mensen van hem konden zien (een gevangene van Azkaban), maar ligt in zijn keuzes verborgen. Omdat hij ervoor kiest zich op te offeren, goede dingen te doen, weten we dat hij een goed mens is. Hij is zo trouw als een hond. Dat is zijn identiteit.
Dan is er Remus Lupin, de nieuwe leraar Verdediging tegen de Donkere Kunsten. Hij is (Ja, dit is een spoiler, maar het boek is al meer dan een decennium oud, dus je weet waarschijnlijk toch al hoe het verhaal gaat) een weerwolf. Dat betekent dat hij elke keer bij volle maan verandert in een monster. Een monster dat andere mensen en dieren doodt. Ook zijn vrienden. Door mensen die hem niet kennen, wordt Remus daarom gewantrouwd. Als de ouders van leerlingen ontdekken dat een van de docenten een weerwolf is, halen ze hun kinderen van school af. Maar de film maakt duidelijk onderscheid tussen tovenaars die zichzelf uit eigen keuze in dieren kunnen veranderen, zogenaamde wisselaars, en mensen als Remus die tegen hun eigen zin in veranderen in dieren, ook al verzetten ze zich er met al hun macht tegen. Interessant genoeg weten we van een van de gedaantewisselaars dat deze een slecht mens is, terwijl we van Remus weten dat hij ten diepste een goed mens is. De momenten dat hij in staat is te kiezen, maakt hij goede keuzes, offert hij zich op voor anderen. Dat hij een keer per maand tegen zijn wil in verandert in een monster verandert daar niets aan, het verandert niets aan zijn identiteit.
De laatste is Peter Pettigrew. Hij bracht jaren door in de vorm van een rat, het huisdier van Harry’s vriend Ron. ‘Was ik niet een trouw huisdier?’, klaagt hij. ‘Heb ik me niet altijd goed gedragen?’ Hij was braaf, leek vriendelijk. Maar hij is degene die de ouders van Harry verraadde aan heer Voldemort, en verantwoordelijk was voor hun dood. En die bewuste keuze om mensen te verraden, laat ons zien dat hij in zijn identiteit een slecht mens is. Ook al gedroeg hij zich aan de buitenkant (in de vorm van een tamme rat) misschien vriendelijk naar Ron (hoewel hij Ron ook een keer beet), zijn keuzes laten zien wie hij werkelijk is. Hij is ook figuurlijk een rat.

Het verband tussen deze drie is duidelijk: ze waren deel van de ‘Marauders’ - een gezelschap van vier vrienden, die allerlei kattenkwaad uithaalden. Die ook nog eens alle vier konden veranderen, al was het bij een van hen onvrijwillig. Dit suggereert nog eens verder de thematische connectie tussen hen. De vierde van het gezelschap was James Potter, de vader van Harry. Als Harry met Remus Lupin praat en vertelt dat hij niets weet over zijn ouders, vertelt Remus hem dat zijn vader een goed mens was, die opkwam voor zijn vrienden, die hem nooit liet vallen, ook niet toen openbaar werd dat hij weerwolf was. Zijn identiteit was goed. Als een hert, een edel dier. En Remus ziet die identiteit ook terug in Harry. Hij is een kind van zijn vader, zegt hij.
Maar Harry kan dat niet goed geloven. Hij heeft zijn vader nooit gekend, hoe kan hij accepteren dat hij dezelfde identiteit heeft als hij? Tot hij in het slot van de film ziet hoe de dementors zich op Sirius Zwart storten, de man die hij tot kort tevoren kende als de moordenaar van zijn ouders. Hij denkt dat zijn vader hem zal komen redden, maar dat gebeurt niet. Uiteindelijk moet hij zelf in actie komen. Hij doet het enige wat hij kan en roept een Patronus op. Het lichtende beeld dat verschijnt is een hert. Uit de boeken weten we dat dit het beeld was van zijn vader! Het is pas op het moment dat Harry zich gedraagt als zijn eigen vader, dat hij weet dat hij de identiteit heeft van zijn vader. Maar hij kon zich niet gedragen als zijn vader, als Remus hem niet had verzekerd dat dit zijn identiteit was. Dat hij ook een hert was, zo edel en moedig.
De Patronus is ook nog eens fel en krachtig genoeg om een leger van Dementors te verslaan, terwijl het Harry eerder nog niet eens was gelukt er een weg te jagen. Juist toen hij niet bezig was met de vraag wat zijn identiteit was, of het hem wel zou lukken een Patronus op te roepen, maar toen hij alleen bezig was met het lot van een ander, kwam zijn ware zelf naar buiten. Een zelf dat leek op zijn vader. Dit is een krachtig moment in de film, dat voor mij diep resoneert. Ik denk zelfs dat hier een bepaalde sacramentele kracht in zit. In dit moment waar licht overwint over duisternis werd iets zichtbaar van de diepere realiteit onder het Harry Potter-universum.

De dementors zijn verjaagd, en Harry heeft zijn identiteit teruggevonden. Hij weet nu wie hij is. Hij heeft ook een pleegouder: Sirius wil zich over hem ontfermen. Hij is eindelijk vrij. We zien daarom in dit deel van de film geen weerspiegelingen meer. Welke les kunnen we hier nu als christenen uit leren? Die uit 1 Johannes: ‘Wij hebben lief omdat God ons het eerst heeft liefgehad’ (4:19). Onze identiteit is die van geliefde kinderen van God, en dat is de werkelijkheid die zichtbaar wordt als wij zelf anderen liefhebben. En op geen andere manier.

zondag 8 december 2013

Harry Potter en het sacramentele wereldbeeld

Volgens mij is de ophef over de Harry Potter-boeken wel een beetje afgenomen. Het laatste boek en de laatste film zijn al weer van jaren geleden (hoewel er sprake is van een verfilming van Fabeldieren en waar ze te vinden), en J.K. Rowling richt zich op het schrijven van romans en thrillers. Hoewel de boeken nog worden gelezen (ik keek laatst in de trein per ongeluk op iemands e-reader en las het woord ‘Dumbledore’), hoor ik niet meer zoveel mensen erover praten. De groep voor wie de boeken waren geschreven, is overgestapt op de Twilight-boeken en de Hunger Games-serie. De Harry Potter-serie neemt rustig zijn plek in de bibliotheek in naast de andere klassieke kinder- en tienerverhalen.
Ook in de christelijke wereld is er nu gelukkig minder over te doen dan een paar jaar geleden. Rowlings opmerking dat ze zichzelf als christen identificeert, maar daar geen ruchtbaarheid aan wilde geven zodat mensen niet het slot van het laatste boek konden raden, nam het scherpste van het randje al weg. En het lijkt erop dat het angstscenario van evangelische commentatoren, namelijk dat de lezers van de boeken massaal interesse in wikka en hekserij zouden krijgen, niet is uitgekomen. Kennelijk was de toverij in deze boeken inderdaad de toverij uit de sprookjes van Grimm en Anderson, van bezemstelen en ketels, leuk voor op het speelplein maar door niemand met het echte leven verward. Zoals niemand die de boeken las, hoe jong ook, de draken die er in beschreven worden, voor echte dieren aanzag.
De populariteit van de serie heeft zich niet eens vertaald in een stortvloed van boeken over tovenaars, heksen en magie. Ja, het ‘young adult’-genre is een stuk populairder geworden in de tussentijd, vol vlot geschreven series die ook door volwassenen veel worden gelezen. Maar het element uit de Harry Potter-serie dat is overgenomen is niet de tovenarij, maar de jonge hoofdpersoon die samen met vrienden over het verloop van meerdere jaren zijn identiteit moet vinden en een samenzwering uit de maatschappij moet ontmaskeren. En daarvan is alleen het ‘over meerdere jaren’-aspect echt nieuw. Eigenlijk het feit dat de verhalen het leven van een puber weerspiegelen, die ook de eigen identiteit moet vinden en ondertussen tegen verwachtingen en idealen van de maatschappij moet opboksen. Op dit moment zijn geen toververhalen populair, maar de verhalen over de ‘Hunger Games’, en andere apocalyptische en dystopische scenario’s. Het blijkt dus al met al een storm in een glas water te zijn geweest. Waren daar al die panische artikelen en ingezonden brieven nu voor nodig?

Maar de wortel waar de anti-Potter-hetze uit opbloeide, bevindt zich nog steeds in het denken van sommige christenen. Ik hoorde laatst van familieleden van mij dat er bij hen in de kerk mensen zijn die hun kinderen weigeren de Hobbit of Lord of the Rings-films en boeken te laten lezen of zien, en zelfs de Narnia-boeken niet willen voorlezen, omdat die in hun ogen occult zouden zijn. Laat staan de Harry Potter-verhalen. Ik moet eerlijk toegeven dat ik, ondanks de oproepen van Paulus dat ik geen offervlees moet eten in het gezelschap van andere gelovigen die dat nog als zonde zien, hier wel hoofdpijn van krijg.
En het maakt me somber over de evangelische, charismatische kerk in Nederland. Want kennelijk accepteren die niet dat C.S. Lewis en J.R.R. Tolkien christenen waren (en J.K. Rowling ook), die geloofden in dezelfde God en dezelfde verlosser als zij. Ze zien er geen been in deze schrijvers die velen in contact hebben gebracht met christelijke leer en beeldspraak, ervan te beschuldigen occult te zijn, dat is: in verbinding met boosaardige machten. Ik vind dat nogal een belediging. Als je weet dat deze mensen belijdende christenen zijn, kun je ze minstens het voordeel van de twijfel bieden. Zei Paulus niet: ‘Laten we voor iedereen het goede doen ... vooral voor onze geloofsgenoten?’ (Galaten 6:10). Christenen kunnen geen occulte boeken schrijven. Ooit zei iemand tegen mij dat alle SF ‘New Age’ is, en lezers in contact brengt met geleidegeesten. (SF is helemaal niet ‘New Age’, maar diep modern en materialistisch, maar dat ter zijde). Ik antwoordde: ‘Maar ik schrijf ook SF. Ik ben christen, en heb niets met New Age. Mijn verhalen dus ook niet. Hoe kan dan alle SF ‘New Age’ zijn?’. Logica.
Nog erger, in mijn opinie, is dat deze mensen kennelijk nooit geleerd hebben een verhaal te lezen. Ze denken dat een verhaal een beschrijving van de waarheid is, als journalistiek. Dus dat als in Narnia over dwergen wordt geschreven, dat dit bovennatuurlijke ‘veldgeesten’ zijn uit onze wereld. En dat als Rowling over toverstafjes schrijft, dat kinderen dus echt willen proberen te toveren (in plaats van te spelen dat ze toveren). Ik heb er mijn familieleden niet naar gevraagd, maar als deze mensen consequent zijn, vertellen ze hun kinderen ook geen sprookjes, zoals die over Roodkapje of Hans en Grietje. Die zou je immers ook met de werkelijkheid kunnen verwarren. Het niet kunnen lezen van verhalen als verhaal is volgens mij echter niet onschuldig. Want verhalen voorzien ons denken van beelden. Verhalen schenken aan begrippen en woorden betekenis, maken ze voor ons levend. Ze zorgen dat ons denken en spreken inhoud heeft, dat het wat voorstelt. Verhalen zijn de manier waarop we onze wereld leren begrijpen. C.S. Lewis schrijft het over het verhaal van zijn vriend Tolkien: “Een kind geniet van zijn koude vlees, dat anders smakeloos zou zijn, door te doen alsof het een bizon is, die hij juist met zijn eigen pijl en boog gedood heeft. En het kind is verstandig. Het echte vlees wordt smakelijker, doordat het in een verhaal is gedompeld… ‘The Lord of the Rings’ past deze behandeling toe op goed en kwaad, onze eindeloze gevaren, onze angsten en onze vreugdes. Door ze in mythe te dompelen zien we ze duidelijker.”

Wie verhalen niet ziet en waardeert als verhalen, leeft volgens mij in een heel ‘platte’ werkelijkheid. Een werkelijkheid die niet meer is dan wat je kunt zien en aanraken. En daardoor ook een werkelijkheid waarin je niet kunt verlangen naar iets anders dan wat je kunt zien en aanraken. Het is ironisch, want het betreft hier evangelische, charismatische christenen, waarvan je zou denken dat ze juist niet alleen in het materiële, het waarneembare geloven. Maar als je goed kijkt, zie je volgens mij dat ook hun geloof ‘plat’ is, dat het element van ‘betekenis’, van verwijzing naar iets groters, eraan ontbreekt.
Ten eerste wordt de bijbel in dit soort kerken heel letterlijk uitgelegd, zonder oog voor literair genre en beeldspraak. Het is aantoonbaar dat de bijbel een literair werk is, met veel stijlfiguren, en dat sommige gedeeltes lijken op apocalyptische literatuur of mythologische verhalen. Wie de bijbel zo leest, en zoekt naar een dieper betekenisniveau, is in de ogen van deze gelovigen echter geen christen te noemen. Maar als ik The Lord of the Rings lees, hoef ik toch ook niet te geloven dat het letterlijk heeft plaatsgevonden om er belangrijke lessen uit te leren? Tolkien merkt op dat hij als kind nooit dacht dat de draken waar hij over las echt waren: ‘Ik heb mij zelf nooit verbeeld dat de draak van dezelfde orde was als het paard’ (Over sprookjesverhalen). Volgens mij was het Lewis die zei dat sprookjes kinderen niet leren dat draken bestaan, maar dat ze verslagen konden worden. Een letterlijke bijbeluitleg brengt deze gelovigen ook nog eens in conflict met wetenschap en mensen die wel de werkelijkheid kennen - en die confrontatie loopt vaak nadelig af voor ze. De werkelijkheid wordt waargenomen door de wetenschappelijke instrumenten (een verlenging van onze zintuigen). Wat de bijbel doet (en waarom het belangrijk is dat de bijbel een verhaal is), is aan te geven waarom deze werkelijkheid er is. Wat ze betekent en wat ons leven daarom betekent. En dat aspect delft in deze kerken bij discussies over letterlijkheid vaak het onderspit.
Ten tweede doet in deze kringen vaak een vorm van welvaartsevangelie opgeld: het gaat volgens hen ook in het leven van een christen om lichamelijke gezondheid, een goede baan, en geld. Dat is ook waar het in de preken in deze kerken over gaat (geeft u wel uw tienden? Bent u wel onderdanig aan uw oudsten?). Een christen moet tastbare, meetbare dingen doen, en krijgt daar tastbare, meetbare dingen voor terug. Dat er zaken meer belangrijk kunnen zijn dan hoe gezond je bent, of hoe voorspoedig, lijkt niet te worden geloofd. En zo verrichten ze eigenlijk zelf een soort van magie met het bovennatuurlijke, juist omdat ze magie niet uit verhalen hebben leren herkennen. C.S. Lewis wees er al op dat de verlangens die door sprookjesverhalen worden opgewekt eigenlijk onschuldiger zijn dan de verlangens die door schijnbaar ‘realistische verhalen’ worden aangesproken. ‘I never expected the real world to be like the fairy tales. I think that I did expect school to be more like the school stories”, schrijft hij in On Three Ways of Writing for Children. “The boy reading the school story desires success and is unhappy, once the book is over, because he can’t get it. The boy reading the fairy tale desires and is happy in the very fact of desiring. For his mind has not been concentrated on himself, as it often is in the more realistic story.’ Die teleurstelling ervaren christenen in deze kringen vaak als ze toch ziek worden of financiële tegenslag ervaren. Er is ook weinig begrip voor mensen die ADHD of depressie hebben, zij zouden door demonen bezeten zijn. Wie arm is, heeft niet genoeg gegeven. En de gelovigen hebben niet de beelden meegekregen uit de bijbel waarmee ze in deze omstandigheden hoop kunnen houden in wat niet gezien kan worden.
Het is eigenlijk tragisch om in zo’n platte werkelijkheid te leven, omdat je jezelf dan ook noodzakelijk als plat moet zien en alleen maar met transactionele handelingen bezig kunt zijn.

Volgens mij zijn christelijke systemen die verhalen niet kunnen accepteren, inherent transactioneel van aard. En het is niet toevallig dat schrijvers als Chesterton, Tolkien en Lewis juist uit ‘high church’-omgevingen komen, die meer sacramenteel van aard zijn. Hetzelfde geldt voor J.K. Rowling. Tot de kern van hun geloofsleven behoort het feit dat gebeurtenissen en handelingen niet transactioneel zijn, maar sacramenteel. Dat ze niet iets veranderen in de werkelijkheid, maar dat ze de werkelijkheid zichtbaar maken. Ze verwarren niet het beeld met de werkelijkheid, maar zien de werkelijkheid in het beeld. Daarom konden ze verzonnen verhalen schrijven, die toch iets weergeven van wat waar is.
Maar, let op: hun verhalen waren geen ‘christelijke allegorie’, zoals bijvoorbeeld ‘De Christenreis naar de Eeuwigheid’ (een verhaal dat soms nog wel wordt gelezen door christenen die verder verhalen afwijzen). In de Christenreis staat iets altijd direct voor iets anders, het verhaal is een puzzel die ontcijferd moet worden. Maar daarmee is het eigenlijk ook transactioneel geworden. Als je de puzzel hebt ontcijferd, is het namelijk net zo plat als een theologische tekst. Het is als een rekensom op de basisschool: Jan heeft twee appels, hij krijgt er drie bij. Hoeveel heeft hij er nu? Dit is niet anders dan de som 2 + 3 = 5. Er werden andere woorden voor gebruikt, maar het is nog steeds een formule. Daarom dat iemand als Tolkien allegorie verafschuwde. Zijn boek kon niet ontcijferd worden door bijvoorbeeld de ring te zien als allegorie voor atoomenergie. De ring is een beeld waarin waarheid zichtbaar wordt, maar het is een diepere waarheid. Een over het menselijke hart, en het gemak waarmee we verleid kunnen worden door allerlei vormen van macht. Een waarheid die door de ring invoelbaar wordt gemaakt, die we anders niet zo zouden kunnen ervaren. De waarheid van de ring zit hem in het feit dat we iets van onszelf erin herkennen, niet in een een-op-een betekenis.
Tolkien had daarom ook een hekel aan Lewis’ Narniaverhalen, omdat hij die betichtte van allegorie. Aslan is Jezus, Jadis is de duivel, en ga zo maar door. Maar zo had Lewis ze niet bedoeld. Aslan is geen allegorie voor Jezus. Het verhaal is bedoeld te beschrijven wat er zou gebeuren als Jezus een andere wereld dan de onze zou binnenkomen in de vorm van een leeuw. Niet om een parallel te zijn van onze wereld. Ook hier wordt veel van de waarheid zichtbaar in de persoon van Aslan, zonder dat de beeldspraak als een puzzel kan worden opgelost. Deze waarheden moeten worden opgevangen met hulp van de verbeelding, niet met het intellect. Zoals geloof in het algemeen ook meer een functie is van onze beeldenwereld, ons verlangen, en niet van ons intellect als zodanig. De verhalen van Lewis en Tolkien zijn sacramenteel.
Lewis en Tolkien konden daarom ook beelden gebruiken uit niet-christelijke verhalen en legendes, zoals Griekse goden, faunen, sprekende dieren, vallende sterren, zeeslangen, dwergen en elfen. Want ze zagen de hele werkelijkheid als sacramenteel. Ze zagen geen onderscheid tussen een christelijke en een niet-christelijke werkelijkheid. Er was dus ook geen ‘christelijke’ literatuur, onderscheiden van een ‘seculiere’ literatuur. C.S. Lewis zegt: ‘Boiling an egg is the same process whether you are a Christian or a Pagan. In the same way ... whatever Christian literature chose to do would have to be done by the mean common to all literature; it could succeed or fail only by the ame excellences and the ame faults as all literature; and its literary success or failure would never be the same thing as its obedience or disobedience to Christian Principles.’ Natuurlijk maakten deze schrijvers dit onderscheid niet, want ze zagen de hele werkelijkheid als Gods werkelijkheid. God was volgens hen niet boven de werkelijkheid verheven als de naaister uit het beeld van Robert Farrar Capon, maar bevindt zich onder de geschiedenis, waarin hij als een ijsberg zich soms laat zien. Omdat wij door God geschapen zijn is het volgens Tolkien eigenlijk onvermijdelijk dat onze mythen een versplinterd fragment weerspiegelen van het werkelijke licht. “Onze mythen koersen, zij het vaak zigzaggend, naar de ware haven.” We leven in een groot verhaal, een verhaal dat God vertelt, en dat in Jezus zichtbaar is geworden. Maar dit verhaal levert ook de bouwmaterialen voor alle verhalen die wij zelf aan elkaar vertellen.
Ik ben er zelf van overtuigd dat elk goed verteld verhaal daarom verwijst naar het grote verhaal, ongeacht de religieuze overtuiging van de verteller. Niet voor niets komen thema’s als de overwinning van de zwakke, belangeloze opoffering, opstanding uit de dood, of het loon van de zonde, zo vaak terug in sprookjes, films en boeken. Sla een gemiddeld fantasyboek open en je struikelt erover. In mijn eigen ervaring hebben veel ‘christelijke’ films en boeken juist minder te maken met het grote verhaal. Ze zijn daar net als de schoolverhalen waar Lewis naar verwijst veel te plat voor. Ze suggereren dat God je geneest als je maar bidt, of dat je weer contact krijgt met je kinderen als je de bijbel leest. Ze zijn transactioneel. Terwijl een film als The Hunger Games Catching Fire me juist laat verlangen naar rechtvaardigheid, vrijheid en opoffering. Dat verhaal is sacramenteel. God wordt erin zichtbaar. Christenen hoeven dus niet alleen verhalen te lezen die christelijke symboliek bevatten of allegorisch zijn, ze kunnen de christelijke waarheid herkennen in elk verhaal dat ze lezen.
Wie Jezus kent, ziet zijn gezicht overal in terug.

Degene die Jezus kent, zal hem dus al helemaal kunnen terugzien in de Harry Potter-boeken en -films! Niet alleen omdat de schrijfster christen is en heel belezen (waardoor ze veel symboliek gebruikt, onder andere die van de alchemie. John Granger, op internet bekend als de ‘Hogwarts professor’, heeft hele boeken geschreven over de diepere laag en de betekenis van deze verhalen en de diepere symboliek ervan). Maar ook omdat de overwinning op het kwaad in deze verhalen altijd wordt bereikt, niet op een transactionele wijze, maar op een sacramentele wijze. Oh, er is in deze verhalen sprake van sprookjesmagie, met toverstokjes en latijnse woorden. En vliegende bezemstelen. Dat is allemaal bovendien erg onderhoudend. Maar deze transactionele magie (ik verricht een handeling, en daarmee verander ik de werkelijkheid) is in de verhalen nooit effectief tegen het kwaad. Uiteindelijk wordt het slechte alleen overwonnen doordat iets vanuit een diepere werkelijkheid zichtbaar wordt in voorwerpen of mensen. En dat iets is eigenlijk steeds: opofferende liefde.
Al in de eerste verhalen is Harry beschermd tegen Voldemort doordat zijn moeder zich voor hem heeft opgeofferd, en dat heeft hem onvatbaar gemaakt voor de dodelijke vloek. In het tweede verhaal is het de phoenix, die is gestorven, maar weer tot leven is gekomen, die Harry op het moment dat zijn nood het hoogst is, komt redden. In het derde boek verschijnt de patronus in de vorm van een hert, de patronus van Harry’s vader, en verjaagt in een wonder alle dementors. Ga zo maar door, tot Harry’s eigen eindoverwinning. Die behaalt hij niet door zijn toverkracht, maar door overgave. Zoals in elk goed verhaal wint de ‘underdog’ in de vorm van wat Tolkien een ‘eucatastrofe’ noemt, een plotselinge wending, waarbij in het verhaal een glimp doorbreekt van de waarheid, en alle dingen hun eigen naam krijgen. Het is Voldemort, die puur op transactionele magie vertrouwt, die in deze verhalen steeds bedrogen uitkomt. Lees de Harry Potter-boeken nog maar eens na: ze zijn ten diepste sacramenteel, en dus verwijzen ze naar het ware sacrament.

In mijn volgende artikel ga ik dieper in op de verfilming van Harry Potter and the Prisoner of Azkaban.

vrijdag 6 december 2013

Over de drempel (7 en slot): De openbaring van het koninkrijk

Over het eind van de geschiedenis wordt in de bijbel gezegd dat ‘God zal zijn alles en in allen’ (1 Korintiers 15:28). Ik begreep deze uitspraak vroeger niet. Of in elk geval kon ik niet begrijpen hoe het met deze woorden geschetste toekomstbeeld iets aanlokkelijks kon zijn. Het leek namelijk een wel heel statische toekomst. Alsof de geschiedenis op dat moment tot stilstand zou zijn gekomen. Alsof vanaf dat moment niemand meer een initiatief zou kunnen nemen, er geen nieuw kunstwerk geschapen zou kunnen worden, geen nieuwe relaties zouden kunnen worden aangegaan, alsof alle dingen en alle mensen in God zouden zijn opgenomen en voortaan geen enkel eigen bestaan meer zou kunnen leiden. Het leven dat ik nu leidde was kennelijk onbedoeld chaotisch, vruchtbaar, origineel, maar als een hemelse archivaris zou God dan de rommel opruimen. De Borg uit Star Trek riepen voor mij hetzelfde angstgevoel op.
In deze toekomst zou ik bovendien niet mezelf kunnen zijn. Mijn persoonlijkheid had geen waarde. Mijn verlangens deden er niet toe. Ik heb in de kerk waarin ik opgroeide letterlijk dingen gehoord als dat ik in de eeuwigheid me niets meer van mijn leven op Aarde zou herinneren (een breuk in persoonlijke identiteit. Maar waarom zou ik me dan nu over dat leven druk maken?). Ik vond zelf onze kerkdiensten niet altijd even inspirerend, en keek niet uit naar een eeuwigheid van aanbidding. ‘Maar God zal er wel voor zorgen dat je dan wel van aanbidding houdt’, zeiden goedb edoelende mensen. Hij zou me dus hersenspoelen, mijn verlangens veranderen als ‘Big Brother’ in Orwells grimmige 1984. Ik hoorde dingen als zou ik in de eeuwigheid mijn familie en vrienden niet meer belangrijk vinden, en zelfs dat er in de eeuwigheid geen mannen of vrouwen zouden zijn, maar dat we allemaal neutraal zouden zijn - alsof mijn identiteit als man totaal geen betekenis had. Geen wonder dat ik niet naar de hemel uitkeek. Ik was alleen nog banger voor de eeuwige bewuste marteling van de hel, zoals we daarover hoorden - als ik niet de juiste leerstellingen over God geloofde zou hij mij tot in eeuwigheid zelf helse pijnen laten doorstaan. Dit roept wel vreemde vragen op over het karakter van God. Als God zo is, waarom zouden we dan de eeuwigheid in zijn gezelschap willen doorbrengen? Zou een eeuwigheid in het gezelschap van een almachtige sadist niet de hel zijn?
Ik moest erg lachen om een ‘spoken word’-stuk van christenartiest Larry Norman op een van zijn CD’s. Het gaat over een prediker die zijn publiek waarschuwt tegen de hel. Een van zijn toehoorders onderbreekt hem, en vraagt: ‘Preacher, is it true what you say, that hell is full of drink, cards and loose women?’ En de prediker antwoordt dat het zo is. De man slaakt een zucht en zegt: ‘If hell is filled with drink, cards and loose women, oh, death, where is thy sting!’ Ha! Het is toch vreemd als ons beeld van de hel aantrekkelijker is dan ons beeld van de hemel, of het koninkrijk van God.
Zelfs in gemeentes waar niet zo streng over de hel gepredikt wordt, zijn weinig christenen die naar de toekomst van God verlangen. Mensen hopen zelfs dat de Heer nog uitblijft, omdat volgens hen dit leven te prefereren is boven het toekomende leven. ‘Ik wil eerst nog zus en zo hebben meegemaakt’ (meestal het huwelijk). We moeten het er nu van nemen, eten en drinken, want morgen gaan we naar de hemel. Eigenlijk geen ander beeld dan dat van mensen die niet in de opstanding geloven (vergelijk 1 Korintiers 15:32). Het meest positieve dat mensen over de hemel kunnen zeggen, is dat er dan geen pijn zou zijn. Daarom zijn het vooral mensen met pijn of moeite die in deze kerken naar de hemel uitkijken (ik kreeg zelfs te horen dat ik zo naar de toekomst verlangde, omdat ik nog vrijgezel was). Maar de hemel is in deze visie nog steeds niet beter dan het niet-bestaan. Een statisch eeuwig zijn is niet wat ons van nature aanspreekt. En dat is dan reden om ons eigen verlangen, de basis van onze identiteit, nog verder te wantrouwen, en te onderdrukken. Want ons verlangen naar meer, naar schoonheid, betekenis en intimiteit, brengt ons voor ons gevoel alleen maar in problemen. We reduceren onszelf alvast tot bevelen opvolgende robots, omdat dat in de eeuwigheid alles zal zijn wat van ons zal overblijven. Resistance is futile.

Ik denk dat ons beeld van onze toekomst tekortschiet, omdat ons beeld van God tekortschiet. We zien onze toekomst niet als goed, omdat we ten diepste niet geloven dat God goed is. Oh, we geloven dat hij goed is, in de zin dat hij niet slecht is, dat kwaad en slechtheid in hem ontbreekt. Maar we geloven niet dat hij actief goed is. Dat hij ons liefheeft, dat wil zeggen: dat hij het beste voor ons verlangt en zich ook inzet om dat aan ons te geven. Dat hij een relatie met ons zou kunnen hebben. We zien God als de onbewogen beweger. Als de macht die alle gebeurtenissen in gang zet, maar zelf nergens door bewogen wordt. Die zelf niet gevoelig is, die niet geraakt wordt. Een macht zonder leven, innerlijk of aan de buitenkant. Eigenlijk zien we God niet als persoon, want we geloven niet dat God verlangens heeft. En verlangens zijn wat ons een wil geeft, wat ons tot personen maakt. Wat maakt dat we kunnen liefhebben.
Dat is niet het bijbelse beeld van God. Dat is niet het beeld van de drie-enige God, die tegen zichzelf zegt ‘laat ons ...’, die een bewegende, dynamische relatie IS. Dat is niet het beeld van de schepper, die uit het niets alles tot aanzijn roept, van het geringste snuitkevertje tot het verste melkwegstelsel, die creatief is. Dat is niet de God die deze schepping elke dag nog steeds actief onderhoudt. Dat is niet het beeld van de God die met zijn schepselen in de tuin wilde wandelen in de avondkoelte, hen wilde leren kennen, en met hen wilde lachen. Dat is niet het beeld van de God die toen zijn schepselen zich van hem afkeerden en voor de dood kozen, zodat ze blind werden voor zijn aanwezigheid in de schepping, zelf deel werd van hun wereld door mens te worden. Niet een zielloze, bevelen opvolgende robot, maar een volledig levend, enthousiast, verlangend mens. Dat is niet het beeld van de God wiens innerlijk in hem bewogen wordt als hij aan zijn troetelkinderen denkt (Jeremia 32), of die als de vader van de zoon hem tegemoet rent en hem zijn jas omhangt. Dat is niet de god die de dood overwint, en de mensen nieuw leven geeft en een nieuwe schepping maakt, waar gerechtigheid woont. Dat is niet de God die de bron is van elk leven, elke beweging, die zoals Chesterton vermoedde, gekenmerkt wordt door vreugde, door het genot zichzelf te zijn. De God die door theologen wordt beschreven als de ‘perichoresis’, de dans.
De God die zich heeft geopenbaard in Jezus Christus handelt, verlangt, heeft lief. Zo is God. We kunnen hem misschien niet beschrijven als een menselijk persoon, maar niet omdat hij minder persoonlijk zou zijn dan wij, maar juist omdat hij bovenpersoonlijk is. Zijn levenslust, zijn passie, zijn verlangen, zijn zo groot dat ze voortdurend uit zijn binnenste overstromen tot ze in ons terechtkomen, en ons in beweging brengen. Zijn verlangen is de muziek die maakt dat wij willen dansen.
Als dit de God is die uiteindelijk alles en in allen zal zijn, als zijn innerlijke leven de dans is waar wij allen deel van zullen uitmaken, is dat geen schrikbeeld. Dan wordt dat iets om naar te verlangen. Want dan betekent het dat wij niet minder onszelf zullen worden, maar meer. Dat we niet minder zullen verlangen, maar meer. Dat we niet minder creatief zullen zijn, maar meer. En dat we niet minder liefde zullen ervaren, maar meer. Tolkien zegt dat door het lezen van een goed sprookjesverhaal onze diepste verlangens worden vervuld, maar dat ze tegelijk ook oneindig worden aangescherpt (in Over Sprookjesverhalen). Zo zal het in de eeuwigheid ook zijn. En dat betekent dat we ons nooit zullen vervelen, want we worden niet opgenomen in een eeuwig computersysteem, maar in een eeuwig leven. Zodra we God zien als werkelijk goed, en zijn verlangens als werkelijk levensbrengend, wordt de toekomst er een om naar uit te kijken. Ook hier is het belangrijk welk beeld we van God hebben.

De grote, levende, persoonlijke God, de dansende drie-eenheid, vindt ons belangrijk. Daarom wordt in de bijbel niet gezegd dat wij naar de hemel gaan. Nee: er staat dat het nieuwe Jeruzalem, de stad van God uit de hemel zal neerdalen. Naar ons toe zal komen. God zal onder de mensen wonen. Johannes gebruikt in Openbaring sacramentele beelden. Hij zegt dat de mensen geen tempel meer nodig hebben, want God zelf zal onder hen wonen. Ze zullen geen zon of maan meer nodig hebben, want het lam, Jezus, zelf zal hun licht zijn. Dit wil volgens mij zeggen dat de hele werkelijkheid zichtbaar zal zijn. Gods koninkrijk, nu nog verborgen onder de grond van de geschiedenis, is dan openbaar. We zullen dan kennen, zoals we nu zelf gekend zijn. We zullen de beelden niet meer nodig hebben. Die hadden we natuurlijk nooit nodig in een transactionele zin. De Kerk, doop, avondmaal, priesters en huwelijk brengen (zoals ik eerder in deze serie betoogde) niets tot stand dat niet al realiteit was. Ze laten iets zien dat nog niet zichtbaar is, maar al wel realiteit is. En dan zal het voor elk oog zichtbaar zijn, zoals de engelen die Elisa aan zijn knecht liet zien. De schaduwen zijn vervlogen in het licht van de zon. In Hebreeen 9:23 noemt de auteur de tabernakel en haar inrichtingen ‘afbeeldingen’ - dat zijn al onze sacramenten. “Maar wat geschapen is, wankelt en verdwijnt, zodat alleen blijft wat onwankelbaar is.” (Hebreeen 12:27). Daarom zullen we ze uit onze handen laten vallen en er nooit meer aan terugdenken, als we de werkelijkheid zien: de onvoorwaardelijke liefde van God, die leven brengt uit de dood, ons leven, uit onze dood, door Jezus onze Heer.
Maar in zekere zin zijn wij zelf ook sacramenten waarin iets van God zichtbaar wordt. Gods grote verhaal wordt zichtbaar in ons kleine verhaal. En ook wat ons betreft zal in die tijd de werkelijkheid de schaduw vervangen. “We weten nog niet wat we zullen zijn, maar we weten dat we Hem gelijk zullen zijn”, zegt Johannes (1 Johannes 3:2). En Paulus voegt toe dat de hele schepping wacht op het openbaar worden van de “vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt” (Romeinen 8:23). Ook dit betekent niet dat we minder onszelf zullen zijn dan nu, maar juist meer. Want in elk van ons wordt iets heel specifieks en unieks van God zichtbaar, en dat zal dan volledig tot bloei komen. We zullen als God zijn juist in zijn leven en verlangen, in zijn vrijheid en de indruk die hij maakt op zijn omgeving. In De Grote Scheiding van C.S. Lewis ontmoet de hoofdpersoon een van de hemelbewoners. ‘Ik kan me nu niet meer herinneren of ze naakt was of gekleed’, moet hij toegeven. ‘Als ze naakt was, dan was het ongetwijfeld de bijna zichtbare sluier van haar hoffelijkheid en vreugde, waardoor mijn verbeelding de illusie vasthield dat achter haar een lange, blinkende mantel over het blijde gras golfde. Als ze gekleed was, was de illusie van naaktheid vast en zeker het gevolg van de helderheid van haar innerlijk, die door de kleding heen scheen.’ De bijbel suggereert dat we uit de dood zullen opstaan in ons lichaam, maar tegelijk lijkt dat in de bijbelse beschrijvingen meer te zijn dan ons lichaam. Het lichaam is verheerlijkt, glorieus. Het is een lichaam dat geen schaduw meer is, maar werkelijkheid, zo werkelijk dat het net als Jezus in zijn opstandingslichaam door tijd en ruimte kan verplaatsen en tussen de atomen van een muur kan doordringen.
We zullen na onze opstanding bovendien helemaal tot onze bestemming komen. Onze verlangens (zelf al sacramenten waarin de verlangens van God zichtbaar worden) zullen worden vervuld. En dat zal voor iedereen anders zijn. Mijn diepe verlangens zijn namelijk anders dan die van jou. Maar al onze verlangens zijn bedoeld om door God volkomen vervuld te worden. Daarom zegt Lewis in The problem of pain: ‘God will look to every soul like it first love, because He IS its first love’. Ik aarzel om meer te schrijven over dit onderwerp, omdat ik de neiging heb alles van C.S. Lewis te willen aanhalen. Lees van hem het essay ‘The Weight of Glory’. Hij zal je overtuigen dat God ons verlangen niet te sterk vindt, maar eerder te zwak. Dat ons verlangen is wat ons bij Hem doet uitkomen. Hij maakt ook duidelijk dat er geen jaloezie zal zijn in de eeuwigheid. Zoals het er ook nu niet hoeft te zijn, als iemand helemaal zichzelf is. Ik kan bijvoorbeeld nu ervan genieten dat iemand graag wil rotsklimmen en daar helemaal voor gaat, juist omdat ik mezelf toestemming heb gegeven mezelf te zijn, en dus niet hetzelfde hoef te winnen.

Ik ben samen met mijn vrouw behoorlijk bezig met persoonlijkheidstypetheorie, voornamelijk aan de hand van de Myers Briggs Type Indicator. Die levert voor je persoonlijkheid een code op van vier letters. Ik kom uit testen als een INFJ - het zeldzaamste persoonlijkheidstype, volgens de websites. In de beschrijvingen van dit persoonlijkheidstype staat vaak dat het van nature spiritueel is, gericht op de groei van zichzelf en van anderen, en begripsvol voor anderen, maar streng naar zichzelf toe. (Wees gerust, deze paragraaf zal ook over toekomstverwachting gaan. Al is er over MBTI, persoonlijkheid en geloof een hele nieuwe serie artikelen te schrijven!). Nu had ik het er met mijn vrouw over dat de eigenschappen van een INFJ me als gelovige een voordeel zouden kunnen bieden. En ik vroeg me af of dat niet betekende dat ik nog meer mijn best moest doen. Ik dacht dat het betekende dat ik niet tevreden kon zijn met wat ik al voor de heer deed, als het bij mijn persoonlijkheidstype hoorde. Ondertussen vroeg mijn vrouw zich af waarom er niet meer INFJ’s waren in de wereld, omdat de wereld meer serieuze, gewetensvolle wereldverbeteraars kan gebruiken.
Ik besloot het een keer aan God te vragen terwijl ik over straat naar huis liep. En ik kreeg in mijn gedachten antwoorden. Antwoorden die ik ook heel mooi zou vinden als ze uit mijn eigen gedachten voortkwamen, maar voor zover ik wist waren het geen voor mij natuurlijke gedachten. En ze kwamen met de klank die ik met Gods stem heb leren associëren. Ik vroeg aan de Heer waarom er niet meer INFJ’s waren. Het antwoord dat ik kreeg was dat God er niet meer nodig had. Kennelijk was het voldoende voor zijn plan dat 1 procent van de populatie INFJ is en zijn er meer nodig van praktische, handelende persoonlijkheidstypes. Toen ik de Heer om meer vroeg, kreeg ik in gedachten dat het zelfs niet goed zou zijn als er meer waren. Per slot van rekening worden ook Hitler, Osama Bin Laden en Ayatollah Khomeini gezien als INFJ’s, ze kunnen mensen inspireren tot het goede, maar kennelijk ook tot het kwade. Ik vroeg de Heer of ik omdat ik INFJ was meer moest presteren. Maar ik kreeg in gedachten dat het enige wat ik hoefde doen was mezelf te zijn. Ik zou vanzelf anderen inspireren, inzichten en gedachten delen met belangstellenden, schrijven en spreken. En omdat 1 procent van de populatie INFJ is, ‘hoef’ ik in principe maar 99 mensen te bereiken (dat bedacht ik zelf). Het bracht me rust - ik hoef me niet te verkopen, ik hoef mezelf niet succesvol te maken, ik hoef niet op anderen te lijken. Ik mag mezelf zijn.
Tenslotte vroeg ik aan de Heer in mijn gedachten of het eerlijk was als ik in de eeuwigheid zou krijgen wat ik verlangde, als ik inderdaad krijg wat mijn verlangen is, namelijk steeds dieper in de betekenis van God te mogen afdalen. Maar ik kreeg in gedachten dat niemand jaloers op mij zou zijn. Want andere mensen willen niet hetzelfde als ik. In de eeuwigheid zal de een op zijn plek komen in het zingen en muziek maken met anderen, de ander in het verkennen van nieuwe werelden, de ander in het steed dieper doordringen in de diepten van God. En niemand zal jaloers op hen zijn, want ze zullen allemaal zichzelf zijn. Dit geldt voor alle persoonlijkheidstypen. God zal hen allen op hun eigen manier vervullen. Ook dat nam een laag van mijn schuldgevoel weg, en ik kon vrij ademhalen. God houdt van mij omdat hij God is en daarvoor kiest. Dat heeft hij laten zien in Jezus’ dood en opstanding. Ik mag dat accepteren en leven in die liefde, en mezelf accepteren als Gods geliefde kind. In die acceptatie mag ik mezelf zijn, doen wat mijn hand vind om te doen, en de mensen in mijn omgeving liefhebben. Meer niet. Zo goed is het goede nieuws!

donderdag 5 december 2013

Over de drempel (6): de fluistering van het verlangen

Een week voor ons trouwen ontmoette ik in Amsterdam een vriend uit de Verenigde Staten. Ik had hem voor het eerst ontmoet in 2005 op een conferentie van John Eldredge (hij zat in het team, en was de forumcoördinator van het Ransomed Heart-forum waar ik toen actief was) en in 2007 zag ik hem weer op een conferentie in Australië. Onze derde ontmoeting vond plaats op een derde continent. De enige persoon tot nu toe die ik op drie continenten heb ontmoet. We bleken elkaar erg veel te vertellen te hebben. Zo hadden we allebei geworsteld met de evangelische kerk, en waren we allebei terecht gekomen in de Anglicaanse kerk (en ook bijna gelijktijdig!). We worstelden allebei met ons godsbeeld. En met ons zelfbeeld. Onder andere wat ons verlangen betrof. Want onze verkeerde beelden van God en de verlossing hadden ertoe geleid dat we ons verlangen onderdrukten, dat we onszelf niet de toestemming gaven onszelf te zijn. Maar daardoor verhinderden we niet alleen dat we een creatief, vruchtbaar (ook letterlijk!) leven leidden, we behandelden daardoor bovendien andere mensen minder respectvol.
Mijn vriend vertelde van zijn dochter in de tienerleeftijd. Ze had hem een keer toevertrouwd dat ze liever op dates ging met ongelovige jongens dan met jongens uit de kerk. Natuurlijk was hij daardoor erg geschrokken, zoals elke christelijke ouder dat zou doen. Maar hij was wijs genoeg zijn dochter om uitleg te vragen. Ze vertelde dat christelijke jongens niet naar haar durfden kijken. Ze keken opzij, ze wendden zich af. Het was duidelijk dat ze zich schaamden. Waarvoor? Voor het feit dat ze haar aantrekkelijk vonden. En dat ervoer zij als afwijzing en als reden om zich te schamen. De niet gelovige jongens zeiden eenvoudig tegen haar: ‘Je ziet er leuk uit. Zullen we een keer wat drinken?’. Ze schaamden zich niet voor haar of het effect dat zij op hen had. Ze voelde zich door hen geaccepteerd en gewaardeerd, als vrouw en als individu, en ze hoefde zichzelf ook niet te schamen voor haar seksualiteit. Het was voor haar veel meer ontspannen.

Als mensen hun verlangen op een voetstuk hebben staan en alleen leven voor de vervulling van hun eigen begeerte, zullen ze respectloos met andere mensen omgaan (die ze alleen zullen beoordelen naar de mate waarin ze hun begeerte bevredigen - een transactionele instelling). Maar het is ook respectloos als mensen hun eigen verlangen en dat wat het verlangen opwekt, afwijzen en veroordelen. Dat maakt van de interactie ook iets transactioneels (door mijn verlangen verdien ik straf, of de ander die mijn verlangen opwekt maakt mij slecht). Verlangen is echter wat ons mensen maakt. Verlangen is wat ons voortdrijft, tot handelen aanzet, maakt dat we het ene been voor het andere zetten. Verlangen is de brandstof van onze wil. Om te weten wie iemand is, moet je vragen wat hij of zij verlangt. Als we het verlangen op zich (in plaats van de manier waarop iemand een verlangen wil bevredigen) slecht vinden, afwijzen, veroordelen, wijzen we de kern van iemands identiteit af. En maken we iemand ten diepste passief. Want een mens zonder verlangen is een lege huls, in de greep van machten van buiten zichzelf. Dat geldt ook voor degene die het verlangen opwekt - die wordt gereduceerd tot bepaalde karakteristieken, en kan zichzelf niet meer zien als waardevol, compleet persoon, maar moet een deel van zichzelf afwijzen. Dit leidt tot heel ongezonde taferelen, waarvan het voorbeeld van de dochter van mijn Amerikaanse vriend, nog de minste is.
In de kerk waar ik opgroeide, werd seksueel verlangen als slecht weggezet. Zo kreeg ik het ten minste mee. De Bijbeltekst ‘wie een vrouw aankijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd’ (Mattheus 5:28), werd zo uitgelegd dat het betekende dat wie een vrouw aantrekkelijk vond al overspel met haar had gepleegd. En het voelen van seksuele aantrekking werd zo ongeveer gebracht als de grootste zonde die mogelijk was. Voor iemand die het onderwijs van de kerk serieus nam en in zijn leven probeerde toe te passen, leidde dit in de puberteit natuurlijk tot schuldgevoel, schaamte en zelfafwijzing. Ik probeerde het verlangen te onderdrukken, maar hoe hard ik daar ook voor werkte, het stak steeds opnieuw de kop op. Ten slotte voelde ik me al een weekeinde lang diep schuldig als ik in  een tijdschriftenwinkel een superheldenstripboek (X-mannen) had doorgebladerd. Ik herinner me een e-mail aan een vriend waarin ik dat mijn ‘boezemzonde’ noemde (ik snap nu pas de ironie), waar ik maar niet van af kon komen.
En in mijn strijd tegen dit verlangen, begon ik ook al mijn andere verlangens te onderdrukken: mijn verlangen naar spannende verhalen (ik wilde graag Alistair MacLean boeken lezen, dus dat zou wel een verslaving zijn. Als ik een James Bond-film zag, fantaseerde ik over actiescènes, dus die moest ik overslaan), mijn verlangen naar creativiteit (ik stopte met schrijven), et cetera. In mijn stripbespreking van de geweldige ‘graphic novel’ Een Deken Van Sneeuw heb ik al eens betoogd dat onze verlangens met elkaar samenhangen: ons seksuele verlangen en ons verlangen om te scheppen, te creëren, zijn niet los te verkrijgen. Het onderdrukken van de een leidt tot het onderdrukken van de ander. Het verlangen is namelijk niet te scheiden: het is een enkel vuur dat binnen in ons brandt. En het is ook niet te scheiden van ons verlangen naar eenheid met God. Sommige christelijke mystici ervoeren Gods aanwezigheid niet voor niets in een haast seksuele extase. Zie bijvoorbeeld het beeld van de heilige Teresa van de Renaissance-kunstenaar Bernini in het plaatje hierboven.
Ik denk dat het daarom niet voor niets is dat als een samenleving (of kerk) mensen onder controle wil houden zowel de seksuele expressie als de artistieke expressie worden onderdrukt of beschaamd. Maar dat daar (bedoeld of onbedoeld) ook de religieuze expressie schade door ondervindt. In de kerk waar ik opgroeide werd in elk geval niet alleen neerbuigend en veroordelend gesproken over seks en kunst, maar ook over ‘bovennatuurlijke’ en ‘mystieke’ manieren om God te ervaren. We hadden de bijbel, uitgelegd door Darby en Kelly, en dat was genoeg. Volgens de kerk waarin ik opgroeide was individualiteit ook iets verdachts - we moesten sterven aan het vlees, ons eigen ik, onze wil, zodat gods Geest ongehinderd door ons heen kon werken. Waarom gods Geest er vervolgens voor zorgde dat de meest ‘geestelijke’ van de kerkleden mensen uit de gemeenschap uitsloten en op een kerkscheuring aanstuurden, hebben ze mij nooit uitgelegd.

Natuurlijk werd in de kerk betoogd dat man en vrouw in het huwelijk wel seks met elkaar mochten hebben. Ik ga ervan uit dat het volgens de kerk dan ook was toegestaan als man en vrouw naar elkaar te verlangen. Maar volgens mij is het niet mogelijk een verlangen opeens weer ‘aan te zetten’, na het jarenlang als slecht en zondig te hebben neergezet. Het is niet opeens ‘goed’ in andere omstandigheden. Zelfs als je het dan ‘goed’ noemt, kan de menselijke psychologie die omschakeling niet maken. Vooral niet als je voor vrouwen buiten je huwelijk nog steeds niks mag voelen of bij enige emotie jezelf moet veroordelen en afwijzen. Zo werken verlangens niet. Als je een muur rond je verlangen hebt opgetrokken en die met al je mentale kracht hebt bewaakt, kun je niet opeens in je huwelijk een klein stukje van de muur afbreken, en verwachten dat het verlangen dan opeens alleen door dat gaatje naar buiten komt. De muur is alleen volledig af te breken. Het is alles of niets. Je brengt jezelf tot expressie, of niet. Dit geldt ook voor de andere verlangens. Ik kon niet opeens mezelf toestaan alleen naar bepaalde verhalen te verlangen, of alleen christelijke films te waarderen. Of alleen non-fictie te willen schrijven. Het verlangen is alles of niets.
Dit heb ik het afgelopen jaar in de praktijk gemerkt. Pas in september 2012 gaf ik mezelf toestemming om me aan het schrijven van fictie te wijden. Het was een van de grootste omkeringen in mijn leven, eigenlijk nog belangrijker dan het ontmoeten van mijn vrouw en mijn huwelijk (alhoewel daar ook niet van te scheiden - dat ik een vrouw durfde aanspreken was ook al een sprong in het diepe voor me, en het kiezen voor het huwelijk ook een kiezen voor verlangen). Ik gaf mezelf toestemming om mijn liefde en passie voor het schrijven zonder enige belemmering te uiten. Ik voelde me daardoor meer mezelf dan in de tien jaar ervoor. Ik sliep zelfs beter. Maar (waarschijnlijk niet toevallig) leidde die toestemming om te schrijven tot toestemming op meer gebieden. Het leidde tot toestemming om mijn verlangen naar een andere kerk te volgen, naar toestemming om de boeken te lezen die ik wilde lezen, en naar toestemming om mijn eigen seksuele verlangen niet langer af te wijzen. Alles in een paar maanden tijd. Het was, moet ik zeggen, heel erg bevrijdend. Maar ook confronterend, omdat ik zag hoe diep mijn verlangen al die tijd opgesloten was geweest. Ik gaf mezelf eindelijk toestemming om er te zijn, helemaal, als Johan. Het is ook niet toevallig dat het gebeurde nadat ik in november 2012 en nogmaals in april 2013 tijdens het bidden de liefdevolle ogen van Jezus had gezien, en zijn acceptatie had gevoeld. Ik wist mij eindelijk geliefd gewoon als wie ik ben en kon dus ook mezelf accepteren in al mijn menselijkheid, inclusief mijn verlangen.
En dit was niet mogelijk zonder een sacramenteel beeld van de werkelijkheid, dat wil zeggen: een incarnationeel beeld van de werkelijkheid. God die mens wordt, zich toont op een manier die wij kunnen waarnemen, en daarmee laat zien wat ten diepste waar is voor ons allemaal. Want wat waar is voor Jezus, is waar voor ons. Incarnatie is een sacrament, werkelijke aanwezigheid, God met ons. Dat Jezus mens werd, betekent niet alleen dat het mens-zijn, het lichamelijke mens-zijn geheiligd is. Het betekent dat onze individualiteit geheiligd is, inclusief ons verlangen, inclusief onze seksualiteit. We maken van Jezus snel een soort super-mens, een buitenaards wezen onder ons, die niets te maken heeft met onze menselijke eigenschappen of zwakheden. Maar Jezus was mens, helemaal mens.
Lees wat Robert Farrar Capon schrijft in The Romance of the Word: “When we say that Jesus is perfectly human, we mean that he is completely human: his humanity is everyday, commongarden humanity IN COMPLETION. But see how alien that is to the common view. In spite of the promise of the resurrection of the body, we can imagine human nature as perfected only if we can somehow see it as abolished in favor of something spiffier, if we flesh him out in something other than ordinary flesh. When we imagine him as a child, for example, we somehow feel obliged to say that he was a little freak who never hid when his mother called him, who always put his toys away in his toy box, and who, when he got to the age at which boys have wet dreams, piously refused to have any ... The human race is, was, and probably always will be deeply unwilling to accept a human messiah. We don’t want to be saved in our humanity; we want to be fished out of it.” Laten we wel wezen, Jezus ging ook naar het toilet. Of deed het achter de bosjes. Hij was moe en viel in slaap in een boot. Hij weende. Wij hoeven ons dus ook niet te schamen voor deze door anderen soms als schaamtevol beschouwde uitingen van onze menselijkheid. En net zo had Jezus seksuele verlangens. Sterker nog, je zou kunnen zeggen dat zijn werk daardoor gemotiveerd werd, want de bijbel gebruikt meerdere malen voor het werk van Christus voor de gemeente de metafoor van bruidegom en bruid, en Openbaring eindigt met de bruiloft van het lam. Wij hoeven ons dus ook niet voor onze seksualiteit te schamen. We mogen ons eigen verlangen gewoon accepteren.

Ons eigen verlangen accepteren stelt ons in staat om de ander (man of vrouw) te zien als compleet menselijk wezen, in plaats van hem of haar af te wijzen om zijn of haar seksualiteit. Mijn vrouw heeft na al het onderwijs dat ik in de kerk had gekregen, flink op me moeten inpraten om me te overtuigen dat vrouwen het niet erg vinden om door mannen aantrekkelijk gevonden te worden, dat ze zich niet schamen als een man naar hen kijkt, dat ze dat zelfs waarderen en er veel voor doen. Ze gaf me als studiemateriaal het boek Bridget Jones’ Diary te lezen, van Helen Fielding. Ik heb het in vier treinreizen uitgelezen, met de spreekwoordelijke rode oortjes. Wat bleek? Vrouwen waren geen pure heiligen, die schrokken van mannelijke opwinding, maar ook geen prostituees, die er alleen maar op uit waren mannen tot zonde te verleiden. Vrouwen zijn gewoon en compleet mensen, inclusief een verlangen gezien te worden, begeerd te worden, geliefd te worden, inclusief een verlangen naar seksualiteit. En dat verlangen, ook het verlangen naar seks, is geheiligd door de vleeswording van Christus. Het is volledig geaccepteerd door God, wordt goedgekeurd, wordt toegejuicht (het boek Hooglied staat niet voor niets in de bijbel, en mijn pogingen als twintiger het allegorisch uit te leggen, waren behoorlijk misplaatst). In Openbaring wordt de kerk vergelen met een bruid die zich heeft mooi gemaakt voor haar man. Als dat niet een bevestiging is van dit verlangen, weet ik het ook niet. Dit zorgt ervoor dat ik niet bang hoef te zijn voor afwijzing door een vrouw, dat ik me niet hoef te schamen, maar ook dat ik een vrouw niet hoef te reduceren tot haar eigenschappen die mijn verlangen opwekken en zelf haar daarvoor afwijzen. Ik kan haar behandelen als volledig mens, als volledig individu, die zelf ook vrij is. Juist door de acceptatie van mijzelf en haar als seksuele wezens, kan ik haar volledig respecteren, zoals ik mezelf respecteer. Ook als ze ‘nee’ zegt tegen me. Daar is ze als individu immers vrij in. Alweer een voorbeeld hoe de radicale acceptatie die voortkomt uit de onvoorwaardelijke liefde van God, ons menselijke gedrag verandert.
Dit is overigens niet een betoog dat per se pleit voor seksualiteit buiten het huwelijk. Maar er is een groot verschil tussen het voelen van een verlangen en de manier waarop we het verlangen kiezen te vervullen. En dat onderscheid werd in de kerk waarin ik opgroeide veel te weinig gemaakt. Het idee bestond kennelijk dat het voelen van een verlangen automatisch leidde tot het in vervulling brengen ervan, ook als je daarvoor mensen respectloos moest behandelen, of hun keuzevrijheid moest afnemen. Een man die een vrouw aantrekkelijk vond, zou zich kennelijk niet kunnen inhouden om aan haar te zitten. Ik heb het in christelijke jongerentijdschriften gelezen, dat meisjes geen topjes met spaghettibandje zouden moeten dragen, omdat ze niet wisten wat ze daarmee tot stand brachten bij jongens. Ze zouden ze tot zonde verleiden. Dit is ook de reden dat in streng islamitische landen vrouwen een nikab of burkah moeten dragen, omdat mannen niet verantwoordelijk kunnen zijn voor hun eigen gedrag naar vrouwen toe. Deze visie is dus niet alleen denigrerend over vrouwen, maar ook over mannen. Alsof we tegen onszelf in bescherming moeten worden genomen en geen zeggingskracht hebben over ons gedrag. Maar dat is een leugen. Als ik mezelf zie als man, door God geliefd, waardevol zoals ik ben, kan ik ook afzien van de vervulling van een verlangen, wanneer dat niet respectvol zou zijn naar mezelf of naar anderen. De tekst uit Mattheus 5 die mij zo’n schrik aanjoeg, ging ook helemaal niet over onze menselijke reactie op schoonheid, maar over begeerte: de drang datgene wat je verlangt voor jezelf te bezitten, op te eisen. Dat is niet respectvol. Het is ons verlangen, vervormd door onze zelfzuchtige, transactionele manier van denken. Ons verlangen zou in plaats daarvan moeten worden geinspireerd door de liefde. Jezus was helemaal man, maar ging toch eerbaar om met een overspelige vrouw die hij midden op de dag in haar eentje tegenkwam bij de waterput, en met de prostituee die met haar haren zijn voeten waste. Maar hij maakte haar ook niet beschaamd over zichzelf. Zo kunnen wij ook zijn.

Als twintiger voelde ik me al schuldig over het feit dat ik stripboekjes doorbladerde met daarin aantrekkelijke getekende vrouwen. Ik schaamde me voor het effect dat vrouwelijke schoonheid op me had. Nu nam ik van mijn huwelijksreis in Londen uit de Forbidden Planet (een winkel met SF en fantasy-boeken, films en spullen) een ‘action figure’ mee van Commander Shepperd, de vrouwelijke hoofdpersoon van de Mass Effect-spellen die ik met veel plezier heb gespeeld (en waar ik vorig jaar een essay over heb geschreven), in futuristische uitrusting. De 'action figure' staat trots bij ons in de woonkamer. En elke keer als ik die zie, en kan toegeven dat ik haar pose mooi vind, glimlach ik vanwege de vrijheid die ik heb gevonden. Mijn vrouw is daar overigens ook behoorlijk blij mee, maar daar gaat dit blogbericht verder niet over.

dinsdag 3 december 2013

Over de drempel (5): de boodschap van de omhelzing

Ik herinner me nog goed een 25+ weekeinde van de EO, met als onderwerp de Heilige Geest. Een van de sprekers liet de zaal vier minuten naar God luisteren. Ik was nog wat onzeker, maar probeerde met mijn hart te ontvangen. Na een poosje kreeg ik het gevoel dat de Vader me wilde omarmen. Ik kon het echter niet geloven, waarschijnlijk was het mijn verbeelding. Ondanks mijn zenuwen liep ik naar voren om gebed te vragen. Alle leden van het nazorgteam waren bezet, behalve de spreker, die net van het podium kwam. Hij bad voor me en aan het eind zei hij: “Ik heb het idee dat God wil dat ik je een ‘hug’ geef.” En hij sloeg zijn armen om me heen en drukte me tegen zich aan.

Er zijn meerdere manieren om God te leren kennen. Niet het kennen van intellectuele zekerheden, maar het kennen in de zin waarin het woord in bijbelse tijden werd gebruikt (toen het woord ook voor geslachtsgemeenschap werd toegepast). Het relationele kennen. Dat zijn de bijbel (goed uitgelegd, dus theologie), de traditie, de natuur in haar schoonheid (hoewel die ‘rood van tand en klauw’ is), en het suizen van de zachte koelte waarin Elia de Heer ontmoette. De stem van God in ons hart, in ons binnenste. Ik geloof namelijk dat God met ons in contact staat, zich aan ons openbaart. Niet alleen via de heilige schrift, maar ook op een meer directe manier. Hij is er en Hij spreekt. Tot de een op de ene manier, tot de ander op de andere manier. Ik ken iemand die de Heer ontmoet tijdens het zingen van muziek, anderen ervaren zijn aanwezigheid tijdens het bidden, of in de kerkdienst. Sommigen bij het kijken van films. Anderen bij het ‘journaling’ - het biddend schrijven. Ik als ik over straat loop en in mijn gedachten met God spreek.
Ik zal nooit claimen dat de gedachten die dan in mij opkomen absoluut waar zijn (per slot van rekening is het onderbewuste van mensen tot veel in staat, ook tot het oproepen van Bijbelteksten en positieve bemoedigingen). Maar ik heb ook vaak meegemaakt dat de stem dingen tegen me zei die ik op dat moment niet voelde, of die op een bijna wonderlijke manier werden bevestigd door anderen. Ik ben die stem gaan vertrouwen. En die stem spreekt tot mij met liefde. De stem verzekert mij dat ik door God geliefd ben, dat hij blij met mij is, dat hij trots is op wat ik doe, dat ik niet bang voor hem hoef te zijn, ook niet als ik een paar weken niet met Hem gepraat heb. Hij brengt mij Bijbelteksten in de geest (dit jaar vooral de tekst: ‘Komt tot mij, allen die vermoeid en belast zijn, en ik zal u rust geven.’) Hij bevestigt mij. Hij geeft me leiding. En soms geeft hij beelden: dit voorjaar in de Anglicaanse kerk had ik de ervaring dat ik Jezus met liefdevolle ogen in mijn ogen zag kijken. Degene die tot mij spreekt heeft een bepaald karakter, en dat heb ik leren kennen. Het is namelijk sinds mijn kindertijd hetzelfde.

Een van de dingen die ik me de laatste maanden heb gerealiseerd, is dat ik niet in een theologie of een uitleg van de bijbel kan geloven die in strijd is met het karakter van God zoals hij zich al mijn hele leven aan mij openbaart. Zelfs niet als de stem van God in mijn binnenste maar een voortbrengsel zou zijn van mijn onderbewuste. Want ik kan niet handelen tegen mijn diepste overtuiging in zonder daaraan onderdoor te gaan. Het is zoals Frodo tegen Sam zegt aan het eind van de Lord of the Rings-serie: ‘You cannot always be torn in two.’ Te lang heb ik in een kerk gezeten waar van het podium uitspraken over God werden gedaan die tegen zijn karakter (door mij ervaren) in gingen: dat hij niet van mij zou houden zoals ik was, dat ik meer moest bidden en bijbellezen, dat ik bang moest zijn te kort te schieten. Te lang heb ik leerstellingen aangehangen die me bang voor Hem maakten, alsof Hij niet kon wachten me alsnog te straffen, terwijl Hij me juist probeert te overtuigen dat ik veilig bij hem was. Te lang heb ik gebeden geaccepteerd die suggereerden dat ik een ‘geest van onreinheid en verslaving’ had, terwijl Hij me juist wilde omhelzen. Ik heb geleerd dat schoonheid niet waardevol is, dat lezen een verslaving is, dat ik alles (mijn verlangens en mijn dromen) zou moeten opofferen. Dat Hij zo weinig om me gaf dat ik in de hemel veranderd zou worden zodat ik van zingen zou houden, of dat ik zelfs niet langer ‘man’ zou zijn maar onzijdig. Ik heb geprobeerd die leringen in evenwicht te houden met de woorden die ik van God ontving, maar dat had alleen maar als effect dat ik aan de woorden van de Heer ging twijfelen, dat ik er niet naar handelde, dat ik niet durfde mezelf te accepteren, zoals God mij accepteerde.
De laatste twee jaar heb ik een relatie met een hele lieve vrouw (nu ook daadwerkelijk mijn vrouw), die mij accepteert. En dat was (en is) een bizarre ervaring. Ze vindt het prima als ik soms geen antwoord weet, of als ik verward of moe ben, of zelfs chagrijnig. Ze houdt van mij als ik een afspraak vergeet, of me erger aan andere mensen. Ze accepteert dat ik van schrijven en lezen houdt, en van aquariums, en accepteert dat ik introvert ben. Ze accepteert me meer dan ik mezelf accepteer. Ik mag bij haar mezelf zijn, zonder dat ik aan mezelf hoef te werken, of mezelf hoef te veranderen. Ik ben genoeg. Dat is een bijzondere en helende ervaring. Eindelijk kan ik de teugels een klein beetje laten vieren en opgelucht ademhalen. Maar opnieuw geldt hier: als mijn vrouw al zo van mij kan houden, mij (met mijn goede en slechte eigenschappen) kan accepteren, waarom zou God dat niet kunnen? Waarom zou hij niet gewoon blij met mij kunnen zijn? Zoals ik ben? We kennen allemaal het mantra: ‘God houdt van je zoals je bent, maar hij houdt teveel van je om je zo te laten.’ Maar lees hem eens goed: hier staat dat God misschien in abstracte zin van je houdt, maar je nog steeds niet accepteert. Je bent nog steeds niet goed genoeg. Brennan Manning vormt deze zin zo om: ‘God houdt van je zoals je bent, niet zoals je zou moeten zijn.’

En de ironie is natuurlijk dat deze liefde me dus wel verandert. Omdat mijn vrouw mij zo onvoorwaardelijk accepteert, wil ik ook haar accepteren en stimuleren meer zichzelf te worden, wil ik voor haar koken ook als we dat niet hebben afgesproken, omdat ik van haar hou, en doe ik mijn best om niet al te vaak te mopperen, of cynisch te zijn. Zo is het natuurlijk met Gods acceptatie ook. De verloren zoon uit de gelijkenis zal ook zijn veranderd. Maar niet omdat hij moest veranderen! De vader omhelsde hem toen hij nog naar varkens stonk. ‘God houdt van je zoals je bent, en daarom blijf je niet dezelfde’. Alleen al het idee dat God werkelijk van me zou houden zonder dat ik bang voor hem hoef te zijn, vult me met dankbaarheid, doet me aanbiddingsliedjes zingen en laat me met een andere blik naar mijn medemensen kijken. En doet me lange blogberichten schrijven. En geeft me het verlangen te bidden en naar hem te luisteren.
Liefde wakkert het verlangen aan. Omdat God mij, de echte Johan, omhelst en accepteert, komt het verlangen uit mijn werkelijke binnenste. Deze verlangens zijn deel van mij, niet van buiten opgelegd, en ernaar leven voelt ‘vanzelf’. Ik ben zo geprogrammeerd om te handelen uit schuldgevoel en verplichting, dat ik er van schrik als ik opeens uit mezelf zin heb om te bidden, of dat ik uit mezelf graag naar de kerk wil, en niet uit discipline. Ik ben zo gewend aan de stok, dat ik verbaasd ben als die uitblijft. Dit ongedwongen verlangen is de manier waarop ik vrucht ga dragen. Jezus zei het al in Johannes 15: de manier om vrucht te dragen is door in Hem te blijven. Ergens anders zegt hij dat we in zijn liefde moeten blijven (v9). Als we dat doen, komt de vrucht vanzelf. Dat is dan niet meer iets waar we voor werken (gedreven door een verlangen naar beloning of angst voor straf), maar iets dat voor ons net zo vanzelfsprekend is als ademhalen of een favoriete hobby. Of knuffelen (om bij het voorbeeld van het huwelijk te blijven). Liefde geeft de toestemming om mezelf te zijn en wekt daardoor verlangen op.
Ik realiseerde me dit toen we een paar weken geleden in de kerk Galaten 5 lazen, over de werken van het vlees, en de vruchten van de Geest. Ik boog naar mijn vrouw toe en zei (zacht, natuurlijk) tegen haar: ‘De werken van het vlees zijn allemaal voorbeelden van respectloos zijn, naar jezelf en vooral naar anderen. Iemand die de vrucht van de geest voortbrengt, zal echter respectvol zijn’. Dat was een inzicht dat me (heel even) stil maakte. De ‘werken’ van het vlees zijn allemaal dingen die je actief moet ondernemen. Ze eisen een keuze, en wel de keuze om zonder respect te handelen. De vrucht van de Geest bestaat uit eigenschappen -geen handelingen- en dus niet om daden die je kunt verrichten. Je kunt blij doen, maar je kunt jezelf niet blij maken. Je kunt de vrucht van de Geest niet afdwingen. Je kunt er alleen naar verlangen. God kan, door zijn liefde, het verlangen in je opwekken om ook liefdevol te zijn. Van Gods liefde wordt je blij. Gods liefde neemt de behoefte aan agressie weg en maakt dat je behoeftes niet direct hoeven te worden bevredigd. Als God van je houdt, ga je anderen vriendelijker behandelen. Je wilt anderen helpen en goed doen, en blijft naast mensen staan in tijden van tegenspoed. Je wordt niet snel meer boos als je zekerheid is geworteld in de woorden van God. En je hebt geen verslavingen meer nodig als de leegte in je hart wordt gevuld door de omhelzing van je eeuwige Vader. De respectloze werken van het vlees zijn nu minder aantrekkelijk. En je gaat anderen behandelen zoals God jou behandelt: als waardevolle, unieke individuen, die een eeuwige betekenis hebben. Hoe dit leven er uitziet beschrijft Jezus in zijn bekende bergrede. Dit is het leven van het koninkrijk van God, het leven dat in Hem is geopenbaard, het leven dat onlosmakelijk verbonden is aan Gods onvoorwaardelijke liefde.

Als Jacobus waarschuwt dat een geloof dat geen vrucht voortbrengt, dood is, doelt hij op het hierboven beschreven proces. Mijn geloof in de kerk waar ik opgroeide was dood (en dat van veel anderen in die kerk ook, want ik zag weinig liefde, om van blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing nog maar te zwijgen). Het veranderde mij niet werkelijk, omdat het mij motiveerde door angst (en beloning. Maar de beloning was vooral het gevrijwaard blijven van straf. De hemel werd niet echt aanlokkelijk voorgesteld). Ik was bang dat God boos op mij zou worden, bang dat ik tekort zou schieten, en dus deed ik hard mijn best om te bidden en de bijbel te lezen. En omdat ik van huis uit een goede discipline heb, lukte dat ook. Vervolgens voelde ik me trots op mijn religieuze succes en mijn Bijbelkennis. Ik vond dat anderen ook zo moesten leven. Ondertussen voelde ik me diep schuldig over wie ik was. Ik verlangde namelijk nog steeds naar het lezen van verhalen (en nog meer naar het schrijven ervan), naar schoonheid, naar (ja, echt) seks. Dat kon natuurlijk niet. Ik kon mezelf niet accepteren. En als ik al ontevreden was over mezelf, dan God helemaal. Ik moest immers volmaakt zijn, zoals mijn hemelse vader volmaakt was. En elke zonde die ik deed droeg bij aan de pijn van Jezus aan het kruis. De tijd was bovendien kort.
Oh, mensen zeiden wel eens dat ik mezelf moest leren zien, zoals God mij zag. Maar ik wist dat God ten diepste boos op mij was, en mij en mijn verlangens moest afwijzen en straffen, als Jezus niet tussenbeide was gekomen. Dus deed ik nog meer mijn best. Het was een spiraal naar beneden die ermee eindigde dat ik diep, diep overspannen raakte. Maar ik ben ervan overtuigd dat als ik niet zo stressgevoelig was, ik was geëindigd als de broeders op de voorste rij, die zich heel geestelijk voelden, maar er geen been in zagen mensen uit te sluiten uit de gemeenschap, mensen zwart te maken, met de armen over elkaar te zitten uit protest tegen nieuwe liederen, en een kerkscheuring te veroorzaken. Dat is volgens mij een werk van het vlees. Geen vrucht van de geest. Het is een teken van disrespect, van het niet waardevol vinden van mensen die anders geloven, of niet geloven (waarom zou je? God houdt niet werkelijk van ze, zolang ze niet veranderen of de juiste dingen gaan geloven.) Volgens mij was dit zowel voor mij, als voor de broeders in de kerk, een dood geloof.

De weg naar een leven dat vrucht draagt, loopt via de radicale liefde van God en dus via radicale zelfaanvaarding. Dat is het pad waar ik mezelf nu op bevind. Ik bedoel niet dat ik daarmee mijn slechte kanten goedpraat, of geloof dat ik zomaar levende kittens mag villen of mijn huwelijksbeloften mag breken. Goed blijft goed, slecht blijft slecht. Moraal blijft eeuwig. Gods liefde voor mij geeft mij, zoals ik al zei, juist het verlangen om goed te zijn en te doen, om te groeien in zijn beeld. Maar mijn goedheid of slechtheid heeft niks te maken met de mate waarin ik door God aanvaard ben, de mate waarin God van mij houdt en mij accepteert. Als God over David kon zeggen dat hij een man naar zijn hart was (met al zijn vrouwen en bijvrouwen, en de kwestie van Batseba), dan zegt hij dat ook van mij. Dat ik zijn oogappel ben en dat Hij gedurig weder aan mij denken moet (Jeremia 31:20). Dat is wat Jezus heeft laten zien. Greg Boyd noemt kerstmis in een van zijn preken ‘the bearhug from the manger’. De hele wereld bevindt zich al vanaf de eeuwigheid in de omhelzing van God, is wat Jezus laat zien. En hij is niet van plan om ons ooit nog te laten gaan. Zelfs niet als we tegen hem aanschoppen, hem beledigen, hem pijn doen. Die pijn accepteert hij namelijk net zo goed. Het kruis is daar ontegenzeggelijk het beeld van. Hij accepteert zelfs een gruweldood als misdadiger, zonder te reageren met straf. Dan accepteert Hij onze opstandigheid ook. Maar dat betekent dat ik mezelf ook op deze manier mag accepteren. Zonder voorwaarden. Met mijn onvolkomenheden. Ook als ik niet perfect ben (voor een perfectionist als ik is dat moeilijk).
Ik schreef een paar jaar geleden op mijn blog over een openbaring die ik had bij het lezen van Kind aan Huis van Brennan Manning, toen tot me doordrong dat als God mij al zo tegen zich aandrukte zodat ik zijn hartslag kon horen, zonder me te veroordelen, als God bij voorbaat tegen me zegt dat ik zijn geliefde zoon ben in wie Hij welbehagen heeft, dat ik mezelf dan ook niet moest afwijzen, ook niet om mijn (in mijn ogen) tekortkomingen. 'Alles, groot klein, belangrijk, onbelangrijk, veraf en dichtbij, heeft zijn plaats, zijn betekenis en zijn waarde. Door onze vereniging met Hem gaat niets verloren, raakt niets kwijt. Er is nooit een moment dat geen eeuwigheidswaarde kent, geen handeling staat op zichzelf, geen liefde blijft vruchteloos, geen gebed blijft onopgemerkt. 'Wij weten nu, dat God ALLE dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben' (Romeinen 8:28). Al die teleurstellende, waarneembare, of verborgen gebeurtenissen, ziektes, misverstanden, zondes, zelfs die van onszelf) zullen de uiteindelijk vervulling van ons leven dat in Christus verborgen is in God, niet verhinderen.' Dat lukte niet van het ene op het andere moment, en ik heb het er nog steeds moeilijk mee, maar het is wel de weg waar ik me sindsdien op bevind. Het maakt me vrijer. Het maakt me productiever. Het maakt me liefdevoller en begripsvoller. Het maakt dat ik de stem van God die in mijn hart tot me spreekt, eindelijk kan geloven. Dat ik me door hem kan laten omhelzen. Of althans, een beetje. Ik ben op de weg, maar ik ben nog niet aangekomen.

Eerder schreef ik over ditzelfde thema een blogbericht onder de titel ‘Ongelofelijk simpel’, dat nog wat verdieping biedt. Zo eenvoudig is het!

maandag 2 december 2013

Over de drempel (4): het verhaal van de vader

Een tijdje geleden, het was nog zomer, was op zondagmorgen de kerkdienst afgelopen. Ik was onder de indruk en wilde tegen mijn vrouw (toen mijn verloofde) vertellen wat ik ervan had gevonden. Terwijl ik praatte, trok ik in mijn enthousiasme mijn jas aan en zette mijn hoed op. Al pratend liepen we naar de uitgang. Onderweg werd ik door een dametje aangesproken. Of ik Nederlands sprak. Ik knikte. Ik dacht: nu word ik door iemand welkom geheten in de kerk! Zou leuk zijn. Maar nee, ze vroeg of ik christen was, en zei dat ik mijn hoed in de kerk moest afzetten. “Want ik heb wel respect voor God”, zei ze. Ik deed het, maar ik voelde me wel heel vervelend. Zij had trouwens geen hoofdbedekking op, maar dat terzijde. Toen ik het verhaal later aan anderen vertelde, suggereerden die dat deze mevrouw ‘het wel goed bedoelde’. Dat ze ook Jezus wilde volgen en dat dit haar manier was. Je hoort het onder christenen wel vaker: de suggestie dat we niet iets verkeerds van iemand kunnen zeggen, omdat hij ook in de kerk zit, of dat we de mening van iemand anders moeten respecteren omdat hij ook in God gelooft. Alsof het delen van een paar intellectuele overtuigingen maakt dat ik alles maar van iemand moet accepteren!
Jacobus zegt dat ook de demonen geloven dat God een is, en zij sidderen. En van de Farizeeen kon niet gezegd worden dat ze ongelovig waren of zelfs dat ze theologisch duidelijke onjuistheden predikten. Toch noemt Jezus ze ‘adderengebroed’. De dwaalleraars die in Galaten langskwamen, geloofden ook in God en in Jezus, maar Paulus zegt dat deze wetsverkrachters zich maar moeten laten castreren. Dat is ferme taal. Kennelijk hoef je niet alles maar te accepteren van mensen die zich christen noemen. Sterker nog: soms hebben mensen die zich christen noemen en zeggen dat ze het evangelie brengen, het gewoon fout. Opnieuw een citaat van Paulus in Galaten: ‘Wanneer iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat ik u verkondigd heb, al was ik het zelf of een engel uit de hemel - vervloekt is hij!’ (Galaten 1:8). Zelfs als iemand een engel is, kan hij het fout hebben. En een foute boodschap is schadelijk. Daarom waarschuwt Jezus dat het beter is om met een molensteen om de hals in zee geworpen te worden dan een van zijn kleinen tot zonde te verleiden (en volgens mij bedoelt hij hier de zonde van de Farizeeen, die mensen buiten het koninkrijk wilden houden).
Nu ben ik vriendelijk aangelegd, en bovendien kan ik geen 100 procent zekerheid claimen voor mijn eigen overtuigingen (die zijn ook maar tot stand gekomen door een lang proces, een proces dat bij andere mensen anders verloopt), dus zal ik tegen andere christenen niet de woorden bezigen die Paulus of Jezus gebruiken. Mensen hebben het recht zelf hun ideeën te vormen, ook als ik het er niet mee eens ben. Ook als dat het idee is dat ik mijn hoed pas weer op mag zetten als ik de deur van de kerk uit ben. Paulus zegt ten slotte ook iets over hoe sterke christenen afzien van het eten van offervlees als dat een zwak christen tot zonde zou verleiden (maar vice versa ook dat zwakke christenen geen aanstoot moeten nemen aan sterke christenen die wel de vrijheid hebben offervlees te eten, of een hoed te dragen). Maar wat ik voor mezelf wel geloof is dat ik niet iedereen evenveel zeggenschap in mijn leven hoef te geven. Als mensen een boodschap brengen die ingaat tegen het goede nieuws, die eraan af doet of eraan toevoegt, dan hoef ik daar niet net zo serieus naar te luisteren als naar ieder ander. Ik hoef niet mijn eigen geloof steeds aan dat van hen te scherpen. Want ze hebben het mis. Hun boodschap, als die suggereert dat God niet onvoorwaardelijk van ons houdt, of dat wij zelf door ons geloof of onze daden iets aan die liefde kunnen veranderen, is niet onschuldig of misleid, maar is gewoon fout. Die boodschap is, hoezeer de woorden ook lijken op die uit de bijbel, antichristelijk.

Wat op het spel staat is namelijk de natuur van God zelf. Is God liefde, zoals de bijbel zegt, of is hij dat niet? Dat is de kern van het probleem. Oh, mensen zullen allemaal beamen dat God liefde is. Maar vervolgens zullen ze die liefde kwalificeren. "God is dan wel liefde, maar hij kan onze zonde niet door de vingers zien. Zelfs het kleinste leugentje is voor hem al zo ernstig dat hij ons naar de hel moet sturen. God is liefde, maar hij is ook rechtvaardig. Hij moet wel eerlijk zijn, en dat betekent dat hij ons moet straffen." In dit bericht op Internetmonk vind je een hele rij van dergelijke citaten. En dit is precies wat ik in het verleden over God heb meegekregen. God is liefde, maar hij kan mij desondanks niet in zijn aanwezigheid verdragen.
Maar, merkt de schrijver op Internetmonk ook op, dat betekent dat mensen elkaar dus meer kunnen liefhebben dan God. Dat mensen grotere liefde tonen dan God. Want mensen zijn wel in staat om iemands overtredingen door de vingers te zien. Mensen zijn wel in staat om iemand te vergeven, zonder dat er iets tegenover hoeft te staan. Mensen zijn in staat om anderen een tweede kans te geven, om onvolkomenheden te accepteren, en zelfs partners en kinderen terug te ontvangen ook als ze de grootste overtredingen hebben begaan. Mensen kunnen een onvolmaakt mens liefhebben, gewoon omdat ze daarvoor kiezen. Waarom zou God dat dan niet kunnen? De tekst uit 1 Korintiers 13 over de liefde is niet alleen een opdracht voor ons, mensen, maar is ook een beschrijving van Gods liefde.
'Gods liefde is geduldig en vol goedheid. Gods liefde laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan. Gods liefde verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. Alles verdraagt Gods liefde, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze.” Gods liefde bedekt ‘tal van zonden’ (1 Petrus 4:8).
God is als de vader in de gelijkenis van de verloren zoon, die altijd van de jongen is blijven houden, die hem tegemoet komt rennen en in zijn armen sluit, en hem, zonder dat de jongen nog maar zijn excuses heeft aangeboden, al zijn mantel omdoet en zijn zegelring aantrekt. En het gemeste kalf voor hem laat slachten. Volgens Robert Farrar Capon is het gemeste kalf een beeld van Jezus. En let nu op: het kalf werd niet geslacht om de liefde van de vader voor de zoon mogelijk te maken. De vader hield namelijk altijd al van de zoon. Het kalf werd geslacht om de liefde van de vader voor de zoon zichtbaar te maken. Het was een sacrament. En dat is een groot verschil. Het was de oudste broer die bleef volhouden dat het kalf iets transactioneels moest zijn. Dat hij hard had gewerkt en dat daarom een geitenbok geslacht moest worden. Dat hij er recht op had. De oudste zoon staat voor degenen die denken dat God ons niet kan liefhebben, zomaar omdat hij liefde is, maar dat er ook voor God aan voorwaarden moet worden voldaan. Hij is degene die vindt dat God eerlijk moet zijn. En daarom stond hij buiten het feest. Omdat hij gewoon te trots was.

Maar wanneer is liefde tussen mensen nou echt eerlijk? Zodra een liefdesrelatie tussen mensen verwordt tot een ‘voor wat hoort wat’-relatie, als twee geliefden gaan bijhouden hoeveel de een in het huishouden doet, en hoeveel meegebrachte bosjes bloemen opwegen tegen een avondje uit, is er geen sprake meer van liefde. Dit is het geval elke keer als er een transactioneel element in een relatie komt. Bij een transactionele relatie staat er altijd iets op het spel. Ook in een huwelijk. Als je met elkaar trouwt omdat je daardoor een financieel voordeel wilt bereiken, of omdat je van de eenzaamheid van het vrijgezellenbestaan af wilt, dan verwacht je iets van de ander, dan moet de ander iets voor jouw doen of betekenen. En wordt je boos of teleurgesteld als die dat niet doet. Dat geldt zelfs als je trouwt als transactie om daarmee een gezin te stichten of omdat je kinderen wilt. Een transactionele relatie is geen liefde, want liefde is oneerlijk. Liefde probeert met het bosje bloemen niet iets bij de ander te bereiken (bijvoorbeeld dat die de afwas doet); liefde wil met het bosje bloemen de grootte van de liefde laten zien. Liefde -in haar ideale, onvoorwaardelijke vorm- is dus sacramenteel.
En zo is het met God ook. Gods liefde is oneerlijk. Hij kan gewoon besluiten ons te accepteren in zijn aanwezigheid en dat doet hij ook. God is niet aan de wet onderworpen, of aan andere regels over wat hij wel of niet kan doen. Robert Farrar Capon zegt: ‘God is a crook’. God is niet een pietje precies, een rechter met een weegschaal, een pinnige onderwijzer (als professor McGonagal in de Harry Potter-verhalen). Hij is iemand die het niet zo nauw neemt met de regels, als hij zijn doel maar bereikt. Hij is bereid zijn handen smerig te maken. Hij neemt de verantwoordelijkheid op zich van kwaad en pijn, en weigert aan ons verantwoording af te leggen. (Een beetje als professor Dumbledore in Harry Potter and the Prisoner of Azkaban, die zelf Harry en Hermione adviseert om tegen de regels in door de tijd te reizen en zo Sirius Zwart te redden). Hij heeft namelijk zelf ook een belang in de hele zaak. Hij is niet onpartijdig. Als het kruis en de opstanding iets laten zien is het dat wel. God werd gekruisigd als een misdadiger, maar uiteindelijk kwam daar nieuw leven uit voort. We kunnen God dus niet vertrouwen dat hij eerlijk is. We kunnen er alleen van op aan dat hij goed is: dat is wat het teken van het kruis laat zien. C.S. Lewis zegt het al over Aslan: hij is wel goed, maar niet veilig. Het belang dat hij in de zaak heeft, dat zijn wij. Hij zoekt niet egoïstisch zijn eigen verheerlijking, maar ons behoud. Er is met de weegschaal geknoeid, maar in ons voordeel. En dat geknoei is al gebeurd voor de grondlegging van de wereld.
De dobbelsteen was altijd al zo gewogen dat hij voor ons boven kwam te liggen.

Daarom kan Johannes dus zeggen dat de liefde de angst uitsluit, “want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden” (1 Johannes 4:18). God motiveert ons niet met externe motivatoren zoals straf en beloning.
Straf en beloning zijn inherent transactioneel. Ik doe iets en daarmee bewerk ik iets goeds of slechts voor mezelf. Deze motiverende factoren worden gebruikt op het werk (in het functioneringsgesprek), of in de maatschappij (alle toenemende regelgeving), of in de kerk (om een organisatie draaiende te houden). Maar deze organisaties hebben mij niet lief. Als ik niet goed functioneer, word ik ontslagen, hoeveel de werkgever ook om me geeft. Er wordt niet zomaar iets door de vingers gezien. Maar met deze externe factoren delf ik zelf het onderspit! Mijn persoon, wat mij waardevol maakt, wat ik zelf wil, moet verdwijnen. Ik moet doen alsof. Uiteindelijk word ik daardoor moe en overspannen. Externe motivatoren kunnen me dus niet werkelijk veranderen. Ze veranderen alleen maar wat ik aan de buitenkant laat zien.
Alleen onvoorwaardelijke acceptatie, onafhankelijk van mijn gebed, onafhankelijk van mijn gedrag, of mijn religiositeit, kan mijn motivatie van binnenuit veranderen. Alleen liefde kan ervoor zorgen dat ik werkelijk een ander mens wordt. Zo geldt het in menselijke relaties, zoals een huwelijk, ook. En dat betekent dat er geen dreiging is van straf, maar ook geen beloning die me als wortel voor de neus wordt gehouden. Alleen liefde. Oneerlijke liefde.

Het enige wat wij kunnen doen, is erop vertrouwen dat het teken van Jezus’ dood en opstanding betrouwbaar is en dat God werkelijk van ons houdt. En daardoor zal ons leven veranderen. We zullen onszelf gaan accepteren, ongezonde patronen zullen afzwakken, we zullen anderen zien als mensen die ook door God geliefd zijn en hen gaan respecteren, we zullen de stem van God willen horen die met liefde tot ons spreekt. En daarvan zullen we genieten. Dat is de enige beloning: dat de liefde waarop we vertrouwen meer en meer werkelijkheid voor ons zal worden en wij zelf meer zullen liefhebben.
Maar als we niet willen accepteren dat Gods liefde onvoorwaardelijk is, als we voorwaarden willen verbinden aan het geschenk van God, zullen we niet kunnen geloven dat we werkelijk geaccepteerd zijn zoals we zijn, zullen we anderen niet zien als geliefd door God, en zullen we bezig blijven met onze eigen systemen van straf en beloning. Dan zijn we als de oudste zoon van de vader, die op het veld bleef, buiten het feest, omdat hij de oneerlijkheid van de vader niet kon accepteren. En dat is dan onze ‘straf’.
Maar ‘straf’ is niet het juiste woord, want God dreigt er niet mee. Het is niet iets dat God ons zal aandoen als we per ongeluk tekort schieten. De vader staat aan het eind van de gelijkenis nog steeds bij zijn zoon en probeert hem over te halen toch naar het feest te komen. De vader straft niet. Hij is liefde. Het is een gevolg van zijn keuzes, een consequentie die deze zoon zelf over zich heeft uitgeroepen, door te weigeren de liefde van de vader te accepteren. En weigeren de sacramentele liefde van God te accepteren (de drijvende kracht onder de schepping), is kiezen voor het niets, voor de leegte, want buiten de scheppende kracht van de liefde is er niets. Daarom de beelden over de buitenste duisternis. Helaas suggereert Johannes in 3:19 dat er mensen zijn die de duisternis liever hebben dan het licht. En dat is gelijk hun oordeel, zegt de schrift.

Dus is het belangrijk welk beeld van God we uitdragen. Het is geen bijzaak, het is hoofdzaak. Het is wat het evangelie werkelijk ‘goed nieuws’ maakt. Greg Boyd zei het eens: als het te goed lijkt om waar te zijn, is dat een teken dat je de goede richting op denkt.

zondag 1 december 2013

Over de drempel (3): het voorbeeld van de ijsberg

Het verschil tussen de transactionele en de sacramentele blik op de werkelijkheid wordt door Robert Farrar Capon op de volgende manier inzichtelijk gemaakt: volgens hem zien wij God vaak als een kleermaker, die af en toe met zijn naald in de stof van de geschiedenis prikt. Op het moment van de schepping, van de uittocht uit Egypte, van Jezus’ leven en zijn dood en opstanding. Dat waren momenten dat God handelde en de koers van de gebeurtenissen veranderde, waarop dus bepaalde transacties plaatsvonden tussen onze natuur en Gods bovennatuur. Maar verder is God van ons gescheiden en verloopt de geschiedenis onafhankelijk van Hem. Maar een sacramentele visie ziet God als de werkelijkheid ‘onder’ de werkelijkheid, als de waarheid onder de geschiedenis. Dat wil zeggen dat zijn liefde en herstel de koers van alle gebeurtenissen bepalen, zodat uiteindelijk zijn koninkrijk verschijnt. En dit is nu al waar. Zijn liefde is de 'diepere magie' zoals Lewis het noemde. En op sommige momenten wordt deze realiteit al zichtbaar zichtbaar. God is als het ware de ijsberg die zich bevindt onder alle tijd en eeuwigheid, en die ondersteunt en voortdrijft. De schepping, de uittocht uit Egypte, Jezus’ leven, dood en opstanding, zijn niets anders dan de punten van de ijsberg die op sommige plekken boven het water uitsteken. Aan die punten kun je zien wat zich onder water bevindt.
De goddelijke daden in de geschiedenis zijn niet slechts de zeldzame interventies van een werkelijkheid die daarvoor niet aanwezig was”, zegt Capon in zijn boek Kingdom, Grace, Judgment. “Ze zijn eigenlijk uitgespeelde gelijkenissen -sacramenten, zo je wilt, ‘werkelijke aanwezigheid’- van een realiteit die er altijd al was, maar onzichtbaar ... Het totaal van het mysterie dat aan de schepping ten grondslag ligt, is aanwezig op elk moment dat deze sacramentale verschijningen van het mysterie plaatsvinden ... Precies zoals elke punt van de ijsberg die boven de golven uitsteekt, het zichtbare deel is van een en dezelfde ijsberg, zo is elke doorbraak van het mysterie in onze werkelijkheid een zichtbaar aspect van een en hetzelfde mysterie.”
En dat mysterie is dat God degene is die uit liefde schept. Dat we allemaal door God geliefd zijn, en dat we als we dood zijn door hem uit het graf zullen worden opgewekt. Ja, dat de hele schepping (die immers aan het eind van de tijd tot niets zal afkoelen) uiteindelijk zal worden vernieuwd. Het is een mysterie, omdat we niet kunnen uitleggen hoe dat gebeurt. Het is namelijk geen transactie, niet iets mechanisch, niet iets waar wij iets aan kunnen bijdragen. Het is zelfs niet tot stand gebracht door Jezus’ dood en opwekking. Jezus’ dood en opwekking zijn er het beeld van, een teken. Zoals je ziet dat het lente wordt als je de eerste krokussen ziet, zoals je weet dat het oogsttijd wordt als je de eerste rijpe aren kunt plukken, of als de eerste appel van de boom valt. Op die manier is Jezus de eersteling van hen die ontslapen zijn, de eerste oogst van de doden die zullen worden opgewekt. (Kolossenzen 1:18) Het herstel van alle dingen begint bij hem. Maar ook eindigt het in hem. Hij omvat alle dingen. Hij heeft de leegte genomen en die gevuld. Alles is in hem, door hem en tot hem geschapen. “Hij bestaat voorafgaande aan alles en alles bestaat in hem” (v17). En in hem is alles verlost. “Alles op aarde en alles in de hemel.” (v20). Zo groot is zijn verlossingswerk, zijn vernieuwingswerk. Het is letterlijk kosmisch, want het bevat het hele heelal. Maar tegelijk was het klein: te zien aan het kruis, waar Jezus stierf, om drie dagen later uit de dood te worden opgewekt. Daarom kan van hem gezegd worden dat hij het lam is, dat is geslacht, sedert de grondlegging van de wereld (vgl. Openbaringen 13:8 NBG). Zijn dood en opstanding waren een punt van de ijsberg, die boven water uitstak. Kleiner dan de ijsberg zelf (een enkel mensenleven), maar toch onmiskenbaar deel van de ijsberg. Hetzelfde materiaal. Zelfs dezelfde vorm, dezelfde glinstering. Dezelfde waarheid. Wie de punt van de ijsberg heeft gezien, weet hoe de ijsberg is. Jezus zei het: wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien. Heeft gezien dat God van eeuwigheid af al schept uit het niets. De onzichtbare man had even een hoedje op, zodat we hem konden waarnemen.

Laten we de metafoor van hierboven nu nog wat verder doortrekken: een punt van een ijsberg heeft zelf ook uitstulpingen, zelf ook punten en pieken. Als je van dichterbij kijkt zie je zelfs op deze punten onregelmatigheden. Toch bestaan de onregelmatigheden en de pieken ook uit ijs. Ze glinsteren. Ze hebben scherpe kanten. Je bent afgedaald naar een kleiner schaal - je kijkt naar decimeters in plaats van meters, maar je kijkt naar dezelfde ijsberg. Zo is het ook met de werkelijkheid. Want het mysterie van leegte en schepping, van dood en opstanding, speelt zich ook af op het niveau van ons leven. Dezelfde God die Jezus uit de dood opwekte, geeft ook ons eeuwig leven. Waar wij zwak zijn, is hij sterk. Als wij sterven, doet hij ons opstaan. Wat geldt voor de schepping als geheel, wat gold voor Jezus tweeduizend jaar geleden, dat geldt nu ook voor ons. Dit is het mysterie van het evangelie, van het goede nieuws dat de engelen al brachten toen Jezus werd geboren. We zijn deel van dezelfde ijsberg.
In een eerder blogbericht heb ik de beeldspraak van de fractal gebruikt. Je kunt op internet veel afbeeldingen vinden van fractals. Kort gezegd komt het hierop neer: in een fractal wordt steeds dezelfde vorm herhaald. Je ziet een groot silhouet, omgeven door kleinere silhouetten. Maar als je goed kijkt, hebben die dezelfde vorm als het grote silhouet, en ze worden zelf ook weer door nog kleinere silhouetten omgeven. En die zijn ook weer van dezelfde vorm. En worden ook weer door kleinere omgeven. En zo door. Tot in het oneindige. Als je het plaatje onder de microscoop zou bekijken zou je nog steeds dezelfde vormen tegenkomen. Als je vervolgens weer uit zou zoomen, zou je opmerken dat het grote silhouet eigenlijk is opgebouwd uit de kleinere silhouetten. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat we leven in een fractalwerkelijkheid. Kijk naar de natuur: overal zie je dat grotere vormen zijn opgebouwd uit kleinere, en die uit nog weer kleinere eenheden, en die uit nog weer kleinere, tot aan cellen en celorganellen toe. Het makkelijkst is dit te zien bij varenbladeren, of vertakt koraal, of in onze nieren. Maar het blijkt dat ook bijvoorbeeld de vorm van bergen met fractalformules te beschrijven is, en dus is het niet zo vreemd als ook ijsbergen eigenlijk fractals zijn: grote vormen, waarin kleinere vormen herhaald worden.
Volgens mij kun je deze beeldspraak toepassen op het evangelie. Het is een fractalwaarheid. De waarheid van schepping uit het niets, de creatie van leven uit liefde, die de grondslag is van onze werkelijkheid, wordt zichtbaar op het niveau van Jezus’ leven, zijn dood en opstanding. God die mens werd, die zich met ons identificeerde en net als ons dood ging, maar door liefde werd opgewekt. Op een niveau lager geldt deze waarheid dus voor ons, een niveau dieper in de fractalafbeelding: zoals Jezus stierf en opstond, sterven wij en staan wij op. Wij zijn het lichaam van Christus, de cellen die dood gingen en levend werden. Dezelfde waarheid is waar voor ons.

Maar de fractal heeft nog een dieper niveau, bijna microscopisch. Dat zijn de sacramenten. Ja, de naam zegt het al. De sacramenten zijn tekenen waarin op het niveau van materie (water, brood en wijn, maar ook de kerk die tegelijk het lichaam van Christus is) zichtbaar wordt wat waar is op het niveau van ons eigen leven, wat waar was voor Jezus in zijn dood en opstanding, en wat waar is op het allerhoogste niveau: de natuur van God, de Opstanding en het Leven. En zoals het ijskorreltje op de ijsberg bestaat uit ijs, en dus deel is van het grote geheel, zo is Jezus aanwezig in brood en wijn, en zo worden door de doop echt zonden afgespoeld.
Dat betekent echter niet dat het transacties zijn. Ik denk dat dit de vergissing is die ten grondslag ligt aan veel discussie over de sacramenten. Toen mijn vrouw en ik trouwden, zagen we het niet als een transactie. Onze liefde voor elkaar en de manier waarop we met elkaar omgingen veranderde niet door de ceremonie. Maar toch wilden we wel trouwen. We zouden niet minder van elkaar hebben gehouden als we niet waren getrouwd (en ons zou een hoop georganiseer gespaard zijn gebleven). Maar we wilden onze liefde zichtbaar maken. Zodat ook wij op dat ene moment konden terugkijken en weten dat onze liefde voor elkaar werkelijkheid is! Onze liefde is er niet van afhankelijk, maar toch konden we niet zonder.
Net zo brengen doop en avondmaal brengen zelf helemaal niets tot stand. Ze maken ons niet rechtvaardiger dan we al zijn. Ze maken ons niet heiliger en ze maken ook niet dat God meer van ons houdt of ons meer accepteert. Ze hebben geen magische kracht. Ze veranderen niets. Maar aan de andere kant zijn het niet slechts symbolen. Ze dienen niet om ons te laten terugdenken aan het verleden, of aan Jezus’ dood en opstanding, als veredelde geheugensteuntjes. Het hadden niet even goed andere symbolen kunnen zijn. Jezus zegt wel degelijk: ‘dit is mijn lichaam’ en ‘dit is mijn bloed’. En eerder had hij gezegd dat mensen om behouden te worden zijn lichaam moesten eten en zijn bloed moesten drinken (zie Johannes 6). Dat betekende niet dat hij kannibalisme promootte. Hij bedoelde (meen ik) dat in mensen hetzelfde moest gebeuren als met hem, namelijk dat ze moesten sterven en door God moesten worden opgewekt uit de dood. De waarheid die in hem werkzaam was  tijdens zijn leven, dood en opstanding, (dezelfde Macht, zie Efeze 1:20) moest ook werkelijkheid worden in onze levens.
Maar het feit dat de Romeinen de eerste christenen beschuldigden van kannibalisme is niet alleen maar een interessant historisch feitje. Het suggereert wel degelijk iets van de ernst van de sacramenten. Ze zijn niet ‘maar symbolen’, maar ze zijn tekenen. Tekenen van de waarheid. Wie zich laat dopen deelt dus in iets dat waar is, namelijk in Jezus’ dood en opstanding. Dat dit net zo waar is als je je niet laat dopen, doet niets af aan het teken. Net zo wie deelt in brood en wijn. Je bent net zo zeer deel van Jezus’ dood en opstanding als je niet aanzit aan het avondmaal. Wie aanzit, ervaart dus iets dat sowieso al waar is voor hem. Zonder dat hij of zij er iets voor hoeft te doen of te laten. Daarom dat het zobelangrijk is het avondmaal te ontvangen. Iedereen mag naar voren komen, jong en oud, man of vrouw, zondaar of heilige.
In de Anglicaanse kerk steken mensen hun linker hand op. De hand die niet handelt. De zwakke hand. Om duidelijk te maken dat ze niet op hun eigen kracht vertrouwen. De priester (zelf al een sacrament!) reikt het brood aan en zegt: ‘Het lichaam van Christus’. En degene die aanzit, antwoordt alleen: ‘Amen’. Want het is waar, of je nu dankbaar bent of niet. En dat is het enige. Ik ken kerken waarin mensen knielen bij een kruis waarop het avondmaal is uitgestald en zelf nemen van het brood dat daarop ligt. Dat maakt van het avondmaal iets transactioneels, in plaats van een sacrament. Juist het feit dat je ontvangt, zonder er iets voor te hoeven doen, maakt het een teken. De Anglicaanse kerk is op meer punten sacramenteel. Ook in de lezing van het woord. Men gelooft dat het woord zelf werkzaam is in mensen (een sacrament is), daarom dat de gemeente gaat staan als uit de evangeliën wordt voorgelezen. We ontvangen. We weten dat we niet zelf aan de waarheid kunnen bijdragen, ook niet door Bijbelstudie. We kunnen alleen open staan voor wat God van eeuwigheid af al in de schepping aan het doen is. Ik ben er blij mee.
Ik voel me niet een beter christen omdat ik aan het avondmaal aanzit. Het avondmaal in zichzelf doet niets. Het is geen transactie. God houdt niet meer van me omdat ik aanzit. Maar ik weet wel dat ik elke zondag naar de kerk wil gaan om deel te nemen aan het avondmaal. Omdat ik het nodig heb aan de waarheid herinnerd te worden. Ik moet mijn blik richten op de ijspunten om me heen, om me weer te realiseren dat er een ijsberg onder water is, die mij draagt en ondersteunt. Dat te realiseren is tegelijk het enige wat ik hoef te doen. En dat maakt dat ik mezelf kan accepteren, dat ik van andere mensen kan houden, en dat ik kan leven op de manier die past bij het nieuwe leven van de opstanding. Niet omdat ik het zelf doe, maar omdat ik vertrouw op God, die het van het eerste moment van de schepping al doet voor en in mij.