donderdag 5 december 2013

Over de drempel (6): de fluistering van het verlangen

Een week voor ons trouwen ontmoette ik in Amsterdam een vriend uit de Verenigde Staten. Ik had hem voor het eerst ontmoet in 2005 op een conferentie van John Eldredge (hij zat in het team, en was de forumcoördinator van het Ransomed Heart-forum waar ik toen actief was) en in 2007 zag ik hem weer op een conferentie in Australië. Onze derde ontmoeting vond plaats op een derde continent. De enige persoon tot nu toe die ik op drie continenten heb ontmoet. We bleken elkaar erg veel te vertellen te hebben. Zo hadden we allebei geworsteld met de evangelische kerk, en waren we allebei terecht gekomen in de Anglicaanse kerk (en ook bijna gelijktijdig!). We worstelden allebei met ons godsbeeld. En met ons zelfbeeld. Onder andere wat ons verlangen betrof. Want onze verkeerde beelden van God en de verlossing hadden ertoe geleid dat we ons verlangen onderdrukten, dat we onszelf niet de toestemming gaven onszelf te zijn. Maar daardoor verhinderden we niet alleen dat we een creatief, vruchtbaar (ook letterlijk!) leven leidden, we behandelden daardoor bovendien andere mensen minder respectvol.
Mijn vriend vertelde van zijn dochter in de tienerleeftijd. Ze had hem een keer toevertrouwd dat ze liever op dates ging met ongelovige jongens dan met jongens uit de kerk. Natuurlijk was hij daardoor erg geschrokken, zoals elke christelijke ouder dat zou doen. Maar hij was wijs genoeg zijn dochter om uitleg te vragen. Ze vertelde dat christelijke jongens niet naar haar durfden kijken. Ze keken opzij, ze wendden zich af. Het was duidelijk dat ze zich schaamden. Waarvoor? Voor het feit dat ze haar aantrekkelijk vonden. En dat ervoer zij als afwijzing en als reden om zich te schamen. De niet gelovige jongens zeiden eenvoudig tegen haar: ‘Je ziet er leuk uit. Zullen we een keer wat drinken?’. Ze schaamden zich niet voor haar of het effect dat zij op hen had. Ze voelde zich door hen geaccepteerd en gewaardeerd, als vrouw en als individu, en ze hoefde zichzelf ook niet te schamen voor haar seksualiteit. Het was voor haar veel meer ontspannen.

Als mensen hun verlangen op een voetstuk hebben staan en alleen leven voor de vervulling van hun eigen begeerte, zullen ze respectloos met andere mensen omgaan (die ze alleen zullen beoordelen naar de mate waarin ze hun begeerte bevredigen - een transactionele instelling). Maar het is ook respectloos als mensen hun eigen verlangen en dat wat het verlangen opwekt, afwijzen en veroordelen. Dat maakt van de interactie ook iets transactioneels (door mijn verlangen verdien ik straf, of de ander die mijn verlangen opwekt maakt mij slecht). Verlangen is echter wat ons mensen maakt. Verlangen is wat ons voortdrijft, tot handelen aanzet, maakt dat we het ene been voor het andere zetten. Verlangen is de brandstof van onze wil. Om te weten wie iemand is, moet je vragen wat hij of zij verlangt. Als we het verlangen op zich (in plaats van de manier waarop iemand een verlangen wil bevredigen) slecht vinden, afwijzen, veroordelen, wijzen we de kern van iemands identiteit af. En maken we iemand ten diepste passief. Want een mens zonder verlangen is een lege huls, in de greep van machten van buiten zichzelf. Dat geldt ook voor degene die het verlangen opwekt - die wordt gereduceerd tot bepaalde karakteristieken, en kan zichzelf niet meer zien als waardevol, compleet persoon, maar moet een deel van zichzelf afwijzen. Dit leidt tot heel ongezonde taferelen, waarvan het voorbeeld van de dochter van mijn Amerikaanse vriend, nog de minste is.
In de kerk waar ik opgroeide, werd seksueel verlangen als slecht weggezet. Zo kreeg ik het ten minste mee. De Bijbeltekst ‘wie een vrouw aankijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al overspel met haar gepleegd’ (Mattheus 5:28), werd zo uitgelegd dat het betekende dat wie een vrouw aantrekkelijk vond al overspel met haar had gepleegd. En het voelen van seksuele aantrekking werd zo ongeveer gebracht als de grootste zonde die mogelijk was. Voor iemand die het onderwijs van de kerk serieus nam en in zijn leven probeerde toe te passen, leidde dit in de puberteit natuurlijk tot schuldgevoel, schaamte en zelfafwijzing. Ik probeerde het verlangen te onderdrukken, maar hoe hard ik daar ook voor werkte, het stak steeds opnieuw de kop op. Ten slotte voelde ik me al een weekeinde lang diep schuldig als ik in  een tijdschriftenwinkel een superheldenstripboek (X-mannen) had doorgebladerd. Ik herinner me een e-mail aan een vriend waarin ik dat mijn ‘boezemzonde’ noemde (ik snap nu pas de ironie), waar ik maar niet van af kon komen.
En in mijn strijd tegen dit verlangen, begon ik ook al mijn andere verlangens te onderdrukken: mijn verlangen naar spannende verhalen (ik wilde graag Alistair MacLean boeken lezen, dus dat zou wel een verslaving zijn. Als ik een James Bond-film zag, fantaseerde ik over actiescènes, dus die moest ik overslaan), mijn verlangen naar creativiteit (ik stopte met schrijven), et cetera. In mijn stripbespreking van de geweldige ‘graphic novel’ Een Deken Van Sneeuw heb ik al eens betoogd dat onze verlangens met elkaar samenhangen: ons seksuele verlangen en ons verlangen om te scheppen, te creëren, zijn niet los te verkrijgen. Het onderdrukken van de een leidt tot het onderdrukken van de ander. Het verlangen is namelijk niet te scheiden: het is een enkel vuur dat binnen in ons brandt. En het is ook niet te scheiden van ons verlangen naar eenheid met God. Sommige christelijke mystici ervoeren Gods aanwezigheid niet voor niets in een haast seksuele extase. Zie bijvoorbeeld het beeld van de heilige Teresa van de Renaissance-kunstenaar Bernini in het plaatje hierboven.
Ik denk dat het daarom niet voor niets is dat als een samenleving (of kerk) mensen onder controle wil houden zowel de seksuele expressie als de artistieke expressie worden onderdrukt of beschaamd. Maar dat daar (bedoeld of onbedoeld) ook de religieuze expressie schade door ondervindt. In de kerk waar ik opgroeide werd in elk geval niet alleen neerbuigend en veroordelend gesproken over seks en kunst, maar ook over ‘bovennatuurlijke’ en ‘mystieke’ manieren om God te ervaren. We hadden de bijbel, uitgelegd door Darby en Kelly, en dat was genoeg. Volgens de kerk waarin ik opgroeide was individualiteit ook iets verdachts - we moesten sterven aan het vlees, ons eigen ik, onze wil, zodat gods Geest ongehinderd door ons heen kon werken. Waarom gods Geest er vervolgens voor zorgde dat de meest ‘geestelijke’ van de kerkleden mensen uit de gemeenschap uitsloten en op een kerkscheuring aanstuurden, hebben ze mij nooit uitgelegd.

Natuurlijk werd in de kerk betoogd dat man en vrouw in het huwelijk wel seks met elkaar mochten hebben. Ik ga ervan uit dat het volgens de kerk dan ook was toegestaan als man en vrouw naar elkaar te verlangen. Maar volgens mij is het niet mogelijk een verlangen opeens weer ‘aan te zetten’, na het jarenlang als slecht en zondig te hebben neergezet. Het is niet opeens ‘goed’ in andere omstandigheden. Zelfs als je het dan ‘goed’ noemt, kan de menselijke psychologie die omschakeling niet maken. Vooral niet als je voor vrouwen buiten je huwelijk nog steeds niks mag voelen of bij enige emotie jezelf moet veroordelen en afwijzen. Zo werken verlangens niet. Als je een muur rond je verlangen hebt opgetrokken en die met al je mentale kracht hebt bewaakt, kun je niet opeens in je huwelijk een klein stukje van de muur afbreken, en verwachten dat het verlangen dan opeens alleen door dat gaatje naar buiten komt. De muur is alleen volledig af te breken. Het is alles of niets. Je brengt jezelf tot expressie, of niet. Dit geldt ook voor de andere verlangens. Ik kon niet opeens mezelf toestaan alleen naar bepaalde verhalen te verlangen, of alleen christelijke films te waarderen. Of alleen non-fictie te willen schrijven. Het verlangen is alles of niets.
Dit heb ik het afgelopen jaar in de praktijk gemerkt. Pas in september 2012 gaf ik mezelf toestemming om me aan het schrijven van fictie te wijden. Het was een van de grootste omkeringen in mijn leven, eigenlijk nog belangrijker dan het ontmoeten van mijn vrouw en mijn huwelijk (alhoewel daar ook niet van te scheiden - dat ik een vrouw durfde aanspreken was ook al een sprong in het diepe voor me, en het kiezen voor het huwelijk ook een kiezen voor verlangen). Ik gaf mezelf toestemming om mijn liefde en passie voor het schrijven zonder enige belemmering te uiten. Ik voelde me daardoor meer mezelf dan in de tien jaar ervoor. Ik sliep zelfs beter. Maar (waarschijnlijk niet toevallig) leidde die toestemming om te schrijven tot toestemming op meer gebieden. Het leidde tot toestemming om mijn verlangen naar een andere kerk te volgen, naar toestemming om de boeken te lezen die ik wilde lezen, en naar toestemming om mijn eigen seksuele verlangen niet langer af te wijzen. Alles in een paar maanden tijd. Het was, moet ik zeggen, heel erg bevrijdend. Maar ook confronterend, omdat ik zag hoe diep mijn verlangen al die tijd opgesloten was geweest. Ik gaf mezelf eindelijk toestemming om er te zijn, helemaal, als Johan. Het is ook niet toevallig dat het gebeurde nadat ik in november 2012 en nogmaals in april 2013 tijdens het bidden de liefdevolle ogen van Jezus had gezien, en zijn acceptatie had gevoeld. Ik wist mij eindelijk geliefd gewoon als wie ik ben en kon dus ook mezelf accepteren in al mijn menselijkheid, inclusief mijn verlangen.
En dit was niet mogelijk zonder een sacramenteel beeld van de werkelijkheid, dat wil zeggen: een incarnationeel beeld van de werkelijkheid. God die mens wordt, zich toont op een manier die wij kunnen waarnemen, en daarmee laat zien wat ten diepste waar is voor ons allemaal. Want wat waar is voor Jezus, is waar voor ons. Incarnatie is een sacrament, werkelijke aanwezigheid, God met ons. Dat Jezus mens werd, betekent niet alleen dat het mens-zijn, het lichamelijke mens-zijn geheiligd is. Het betekent dat onze individualiteit geheiligd is, inclusief ons verlangen, inclusief onze seksualiteit. We maken van Jezus snel een soort super-mens, een buitenaards wezen onder ons, die niets te maken heeft met onze menselijke eigenschappen of zwakheden. Maar Jezus was mens, helemaal mens.
Lees wat Robert Farrar Capon schrijft in The Romance of the Word: “When we say that Jesus is perfectly human, we mean that he is completely human: his humanity is everyday, commongarden humanity IN COMPLETION. But see how alien that is to the common view. In spite of the promise of the resurrection of the body, we can imagine human nature as perfected only if we can somehow see it as abolished in favor of something spiffier, if we flesh him out in something other than ordinary flesh. When we imagine him as a child, for example, we somehow feel obliged to say that he was a little freak who never hid when his mother called him, who always put his toys away in his toy box, and who, when he got to the age at which boys have wet dreams, piously refused to have any ... The human race is, was, and probably always will be deeply unwilling to accept a human messiah. We don’t want to be saved in our humanity; we want to be fished out of it.” Laten we wel wezen, Jezus ging ook naar het toilet. Of deed het achter de bosjes. Hij was moe en viel in slaap in een boot. Hij weende. Wij hoeven ons dus ook niet te schamen voor deze door anderen soms als schaamtevol beschouwde uitingen van onze menselijkheid. En net zo had Jezus seksuele verlangens. Sterker nog, je zou kunnen zeggen dat zijn werk daardoor gemotiveerd werd, want de bijbel gebruikt meerdere malen voor het werk van Christus voor de gemeente de metafoor van bruidegom en bruid, en Openbaring eindigt met de bruiloft van het lam. Wij hoeven ons dus ook niet voor onze seksualiteit te schamen. We mogen ons eigen verlangen gewoon accepteren.

Ons eigen verlangen accepteren stelt ons in staat om de ander (man of vrouw) te zien als compleet menselijk wezen, in plaats van hem of haar af te wijzen om zijn of haar seksualiteit. Mijn vrouw heeft na al het onderwijs dat ik in de kerk had gekregen, flink op me moeten inpraten om me te overtuigen dat vrouwen het niet erg vinden om door mannen aantrekkelijk gevonden te worden, dat ze zich niet schamen als een man naar hen kijkt, dat ze dat zelfs waarderen en er veel voor doen. Ze gaf me als studiemateriaal het boek Bridget Jones’ Diary te lezen, van Helen Fielding. Ik heb het in vier treinreizen uitgelezen, met de spreekwoordelijke rode oortjes. Wat bleek? Vrouwen waren geen pure heiligen, die schrokken van mannelijke opwinding, maar ook geen prostituees, die er alleen maar op uit waren mannen tot zonde te verleiden. Vrouwen zijn gewoon en compleet mensen, inclusief een verlangen gezien te worden, begeerd te worden, geliefd te worden, inclusief een verlangen naar seksualiteit. En dat verlangen, ook het verlangen naar seks, is geheiligd door de vleeswording van Christus. Het is volledig geaccepteerd door God, wordt goedgekeurd, wordt toegejuicht (het boek Hooglied staat niet voor niets in de bijbel, en mijn pogingen als twintiger het allegorisch uit te leggen, waren behoorlijk misplaatst). In Openbaring wordt de kerk vergelen met een bruid die zich heeft mooi gemaakt voor haar man. Als dat niet een bevestiging is van dit verlangen, weet ik het ook niet. Dit zorgt ervoor dat ik niet bang hoef te zijn voor afwijzing door een vrouw, dat ik me niet hoef te schamen, maar ook dat ik een vrouw niet hoef te reduceren tot haar eigenschappen die mijn verlangen opwekken en zelf haar daarvoor afwijzen. Ik kan haar behandelen als volledig mens, als volledig individu, die zelf ook vrij is. Juist door de acceptatie van mijzelf en haar als seksuele wezens, kan ik haar volledig respecteren, zoals ik mezelf respecteer. Ook als ze ‘nee’ zegt tegen me. Daar is ze als individu immers vrij in. Alweer een voorbeeld hoe de radicale acceptatie die voortkomt uit de onvoorwaardelijke liefde van God, ons menselijke gedrag verandert.
Dit is overigens niet een betoog dat per se pleit voor seksualiteit buiten het huwelijk. Maar er is een groot verschil tussen het voelen van een verlangen en de manier waarop we het verlangen kiezen te vervullen. En dat onderscheid werd in de kerk waarin ik opgroeide veel te weinig gemaakt. Het idee bestond kennelijk dat het voelen van een verlangen automatisch leidde tot het in vervulling brengen ervan, ook als je daarvoor mensen respectloos moest behandelen, of hun keuzevrijheid moest afnemen. Een man die een vrouw aantrekkelijk vond, zou zich kennelijk niet kunnen inhouden om aan haar te zitten. Ik heb het in christelijke jongerentijdschriften gelezen, dat meisjes geen topjes met spaghettibandje zouden moeten dragen, omdat ze niet wisten wat ze daarmee tot stand brachten bij jongens. Ze zouden ze tot zonde verleiden. Dit is ook de reden dat in streng islamitische landen vrouwen een nikab of burkah moeten dragen, omdat mannen niet verantwoordelijk kunnen zijn voor hun eigen gedrag naar vrouwen toe. Deze visie is dus niet alleen denigrerend over vrouwen, maar ook over mannen. Alsof we tegen onszelf in bescherming moeten worden genomen en geen zeggingskracht hebben over ons gedrag. Maar dat is een leugen. Als ik mezelf zie als man, door God geliefd, waardevol zoals ik ben, kan ik ook afzien van de vervulling van een verlangen, wanneer dat niet respectvol zou zijn naar mezelf of naar anderen. De tekst uit Mattheus 5 die mij zo’n schrik aanjoeg, ging ook helemaal niet over onze menselijke reactie op schoonheid, maar over begeerte: de drang datgene wat je verlangt voor jezelf te bezitten, op te eisen. Dat is niet respectvol. Het is ons verlangen, vervormd door onze zelfzuchtige, transactionele manier van denken. Ons verlangen zou in plaats daarvan moeten worden geinspireerd door de liefde. Jezus was helemaal man, maar ging toch eerbaar om met een overspelige vrouw die hij midden op de dag in haar eentje tegenkwam bij de waterput, en met de prostituee die met haar haren zijn voeten waste. Maar hij maakte haar ook niet beschaamd over zichzelf. Zo kunnen wij ook zijn.

Als twintiger voelde ik me al schuldig over het feit dat ik stripboekjes doorbladerde met daarin aantrekkelijke getekende vrouwen. Ik schaamde me voor het effect dat vrouwelijke schoonheid op me had. Nu nam ik van mijn huwelijksreis in Londen uit de Forbidden Planet (een winkel met SF en fantasy-boeken, films en spullen) een ‘action figure’ mee van Commander Shepperd, de vrouwelijke hoofdpersoon van de Mass Effect-spellen die ik met veel plezier heb gespeeld (en waar ik vorig jaar een essay over heb geschreven), in futuristische uitrusting. De 'action figure' staat trots bij ons in de woonkamer. En elke keer als ik die zie, en kan toegeven dat ik haar pose mooi vind, glimlach ik vanwege de vrijheid die ik heb gevonden. Mijn vrouw is daar overigens ook behoorlijk blij mee, maar daar gaat dit blogbericht verder niet over.

dinsdag 3 december 2013

Over de drempel (5): de boodschap van de omhelzing

Ik herinner me nog goed een 25+ weekeinde van de EO, met als onderwerp de Heilige Geest. Een van de sprekers liet de zaal vier minuten naar God luisteren. Ik was nog wat onzeker, maar probeerde met mijn hart te ontvangen. Na een poosje kreeg ik het gevoel dat de Vader me wilde omarmen. Ik kon het echter niet geloven, waarschijnlijk was het mijn verbeelding. Ondanks mijn zenuwen liep ik naar voren om gebed te vragen. Alle leden van het nazorgteam waren bezet, behalve de spreker, die net van het podium kwam. Hij bad voor me en aan het eind zei hij: “Ik heb het idee dat God wil dat ik je een ‘hug’ geef.” En hij sloeg zijn armen om me heen en drukte me tegen zich aan.

Er zijn meerdere manieren om God te leren kennen. Niet het kennen van intellectuele zekerheden, maar het kennen in de zin waarin het woord in bijbelse tijden werd gebruikt (toen het woord ook voor geslachtsgemeenschap werd toegepast). Het relationele kennen. Dat zijn de bijbel (goed uitgelegd, dus theologie), de traditie, de natuur in haar schoonheid (hoewel die ‘rood van tand en klauw’ is), en het suizen van de zachte koelte waarin Elia de Heer ontmoette. De stem van God in ons hart, in ons binnenste. Ik geloof namelijk dat God met ons in contact staat, zich aan ons openbaart. Niet alleen via de heilige schrift, maar ook op een meer directe manier. Hij is er en Hij spreekt. Tot de een op de ene manier, tot de ander op de andere manier. Ik ken iemand die de Heer ontmoet tijdens het zingen van muziek, anderen ervaren zijn aanwezigheid tijdens het bidden, of in de kerkdienst. Sommigen bij het kijken van films. Anderen bij het ‘journaling’ - het biddend schrijven. Ik als ik over straat loop en in mijn gedachten met God spreek.
Ik zal nooit claimen dat de gedachten die dan in mij opkomen absoluut waar zijn (per slot van rekening is het onderbewuste van mensen tot veel in staat, ook tot het oproepen van Bijbelteksten en positieve bemoedigingen). Maar ik heb ook vaak meegemaakt dat de stem dingen tegen me zei die ik op dat moment niet voelde, of die op een bijna wonderlijke manier werden bevestigd door anderen. Ik ben die stem gaan vertrouwen. En die stem spreekt tot mij met liefde. De stem verzekert mij dat ik door God geliefd ben, dat hij blij met mij is, dat hij trots is op wat ik doe, dat ik niet bang voor hem hoef te zijn, ook niet als ik een paar weken niet met Hem gepraat heb. Hij brengt mij Bijbelteksten in de geest (dit jaar vooral de tekst: ‘Komt tot mij, allen die vermoeid en belast zijn, en ik zal u rust geven.’) Hij bevestigt mij. Hij geeft me leiding. En soms geeft hij beelden: dit voorjaar in de Anglicaanse kerk had ik de ervaring dat ik Jezus met liefdevolle ogen in mijn ogen zag kijken. Degene die tot mij spreekt heeft een bepaald karakter, en dat heb ik leren kennen. Het is namelijk sinds mijn kindertijd hetzelfde.

Een van de dingen die ik me de laatste maanden heb gerealiseerd, is dat ik niet in een theologie of een uitleg van de bijbel kan geloven die in strijd is met het karakter van God zoals hij zich al mijn hele leven aan mij openbaart. Zelfs niet als de stem van God in mijn binnenste maar een voortbrengsel zou zijn van mijn onderbewuste. Want ik kan niet handelen tegen mijn diepste overtuiging in zonder daaraan onderdoor te gaan. Het is zoals Frodo tegen Sam zegt aan het eind van de Lord of the Rings-serie: ‘You cannot always be torn in two.’ Te lang heb ik in een kerk gezeten waar van het podium uitspraken over God werden gedaan die tegen zijn karakter (door mij ervaren) in gingen: dat hij niet van mij zou houden zoals ik was, dat ik meer moest bidden en bijbellezen, dat ik bang moest zijn te kort te schieten. Te lang heb ik leerstellingen aangehangen die me bang voor Hem maakten, alsof Hij niet kon wachten me alsnog te straffen, terwijl Hij me juist probeert te overtuigen dat ik veilig bij hem was. Te lang heb ik gebeden geaccepteerd die suggereerden dat ik een ‘geest van onreinheid en verslaving’ had, terwijl Hij me juist wilde omhelzen. Ik heb geleerd dat schoonheid niet waardevol is, dat lezen een verslaving is, dat ik alles (mijn verlangens en mijn dromen) zou moeten opofferen. Dat Hij zo weinig om me gaf dat ik in de hemel veranderd zou worden zodat ik van zingen zou houden, of dat ik zelfs niet langer ‘man’ zou zijn maar onzijdig. Ik heb geprobeerd die leringen in evenwicht te houden met de woorden die ik van God ontving, maar dat had alleen maar als effect dat ik aan de woorden van de Heer ging twijfelen, dat ik er niet naar handelde, dat ik niet durfde mezelf te accepteren, zoals God mij accepteerde.
De laatste twee jaar heb ik een relatie met een hele lieve vrouw (nu ook daadwerkelijk mijn vrouw), die mij accepteert. En dat was (en is) een bizarre ervaring. Ze vindt het prima als ik soms geen antwoord weet, of als ik verward of moe ben, of zelfs chagrijnig. Ze houdt van mij als ik een afspraak vergeet, of me erger aan andere mensen. Ze accepteert dat ik van schrijven en lezen houdt, en van aquariums, en accepteert dat ik introvert ben. Ze accepteert me meer dan ik mezelf accepteer. Ik mag bij haar mezelf zijn, zonder dat ik aan mezelf hoef te werken, of mezelf hoef te veranderen. Ik ben genoeg. Dat is een bijzondere en helende ervaring. Eindelijk kan ik de teugels een klein beetje laten vieren en opgelucht ademhalen. Maar opnieuw geldt hier: als mijn vrouw al zo van mij kan houden, mij (met mijn goede en slechte eigenschappen) kan accepteren, waarom zou God dat niet kunnen? Waarom zou hij niet gewoon blij met mij kunnen zijn? Zoals ik ben? We kennen allemaal het mantra: ‘God houdt van je zoals je bent, maar hij houdt teveel van je om je zo te laten.’ Maar lees hem eens goed: hier staat dat God misschien in abstracte zin van je houdt, maar je nog steeds niet accepteert. Je bent nog steeds niet goed genoeg. Brennan Manning vormt deze zin zo om: ‘God houdt van je zoals je bent, niet zoals je zou moeten zijn.’

En de ironie is natuurlijk dat deze liefde me dus wel verandert. Omdat mijn vrouw mij zo onvoorwaardelijk accepteert, wil ik ook haar accepteren en stimuleren meer zichzelf te worden, wil ik voor haar koken ook als we dat niet hebben afgesproken, omdat ik van haar hou, en doe ik mijn best om niet al te vaak te mopperen, of cynisch te zijn. Zo is het natuurlijk met Gods acceptatie ook. De verloren zoon uit de gelijkenis zal ook zijn veranderd. Maar niet omdat hij moest veranderen! De vader omhelsde hem toen hij nog naar varkens stonk. ‘God houdt van je zoals je bent, en daarom blijf je niet dezelfde’. Alleen al het idee dat God werkelijk van me zou houden zonder dat ik bang voor hem hoef te zijn, vult me met dankbaarheid, doet me aanbiddingsliedjes zingen en laat me met een andere blik naar mijn medemensen kijken. En doet me lange blogberichten schrijven. En geeft me het verlangen te bidden en naar hem te luisteren.
Liefde wakkert het verlangen aan. Omdat God mij, de echte Johan, omhelst en accepteert, komt het verlangen uit mijn werkelijke binnenste. Deze verlangens zijn deel van mij, niet van buiten opgelegd, en ernaar leven voelt ‘vanzelf’. Ik ben zo geprogrammeerd om te handelen uit schuldgevoel en verplichting, dat ik er van schrik als ik opeens uit mezelf zin heb om te bidden, of dat ik uit mezelf graag naar de kerk wil, en niet uit discipline. Ik ben zo gewend aan de stok, dat ik verbaasd ben als die uitblijft. Dit ongedwongen verlangen is de manier waarop ik vrucht ga dragen. Jezus zei het al in Johannes 15: de manier om vrucht te dragen is door in Hem te blijven. Ergens anders zegt hij dat we in zijn liefde moeten blijven (v9). Als we dat doen, komt de vrucht vanzelf. Dat is dan niet meer iets waar we voor werken (gedreven door een verlangen naar beloning of angst voor straf), maar iets dat voor ons net zo vanzelfsprekend is als ademhalen of een favoriete hobby. Of knuffelen (om bij het voorbeeld van het huwelijk te blijven). Liefde geeft de toestemming om mezelf te zijn en wekt daardoor verlangen op.
Ik realiseerde me dit toen we een paar weken geleden in de kerk Galaten 5 lazen, over de werken van het vlees, en de vruchten van de Geest. Ik boog naar mijn vrouw toe en zei (zacht, natuurlijk) tegen haar: ‘De werken van het vlees zijn allemaal voorbeelden van respectloos zijn, naar jezelf en vooral naar anderen. Iemand die de vrucht van de geest voortbrengt, zal echter respectvol zijn’. Dat was een inzicht dat me (heel even) stil maakte. De ‘werken’ van het vlees zijn allemaal dingen die je actief moet ondernemen. Ze eisen een keuze, en wel de keuze om zonder respect te handelen. De vrucht van de Geest bestaat uit eigenschappen -geen handelingen- en dus niet om daden die je kunt verrichten. Je kunt blij doen, maar je kunt jezelf niet blij maken. Je kunt de vrucht van de Geest niet afdwingen. Je kunt er alleen naar verlangen. God kan, door zijn liefde, het verlangen in je opwekken om ook liefdevol te zijn. Van Gods liefde wordt je blij. Gods liefde neemt de behoefte aan agressie weg en maakt dat je behoeftes niet direct hoeven te worden bevredigd. Als God van je houdt, ga je anderen vriendelijker behandelen. Je wilt anderen helpen en goed doen, en blijft naast mensen staan in tijden van tegenspoed. Je wordt niet snel meer boos als je zekerheid is geworteld in de woorden van God. En je hebt geen verslavingen meer nodig als de leegte in je hart wordt gevuld door de omhelzing van je eeuwige Vader. De respectloze werken van het vlees zijn nu minder aantrekkelijk. En je gaat anderen behandelen zoals God jou behandelt: als waardevolle, unieke individuen, die een eeuwige betekenis hebben. Hoe dit leven er uitziet beschrijft Jezus in zijn bekende bergrede. Dit is het leven van het koninkrijk van God, het leven dat in Hem is geopenbaard, het leven dat onlosmakelijk verbonden is aan Gods onvoorwaardelijke liefde.

Als Jacobus waarschuwt dat een geloof dat geen vrucht voortbrengt, dood is, doelt hij op het hierboven beschreven proces. Mijn geloof in de kerk waar ik opgroeide was dood (en dat van veel anderen in die kerk ook, want ik zag weinig liefde, om van blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing nog maar te zwijgen). Het veranderde mij niet werkelijk, omdat het mij motiveerde door angst (en beloning. Maar de beloning was vooral het gevrijwaard blijven van straf. De hemel werd niet echt aanlokkelijk voorgesteld). Ik was bang dat God boos op mij zou worden, bang dat ik tekort zou schieten, en dus deed ik hard mijn best om te bidden en de bijbel te lezen. En omdat ik van huis uit een goede discipline heb, lukte dat ook. Vervolgens voelde ik me trots op mijn religieuze succes en mijn Bijbelkennis. Ik vond dat anderen ook zo moesten leven. Ondertussen voelde ik me diep schuldig over wie ik was. Ik verlangde namelijk nog steeds naar het lezen van verhalen (en nog meer naar het schrijven ervan), naar schoonheid, naar (ja, echt) seks. Dat kon natuurlijk niet. Ik kon mezelf niet accepteren. En als ik al ontevreden was over mezelf, dan God helemaal. Ik moest immers volmaakt zijn, zoals mijn hemelse vader volmaakt was. En elke zonde die ik deed droeg bij aan de pijn van Jezus aan het kruis. De tijd was bovendien kort.
Oh, mensen zeiden wel eens dat ik mezelf moest leren zien, zoals God mij zag. Maar ik wist dat God ten diepste boos op mij was, en mij en mijn verlangens moest afwijzen en straffen, als Jezus niet tussenbeide was gekomen. Dus deed ik nog meer mijn best. Het was een spiraal naar beneden die ermee eindigde dat ik diep, diep overspannen raakte. Maar ik ben ervan overtuigd dat als ik niet zo stressgevoelig was, ik was geëindigd als de broeders op de voorste rij, die zich heel geestelijk voelden, maar er geen been in zagen mensen uit te sluiten uit de gemeenschap, mensen zwart te maken, met de armen over elkaar te zitten uit protest tegen nieuwe liederen, en een kerkscheuring te veroorzaken. Dat is volgens mij een werk van het vlees. Geen vrucht van de geest. Het is een teken van disrespect, van het niet waardevol vinden van mensen die anders geloven, of niet geloven (waarom zou je? God houdt niet werkelijk van ze, zolang ze niet veranderen of de juiste dingen gaan geloven.) Volgens mij was dit zowel voor mij, als voor de broeders in de kerk, een dood geloof.

De weg naar een leven dat vrucht draagt, loopt via de radicale liefde van God en dus via radicale zelfaanvaarding. Dat is het pad waar ik mezelf nu op bevind. Ik bedoel niet dat ik daarmee mijn slechte kanten goedpraat, of geloof dat ik zomaar levende kittens mag villen of mijn huwelijksbeloften mag breken. Goed blijft goed, slecht blijft slecht. Moraal blijft eeuwig. Gods liefde voor mij geeft mij, zoals ik al zei, juist het verlangen om goed te zijn en te doen, om te groeien in zijn beeld. Maar mijn goedheid of slechtheid heeft niks te maken met de mate waarin ik door God aanvaard ben, de mate waarin God van mij houdt en mij accepteert. Als God over David kon zeggen dat hij een man naar zijn hart was (met al zijn vrouwen en bijvrouwen, en de kwestie van Batseba), dan zegt hij dat ook van mij. Dat ik zijn oogappel ben en dat Hij gedurig weder aan mij denken moet (Jeremia 31:20). Dat is wat Jezus heeft laten zien. Greg Boyd noemt kerstmis in een van zijn preken ‘the bearhug from the manger’. De hele wereld bevindt zich al vanaf de eeuwigheid in de omhelzing van God, is wat Jezus laat zien. En hij is niet van plan om ons ooit nog te laten gaan. Zelfs niet als we tegen hem aanschoppen, hem beledigen, hem pijn doen. Die pijn accepteert hij namelijk net zo goed. Het kruis is daar ontegenzeggelijk het beeld van. Hij accepteert zelfs een gruweldood als misdadiger, zonder te reageren met straf. Dan accepteert Hij onze opstandigheid ook. Maar dat betekent dat ik mezelf ook op deze manier mag accepteren. Zonder voorwaarden. Met mijn onvolkomenheden. Ook als ik niet perfect ben (voor een perfectionist als ik is dat moeilijk).
Ik schreef een paar jaar geleden op mijn blog over een openbaring die ik had bij het lezen van Kind aan Huis van Brennan Manning, toen tot me doordrong dat als God mij al zo tegen zich aandrukte zodat ik zijn hartslag kon horen, zonder me te veroordelen, als God bij voorbaat tegen me zegt dat ik zijn geliefde zoon ben in wie Hij welbehagen heeft, dat ik mezelf dan ook niet moest afwijzen, ook niet om mijn (in mijn ogen) tekortkomingen. 'Alles, groot klein, belangrijk, onbelangrijk, veraf en dichtbij, heeft zijn plaats, zijn betekenis en zijn waarde. Door onze vereniging met Hem gaat niets verloren, raakt niets kwijt. Er is nooit een moment dat geen eeuwigheidswaarde kent, geen handeling staat op zichzelf, geen liefde blijft vruchteloos, geen gebed blijft onopgemerkt. 'Wij weten nu, dat God ALLE dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben' (Romeinen 8:28). Al die teleurstellende, waarneembare, of verborgen gebeurtenissen, ziektes, misverstanden, zondes, zelfs die van onszelf) zullen de uiteindelijk vervulling van ons leven dat in Christus verborgen is in God, niet verhinderen.' Dat lukte niet van het ene op het andere moment, en ik heb het er nog steeds moeilijk mee, maar het is wel de weg waar ik me sindsdien op bevind. Het maakt me vrijer. Het maakt me productiever. Het maakt me liefdevoller en begripsvoller. Het maakt dat ik de stem van God die in mijn hart tot me spreekt, eindelijk kan geloven. Dat ik me door hem kan laten omhelzen. Of althans, een beetje. Ik ben op de weg, maar ik ben nog niet aangekomen.

Eerder schreef ik over ditzelfde thema een blogbericht onder de titel ‘Ongelofelijk simpel’, dat nog wat verdieping biedt. Zo eenvoudig is het!

maandag 2 december 2013

Over de drempel (4): het verhaal van de vader

Een tijdje geleden, het was nog zomer, was op zondagmorgen de kerkdienst afgelopen. Ik was onder de indruk en wilde tegen mijn vrouw (toen mijn verloofde) vertellen wat ik ervan had gevonden. Terwijl ik praatte, trok ik in mijn enthousiasme mijn jas aan en zette mijn hoed op. Al pratend liepen we naar de uitgang. Onderweg werd ik door een dametje aangesproken. Of ik Nederlands sprak. Ik knikte. Ik dacht: nu word ik door iemand welkom geheten in de kerk! Zou leuk zijn. Maar nee, ze vroeg of ik christen was, en zei dat ik mijn hoed in de kerk moest afzetten. “Want ik heb wel respect voor God”, zei ze. Ik deed het, maar ik voelde me wel heel vervelend. Zij had trouwens geen hoofdbedekking op, maar dat terzijde. Toen ik het verhaal later aan anderen vertelde, suggereerden die dat deze mevrouw ‘het wel goed bedoelde’. Dat ze ook Jezus wilde volgen en dat dit haar manier was. Je hoort het onder christenen wel vaker: de suggestie dat we niet iets verkeerds van iemand kunnen zeggen, omdat hij ook in de kerk zit, of dat we de mening van iemand anders moeten respecteren omdat hij ook in God gelooft. Alsof het delen van een paar intellectuele overtuigingen maakt dat ik alles maar van iemand moet accepteren!
Jacobus zegt dat ook de demonen geloven dat God een is, en zij sidderen. En van de Farizeeen kon niet gezegd worden dat ze ongelovig waren of zelfs dat ze theologisch duidelijke onjuistheden predikten. Toch noemt Jezus ze ‘adderengebroed’. De dwaalleraars die in Galaten langskwamen, geloofden ook in God en in Jezus, maar Paulus zegt dat deze wetsverkrachters zich maar moeten laten castreren. Dat is ferme taal. Kennelijk hoef je niet alles maar te accepteren van mensen die zich christen noemen. Sterker nog: soms hebben mensen die zich christen noemen en zeggen dat ze het evangelie brengen, het gewoon fout. Opnieuw een citaat van Paulus in Galaten: ‘Wanneer iemand u iets verkondigt dat in strijd is met wat ik u verkondigd heb, al was ik het zelf of een engel uit de hemel - vervloekt is hij!’ (Galaten 1:8). Zelfs als iemand een engel is, kan hij het fout hebben. En een foute boodschap is schadelijk. Daarom waarschuwt Jezus dat het beter is om met een molensteen om de hals in zee geworpen te worden dan een van zijn kleinen tot zonde te verleiden (en volgens mij bedoelt hij hier de zonde van de Farizeeen, die mensen buiten het koninkrijk wilden houden).
Nu ben ik vriendelijk aangelegd, en bovendien kan ik geen 100 procent zekerheid claimen voor mijn eigen overtuigingen (die zijn ook maar tot stand gekomen door een lang proces, een proces dat bij andere mensen anders verloopt), dus zal ik tegen andere christenen niet de woorden bezigen die Paulus of Jezus gebruiken. Mensen hebben het recht zelf hun ideeën te vormen, ook als ik het er niet mee eens ben. Ook als dat het idee is dat ik mijn hoed pas weer op mag zetten als ik de deur van de kerk uit ben. Paulus zegt ten slotte ook iets over hoe sterke christenen afzien van het eten van offervlees als dat een zwak christen tot zonde zou verleiden (maar vice versa ook dat zwakke christenen geen aanstoot moeten nemen aan sterke christenen die wel de vrijheid hebben offervlees te eten, of een hoed te dragen). Maar wat ik voor mezelf wel geloof is dat ik niet iedereen evenveel zeggenschap in mijn leven hoef te geven. Als mensen een boodschap brengen die ingaat tegen het goede nieuws, die eraan af doet of eraan toevoegt, dan hoef ik daar niet net zo serieus naar te luisteren als naar ieder ander. Ik hoef niet mijn eigen geloof steeds aan dat van hen te scherpen. Want ze hebben het mis. Hun boodschap, als die suggereert dat God niet onvoorwaardelijk van ons houdt, of dat wij zelf door ons geloof of onze daden iets aan die liefde kunnen veranderen, is niet onschuldig of misleid, maar is gewoon fout. Die boodschap is, hoezeer de woorden ook lijken op die uit de bijbel, antichristelijk.

Wat op het spel staat is namelijk de natuur van God zelf. Is God liefde, zoals de bijbel zegt, of is hij dat niet? Dat is de kern van het probleem. Oh, mensen zullen allemaal beamen dat God liefde is. Maar vervolgens zullen ze die liefde kwalificeren. "God is dan wel liefde, maar hij kan onze zonde niet door de vingers zien. Zelfs het kleinste leugentje is voor hem al zo ernstig dat hij ons naar de hel moet sturen. God is liefde, maar hij is ook rechtvaardig. Hij moet wel eerlijk zijn, en dat betekent dat hij ons moet straffen." In dit bericht op Internetmonk vind je een hele rij van dergelijke citaten. En dit is precies wat ik in het verleden over God heb meegekregen. God is liefde, maar hij kan mij desondanks niet in zijn aanwezigheid verdragen.
Maar, merkt de schrijver op Internetmonk ook op, dat betekent dat mensen elkaar dus meer kunnen liefhebben dan God. Dat mensen grotere liefde tonen dan God. Want mensen zijn wel in staat om iemands overtredingen door de vingers te zien. Mensen zijn wel in staat om iemand te vergeven, zonder dat er iets tegenover hoeft te staan. Mensen zijn in staat om anderen een tweede kans te geven, om onvolkomenheden te accepteren, en zelfs partners en kinderen terug te ontvangen ook als ze de grootste overtredingen hebben begaan. Mensen kunnen een onvolmaakt mens liefhebben, gewoon omdat ze daarvoor kiezen. Waarom zou God dat dan niet kunnen? De tekst uit 1 Korintiers 13 over de liefde is niet alleen een opdracht voor ons, mensen, maar is ook een beschrijving van Gods liefde.
'Gods liefde is geduldig en vol goedheid. Gods liefde laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan. Gods liefde verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. Alles verdraagt Gods liefde, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze.” Gods liefde bedekt ‘tal van zonden’ (1 Petrus 4:8).
God is als de vader in de gelijkenis van de verloren zoon, die altijd van de jongen is blijven houden, die hem tegemoet komt rennen en in zijn armen sluit, en hem, zonder dat de jongen nog maar zijn excuses heeft aangeboden, al zijn mantel omdoet en zijn zegelring aantrekt. En het gemeste kalf voor hem laat slachten. Volgens Robert Farrar Capon is het gemeste kalf een beeld van Jezus. En let nu op: het kalf werd niet geslacht om de liefde van de vader voor de zoon mogelijk te maken. De vader hield namelijk altijd al van de zoon. Het kalf werd geslacht om de liefde van de vader voor de zoon zichtbaar te maken. Het was een sacrament. En dat is een groot verschil. Het was de oudste broer die bleef volhouden dat het kalf iets transactioneels moest zijn. Dat hij hard had gewerkt en dat daarom een geitenbok geslacht moest worden. Dat hij er recht op had. De oudste zoon staat voor degenen die denken dat God ons niet kan liefhebben, zomaar omdat hij liefde is, maar dat er ook voor God aan voorwaarden moet worden voldaan. Hij is degene die vindt dat God eerlijk moet zijn. En daarom stond hij buiten het feest. Omdat hij gewoon te trots was.

Maar wanneer is liefde tussen mensen nou echt eerlijk? Zodra een liefdesrelatie tussen mensen verwordt tot een ‘voor wat hoort wat’-relatie, als twee geliefden gaan bijhouden hoeveel de een in het huishouden doet, en hoeveel meegebrachte bosjes bloemen opwegen tegen een avondje uit, is er geen sprake meer van liefde. Dit is het geval elke keer als er een transactioneel element in een relatie komt. Bij een transactionele relatie staat er altijd iets op het spel. Ook in een huwelijk. Als je met elkaar trouwt omdat je daardoor een financieel voordeel wilt bereiken, of omdat je van de eenzaamheid van het vrijgezellenbestaan af wilt, dan verwacht je iets van de ander, dan moet de ander iets voor jouw doen of betekenen. En wordt je boos of teleurgesteld als die dat niet doet. Dat geldt zelfs als je trouwt als transactie om daarmee een gezin te stichten of omdat je kinderen wilt. Een transactionele relatie is geen liefde, want liefde is oneerlijk. Liefde probeert met het bosje bloemen niet iets bij de ander te bereiken (bijvoorbeeld dat die de afwas doet); liefde wil met het bosje bloemen de grootte van de liefde laten zien. Liefde -in haar ideale, onvoorwaardelijke vorm- is dus sacramenteel.
En zo is het met God ook. Gods liefde is oneerlijk. Hij kan gewoon besluiten ons te accepteren in zijn aanwezigheid en dat doet hij ook. God is niet aan de wet onderworpen, of aan andere regels over wat hij wel of niet kan doen. Robert Farrar Capon zegt: ‘God is a crook’. God is niet een pietje precies, een rechter met een weegschaal, een pinnige onderwijzer (als professor McGonagal in de Harry Potter-verhalen). Hij is iemand die het niet zo nauw neemt met de regels, als hij zijn doel maar bereikt. Hij is bereid zijn handen smerig te maken. Hij neemt de verantwoordelijkheid op zich van kwaad en pijn, en weigert aan ons verantwoording af te leggen. (Een beetje als professor Dumbledore in Harry Potter and the Prisoner of Azkaban, die zelf Harry en Hermione adviseert om tegen de regels in door de tijd te reizen en zo Sirius Zwart te redden). Hij heeft namelijk zelf ook een belang in de hele zaak. Hij is niet onpartijdig. Als het kruis en de opstanding iets laten zien is het dat wel. God werd gekruisigd als een misdadiger, maar uiteindelijk kwam daar nieuw leven uit voort. We kunnen God dus niet vertrouwen dat hij eerlijk is. We kunnen er alleen van op aan dat hij goed is: dat is wat het teken van het kruis laat zien. C.S. Lewis zegt het al over Aslan: hij is wel goed, maar niet veilig. Het belang dat hij in de zaak heeft, dat zijn wij. Hij zoekt niet egoïstisch zijn eigen verheerlijking, maar ons behoud. Er is met de weegschaal geknoeid, maar in ons voordeel. En dat geknoei is al gebeurd voor de grondlegging van de wereld.
De dobbelsteen was altijd al zo gewogen dat hij voor ons boven kwam te liggen.

Daarom kan Johannes dus zeggen dat de liefde de angst uitsluit, “want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden” (1 Johannes 4:18). God motiveert ons niet met externe motivatoren zoals straf en beloning.
Straf en beloning zijn inherent transactioneel. Ik doe iets en daarmee bewerk ik iets goeds of slechts voor mezelf. Deze motiverende factoren worden gebruikt op het werk (in het functioneringsgesprek), of in de maatschappij (alle toenemende regelgeving), of in de kerk (om een organisatie draaiende te houden). Maar deze organisaties hebben mij niet lief. Als ik niet goed functioneer, word ik ontslagen, hoeveel de werkgever ook om me geeft. Er wordt niet zomaar iets door de vingers gezien. Maar met deze externe factoren delf ik zelf het onderspit! Mijn persoon, wat mij waardevol maakt, wat ik zelf wil, moet verdwijnen. Ik moet doen alsof. Uiteindelijk word ik daardoor moe en overspannen. Externe motivatoren kunnen me dus niet werkelijk veranderen. Ze veranderen alleen maar wat ik aan de buitenkant laat zien.
Alleen onvoorwaardelijke acceptatie, onafhankelijk van mijn gebed, onafhankelijk van mijn gedrag, of mijn religiositeit, kan mijn motivatie van binnenuit veranderen. Alleen liefde kan ervoor zorgen dat ik werkelijk een ander mens wordt. Zo geldt het in menselijke relaties, zoals een huwelijk, ook. En dat betekent dat er geen dreiging is van straf, maar ook geen beloning die me als wortel voor de neus wordt gehouden. Alleen liefde. Oneerlijke liefde.

Het enige wat wij kunnen doen, is erop vertrouwen dat het teken van Jezus’ dood en opstanding betrouwbaar is en dat God werkelijk van ons houdt. En daardoor zal ons leven veranderen. We zullen onszelf gaan accepteren, ongezonde patronen zullen afzwakken, we zullen anderen zien als mensen die ook door God geliefd zijn en hen gaan respecteren, we zullen de stem van God willen horen die met liefde tot ons spreekt. En daarvan zullen we genieten. Dat is de enige beloning: dat de liefde waarop we vertrouwen meer en meer werkelijkheid voor ons zal worden en wij zelf meer zullen liefhebben.
Maar als we niet willen accepteren dat Gods liefde onvoorwaardelijk is, als we voorwaarden willen verbinden aan het geschenk van God, zullen we niet kunnen geloven dat we werkelijk geaccepteerd zijn zoals we zijn, zullen we anderen niet zien als geliefd door God, en zullen we bezig blijven met onze eigen systemen van straf en beloning. Dan zijn we als de oudste zoon van de vader, die op het veld bleef, buiten het feest, omdat hij de oneerlijkheid van de vader niet kon accepteren. En dat is dan onze ‘straf’.
Maar ‘straf’ is niet het juiste woord, want God dreigt er niet mee. Het is niet iets dat God ons zal aandoen als we per ongeluk tekort schieten. De vader staat aan het eind van de gelijkenis nog steeds bij zijn zoon en probeert hem over te halen toch naar het feest te komen. De vader straft niet. Hij is liefde. Het is een gevolg van zijn keuzes, een consequentie die deze zoon zelf over zich heeft uitgeroepen, door te weigeren de liefde van de vader te accepteren. En weigeren de sacramentele liefde van God te accepteren (de drijvende kracht onder de schepping), is kiezen voor het niets, voor de leegte, want buiten de scheppende kracht van de liefde is er niets. Daarom de beelden over de buitenste duisternis. Helaas suggereert Johannes in 3:19 dat er mensen zijn die de duisternis liever hebben dan het licht. En dat is gelijk hun oordeel, zegt de schrift.

Dus is het belangrijk welk beeld van God we uitdragen. Het is geen bijzaak, het is hoofdzaak. Het is wat het evangelie werkelijk ‘goed nieuws’ maakt. Greg Boyd zei het eens: als het te goed lijkt om waar te zijn, is dat een teken dat je de goede richting op denkt.

zondag 1 december 2013

Over de drempel (3): het voorbeeld van de ijsberg

Het verschil tussen de transactionele en de sacramentele blik op de werkelijkheid wordt door Robert Farrar Capon op de volgende manier inzichtelijk gemaakt: volgens hem zien wij God vaak als een kleermaker, die af en toe met zijn naald in de stof van de geschiedenis prikt. Op het moment van de schepping, van de uittocht uit Egypte, van Jezus’ leven en zijn dood en opstanding. Dat waren momenten dat God handelde en de koers van de gebeurtenissen veranderde, waarop dus bepaalde transacties plaatsvonden tussen onze natuur en Gods bovennatuur. Maar verder is God van ons gescheiden en verloopt de geschiedenis onafhankelijk van Hem. Maar een sacramentele visie ziet God als de werkelijkheid ‘onder’ de werkelijkheid, als de waarheid onder de geschiedenis. Dat wil zeggen dat zijn liefde en herstel de koers van alle gebeurtenissen bepalen, zodat uiteindelijk zijn koninkrijk verschijnt. En dit is nu al waar. Zijn liefde is de 'diepere magie' zoals Lewis het noemde. En op sommige momenten wordt deze realiteit al zichtbaar zichtbaar. God is als het ware de ijsberg die zich bevindt onder alle tijd en eeuwigheid, en die ondersteunt en voortdrijft. De schepping, de uittocht uit Egypte, Jezus’ leven, dood en opstanding, zijn niets anders dan de punten van de ijsberg die op sommige plekken boven het water uitsteken. Aan die punten kun je zien wat zich onder water bevindt.
De goddelijke daden in de geschiedenis zijn niet slechts de zeldzame interventies van een werkelijkheid die daarvoor niet aanwezig was”, zegt Capon in zijn boek Kingdom, Grace, Judgment. “Ze zijn eigenlijk uitgespeelde gelijkenissen -sacramenten, zo je wilt, ‘werkelijke aanwezigheid’- van een realiteit die er altijd al was, maar onzichtbaar ... Het totaal van het mysterie dat aan de schepping ten grondslag ligt, is aanwezig op elk moment dat deze sacramentale verschijningen van het mysterie plaatsvinden ... Precies zoals elke punt van de ijsberg die boven de golven uitsteekt, het zichtbare deel is van een en dezelfde ijsberg, zo is elke doorbraak van het mysterie in onze werkelijkheid een zichtbaar aspect van een en hetzelfde mysterie.”
En dat mysterie is dat God degene is die uit liefde schept. Dat we allemaal door God geliefd zijn, en dat we als we dood zijn door hem uit het graf zullen worden opgewekt. Ja, dat de hele schepping (die immers aan het eind van de tijd tot niets zal afkoelen) uiteindelijk zal worden vernieuwd. Het is een mysterie, omdat we niet kunnen uitleggen hoe dat gebeurt. Het is namelijk geen transactie, niet iets mechanisch, niet iets waar wij iets aan kunnen bijdragen. Het is zelfs niet tot stand gebracht door Jezus’ dood en opwekking. Jezus’ dood en opwekking zijn er het beeld van, een teken. Zoals je ziet dat het lente wordt als je de eerste krokussen ziet, zoals je weet dat het oogsttijd wordt als je de eerste rijpe aren kunt plukken, of als de eerste appel van de boom valt. Op die manier is Jezus de eersteling van hen die ontslapen zijn, de eerste oogst van de doden die zullen worden opgewekt. (Kolossenzen 1:18) Het herstel van alle dingen begint bij hem. Maar ook eindigt het in hem. Hij omvat alle dingen. Hij heeft de leegte genomen en die gevuld. Alles is in hem, door hem en tot hem geschapen. “Hij bestaat voorafgaande aan alles en alles bestaat in hem” (v17). En in hem is alles verlost. “Alles op aarde en alles in de hemel.” (v20). Zo groot is zijn verlossingswerk, zijn vernieuwingswerk. Het is letterlijk kosmisch, want het bevat het hele heelal. Maar tegelijk was het klein: te zien aan het kruis, waar Jezus stierf, om drie dagen later uit de dood te worden opgewekt. Daarom kan van hem gezegd worden dat hij het lam is, dat is geslacht, sedert de grondlegging van de wereld (vgl. Openbaringen 13:8 NBG). Zijn dood en opstanding waren een punt van de ijsberg, die boven water uitstak. Kleiner dan de ijsberg zelf (een enkel mensenleven), maar toch onmiskenbaar deel van de ijsberg. Hetzelfde materiaal. Zelfs dezelfde vorm, dezelfde glinstering. Dezelfde waarheid. Wie de punt van de ijsberg heeft gezien, weet hoe de ijsberg is. Jezus zei het: wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien. Heeft gezien dat God van eeuwigheid af al schept uit het niets. De onzichtbare man had even een hoedje op, zodat we hem konden waarnemen.

Laten we de metafoor van hierboven nu nog wat verder doortrekken: een punt van een ijsberg heeft zelf ook uitstulpingen, zelf ook punten en pieken. Als je van dichterbij kijkt zie je zelfs op deze punten onregelmatigheden. Toch bestaan de onregelmatigheden en de pieken ook uit ijs. Ze glinsteren. Ze hebben scherpe kanten. Je bent afgedaald naar een kleiner schaal - je kijkt naar decimeters in plaats van meters, maar je kijkt naar dezelfde ijsberg. Zo is het ook met de werkelijkheid. Want het mysterie van leegte en schepping, van dood en opstanding, speelt zich ook af op het niveau van ons leven. Dezelfde God die Jezus uit de dood opwekte, geeft ook ons eeuwig leven. Waar wij zwak zijn, is hij sterk. Als wij sterven, doet hij ons opstaan. Wat geldt voor de schepping als geheel, wat gold voor Jezus tweeduizend jaar geleden, dat geldt nu ook voor ons. Dit is het mysterie van het evangelie, van het goede nieuws dat de engelen al brachten toen Jezus werd geboren. We zijn deel van dezelfde ijsberg.
In een eerder blogbericht heb ik de beeldspraak van de fractal gebruikt. Je kunt op internet veel afbeeldingen vinden van fractals. Kort gezegd komt het hierop neer: in een fractal wordt steeds dezelfde vorm herhaald. Je ziet een groot silhouet, omgeven door kleinere silhouetten. Maar als je goed kijkt, hebben die dezelfde vorm als het grote silhouet, en ze worden zelf ook weer door nog kleinere silhouetten omgeven. En die zijn ook weer van dezelfde vorm. En worden ook weer door kleinere omgeven. En zo door. Tot in het oneindige. Als je het plaatje onder de microscoop zou bekijken zou je nog steeds dezelfde vormen tegenkomen. Als je vervolgens weer uit zou zoomen, zou je opmerken dat het grote silhouet eigenlijk is opgebouwd uit de kleinere silhouetten. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat we leven in een fractalwerkelijkheid. Kijk naar de natuur: overal zie je dat grotere vormen zijn opgebouwd uit kleinere, en die uit nog weer kleinere eenheden, en die uit nog weer kleinere, tot aan cellen en celorganellen toe. Het makkelijkst is dit te zien bij varenbladeren, of vertakt koraal, of in onze nieren. Maar het blijkt dat ook bijvoorbeeld de vorm van bergen met fractalformules te beschrijven is, en dus is het niet zo vreemd als ook ijsbergen eigenlijk fractals zijn: grote vormen, waarin kleinere vormen herhaald worden.
Volgens mij kun je deze beeldspraak toepassen op het evangelie. Het is een fractalwaarheid. De waarheid van schepping uit het niets, de creatie van leven uit liefde, die de grondslag is van onze werkelijkheid, wordt zichtbaar op het niveau van Jezus’ leven, zijn dood en opstanding. God die mens werd, die zich met ons identificeerde en net als ons dood ging, maar door liefde werd opgewekt. Op een niveau lager geldt deze waarheid dus voor ons, een niveau dieper in de fractalafbeelding: zoals Jezus stierf en opstond, sterven wij en staan wij op. Wij zijn het lichaam van Christus, de cellen die dood gingen en levend werden. Dezelfde waarheid is waar voor ons.

Maar de fractal heeft nog een dieper niveau, bijna microscopisch. Dat zijn de sacramenten. Ja, de naam zegt het al. De sacramenten zijn tekenen waarin op het niveau van materie (water, brood en wijn, maar ook de kerk die tegelijk het lichaam van Christus is) zichtbaar wordt wat waar is op het niveau van ons eigen leven, wat waar was voor Jezus in zijn dood en opstanding, en wat waar is op het allerhoogste niveau: de natuur van God, de Opstanding en het Leven. En zoals het ijskorreltje op de ijsberg bestaat uit ijs, en dus deel is van het grote geheel, zo is Jezus aanwezig in brood en wijn, en zo worden door de doop echt zonden afgespoeld.
Dat betekent echter niet dat het transacties zijn. Ik denk dat dit de vergissing is die ten grondslag ligt aan veel discussie over de sacramenten. Toen mijn vrouw en ik trouwden, zagen we het niet als een transactie. Onze liefde voor elkaar en de manier waarop we met elkaar omgingen veranderde niet door de ceremonie. Maar toch wilden we wel trouwen. We zouden niet minder van elkaar hebben gehouden als we niet waren getrouwd (en ons zou een hoop georganiseer gespaard zijn gebleven). Maar we wilden onze liefde zichtbaar maken. Zodat ook wij op dat ene moment konden terugkijken en weten dat onze liefde voor elkaar werkelijkheid is! Onze liefde is er niet van afhankelijk, maar toch konden we niet zonder.
Net zo brengen doop en avondmaal brengen zelf helemaal niets tot stand. Ze maken ons niet rechtvaardiger dan we al zijn. Ze maken ons niet heiliger en ze maken ook niet dat God meer van ons houdt of ons meer accepteert. Ze hebben geen magische kracht. Ze veranderen niets. Maar aan de andere kant zijn het niet slechts symbolen. Ze dienen niet om ons te laten terugdenken aan het verleden, of aan Jezus’ dood en opstanding, als veredelde geheugensteuntjes. Het hadden niet even goed andere symbolen kunnen zijn. Jezus zegt wel degelijk: ‘dit is mijn lichaam’ en ‘dit is mijn bloed’. En eerder had hij gezegd dat mensen om behouden te worden zijn lichaam moesten eten en zijn bloed moesten drinken (zie Johannes 6). Dat betekende niet dat hij kannibalisme promootte. Hij bedoelde (meen ik) dat in mensen hetzelfde moest gebeuren als met hem, namelijk dat ze moesten sterven en door God moesten worden opgewekt uit de dood. De waarheid die in hem werkzaam was  tijdens zijn leven, dood en opstanding, (dezelfde Macht, zie Efeze 1:20) moest ook werkelijkheid worden in onze levens.
Maar het feit dat de Romeinen de eerste christenen beschuldigden van kannibalisme is niet alleen maar een interessant historisch feitje. Het suggereert wel degelijk iets van de ernst van de sacramenten. Ze zijn niet ‘maar symbolen’, maar ze zijn tekenen. Tekenen van de waarheid. Wie zich laat dopen deelt dus in iets dat waar is, namelijk in Jezus’ dood en opstanding. Dat dit net zo waar is als je je niet laat dopen, doet niets af aan het teken. Net zo wie deelt in brood en wijn. Je bent net zo zeer deel van Jezus’ dood en opstanding als je niet aanzit aan het avondmaal. Wie aanzit, ervaart dus iets dat sowieso al waar is voor hem. Zonder dat hij of zij er iets voor hoeft te doen of te laten. Daarom dat het zobelangrijk is het avondmaal te ontvangen. Iedereen mag naar voren komen, jong en oud, man of vrouw, zondaar of heilige.
In de Anglicaanse kerk steken mensen hun linker hand op. De hand die niet handelt. De zwakke hand. Om duidelijk te maken dat ze niet op hun eigen kracht vertrouwen. De priester (zelf al een sacrament!) reikt het brood aan en zegt: ‘Het lichaam van Christus’. En degene die aanzit, antwoordt alleen: ‘Amen’. Want het is waar, of je nu dankbaar bent of niet. En dat is het enige. Ik ken kerken waarin mensen knielen bij een kruis waarop het avondmaal is uitgestald en zelf nemen van het brood dat daarop ligt. Dat maakt van het avondmaal iets transactioneels, in plaats van een sacrament. Juist het feit dat je ontvangt, zonder er iets voor te hoeven doen, maakt het een teken. De Anglicaanse kerk is op meer punten sacramenteel. Ook in de lezing van het woord. Men gelooft dat het woord zelf werkzaam is in mensen (een sacrament is), daarom dat de gemeente gaat staan als uit de evangeliën wordt voorgelezen. We ontvangen. We weten dat we niet zelf aan de waarheid kunnen bijdragen, ook niet door Bijbelstudie. We kunnen alleen open staan voor wat God van eeuwigheid af al in de schepping aan het doen is. Ik ben er blij mee.
Ik voel me niet een beter christen omdat ik aan het avondmaal aanzit. Het avondmaal in zichzelf doet niets. Het is geen transactie. God houdt niet meer van me omdat ik aanzit. Maar ik weet wel dat ik elke zondag naar de kerk wil gaan om deel te nemen aan het avondmaal. Omdat ik het nodig heb aan de waarheid herinnerd te worden. Ik moet mijn blik richten op de ijspunten om me heen, om me weer te realiseren dat er een ijsberg onder water is, die mij draagt en ondersteunt. Dat te realiseren is tegelijk het enige wat ik hoef te doen. En dat maakt dat ik mezelf kan accepteren, dat ik van andere mensen kan houden, en dat ik kan leven op de manier die past bij het nieuwe leven van de opstanding. Niet omdat ik het zelf doe, maar omdat ik vertrouw op God, die het van het eerste moment van de schepping al doet voor en in mij.

zaterdag 30 november 2013

Over de drempel (2): het teken van de slang

De onvoorwaardelijke liefde van God is van eeuwigheid af al realiteit, onafhankelijk van ons. Hij is immers gisteren en heden dezelfde, en tot in eeuwigheid. Het enige wat wij kunnen doen is ons openstellen voor deze eeuwige realiteit, dat wil zeggen: er in leven, leven alsof het waar is. Want we kunnen er niets aan veranderen.
Jezus zelf gebruikt het beeld van de koperen slang in de woestijn, die door Mozes werd opgetild, zodat iedereen hem kon zien. De slang drukte de genezing van God uit, die realiteit was. Je kon alleen ziek, ongenezen, blijven als je niet in die werkelijkheid wilde leven en bewust je ogen ervoor sloot. Je moest je ervan afkeren en je oogleden strak op elkaar houden om buiten de werkelijkheid van Gods genezing te blijven. Zo is het ook met Gods liefde, betoogt Jezus. God doet het regenen op goeden en op kwaden. Maar sommige mensen willen hun handen openen voor de regen, terwijl anderen proberen een schuilplaats te zoeken. Sommigen staan als kinderen open voor het koninkrijk van God. Anderen denken dat ze eeuwig leven kunnen krijgen door ‘goed te doen’, zoals de rijke jongeling in het Bijbelverhaal. Hij hield vast aan een transactioneel beeld van God, alsof ‘goed zijn’ iets te betekenen had, en daardoor bleef hij buiten het koninkrijk. De Farizeeën ook. Ze konden het niet verdragen dat de hoeren en tollenaars hen voor gingen in het koninkrijk, dat de laatsten net zo behandeld werden als de eersten, en dus bleven ze buiten. En door tegen anderen te prediken dat ze net als zij moesten worden, net als zij moesten Bijbellezen, naar de Synagoge gaan, tienden geven en goed doen, hielden ze mensen buiten het koninkrijk. Ze maakten dat mensen God gingen zien als werkgever, als iemand met wie ze transacties konden sluiten, en daardoor sloten deze mensen hun ogen voor de werkelijkheid van Gods liefde die al voor hen gold, ongeacht wat ze deden of geloven. Het zou beter voor ze zijn geweest om met een molensteen om de nek in zee te verdrinken, dan een van de ‘kleinen’ buiten het koninkrijk van God te houden.
Dit gold trouwens niet alleen voor Farizeeën. Het zijn namelijk niet alleen religieuzen die te trots zijn om zich open te stellen voor de realiteit van het koninkrijk van God. Een van de moordenaars die naast Jezus gekruisigd was, schold hem uit, en beledigde hem. De ander vroeg hem om aan hem te denken als hij zijn koninkrijk binnenging. Tegen hem zei Jezus: ‘Heden zult u met mij in het paradijs zijn.’ Niet omdat deze man iets had gepresteerd, of in de juiste leerstellingen had geloofd, of op een juiste manier berouw had gehad, maar omdat het waar is. De ander had er ook kunnen zijn, als hij niet had volgehouden dat het proces oneerlijk was en hij zijn lot niet verdiend had.

De Farizeeën en de moordenaar protesteerden allebei over oneerlijkheid. Maar als er iets waar is over het verlossingswerk van Christus, is het dat het in de kern oneerlijk is. Eerlijkheid heeft er niets mee te maken. Goeden en slechten, morele mensen en immorele mensen zijn allemaal door God geliefd. Er is geen onderscheid in het koninkrijk. Ook Paulus zegt dat er in Christus geen slaaf of vrije is, geen Jood of heiden, geen man of vrouw. In een andere passage, uit Romeinen, gaat hij zelfs verder: ‘Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus onze Heer’ (Romeinen 8:38v). Niets kan ons scheiden van de liefde van God. Niet ons weinige bidden of Bijbellezen. Niet ons gebrek aan liefde. Niet ons ongeloof, of onze twijfel. En al helemaal onze zonde niet. Sterker nog: Paulus zegt dat er geen veroordeling is, voor hen die in Christus Jezus zijn (8:1). Dat we gered zijn, is dus niet op grond van onze goedheid of onze werken. “Door zijn genade bent u gered, dankzij uw geloof. Maar dat dankt u niet aan uzelf; het is een geschenk van God en geen gevolg van uw daden, dus niemand kan zich erop laten voorstaan’, schrijft hij in de brief aan de Efeziers (2:8v). We hadden niets dat ons aangenaam voor God maakte, toen hij besloot voor ons in actie te komen. ‘God bewijst zijn liefde aan ons, doordat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaren waren’ (Romeinen 5:8). Paulus schakelt ons hier dus allemaal gelijk: het maakt niet uit of ze zondig zijn of niet, of we goed zijn of niet. Ongeacht van onze moraliteit of onze missionaire ijver, onze kerkgang, of de mate van ons geloof: Christus is voor ons gestorven. Ook al waren we allemaal de grootste zondaars: Christus is voor ons gestorven. “Des te zekerder is het dat wij nu we door zijn dood zijn vrijgesproken, dankzij hem zullen worden gered en niet veroordeeld.” (v9)
Deze passage zegt echter niet dat God nu opeens van ons kan houden omdat Christus voor ons gestorven is. Christus’ dood was niet transactioneel. Christus’ dood en opstanding waren een sacrament. Een sacrament waarmee God voor eens en altijd zijn liefde bewijst. Als God zelfs niet boos wordt als Jezus door Joden en Romeinen onschuldig wordt veroordeeld, wordt gemarteld en vernederd, wordt gedood als een misdadiger, wordt hij niet boos op ons. Sterker nog: het laat zien dat hij ook ons, die eenmaal dood zullen gaan, uit de dood zal opwekken, zoals hij Jezus uit de dood heeft opgewekt. We zullen leven, zoals Jezus nu al leeft voor God. We zitten zelfs met Hem in de hemelse gewesten, aan de rechterhand van God (vgl Efeze 2:6).

Wat de dood en opstanding van Jezus doen is dat ze de eeuwige realiteit zichtbaar maken. De realiteit van het Grote Verhaal. Het verhaal dat begon bij de schepping, toen God door zijn liefde de wereld schiep. Hij gaf dingen, dieren en mensen hun identiteit door hun naam te noemen. Dat is liefde. Scheppen is liefhebben. En die liefde is nooit opgehouden. De schepping bestaat omdat God haar liefheeft. Wij leven omdat Hij ons liefheeft. Hij onderhoudt alle dingen door het woord van zijn kracht. In Hem leven wij, bewegen wij, en zijn wij. We kunnen weten dat we door God geliefd zijn, puur vanwege het feit dat we bestaan. Dat God liefde is, wordt in ons zichtbaar. Dat is wat het betekent dat wij geschapen zijn naar Gods beeld, dat we beelddragers zijn.
Maar trots brengt ons ertoe dat we zelf willen oordelen over onze waarde of die van anderen (wat volgens mij het kennen van goed en kwaad is, of althans een van de vormen ervan). Het gevolg hiervan is schaamte, en gedrag dat hieruit voortkomt (zie Kain en Abel). Het kwaad kwam hierdoor de wereld in. Maar let op wat het verhaal uit Genesis zegt: niet dat God zich van de mens afkeerde, maar dat de mens zich uit schaamte van God afkeerde. Het kwaad heeft geen eigen realiteit. Het is leegte. Ontkenning. Duisternis. God liep namelijk nog altijd in de avondkoelte door de tuin. God riep de mens. De mens verstopte zich. De mens gaf anderen de schuld om de eigen trots in stand te willen houden. De mens wilde zich bedekken. De mens ging denken en geloven in goed en fout, in straf en beloning, in hemel en hel. De mens ging geloven in transacties. Het gevolg daarvan was dat hij zich afsneed van de liefde van God, die daar niets mee van doen had. En afgesneden van de bron van het leven, ervoer hij de dood.
De liefde van God veranderde echter niet door de keuze van de mens. Alsof er iets zou kunnen zijn dat de liefde van God zou kunnen veranderen. God blijft wat niet is door zijn woord tot aanschijn roepen, hij blijft wat dood is levend maken, hij blijft het zwakke de overwinning geven. En dus gaf hij al in het Oude Testament de belofte van het nieuwe verbond, een nieuwe werkelijkheid, waarin er vrede zou heersen, mensen de wet zouden kennen en hijzelf onder hen zou wonen. Hij beloofde de opstanding. En daarin zou ieder mens worden opgewekt. Ieder mens zou God kennen. Iedereen die dood was, zou weer leven. Als er over de eindtijd wordt gesproken in de bijbel, zien we dat iedereen uit de dood wordt opgewekt. Uiteindelijk zijn er alleen maar opgewekte mensen. Dat is de werkelijkheid. En die nieuwe werkelijkheid is volledig door God tot stand gebracht, niet door ons. ‘Er is er maar een die handelt. En God handelt alleen.’ (Galaten 3:20).
Maar hoe kon Gods volk worden overtuigd van de realiteit van deze belofte, hoe konden mensen gaan geloven dat God zou doen wat hij had gezegd? Mensen moesten een teken krijgen. Zoals Mozes de mensen het teken van de koperen slang had gegeven, gaf God zijn volk een teken. Omdat hij de wereld liefhad (dit was al realiteit!), zond hij zijn zoon. Zodat hij kon worden opgericht, net als de slang van Mozes, en iedereen die naar hem keek zou zien dat God de wereld liefhad. Jezus’ hele leven was een teken. Hij was de werkelijke Beelddrager van God, de ware mens: ‘In Hem schittert Gods luister, hij is zijn evenbeeld’ (Hebreeën 1:3). God werd zichtbaar in zijn geboorte (de engelen zongen niet voor niets dat God in mensen een welbehagen heeft. Dat is wat God door Jezus aan de wereld wilde laten zien), zijn gehoorzaamheid aan zijn ouders, zijn wonderen en tekenen, en zijn woorden. En in zijn dood en opstanding.
Dit teken gold voor iedereen, voor de hele wereld. Jezus zei het: ‘Wanneer ik van de aarde omhoog geheven word, zal ik iedereen naar mij toe halen’ (Johannes 12:32). Jezus identificeerde zich met ons, met onze zonde en onvolkomenheden, en met de dood die we allemaal sterven. Zijn dood was een beeld van onze dood. Omdat Jezus is gestorven in dezelfde dood die wij sterven, zijn wij allemaal met Jezus gestorven. We dalen in hetzelfde graf af als Hij. En omdat ze allemaal dezelfde dood sterven als Hij, zullen we ook allemaal net als Hij worden opgewekt. Wat voor ons geldt, gold voor Jezus. Wat voor Jezus geldt, geldt voor ons. Paulus schrijft: ‘De rechtvaardigheid van een enkel mens zal ertoe leiden dat allen worden vrijgesproken en daardoor zullen leven ... door de gehoorzaamheid van een mens zullen alle mensen rechtvaardigen worden’ (Romeinen 5:19).
Als Paulus zegt dat er geen veroordeling is voor wie in Christus Jezus zijn, bedoelt hij dus dat er geen veroordeling meer is. Punt. Want we zijn allemaal in Christus Jezus dood en opstanding betrokken. We zullen allemaal in een nieuw lichaam voor God staan. Er is niemand die niet geschreven is in het boek van het leven van het lam. We zijn allemaal met God verzoend in Jezus. Er is geen uitzondering. Als Jezus melaatsen kon aanraken en in zijn aanwezigheid accepteren, accepteert hij iedereen. In die zin ben ik dus inderdaad een Alverzoener.

Robert Farrar Capon heeft het ergens geschreven: er bestaan alleen maar vergeven mensen. Er bestaan geen niet vergeven mensen. De hemel en de hel zijn beide gevuld door vergeven mensen. Want ook de Farizeeën waren al vergeven. Ze waren al gerechtvaardigd. Zonder dat ze er iets voor konden doen. Ze vonden die realiteit alleen oneerlijk, en wilden er niet in leven. Ze bleven liever buiten de werkelijkheid van Gods liefde, dan te moeten toegeven dat die niets met hun goedheid, hun Bijbelkennis of hun geloof te maken had. Ze wilden hun handen niet openen voor de stroom van levend water die God over alle mensen uitstort. C.S. Lewis zegt in The Great Divorce dat de deur van de hel van binnenuit op slot is gedraaid. Dat er twee soorten mensen zijn: degenen die tegen God zeggen: ‘Uw wil geschiede’, en de mensen tegen wie God uiteindelijk zal zeggen: ‘uw wil geschiede’. Als de Farizeeër God niet had gedankt dat hij niet zo was als de Tollenaar, omdat hij ten minste wel zijn tienden gaf en de Sabbat hield, had hij ook gerechtvaardigd naar huis kunnen gaan. Hij was namelijk al gerechtvaardigd. En hij ging in diezelfde rechtvaardiging naar huis, maar hij weigerde die te accepteren. De tollenaar, die wist dat God oneerlijk is, gaf toe dat hij een zondaar was, en kon de rechtvaardiging die al voor hem gold wel accepteren. Dit is de reden dat ik niet zal claimen dat ik een Alverzoener ben, omdat ik niet weet of iedereen uiteindelijk zal kiezen te leven in de liefde van God, die al realiteit is. Maar ik hoop het wel. Het is in elk geval de enige hoop die ik zelf heb om terecht te komen in het koninkrijk van God.

Want als God eerlijk zou zijn, zou ik veel te veel tekort schieten. Ik bid immers nauwelijks, lees nauwelijks in de bijbel, heb moeite met de kerk, zet me niet heel erg in voor missionair werk, en vind dat ik ook in moreel opzicht tekort schiet. En ik vraag me heel vaak af of ik wel geloof en zo ja, waarin. Is mijn geloof wel groot genoeg als het mosterdzaadje dat nodig is? Ik heb van mezelf niets om een transactie mee tot stand te brengen. Dus ik ben blij dat God niet eerlijk is. Dat hij al van me houdt en me uit de dood laat opstaan, zomaar omdat hij het wil. Want alleen dat geeft me de vrijheid om mezelf te zijn, om te houden van God, andere mensen en mezelf, en te genieten van schoonheid, avontuur en intimiteit. Alleen die waarheid geeft me leven.

Wordt vervolgd ...

vrijdag 29 november 2013

Over de drempel (1): het beeld van het trouwen


Wie mij op andere sociale media volgt dan deze blog alleen, heeft meegekregen dat ik afgelopen maand getrouwd ben. Dat is gelijk een van de verklaringen voor de relatieve stilte op deze plek van het wereldwijde web. Nu begin ik langzaam weer mijn interesses en bezigheden op te pakken. Zoals het schrijven van lange overdenkingen en filmbesprekingen. En een trouwerij met alle symboliek en dynamiek eromheen biedt natuurlijk genoeg stof tot overdenkingen.
Een van de dingen die ons bijvoorbeeld opviel, was dat veel mensen gestrest en zenuwachtig zijn voor het trouwen. Wij ook trouwens, omdat er veel georganiseerd moest worden. Gelukkig hadden we ceremoniemeesters die ons het meeste werk uit handen haalden, en zelfs de nacht voor ons trouwen konden we allebei goed slapen! Maar andere mensen met wie we praatten vertelden dat ze voorafgaande aan het trouwen niet bang waren voor de dag zelf en de organisatie ervan, maar vooral voor het getrouwde leven. Ze waren bang dat hun relatie door het trouwen zou veranderen. Dat ze opeens in een bepaalde rol zouden moeten schieten of aan bepaalde verwachtingen zouden moeten voldoen. Dat de ander zich anders zou gaan gedragen. Dat de gesprekken die ze met elkaar zouden hebben niet meer dezelfde zouden zijn. Ze zagen hun trouwen dus als een daad die een verandering in hun leven tot stand zou brengen. Ze voerden een ritueel uit en zouden daarmee de werkelijkheid veranderen.
Zo zagen wij ons trouwen echter niet. Terwijl ons leven er wel door zou veranderen. We zouden immers pas bij ons huwelijk gaan samenwonen. Maar onze relatie werd niet veranderd door het trouwen. We hadden al lang onvoorwaardelijk voor elkaar gekozen, al toen we ons verloofden. En eigenlijk daarvoor ook al. We wisten ook al hoe ons leven er samen zou uitzien. Een leven van een gedeelde liefde voor schoonheid, verbeelding, betekenis, voor boeken, films en musea, voor diepe gesprekken, ontspannen lachen en ontmoetingen met vrienden. Ja, van te voren bleek dat er als je gaat trouwen heel wat van je verwacht wordt. Er gelden heel wat regeltjes als je de officiële boeken mag geloven. En er wordt druk op je gelegd om je te kleden of te gedragen op een manier die voor jezelf als ongemakkelijk of onecht overkomt. Dit heeft vooral mijn vrouw ervaren in de maanden voorafgaande aan het trouwen. Ze houdt zelf niet van het dragen van make up. Maar ze kreeg van heel wat mensen te horen dat je als bruid eigenlijk je zou moeten laten opmaken. Maar als ze dat zou laten doen zou ze zich de hele dag lang niet zichzelf voelen. Dat hele idee was nogal stressvol.
Daarom zijn we bij elkaar gaan zitten om met elkaar op te schrijven wat voor ons de belangrijkste levenswaarden zijn, en hoe we die in ons leven samen willen laten terugkomen. En we hebben besloten dat ons huwelijk een uitdrukking moest zijn van deze levenswaarden. We gingen dus niet voldoen aan maatschappelijke verwachtingen bij een bruiloft, maar vierden een feest dat bij ons en ons leven samen paste. Dat betekende in dit geval: middeleeuwse en fantasy-kleding (een cape!), zwaarden, middeleeuwse appeltaart, Disney-muziek, pannenkoeken ‘s middags, en ‘s avonds samen op de bank met een film. En er moest mede zijn! Onze bruiloft had de sfeer van een fantasyfestival als Castlefest, een plek waar we meerdere malen hebben ervaren dat we helemaal onszelf konden zijn. En we droegen geen make up. Daardoor voelden we ons uiteindelijk helemaal onszelf op ons trouwen. Helemaal niet ongemakkelijk. Ik heb al een paar foto’s gezien, en we staan er allebei breed lachend op, helemaal stralend, en geen enkele ‘gemaakte’ glimlach. De mensen die kwamen, hebben gezien hoe wij willen leven. En wij zelf hebben een beginakkoord gegeven voor ons huwelijk. Een beginakkoord waar we steeds op terug kunnen vallen.
Om het kort te houden: voor ons was ons huwelijk geen daad waarmee we iets in de werkelijkheid veranderden, het was een handeling waarmee we voor anderen (en onszelf) zichtbaar maakten wat al realiteit voor ons was. En daarom hoefden we niet zenuwachtig te zijn voor wat ging volgen, want dat was precies dat wat we op ons huwelijk uitdrukten.

Voor deze twee benaderingen van een huwelijk blijken namen te bestaan. De eerste benadering is ‘transactioneel’. Het idee is dat er een transactie plaatsvindt. Een transactie, zoals in de winkel, waar we geld geven en daar een product voor terugkrijgen, of zoals in de rechtbank, waar we veroordeeld worden en een boete moeten betalen. We doen iets, beloven iets, geven iets op, en daarmee brengen we iets tot stand. We vormen een nieuwe werkelijkheid, een die afhankelijk is van onze keuze, onze daad. De tweede benadering is ‘sacramenteel’. Het idee is dan dat er geen transactie plaatsvindt, maar dat in wat wij doen of beloven een werkelijkheid zichtbaar wordt die al bestaat, onafhankelijk van de daad of de belofte zelf. Zo kunnen mensen even zien wat de werkelijkheid is. Maar die werkelijkheid is op geen enkele manier afhankelijk van de keuze. Bianca en ik hadden al een relatie die bestond uit fantasie, verbeelding, pannenkoeken, symbolen en diepe gesprekken. Die hadden we voor ons trouwen. Die hebben we na ons trouwen. En door ons trouwen weten onze vrienden en familieleden ook hoe onze relatie er uitziet. Ze kunnen nu niet meer denken dat we een braaf ‘huisje, boompje, beestje’-leven ambiëren. Ons huwelijk was een sacrament.
Een van mijn favoriete auteurs, Robert Farrar Capon, beschrijft in zijn boek The Romance of the Word de functie van een sacrament met het voorbeeld van een onzichtbare man. Hij loopt door een menigte. Hij is er, hij is werkelijkheid, hij bestaat, maar je kunt hem niet zien. Je kunt zelfs niet weten dat hij er is. Tot hij een hoedje opzet. Dan zie je het hoedje en kun je aanwijzen waar de onzichtbare man zich bevindt. Tot hij het hoedje af zet. Dan zie je hem niet meer, maar je weet wel dat hij er is, dat hij werkelijkheid is, ongeacht of jij hem ziet of niet. Toen wij trouwden, zette de onzichtbare realiteit van onze gedeelde liefde even een hoedje op. Iedereen kon hem zo even waarnemen. En nu, na ons trouwen, is onze liefde voor anderen weer onzichtbaar geworden, maar als ze terugdenken aan ons huwelijk kunnen ze zich weer te binnen brengen waar onze relatie om draait. En wij ook.

Sacrament is een woord dat ook in de kerk veel gebruikt wordt. En het onderscheid tussen de twee visies op het trouwen dat ik hierboven schetste, geldt volgens mij ook in het geloof. Veel christenen hebben een transactioneel beeld van de werkelijkheid. Voor wat, hoort wat. Ze geloven dat op de een of andere manier wat wij doen of denken een verandering kan brengen in de liefde en acceptatie van God. Ze geloven dat wij door onze keuzes de werkelijkheid kunnen veranderen. De komst van Jezus en zijn dood en opstanding zien ze vervolgens ook als een transactie. Er werd een ‘deal’ gesloten, er werd iets betaald, en mensen die eerst niet gered waren, waren gered, wie ten dode waren opgeschreven, waren nu voor het leven bestemd. Mensen die buiten Gods aanwezigheid waren, bevonden zich opeens in zijn aanwezigheid. Maar om de transactie van Jezus’ offer geldig te maken, moet een nieuwe transactie plaatsvinden. Mensen moeten iets doen, kiezen of geloven om in het voordeel van zijn werk te kunnen delen. Het kan van alles zijn: van intellectueel instemmen met een leerstelling, van een psychologisch kunststukje waarbij je jezelf overtuigd van een waarheid die je niet kunt zien, van het geven van geld in de collecte, of het inzetten voor liefdadigheidswerk en ‘missionair christen zijn’. Wij doen iets, en daarmee zorgen we dat we de grens oversteken tussen niet geredde mensen en geredde mensen, tussen mensen die naar de hel gaan en mensen die naar de hemel gaan. Er vindt een transactie plaats.
Dit soort denken zit heel diep. Laatst vertelde mijn jongere broer me bijvoorbeeld dat iemand bij hem uit de kerk mijn blog had gevonden en had gelezen. Hij vond dat ik mooie dingen zei, maar maakte zich zorgen dat ik in ‘alverzoening’ zou geloven. Ik ben daar helemaal niet over uit, maar mijn vraag is vooral: waarom is dat nou zo belangrijk voor sommige mensen? Zou het zo erg zijn als uiteindelijk ieder individu deelt in de aanwezigheid van God? Waarom zou je er zo’n punt van maken?
Het is als de landarbeiders in de gelijkenis die Jezus vertelt, die van de landman de belofte van een dagloon hadden gekregen. Ze hadden een hele dag gewerkt en kregen inderdaad hun geld. Ze werden echter boos toen anderen, die maar een uur hadden gewerkt (en bovendien de nietsnutten waren die door geen enkele landman waren aangenomen tijdens de dag) precies dezelfde betaling kregen. Ze hadden zich namelijk het idee eigengemaakt dat er sprake was van een transactie: ze verrichtten een bepaalde hoeveelheid werk, en daar hoorde een bepaald geldbedrag bij. Dus was het oneerlijk dat de anderen met zo weinig werk hetzelfde verdienden. Net zo vinden mensen het oneerlijk als er mensen in Gods aanwezigheid zouden komen die niet een keuze voor hem hebben gemaakt, die niet hebben geloofd, niet naar de kerk zijn geweest, of niet de harde morele keuzes hebben gemaakt die zij hebben gemaakt. Ze zien hun eigen overtuiging, geloof, liefdadigheid of kerkgang namelijk als deel van een transactie, als iets wat zij verrichtten om de werkelijkheid te veranderen: namelijk of ze door God aangenomen zijn of niet. Maar als ik de bijbel goed begrijp, is dat niet iets wat je kunt verdienen. Jezus maakt in zijn gelijkenissen duidelijk dat verdienen van Gods aanvaarding niet mogelijk is. Niet voor de bruiloftsgasten op het feest van de koning, niet voor de broer van de verloren zoon, die dacht dat hij door zijn werken recht had op een feestje, en niet voor de landarbeiders. Ze kregen hun dagloon niet omdat ze ervoor gewerkt hadden, maar omdat de landman het ze wilde geven. En net zo wilde hij het geven aan degenen die niet gewerkt hadden. Net zo kreeg de jongste zoon een feestelijk onthaal, niet omdat hij dat verdiend had, maar omdat de vader het hem wilde geven. En de gasten op het bruiloftsfeest kregen witte kleren en een feestmaal, niet omdat ze een goede afkomst hadden of aan de maatschappij hadden bijgedragen, maar omdat de koning ervoor gekozen had ze onder de heggen en struiken vandaan te slepen.
Jezus leek met die gelijkenissen te willen zeggen dat het niet mogelijk was voor een mens om door een transactie de gunst van God te verkrijgen. En het maakt niet uit om wat voor transactie het gaat: missionair zijn, bijbel lezen, bidden, de juiste leerstellingen geloven of geloven op zichzelf. En nee, dat is niet eerlijk. Vooral niet als je zelf van leerstellingen overtuigd bent, veel geloof kunt opbrengen, bidt en in de bijbel leest en je inzet voor allerlei activiteiten. Jezus kreeg dan ook veel kritiek en vooral van de religieuze mensen. De Farizeeën. Zij waren de mensen die God dankten dat ze niet waren zoals de tollenaars, dat ze hun tienden gaven (zelfs van de tuinkruiden) en de schrift kenden, de sabbatsregels hielden en zo voorts ... En ze dankten daarvoor in het openbaar, zodat anderen het ook wisten. Het was niet zo dat de Farizeeën ketters waren, of niet in God geloofden. Ze geloofden in dezelfde God in wie Jezus geloofde, en geloofden zelfs in de opstanding (een feit dat Paulus een keer uitbuitte om ze tegen de Sadduceeën op te zetten). Ze hadden het theologisch bij het juiste eind, en bovendien zetten ze zich in voor de toenmalige kerk (de synagoge), het geestelijk onderwijs (ze onderwezen kinderen), en de morele rechtschapenheid van het volk (ze hadden nog extra regels gemaakt bij de wet, en zorgden dat mensen zich er aan hielden). En ze deden ook nog eens aan liefdadigheid! Er was niets op hen aan te merken. Behalve dat ze een transactioneel beeld van de werkelijkheid hadden (en dus van God) en niet een sacramenteel beeld.

Wat ze deden en dachten, hun morele rechtschapenheid en hun tomeloze inzet voor de maatschappij, had echter  geen invloed op God en op de manier waarop God over hen dacht. Want God hield al van hen voordat ze ook maar iets hadden geloofd, of ook maar een keer naar de synagoge waren gegaan. Ze waren al geaccepteerd, ze waren al vergeven en binnengelaten in het koninkrijk voor ze ook maar een keer een tiende hadden gegeven of zich aan een regel hadden gehouden. Net zoals de hoeren en tollenaars al waren geaccepteerd, waren vergeven en waren binnengelaten in het koninkrijk voor ze ook maar een beetje spijt hadden gehad of hun leven hadden verbeterd. Zoals de overspeligen en melaatsen geliefde kinderen van God waren ook toen ze ziek en overspelig waren.

Wordt vervolgd ...

zondag 24 november 2013

Gedicht: Op Rothko

Gedicht: Op Rothko

Ik was overmoedig. Dacht
je werk te confronteren
met ogen kritisch en woorden scherp
in mijn arsenaal. Gewaarschuwd
maar niet gelovend trad ik in
de touwen van jouw beelden binnen,
keek rond op zoek naar de symbolen
die me zouden richten. Ik schrok.
De aanval kwam van alle kanten.
Mijn adem stokte, tong verdorde.
Mijn antwoord was machteloos en
geen waarheid kon me dragen.
Je sprak. Misselijke kleuren
sloegen mij knock out. Gevangen
in jouw visioen. Gesloten ramen.
Zwart licht achter mijn ogen.
Het was genoeg. Verslagen
week ik terug. Naar buiten in het licht.
Mijn blik viel op de witte koepel
tegen de blauwe lucht. De handdoek.
De strijd is al voor mij geleverd.