dinsdag 27 november 2012

Boekbespreking: Waarom zijn wij anders?

Ik dacht altijd dat ik een makkelijke reiziger was. Ik pas me namelijk snel aan, stel niet te veel eisen aan mijn omgeving, laat mijn gastheren hun gang gaan. Daarom maakte ik me niet te veel zorgen toen ik een paar jaar geleden op reis ging naar India. Dat kon niet zo veel anders zijn dan de westerse landen waar ik eerder geweest was, meende ik. Ik zou verblijven bij Indiase mensen thuis, en met hen meegaan naar kerken en bijbelkringen, in de stad en op het platteland. De ervaring bleek anders dan ik me had voorgesteld - nog afgezien van de typische reizigersproblemen zoals problemen met de spijsvertering. Ook al spraken deze mensen goed Engels, we leken elkaar soms toch niet te begrijpen. Wat betekende bijvoorbeeld die vreemde hoofdbeweging, tussen “ja” en “nee” in? Waarom wilden ze me bij het eten altijd meer opscheppen? Waarom liepen ze zo snel door het museum zonder ergens lang stil te staan? Waarom stelden ze al die vragen over mijn familie en of ik wel of niet getrouwd was? Gelukkig voor mij hadden deze families vaker westerse gasten gehad. Want ik vond hen wat vreemd reageren, maar zij moeten mij helemaal apart hebben gevonden. Ik gedroeg me als een olifant in een porseleinkast. Wist ik veel dat ze altijd alles aan een gast aanbieden en dat die gewoon vasthoudend ‘nee’ moet zeggen? Ik had juist geleerd dat het beleefd was om ‘ja’ te zeggen! Communicatie over de grenzen van de cultuur heen bleek nog niet zo makkelijk.
Het boekje Waarom zijn wij anders? was een feest van herkenning. Eindelijk begreep ik waarom de mensen in India niet zo direct antwoord gaven op vragen: onderlinge relaties zijn voor hen belangrijker dan het individuele gelijk. En ik zag ook in dat ik me niet als zo’n goede gast had gedragen als ik van mezelf had gedacht. Mijn manier van beleefdheid was niet de hunne.
De schrijfster van dit boekje heeft veel ervaring met leven en werken in andere culturen, niet als wetenschapster, maar als ervaringsdeskundige. De onderverdeling die ze maakt is niet gebaseerd op officieel onderzoek, maar op haar eigen waarnemingen. Maar daardoor is ze wel herkenbaar. Ze verdeelt de wereld in ‘warme’ en ‘koude’ culturen. Wij leven in Nederland in een ‘koude’ cultuur, de mensen in India leven in een ‘warme’ cultuur. Wij zijn meer individualistisch, direct, gericht op kennis, waarheid, prestatie, bezit. Zij zijn meer groepsgericht en concentreren zich op het in stand houden van relaties, een gemoedelijke sfeer en de familie. En als die twee culturen bij elkaar komen, botst het.
Waarom zijn wij anders? is gelardeerd met mooi vertelde voorbeelden. Zoals van de immigrante die door haar westerse collega’s meegevraagd werd voor de lunch. Ze zei ‘nee’ en dus lieten ze haar doorwerken om zelf wat te gaan eten. Vervolgens voelde ze zich eenzaam. In haar cultuur was het namelijk gebruikelijk dat je ‘nee’ zei op een uitnodiging, omdat je jezelf niet aan een ander wilt opdringen, en dat je pas meegaat als de ander meermalen aandringt. In het westen gaan we ervan uit dat iemand die ‘ja’ zegt, ‘ja’ bedoelt en iemand die ‘nee’ zegt, ‘nee’.
Het is niet zo dat de ene cultuur beter is dan de andere. Ook onze ‘koude’ cultuur heeft voordelen. In het boekje bestaat het verhaal van een Marokkaan die na jaren terugging naar zijn thuisland, en zich vervolgens ergerde aan het feit dat hij nergens in huis een plekje had voor zichzelf, waar hij rustig kon werken, maar dat er altijd mensen in de buurt waren. Het zijn dus niet alleen de koele kikkers uit het westen die zich moeten aanpassen. Mensen uit beide culturen worden uitgedaagd elkaar beter te leren kennen, de goede aspecten van de ander te gaan waarderen en de eigen aannames en gewoontes eens kritisch onder de loep te houden.
Iedereen kan baat hebben bij dit werkje. Wie naar een andere cultuur op reis gaat doet er goed aan zich voor te bereiden op de verschillende interpretaties en leefwijzes. Maar ook wie in Nederland in contact staat met mensen uit ‘warme’ culturen -collega’s, moeders op het schoolplein, mensen in de kerk- heeft baat bij dit boekje en leert op welke manier hij of zij op een goede manier gastvrij kan zijn. Of in elk geval zich niet hoeft te ergeren aan de andere gebruiken van zijn of haar medemens. Ook al wordt de vraag van de titel nooit echt beantwoord (het boek bevat geen antropologische verklaring van de verschillen tussen de culturen), als handreiking om met anderen om te gaan toch van harte aanbevolen.

zondag 25 november 2012

Filmbespreking: Beasts of the Southern Wild

Tijdens mijn christelijke opvoeding kreeg ik nogal eens het volgende verhaal te horen: in je hart wonen twee honden, een witte en een zwarte, die met elkaar vechten. Wie er wint, is ervan afhankelijk wie je het meeste te eten geeft. De zwarte hond is je oude menselijke natuur, de witte hond is de nieuwe mens, de nieuwe natuur die je hebt gekregen toen je tot geloof kwam. Dit voorbeeld deed me ongemakkelijk voelen en leidde tot perfectionisme, schuldgevoel en uiteindelijk tot overspannenheid. Want niet alleen legt het de verantwoordelijkheid voor mijn lot helemaal bij mij neer (ja, God heeft je een nieuw hart gegeven, maar het hangt van jou af of die de strijd met de oude natuur kan winnen), het was ook nog eens onduidelijk wat tot de oude en wat tot de nieuwe natuur behoorde. In mijn (toegegeven subjectieve) beleving behoorde al het ‘menselijke’ tot de oude natuur en alleen het ‘geestelijke’ tot de nieuwe natuur.
De oude mens, dat waren mijn verlangens naar avontuur, schoonheid, verhalen, mijn gerechtvaardigde boosheid, mijn creativiteit en seksualiteit. Alles wat mij van nature in beweging bracht, alles wat mij deed vibreren, al het wilde in mij was slecht en mocht niet worden gevoed, want o wee, het kon wel eens de overhand behalen. Ik mocht van mezelf geen films meer kijken en geen spannende boeken meer lezen, laat staan ze schrijven. Elke vorm van verlangen drukte ik de kop in. Zelfs naar het strand gaan zat er niet meer in, want wat als ik dan aantrekkelijke vrouwen zag?
De nieuwe mens was een braverik die zich alleen maar bezighield met bidden, bijbellezen, kerkgang en evangelisatie. Die voedde ik door elke dag vijf hoofdstukken uit de bijbel te lezen, een bijbeltekst te memoriseren, een half uur te bidden en twee uur bijbelstudie te doen. En door elke kerkelijke bijeenkomst te bezoeken. Dat dit op termijn niet goed afliep, zal de lezer duidelijk zijn. ‘Je kunt niet langer in tweeen gesplitst zijn’, zegt Frodo in de film Return of the King tegen zijn vriend Sam. Zo ervoer ik het ook. Ik was uitgeput geraakt van de strijd die ik elk moment van de dag voerde in mijn binnenste. Ik was opgebrand door de oorlog tegen een vijand die ik eigenlijk zelf was - het waren immers mijn wilde, brandende verlangens die ik probeerde uit te roeien. Het was mijn leven dat ik probeerde uit te blussen. Zo kon ik niet door. Ik moest een worden. Een mens, een ongedeeld persoon. Alleen dan kon ik rechtop in het leven staan en de uitdagingen die daarbij horen het hoofd bieden. Ik verlangde naar coherentie.

Aan dit voorbeeld moest ik denken bij het kijken van Beasts of the Southern Wild, een prachtige onafhankelijke film, die gelukkig ook in Nederland in de bioscoop heeft gedraaid. Ergens in een moeras in het zuiden van de Verenigde Staten houdt een gemeenschap van armen en uitgestotenen zich staande. Ze leven buiten de gevestigde maatschappij. Letterlijk, want die bevindt zich achter een dijk, die de zee en de natuur buitengesloten houdt. Hier groeit het meisje Hushpuppy op. Haar moeder is verdwenen. Haar vader drinkt en schreeuwt tegen haar. Maar ze heeft haar huisdieren, en waar achter de dijk maar een paar keer per jaar feest wordt gevierd, is in de Bathtub elke dag een feestdag en brengt iedereen samen wat hij heeft. Het is een ruig leven, maar niet slecht. Op een dag barst er een storm los, een orkaan. De meeste inwoners van de Bathtub zijn gevlucht, maar een paar zijn gebleven, inclusief Hushpuppy en haar vader. In de overstroomde, zoute wereld moeten zij zien te overleven. Maar waarom liep de vader van Hushpuppy rond in ziekenhuiskleding? En waarom ziet ze zelf visioenen van prehistorische runderen, de aurochs, die steeds dichterbij komen?

De film is absoluut een aanrader. Hij heeft de sfeer van een apocalyptische film, met mensen die overleven in barre omstandigheden en een dreigende samenleving aan de andere kant van de dam (hoewel het niet duidelijk is in wat voor tijd de film speelt - ik koos er echter voor de film te zien als een sciencefiction: vooral het element van de dam heeft een SF-aspect). Dit is gekoppeld met magisch realistische beelden - wat te maken heeft met het feit dat de film wordt verteld uit het gezichtspunt ven een jong meisje. Hushpuppy en haar vader -of liever de acteurs die hen spelen - hadden beide nog niet eerder geacteerd, maar ze leveren een ongelofelijke prestatie. Beide zijn volledig overtuigend - de frustratie en onredelijkheid van Hushpuppy, gekoppeld aan haar respect voor de natuur en andere mensen, en de machteloosheid en woede van haar vader, die zeker geen goede opvoeder is, maar wiens ogen soms een hulpeloze liefde voor zijn dochter uitstralen. Ook de andere personen in het verhaal zijn echte karakters. Ik moet zeggen dat ik een zekere emotionele afstand ervoer - Hushpuppy maakt het niet makkelijk met haar mee te leven, door haar wat harde manier van doen (ik moet erbij zeggen dat degene met wie ik de film zag de afstand niet ervoer, dus misschien ligt het aan mij). En ik had gehoopt op Aurochs die meer op Aurochs leken - dit waren fantasiewezens. Daarom niet minder indrukwekkend, en ze waren ook bedoeld als beelden uit Hushpuppy’s verbeelding, maar ja, ik ben en blijf een paleontologieliefhebber.

Een van de filmcritici waar ik veel van lees, was niet zo gecharmeerd van deze film. Hij meende dat de gemeenschap van de Bathtub op een onverantwoordelijke wijze de hulp van de meer beschaafde mensen weigerde en dat de wereld die hen uit hun woonplaats evacueerde en in een opvangcentrum onderbracht, ten onrechte als kil en onmenselijk werd afgeschilderd. Bovendien dacht hij dat de les die Hushpuppy uiteindelijk leerde niet een goede was: dat ze een naturalistische levensvisie omarmt, waarbij mensen leven en sterven als dieren en er niet meer is in het leven dan de sterkste zijn. De film heet volgens hem niet voor niets ‘Beasts of the Southern Wild’. Met de nadruk op het eerste woord. Maar ik kan het niet met deze interpretatie van de film eens zijn. En hoewel deze filmrecensent in geen enkel opzicht fundamentalistisch is (ik waardeer heel erg zijn fantasyverhalen en zijn boek over films) is hij volgens mij gevallen in dezelfde verwarring als de goedbedoelende kerkmensen die mij over de witte en de zwarte hond vertelden. Een verwarring die uiteindelijk voortkomt uit een foutief beeld van wat de oude en de nieuwe natuur ten diepste inhouden.
En ja: ik ben het met hem eens dat er een negatieve kant zit aan de vasthoudendheid waarmee deze mensen elke vorm van hulp weigeren en liever in totale armoede leven op een overstroomd terrein dan ‘gedomesticeerd’ te worden - op een bepaald moment moet je je eigen hoogmoed aan de kant zetten en voor je laten zorgen. Aan de andere kant zit er vaak een betuttelend aspect aan hulpverlening - die suggereert at deze mensen op de een of andere manier ‘minder’ zouden zijn, en die tegelijk denkt dat mensen automatisch beter af zijn als ze leven volgens de principes van de westerse welvaartscultuur. De film ‘Intouchables’ illustreerde eerder dit jaar al dat een houding van medelijden degene die verzorgd moet worden, zijn of haar waardigheid ontneemt. Hij of zij wordt niet meer behandeld als volwassen mens die de controle heeft over het eigen leven, maar als slachtoffer die zelf niet weet wat goed voor hem of haar is en de beslissingen van de ander maar heeft te accepteren. De identiteit is van die van een uniek persoon gereduceerd tot die van ‘hulpbehoevende’. Maar een mens is een mens, en moet dus met respect behandeld worden. Ook als hij hulp nodig heeft. Zowel Intouchables als deze film laten volgens mij zien dat mensen liever respect krijgen dan als zorgproject te worden beschouwd.
Bovendien is onze westerse maatschappij ook niet zo geweldig als we soms lijken te denken. Ja, we zijn welvarend en gezond - maar zijn dat inderdaad de hoogste doelen die je kunt bereiken? Welke prijs betalen we ervoor? Overspannenheid? Depressie? Oppervlakkige relaties? Verslavingen? Maakt geld echt zo gelukkig? Het moeten meedoen in het eeuwige streven naar populariteit, macht en invloed is uitputtend. Carriere moeten maken, het ideale gewicht moeten hebben, de sociaal aanvaardbare activiteiten ontplooien ... Ik geloof dat er waarden zijn die belangrijker zijn dan deze, en dat die het waard zijn om na te streven ook als je daarvoor een deel van je welvaart moet opofferen en misschien minder oud wordt dan je had kunnen worden. Ook al is er in de Bathtub genoeg mis, ze hebben in elk geval een paar van deze waarden: gemeenschap, elkaar helpen, samen vieren. Het is inderdaad waar dat ze er zo vaak mogelijk samen feest vieren. Ze leven! Ze hebben een hartslag. En om eerlijk te zijn vond ik in dat beeld wel wat aantrekkelijks zitten, zelfs als je ervoor in een krot moet wonen.
En ja, Hushpuppy’s vader leert haar zeggen: ‘Who’s tha man? I’m tha man!’ En laat haar haar spierballen tonen. Maar dat is niet alles wat Hushpuppy meekrijgt. De (toegegeven eccentrieke) onderwijzeres knoopt het haar in de oren: dat ze vanaf het moment van de crisis moet zorgen voor wie kleiner en zwakker is dan zij. Dat is niet een boodschap van het recht van de sterkste, maar een van liefde. Van er zijn voor de ander. En Hushpuppy neemt deze boodschap in zich op. Ze gaat bovendien aan het eind van de film vrij ver om inderdaad iemand te helpen die te zwak is geworden om zichzelf te helpen. Ze deelt met hem een maaltijd, op een manier die volgens sommige recensenten doet denken aan het laatste avondmaal.

Er is in de film een (soms letterlijke) strijd gaande tussen de ‘oude natuur’ van de bewoners van de Bathtub: vrijheid, genieten, samen eten en drinken, een stuk passie, en de ‘nieuwe natuur’ van de mensen achter de dijk: klinische onpersoonlijke benadering, meedoen met de ‘ratrace’, doen wat van je verwacht wordt. De strijd leidt alleen maar tot schade en vernietiging. Het is echter een valse strijd. Want de echte ‘nieuwe natuur’ is niet het vernis van de westerse beschaving, het is niet een manier van leven, het voldoen aan verplichtingen (of ze nu religieus zijn of de verplichtingen van onze maatschappij). De echte ‘nieuwe natuur’ is wat Hushpuppy al uitleeft: het respecteren en liefhebben van de ander, juist als die kleiner en zwakker is dan jij. Dat is de nieuwe natuur!  Het is niet ‘geestelijk gedrag’, maar een ‘nieuw hart’. En de oude natuur is niet het verlangen naar vrijheid, het samen feesten en samen drinken, het wilde leven in de buitenwereld. De oude natuur is zelfzucht en het niet respecteren van mensen. Het is niet een ‘zondig gedrag’, maar een liefdeloze houding van het hart.
Maar de houding van het hart kan niet via de benadering van strijd worden veranderd. Het beeld van de honden gaat hier niet op. De houding van het hart kan alleen veranderen doordat onze verlangens veranderen, doordat onze ontmoeting met de werkelijkheid van Christus ons daadwerkelijk liefde en respect geeft voor de ander. Het nieuwe gedrag komt daar vervolgens vanzelf uit voort. Zowel onze ‘wereldse’ als onze ‘geestelijke’ levens gaan erdoor veranderen. Je kunt namelijk bijbellezen vanuit de ‘oude mens’ en feesten vanuit de ‘nieuwe mens’.
Wat er in dat proces gebeurt is niet te beschrijven in termen van strijd, maar juist in termen van heelwording, van genezing en herstel. Van gedrag gaan vertonen dat bij je past, en gedrag afleggen dat niet past bij wie je werkelijk bent, zodat je uiterlijke mens gaat lijken op wie je werkelijk bent. Zodat de gespletenheid verdwijnt. Dit is ook hoe de bijbel over de oude en de nieuwe mens praat. Strijd leidt daarentegen juist tot gespletenheid, er zijn geen partijen die door een ruzie een eenheid zijn gaan vormen. De eenheid wordt bereikt door iets anders: liefde. In deze film gaat Hushpuppy uiteindelijk op reis om haar moeder te vinden, naar wie ze het steeds opnieuw uitschreeuwt, naar wie ze verlangt. En uiteindelijk vindt ze haar (of iemand die erop lijkt). En voor de tweede keer in haar leven wordt ze omarmd en opgetild. Ze wordt voor het eerst gekoesterd in de liefde van deze vrouw. En als ze terugkeert, is haar rug recht en is er geen sprake meer van strijd. De liefde van haar moeder stelt haar in staat de oerrunderen die komen aan galopperen het hoofd te bieden, en ze hun juiste plaats in haar bestaan te laten innemen. De strijd is voorbij. Ze kan nu beginnen met leven.
Net zo is het Gods liefde alleen die ons kan integreren, die ons coherent kan maken. De ervaring door God gekoesterd te worden, door God geaccepteerd te worden, de omhelzing van de hemelse Vader (of ook wel Moeder), die geneest ons hart en laat wat niet echt in ons is (de ‘oude natuur’) wegsmelten. We weten pas wie we werkelijk zijn (onze ‘nieuwe natuur’) als we in de dans van de drie-eenheid worden opgenomen. En welke bedreiging dan op ons afkomt: of het de storm is die naar het vasteland komt, de woede van een dronken vader, de dodelijke ziekte die hem treft, de Aurochs die aan komt rennen - ze kunnen ons niet meer onze waardigheid laten verliezen. We weten immers wat onze plek is in het heelal. We weten wat onze identiteit is. We zijn geliefd. En uit die basis kunnen we gaan beginnen met leven.